Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5121

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
200.182.943_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:8090
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongevallenverzekering met werkgever als verzekeringnemer en de werknemers als verzekerden. Geen begunstigde aangewezen op het polisblad. Nu de door een ongeval getroffen werknemer niet als begunstigde is aangewezen en werknemer heeft erkend dat werkgever de begunstigde is, bestaat geen aanspraak op de verzekerde som op grond van de verzekeringsovereenkomst. Geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan de aanspraak kan worden gebaseerd op de arbeidsovereenkomst. Een verplichting tot doorbetalen van de verzekeringsuitkering aan de werknemer vloeit niet voort uit de eisen van goed werkgeverschap.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 967
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3334
Prg. 2017/9
AR 2017/784
RAV 2017/27
JA 2017/10
AR-Updates.nl 2016-1330
PS-Updates.nl 2016-0474
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.182.943/01

arrest van 15 november 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen “ [appellant] ”,

advocaat: mr. P.R.J.M. Douffet te Sittard,

tegen

Profcore Zuid-Limburg B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als “Profcore”,

advocaat: mr. C. Staudt-Bos te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 22 december 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 23 september 2015, gewezen tussen [appellant] als eiser en Profcore als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 4015829 \ CV EXPL 15-3522)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven d.d. 16 februari 2016 met drie producties, genummerd 9 tot en met 11;

  • -

    de memorie van antwoord d.d. 26 april 2016.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de feiten zoals die in eerste aanleg door de kantonrechter zijn vastgesteld, nu tegen die vaststelling geen grief is gericht. Deze feiten, enigszins door het hof uitgebreid, komen op het volgende neer.

  1. Profcore is een organisatie die personeel uitleent/beschikbaar stelt aan bedrijven. [appellant] is op 1 oktober 2005 voor onbepaalde tijd bij Profcore in dienst getreden.

  2. Op 11 april 2006 heeft hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij een bedrijf genaamd Flextronics Logistics B.V. een ongeval gekregen. Als gevolg daarvan is zijn linker onderbeen geamputeerd.

  3. Profcore heeft een Collectieve Ongevallenverzekering afgesloten bij “ [verzekeringsmaatschappij] ”. Na melding van het ongeval heeft deze verzekeringsmaatschappij voor het ongeval een bedrag van € 17.530,75 uitgekeerd aan Profcore. Het polisblad vermeldt als “verzekerden”:

“De in vaste loondienst staande werknemers van verzekeringnemer zolang deze de leeftijd van 65 jaar niet hebben bereikt.” Als verzekeringnemer is vermeld Profcore B.V. Begunstigde op grond van deze overeenkomst is Profcore. Verzekerd zijn sommen in geval van (A) overlijden en (B) blijvende invaliditeit, respectievelijk 1 x en 2 x een bruto jaarsalaris.

[appellant] heeft Profcore aangesproken op betaling van het uitgekeerde bedrag aan hem, hetgeen Profcore heeft geweigerd.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, betaling door Profcore van een bedrag van € 17.530,75, vermeerderd met rente en kosten als vermeld in het petitum van de dagvaarding in eerste aanleg. [appellant] voert daartoe aan dat Profcore een ongevallenverzekering heeft afgesloten bij [verzekeringsmaatschappij] , waarin haar werknemers als verzekerden zijn aangewezen. [appellant] heeft als werknemer een schade geleden als gevolg van een verzekerd voorval. [verzekeringsmaatschappij] heeft daarvoor op grond van de gesloten verzekering een uitkering gedaan aan Profcore. Als verzekerde heeft [appellant] aanspraak op die uitkering, omdat die (mede) dient ter dekking van de door hem geleden schade. (Haviltex-)uitleg van de door Profcore afgesloten collectieve ongevallenverzekering brengt mee dat Profcore de verzekering niet ten behoeve van zichzelf, maar ten behoeve van haar werknemers heeft afgesloten. De uitkering is betaalbaar gesteld aan de begunstigde, Profcore, maar zulks ten behoeve van de invalide geraakte [appellant] .

