Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5172

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-11-2016
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
200.165.918/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:4260
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

omgang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 17 november 2016

Zaaknummer: F 200.165.918/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/04/122667 / FA RK 13-533

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S.R. van Laar,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H.G.M. Hilkens.

5 De beschikking d.d. 22 oktober 2015

Bij die beschikking heeft het hof, voor zover thans nog van belang, de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden van omgang tussen de vader en [minderjarige] en de draagkracht van ieder der ouders ter zake.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 september 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. M.R. Roethof, namens zijn kantoorgenote mr. Van Laar;

- de moeder, bijgestaan door mr. Hilkens;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

Aan de heer [medewerker van het Veiligheidshuis] , medewerker van het Veiligheidshuis te [vestigingsplaats] , is bijzondere toegang verleend om de zitting als informant bij te wonen.

6.2.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- het rapport van de raad d.d. 2 februari 2016;

- het V-formulier van de advocaat van de moeder ingekomen ter griffie op 23 februari 2016;

- de brief van de raad d.d. 25 februari 2016;

- de brief van de advocaat van de vader d.d. 29 februari 2016;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader, ingekomen ter griffie op 29 februari 2016;

- de brief van de raad d.d. 23 mei 2016.

7 De verdere beoordeling

7.1.1.

Voor de beantwoording van de in voornoemde beschikking gestelde onderzoeksvragen maakt de raad in zijn rapport de volgende afwegingen.

[minderjarige] is een meisje dat zich leeftijdsadequaat ontwikkelt en erg gehecht is aan haar moeder. Ze is voldoende flexibel en draagkrachtig en indien er sprake is van een gepaste toenadering en tempo in contacten met de vader, worden er bij [minderjarige] geen belemmeringen gezien.

De moeder wil in principe dat [minderjarige] de vader leert kennen, maar dat moet dan wel veilig en verantwoord zijn. De moeder heeft geen vertrouwen in de vader. Zij staat pas weer open voor begeleide omgangscontacten als de vader therapie voor zijn agressieregulatie probleem heeft gehad en deze met een positief resultaat is afgesloten.

De mogelijkheden bij de vader bestaan uit het feit dat hij oprecht geïnteresseerd is in [minderjarige] en erg zijn best doet om weer contact met haar te kunnen krijgen. Echter, hij heeft een zeer negatief beeld van de moeder en heeft de indruk dat de instanties aan haar kant staan. De vader is niet in staat om naar zijn eigen aandeel te kijken. Ook geeft hij aan dat hij geen agressieregulatie probleem heeft en staat hij niet open voor hulpverlening.

De raad is op grond van de gesprekken met de vader tot de conclusie gekomen dat de vader onvoldoende/ niet in staat is om zich te verplaatsen in de situatie en de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] , waardoor de raad omgang nu niet verantwoord acht. De vader is momenteel in staat noch geschikt om op een verantwoorde en veilige manier invulling te geven aan de omgang met [minderjarige] . Tijdens het BOR contact met de vader is er een stressvolle situatie ontstaan en is het tot een escalatie gekomen. Om [minderjarige] niet opnieuw bloot te stellen aan een stressvolle situatie, moet de vader eerst leren om zijn emoties onder controle te krijgen, middels agressie-regulatie therapie, bijvoorbeeld bij de Forensische Psychiatrische Polikliniek de Horst. Indien de vader dit traject met een positief resultaat heeft afgesloten, dienen de ouders een gezamenlijk hulpverleningstraject aan te gaan voor een meer constructieve samenwerking als ouders van [minderjarige] .

De raad adviseert het verzoek van de vader tot omgang met [minderjarige] af te wijzen.

7.1.2.

De raad brengt ter zitting naar voren dat de vader eerst met zijn eigen problematiek aan de slag moet gaan, alvorens er omgang kan plaatsvinden. Het is van belang dat de vader inzicht krijgt in wat zijn gedrag teweeg brengt bij een jong kind als [minderjarige] .

7.2.

