Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5123

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
200.191.643_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:3533
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:935
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Huur bedrijfsruimte. Afstemmingsregel. In kort geding wordt de uitspraak afgestemd op die van de bodemrechter in eerste aanleg. Het hof in hoger beroep van de bodemzaak komt tot een bewijsopdracht. Het hof in hoger beroep van het kortgedingvonnis moet zijn oordeel dan afstemmen op de bodembeslissing in hoger beroep, niet meer op het vonnis in eerste aanleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2017/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.191.643/01

arrest van 15 november 2016

in de zaak van

1 Pensioenmaatschappij [pensioenmaatschappij] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [appellant 2],
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna aan te duiden als PW en [appellant 2] ,

advocaat: mr. D.E.M.P.J. Reijnart te Weert,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. BM Recycling B.V.,

voorheen genaamd [metaalrecycling] Metaalrecycling B.V,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] en BM,

advocaat: mr. R.J.H.M. Crombaghs te Heerlen,

op het bij exploot van dagvaarding van 13 mei 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 25 april 2016, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen PW en [alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder] als eisers en [geïntimeerde 1] en BM als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4929782 CV EXPL 16-3296)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met 23 producties;

  • -

    de memorie van antwoord met 12 producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Het hof gaat uit van de volgende feiten. Dat zijn dezelfde feiten als vastgesteld in de hoofdzaak in het arrest van heden, luidende:

3.1.1.

Op 8 juni 2005 is tussen PW ( [alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder] is alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder) en [metaalrecycling] Metaalrecycling [hof: niet de BV, maar een eenmanszaak van [geïntimeerde 1] ] een in één contract vastgelegde huurovereenkomst in de zin van artikel 7:230a BW aangegaan ten aanzien van bedrijfsruimtes en -terreinen gelegen aan het [adres 1] te [vestigingsplaats] en aan de [adres 2] te [vestigingsplaats] gesloten (prod. 1 inl. dagv.). Voor de beide bedrijfsruimtes is een afzonderlijke huurprijs bepaald.

De huurovereenkomst is aangegaan voor perioden van vijf jaar en loopt thans tot en met 27 juli 2020. Op de huurovereenkomst zijn de algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte (ROZ 2003, hierna: AV ROZ) van toepassing.

3.1.2.

Op 27 augustus en 4 september 2007 hebben partijen een stuk met de titel ‘wijziging en aanvulling huurovereenkomst’ ondertekend (prod. 4 bij inl. dagv.).

Overeengekomen wordt onder meer:

1. Huurder verklaart zich akkoord met de eigendomsoverdracht van bedoeld onroerend goed aan uitsluitend de heer [alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder] in persoon (…).

2. Vanaf het moment van eigendomsoverdracht zullen de op de locatie [adres 2] betrekking hebbende huurpenningen door huurder overgemaakt worden op de door de heer [alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder] nader op te geven bankrekening.

3. Alle bepalingen van de huurovereenkomst, financiële en andere, zullen zonder uitzondering van toepassing blijven op de locatie [adres 2] . Uitzondering vormen bepalingen of delen daarvan welke, uitsluitend tekstueel, door de verkoop van de [adres 2] geen reële betekenis meer hebben.

3.1.3.

De maandelijkse huurprijs voor de locatie gelegen aan het [adres 1] bedraagt per 2014 € 9.066,22, en eind december 2015 € 9.367,36 inclusief btw en voor de locatie aan de [adres 2] € 2.789,59, en eind december 2015 € 2.882,26 inclusief btw. De huurpenningen dienen conform artikel 4.10 van de huurovereenkomst maandelijks bij vooruitbetaling te worden voldaan. Sedert augustus 2012 wordt de huur met enige regelmaat te laat betaald. Deze te late betalingen zijn niet betwist. Ingevolge artikel 18.2 van de toepasselijke Algemene Voorwaarden ROZ staat op te laat betalen van de huur een boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand, met een minimum van € 300,- per maand.

3.1.4.

BM, en voor de eenmanszaak heeft hetzelfde gegolden, is een onderneming die zich toelegt op transport, inzameling, handel, opslag en verwerking van afvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen, de productie en handel in chemicaliën alsmede op de recycling van afvalstoffen.

Zij, de vennootschap, is opgericht op 27 oktober 2005. De eenmanszaak is opgeheven en op 5 december 2011 is de inschrijving in het handelsregister doorgehaald.

3.2.

In dit kort geding hebben PW en [alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder] in eerste aanleg onder meer betaling gevorderd van de huur over de (vier) maanden februari tot en met mei 2016. Voor de locatie [adres 1] in totaal € 28.270,68 en voor de locatie [adres 2] € 2.899,55. De verschuldigdheid en de hoogte van deze vorderingen is niet in geding. Partijen houdt verdeeld wie schuldenaar is: [geïntimeerde 1] , zoals PW en [alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder] stellen, of BM, zoals [geïntimeerde 1] en BM stellen.