[appellant] heeft zich verder nog beroepen op de artikelen 7:611, 6:2 en 6:248 BW. Volgens [appellant] vloeit uit de aard van de overeenkomst voort dat de schadeuitkering aan [appellant] toekomt.

3.2.2.

Profcore heeft tegen de vordering verweer gevoerd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verzekeringsovereenkomst is aangegaan tussen haar en [verzekeringsmaatschappij] om in geval van een ongeval van een werknemer zelf een uitkering te verkrijgen; de verzekering is niet afgesloten ten behoeve van de werknemers. De werknemers van Profcore zijn geen partij bij deze overeenkomst. De omstandigheid dat haar werknemers als verzekerden op het polisblad staan vermeld zegt niets omtrent de vraag wie de begunstigde is. Profcore is zelf de begunstigde en [appellant] heeft dat ook erkend. Profcore lijdt ook zelf schade door het ongeval in de vorm van kosten die samenhangen met haar reïntegratieverplichtingen en de verzekering is aangegaan ter dekking van dergelijke kosten. Noch de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, noch enige cao, afspraak of toezegging verplichten Profcore tot het aangaan van de gesloten verzekering. Het sluiten van een dergelijke verzekering ten gunste van de werknemer vloeit ook niet voort uit de eisen van goed werkgeverschap. Het Haviltexcriterium mist toepassing nu de overeenkomst niet is aangegaan tussen Profcore en [appellant] . Pas met de brief van [verzekeringsmaatschappij] van 2 september 2009, ongelukkig althans onjuist geformuleerd en gecorrigeerd bij brief van 5 oktober 2009, nam [appellant] kennis van het bestaan van de verzekering.

3.3.

In het vonnis van 23 september 2015 heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld tot betaling van proceskosten. Deze beslissing berust, zakelijk weergegeven, op het oordeel van de kantonrechter dat de verzekeringsovereenkomst is gesloten tussen Profcore en [verzekeringsmaatschappij] en dat op grond van de op die overeenkomst toepasselijke polisvoorwaarden geen aanspraak op uitkering van de verzekerde som bestaat voor [appellant] , ook niet aan de hand van de Haviltexformule. Voorts heeft de kantonrechter geoordeeld dat uit de eisen van goed werkgeverschap niet voortvloeit dat de uitgekeerde som aan [appellant] toekomt, omdat Profcore ook haar eigen risico’s in verband met een arbeidsongeval kan hebben verzekerd. Ten slotte heeft de kantonrechter nog overwogen dat de vordering van [appellant] niet is gegrond op de stellingname dat schade is geleden die Profcore op grond van het bepaalde in artikel 7:658 BW zou moeten vergoeden.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen, met veroordeling van Profcore in de kosten van het geding in beide instanties. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Met de grieven legt [appellant] het geschil, voor wat betreft de gevorderde hoofdsom, in volle omvang ter beoordeling voor.

Profcore heeft in hoger beroep verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter.

3.5.

Het hof overweegt als volgt.

Onderwerp van het geschil is de vraag of [appellant] aanspraak heeft op het bedrag dat [verzekeringsmaatschappij] op grond van een met Profcore gesloten verzekeringsovereenkomst aan Profcore heeft uitgekeerd. De desbetreffende verzekeringsovereenkomst keert een vast bedrag uit in het geval waarin het verzekerde voorval zich voordoet. De omvang van de uitkering is, blijkens het polisblad van de verzekering, niet gerelateerd aan de omvang van de daadwerkelijk geleden schade. Het verzekerde voorval is het leven of de gezondheid van de verzekerden. In dat geval is – anders dan [appellant] aanvoert bij memorie van grieven - sprake van een sommenverzekering als bedoeld in artikel 7:964 BW. Welke elementen van een schadeverzekering de onderhavige overeenkomst tot een gemengde verzekering zouden maken, is door [appellant] niet gesteld en is het hof ook niet gebleken. De enkele omstandigheid dat de verzekeringnemer en de verzekerde niet dezelfde persoon zijn maakt de verzekering niet tot een gemengde verzekeringsovereenkomst.