De vader voert aan dat hij zich niet kan vinden in het advies van de raad. Hij heeft geen agressieregulatie probleem en hij hoeft hiervoor dan ook geen behandeling te ondergaan. De vader wil graag een rol spelen in het leven van [minderjarige] , maar dat wordt tegengehouden door zaken die zich in het verleden hebben afgespeeld. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] is het nu ook het moment om de vader te introduceren. De vader beschikt over voldoende vaardigheden en is in staat tot onbegeleide omgang. Als het hof dat niet wil dan wenst de vader in ieder geval begeleide omgang. Uit het raadsrapport blijkt niet dat dit niet zou kunnen plaatsvinden. Het incident dat heeft plaatsgevonden, kan er niet toe leiden dat er nooit meer omgang kan plaatsvinden. Als de omgang wordt onthouden vanwege de boosheid van de vader, dan ontstaat er een vicieuze cirkel omdat de vader juist gefrustreerd is omdat er geen omgang plaatsvindt.

7.3.

De moeder voert aan dat zij zich in het advies van de raad kan vinden. Voordat er omgang kan plaatsvinden moet de vader eerst leren zijn emoties te reguleren.

7.4.

De heer [medewerker van het Veiligheidshuis] geeft ter zitting aan dat de vader los moet komen van het gevoel dat hij niet wordt gehoord. Het zou goed zijn indien de vader een perspectief geboden krijgt waar hij op een positieve manier naar toe kan werken.

7.5.

Het hof overweegt als volgt.

7.5.1.

Ingevolge artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met zijn kind. Op verzoek van een ouder kan de rechter een omgangsregeling vaststellen dan wel – al dan niet voor bepaalde tijd – het recht op omgang ontzeggen. Het derde lid van art. 1:377a BW geeft de limitatieve gronden waarop de rechter het recht op omgang kan ontzeggen.

7.5.2.

Met de raad is het hof van oordeel dat de vader eerst moet leren zijn emoties te reguleren, alvorens het contact tussen de vader en [minderjarige] kan worden opgestart. Weliswaar stelt de vader dat hij geen probleem heeft met zijn agressieregulatie zodat hij hier niet aan hoeft te werken, maar uit de overgelegde stukken en ter zitting is gebleken dat de houding van de vader wel degelijk dreigend over kan komen. De vader toont onvoldoende inzicht in de gevolgen van zijn gedrag voor [minderjarige] . [minderjarige] is een jong kind dat erg gehecht is aan haar moeder. Het zeer negatieve beeld dat de vader van de moeder heeft en de boosheid en frustratie die hij ten opzichte van de moeder voelt, hebben een directe weerslag op het welbevinden van [minderjarige] . Hoewel door diverse instanties met de vader is gesproken over hetgeen [minderjarige] nodig heeft en wat daarbij van hem verwacht wordt, is de vader niet in staat om zich te verplaatsen in de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] en gaat hij met name uit van zijn eigen wensen. De vader beseft onvoldoende zijn eigen aandeel in de ontstane situatie en de impact van een voorval zoals dat zich bij het BOR heeft voorgedaan. De vader dient eerst te leren om zijn emoties op een andere manier te uiten om [minderjarige] niet opnieuw aan een dergelijke stressvolle situatie bloot te stellen. Het is dan ook aan de vader om de eerste stap te zetten en de door hem gestelde vicieuze cirkel te doorbreken, in die zin dat hij begeleiding gaat accepteren en aan zichzelf gaat werken, conform het advies van de raad. De vader zal moeten aantonen dat hij zijn emoties onder controle heeft en dat hij voor [minderjarige] tijdens een (begeleid) contact voldoende betrouwbaar is en aan haar voldoende veiligheid kan bieden. Eerst dan kan aan de vader een perspectief geboden worden op omgang met zijn dochter.

Nu de vader een dergelijk contact niet aan [minderjarige] kan bieden, acht het hof (ook een begeleid) contact in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . Op grond van het vorenstaande en gelet op de (vergeefse) inspanningen die de afgelopen jaren door diverse instanties zijn verricht om tot een verantwoorde en veilige (begeleide) omgang tussen de vader en [minderjarige] te komen, is het hof voorts van oordeel dat de vader thans kennelijk ongeschikt dan wel niet in staat moet worden geacht tot omgang. De rechtbank heeft het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling derhalve terecht afgewezen.

7.6.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen.

8 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 3 december 2014, voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, C.A.R.M. van Leuven en M.L.F.J. Schyns en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2016.