Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5103

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
21-11-2016
Zaaknummer
200.152.774_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:4406
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bewijslastverdeling ingeval van geschil over de vraag of al dan niet een opschortende voorwaarde is overeengekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.152.774/01

arrest van 15 november 2016

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. R.G. Degenaar te Gorinchem,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats 2] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ,

advocaat: mr. J.F. Bienfait te Rotterdam,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 16 februari 2016 in het hoger beroep van de door de rechtbank Breda, respectievelijk rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda onder zaaknummer 241602/HA ZA 11-1429 gewezen vonnissen van 19 december 2012 en 25 juni 2014.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 16 februari 2016;

  • -

    de brief van de griffier van het hof d.d. 7 april 2016 aan de advocaten van partijen;

  • -

    de akte na tussenarrest van [appellante] ;

  • -

    de akte na tussenarrest van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1.

In het tussenarrest van 16 februari 2016 heeft het hof [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] toegelaten (aanvullend) bewijs te leveren van hun stellingen:

- dat partijen bij het sluiten van de koopovereenkomst met betrekking tot de woning van [appellante] ( [adres] te [plaats] ) een opschortende voorwaarde waren overeengekomen, inhoudende dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] eerst hun eigen woning zouden moeten verkopen;

- dat zij bij het sluiten van de koopovereenkomst met betrekking tot de woning van [appellante] een financieringsvoorbehoud hebben bedongen ten bedrage van

€ 550.000,- zonder tijdsbepaling;

- dat [appellante] op de hoogte was van het feit dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] eerst tot aankoop van de woning van [appellante] wilden overgaan indien hun eigen woning zou zijn verkocht en geleverd.

6.2.

Wat betreft de bewijsopdracht inzake de gestelde opschortende voorwaarde heeft het hof (in rechtsoverweging 3.13) overwogen:

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank in het tussenvonnis terecht aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bewijs opgedragen van hun stelling dat partijen een opschortende voorwaarde waren overeengekomen, inhoudende dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] eerst hun eigen woning zouden moeten verkopen. Door [appellante] was gemotiveerd betwist dat een opschortende voorwaarde zoals door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] gesteld was overeengekomen. Ingevolge artikel 150 Rv rust dan de bewijslast op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . Aangezien toereikend bewijs ontbrak en gelet op het door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] gedane bewijsaanbod heeft de rechtbank terecht bewijs opgedragen zoals in het tussenvonnis is verwoord.

6.3.

Bij voornoemde brief heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen van het hof terug te komen op het toelaten van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot het leveren van (aanvullend) bewijs van hun stelling dat partijen bij het sluiten van de koopovereenkomst met betrekking tot de woning van [appellante] ( [adres] te [plaats] ) een opschortende voorwaarde waren overeengekomen, inhoudende dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] eerst hun eigen woning zouden moeten verkopen. Inmiddels heeft de Hoge Raad zich in een recent arrest (HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228) expliciet over deze kwestie uitgelaten. Gelet op de inhoud van het arrest van de Hoge Raad (in het bijzonder: rechtsoverweging 3.7.2) ziet het hof geen aanleiding terug te komen op hetgeen in het tussenarrest van 16 februari 2016 in de onderhavige zaak is beslist.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

verstaat dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de gelegenheid zijn (aanvullend) bewijs te leveren zoals in het tussenarrest van 16 februari 2016 is geformuleerd;

bepaalt, voor het geval [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 29 november 2016 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en R.J.M. Cremers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 november 2016.

griffier rolraadsheer