3.6.

Uit het bepaalde in artikel 7:965 BW volgt dat de sommenverzekering een verzekerde kent en een begunstigde. De verzekerde is degene op wiens leven of gezondheid de verzekering betrekking heeft. De begunstigde is degene die tot het ontvangen van een uitkering is aangewezen. Op grond van het bepaalde in artikel 7:966 BW kan de verzekeringnemer door schriftelijke mededeling aan de verzekeraar zichzelf of een derde als begunstigde aanwijzen. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:967, lid 8 BW komt het recht op uitkering toe aan de verzekeringnemer, zolang geen derde als begunstigde is aangewezen.

3.7.

Voor zover [appellant] aan zijn aanspraak ten grondslag legt dat Profcore de uitkering moet doorbetalen, omdat hij de verzekerde is en het de bedoeling van partijen is geweest dat het verzekerde bedrag ook aan de verzekerde ten goede zou komen, ziet [appellant] voorbij aan de hiervoor aangehaalde wettelijke bepalingen. Hierin wordt een uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de verzekerde (ter aanduiding van de persoon wiens leven of gezondheid onderwerp is van het te verzekeren risico) en de begunstigde (als degene die gerechtigd is tot de verzekeringsuitkering). Het polisblad van de verzekering vermeldt niet wie als begunstigde is aangewezen. In dat geval vloeit uit het bepaalde in artikel 7:967, lid 8 BW voort dat de verzekeringnemer, Profcore, de begunstigde is. [appellant] erkent dat ook met zoveel woorden nogmaals in de memorie van grieven. Daarmee staat vast dat de verzekeringsovereenkomst tussen Profcore en [verzekeringsmaatschappij] niet als grondslag kan dienen voor toewijzing van het gevorderde. Het standpunt van [appellant] dat degenen die als verzekerde op de polis staan vermeld de rechthebbenden zijn is niet juist. Rechthebbende op de verzekeringsuitkering is de begunstigde en in dit geval is dat Profcore.

3.8.

Voor zover [appellant] nog verwijst naar de bedoeling die partijen hebben gehad, welke bedoeling aan de hand van het Haviltex-criterium uitgelegd zou moeten worden, merkt het hof op dat [appellant] geen partij is of is geweest bij de verzekeringsovereenkomst, terwijl de tekst daarvan en van de bijbehorende voorwaarden – mede gelet op de aangehaalde wettelijke bepalingen – voldoende duidelijk is en geen verdere uitleg aan de hand van het genoemde criterium behoeft. Overigens heeft [appellant] geen relevante feiten of omstandig-heden genoemd op grond waarvan toepassing van de Haviltexformule zou moeten leiden tot doorbetaling van de uitkering aan hem.

3.9.

[appellant] voert ter onderbouwing van zijn vordering voorts aan dat de verbintenis tot betaling van de verzekeringsuitkering voortvloeit uit de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. Hij stelt in dit verband dat de eisen van goed werkgeverschap meebrengen dat Profcore de ontvangen verzekeringspenningen doorbetaalt aan [appellant] . [appellant] neemt hierbij als uitgangspunt dat Profcore de verzekeringsovereenkomst heeft afgesloten “voor haar werknemers, onder de voor de werknemers geruststellende verwachting dat er bij een ongeval bij letsel een uitkering tegemoet kan worden gezien”.

3.10.