Voorts wordt gevorderd de contractuele boete ad € 300,- per maand, derhalve viermaal dit bedrag, zijnde € 1.200,- in totaal. De verschuldigdheid en de hoogte van dit bedrag is niet geding. Partijen houdt verdeeld de vraag of dit bedrag éénmaal of tweemaal (voor elk van de locaties) door de huurder verschuldigd is.

In hoger beroep zijn deze vorderingen gehandhaafd.

3.3.

De voorzieningenrechter heeft met toepassing van de afstemmingsleer in navolging van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank in de hoofdzaak van 1 juli 2015 (waarin de vennootschap BM als huurder werd aangemerkt en niet langer [geïntimeerde 1] of zijn eenmanszaak) BM veroordeeld tot betaling van de huur en van tweemaal de boete. Voorts is BM veroordeeld in de buitengerechtelijke-, de proces- en de nakosten. De vorderingen van PW en [alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder] jegens [geïntimeerde 1] zijn niet-ontvankelijk verklaard.

3.4.

In deze procedure staat het spoedeisend belang niet ter discussie. Partijen hebben daaromtrent niet gedebatteerd; de voorzieningenrechter is daarvan stilzwijgend uitgegaan. In het eerder tussen partijen gevoerde kort geding, met betrekking tot andere niet-betaalde huurtermijnen heeft de voorzieningenrechter in het vonnis van 2 december 2015 (rov. 3.1) het spoedeisend belang aangenomen overwegende dat [alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder] voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van de huurinkomsten terwijl het onderhoud van de verhuurde locaties uit die inkomsten betaald moet worden. Het hof deelt, voor dit kort geding, dit oordeel.

3.5.

De afstemming

3.5.1.

In dit hoger beroep, dat ook een kort geding is, dient het hof zijn oordeel in beginsel af te stemmen op hetgeen in het bodemgeding is geoordeeld. Te dien aanzien kan nu niet meer, zoals de voorzieningenrechter nog deed, (alleen) worden afgegaan op hetgeen de bodemrechter in eerste aanleg heeft geoordeeld, maar dient (mede) te worden gelet op hetgeen is overwogen en beslist in het (tussen)arrest van heden in het bodemgeding tussen partijen (dat ook op het bepaalde in tussenuitspraken moet worden afgestemd, volgt uit HR 19 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5870, NJ 2001/407, rov. 3.2).

3.5.2.

Het hof heeft in het tussenarrest van heden (zaaknummer 200.173.938), recht doende in het hoger beroep in de hoofdzaak, kort gezegd, geoordeeld dat nog geenszins vaststaat dat de vennootschap als huurster moet worden gekwalificeerd en heeft aan [geïntimeerde 1] en BM een bewijsopdracht verstrekt van onder meer hun stelling dat partijen een mondelinge overeenkomst zijn aangegaan strekkende tot de indeplaatsstelling van BM voor de eenmanszaak, althans haar medewerking aan de indeplaatsstelling als bedoeld in artikel 6:159 BW heeft verleend.

In dit tussenarrest is tevens geoordeeld dat de huurder niet tweemaal, maar éénmaal de boete verschuldigd is, hoewel ná de eigendomsoverdracht (en dus ook de overdracht van de positie van verhuurder) van de locatie [adres 2] aan [alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder] er twee afzonderlijke huurovereenkomsten bestaan.

3.5.3.

Partijen worden in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de gevolgen van het tussenarrest in de hoofdzaak voor de beslissing in hoger beroep in dit kort geding.

3.6.

Wel merkt het hof reeds nu het volgende op. Partijen hebben in dit geding een bewijsaanbod gedaan, maar voor bewijslevering is in dit kort geding geen plaats. In het petitum van de memorie van antwoord vorderen BM en [geïntimeerde 1] bekrachtiging van het vonnis ‘door te oordelen dat BM-Recycling de huurder van [alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder] is (dus niet de heer [geïntimeerde 1] in privé)’. In kort geding leent zich niet voor een verklaring voor recht. In kort geding is slechts de vraag aan de orde naar het treffen van een voorlopige voorziening.

3.7.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 6 december 2016 voor het nemen van een akte aan de zijde van PW en [alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder] met enkel het hiervoor in rechtsoverweging 3.5.3 omschreven doel; [geïntimeerde 1] en BM kunnen met datzelfde doel een antwoordakte nemen;

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, J.W. van Rijkom en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 november 2016.

griffier rolraadsheer