Het hof merkt op dit punt allereerst op dat [appellant] het door Profcore ingenomen standpunt niet weerspreekt dat noch uit een cao, noch uit de arbeidsovereenkomst enige directe verplichting tot het aangaan van een ongevallenverzekering voor haar werknemers (als secundaire arbeidsvoorwaarde) voortvloeit. Voorts merkt het hof op dat een werkgeefster in het geval waarin één van haar werknemers een bedrijfsongeval overkomt ook zelf schade kan lijden, bijvoorbeeld in de vorm van kosten voor vervanging en reïntegratie of in de vorm van een schadevergoeding die zij, mocht daartoe aansprakelijkheid worden vastgesteld, op grond van het bepaalde in artikel 7:658 BW aan de werknemer moet betalen. Uit het aangaan van de verzekering volgt dus niet impliciet dat het de bedoeling is geweest om een risico van de werknemer te verzekeren. Een werkgeefster kan er wel degelijk –zoals Profcore ook bij wijze van verweer heeft aangevoerd – een belang bij hebben om een eigen risico als werkgeefster af te dekken met een verzekering. Dat betekent dat niet per definitie uit de aard van de verzekeringsovereenkomst voortvloeit dat geen ander dan de verzekerde aanspraak kan maken op de verzekeringsuitkering, zoals [appellant] met zijn beroep op het bepaalde in artikel 6:248, lid 1 BW betoogt.

3.11.

[appellant] lijkt met zijn onderbouwing (door verwijzing naar een “voor de werknemers geruststellende verwachting”) aan te willen voeren dat bij hem het vertrouwen is gewekt dat Profcore de door haar te ontvangen verzekeringspenningen zou doorbetalen aan hem. In eerste aanleg heeft Profcore dienaangaande echter aangevoerd dat [appellant] in het geheel niet op de hoogte is geweest van het bestaan van de ongevallenovereenkomst, maar hier pas kennis van heeft gekregen in september 2009, toen de verzekeraar hem een brief toestuurde. In hoger beroep heeft Profcore dat nog eens herhaald. Gelet op dit in eerste aanleg al gevoerde verweer, ware het aan [appellant] om feiten of omstandigheden te stellen waarop dat vertrouwen (“geruststellende verwachting”) was gebaseerd. Dat heeft [appellant] niet gedaan, zodat zijn stellingname op dit punt onvoldoende is onderbouwd. In dat opzicht wijkt de onderhavige zaak ook wezenlijk af van de door [appellant] aangehaalde uitspraak van de kantonrechter Maastricht van 5 maart 2008 (ECLI:NL:RBMAA:2008:BC6633). Bij gebreke aan feitelijke onderbouwing bestaan ook geen gronden om [appellant] op dit punt nog tot enig bewijs toe te laten, te minder nu dit ook niet uitdrukkelijk op dit punt is aangeboden.

3.12.

Tot slot merkt het hof op dat [appellant] , ondanks het feit dat de kantonrechter hem in r.o. 4.4 van het beroepen vonnis op dat spoor heeft gezet, ook in hoger beroep aan zijn vordering niets ten grondslag legt dat erop duidt dat [appellant] Profcore op de voet van het bepaalde in artikel 7:658 BW aansprakelijk houdt voor schade die hij als gevolg van het ongeval heeft geleden.

3.13.

De slotsom luidt dat [appellant] aan de verzekeringsovereenkomst tussen Profcore en [verzekeringsmaatschappij] geen rechten kan ontlenen, omdat hij in die overeenkomst niet als begunstigde is aangewezen. Ook de eisen van goed werkgeverschap brengen niet mee dat Profcore gehouden is de door haar ontvangen verzekeringspenningen door te betalen aan [appellant] . Dat om andere redenen uit de arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en Profcore een aanspraak op het doorbetalen van deze verzekeringspenningen voortvloeit is betwist (met betrekking tot het bestaan van een secundaire arbeidsvoorwaarde) of niet gebleken. Het bestaan van een verbintenis tot betaling van de ontvangen verzekeringspenningen door Profcore aan [appellant] is dan ook niet gebleken. Dat betekent dat de vorderingen van [appellant] terecht en op goede gronden zijn afgewezen en dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd.

3.14.

[appellant] heeft in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij te gelden en zal om die reden worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Profcore tot op heden begroot op € 1.937,= wegens betaald griffierecht en € 894,= als bijdrage aan het salaris van haar advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, Y.L.L.M. Delfos-Roy en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 november 2016.

griffier rolraadsheer