Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5102

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
21-11-2016
Zaaknummer
200.140.088_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bewijswaardering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.140.088/01

arrest van 15 november 2016

in de zaak van

SKS Netherlands B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. S. Erkel te Enschede,

tegen

[geïntimeerde] , handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. D.J.M. van de Voort te Deurne,

als vervolg op het door het hof gewezen arrest van 9 februari 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gewezen vonnis van 28 augustus 2013 tussen appellante -SKS- als eiseres en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde. Het hof zal de nummering van voormeld tussenarrest voortzetten.

9 Het tussenarrest van 9 februari 2016

In voornoemd tussenarrest heeft het hof SKS in staat gesteld om tegenbewijs te leveren tegen het voorshands aannemelijke feit dat de tussen partijen op 28 april 2011 gesloten overeenkomst voor de duur van drie jaar kan worden opgezegd met een termijn van zes maanden.

In voornoemd tussenarrest heeft het hof in het in rov. 7.6.1 weergegeven citaat uit productie 7 memorie van grieven per abuis vermeld “(…) met daarin een automatische verlenging (…) in plaats van “(…) met daarna een automatische verlenging (…)”. Het hof herstelt bij deze die fout.

10 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 9 februari 2016;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 7 april 2016 waaruit blijkt dat het hof twee getuigen heeft gehoord;

- de zijdens [geïntimeerde] genomen akte overleggen producties waarbij producties zijn overgelegd;

- de zijdens SKS genomen memorie na enquête waarbij producties zijn overgelegd;

- de memorie van antwoord na enquête.

Vervolgens is bepaald dat arrest zal worden gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, die genoemd in de tussenarresten van 4 november 2014 en 9 februari 2016 en de stukken van de eerste aanleg.

11 De beoordeling

11.1

Naar aanleiding van het tussenarrest van 9 februari 2016 waarbij het hof SKS in staat heeft gesteld om tegenbewijs te leveren tegen het voorshands aannemelijke feit dat de tussen partijen op 28 april 2011 gesloten overeenkomst voor de duur van drie jaar kan worden opgezegd met een termijn van zes maanden, heeft SKS twee getuigen laten horen. [geïntimeerde] heeft in contra-enquête geen getuigen laten horen. Hij heeft wel bij akte producties in het geding gebracht.

11.2.1

De als getuige gehoorde [vertegenwoordiger SKS] , statutair bestuurder van SKS, heeft, voor zover relevant, verklaard:

“Ik en [werknemer SKS] zeiden we willen de marketing op ons nemen maar een langdurige overeenkomst met [geïntimeerde] vastleggen. We hebben met [handelsnaam] , dat wil zeggen [geïntimeerde] en zijn zoon [zoon geïntimeerde] onderhandeld. Drie jaar was de beste middenweg, daarna zouden we het vastleggen voor onbepaalde tijd. Mochten partijen na drie jaar niet verder willen dan moest dat zes maanden voor het einde van die drie jaar worden gezegd. Op 4 maart hebben wij (ik, [werknemer SKS] , dhr. [geïntimeerde] en zijn zoon [zoon geïntimeerde] ) een gesprek gehad in algemene zin hoe we met elkaar zouden samenwerken. In een vervolg gesprek begin april 2011 hebben wij de daadwerkelijk punten van de samenwerking besproken. Toen hebben wij gezegd dat het een lange samenwerking moest zijn van minimaal drie jaar.

Ik, [werknemer SKS] , [geïntimeerde] , zijn zoon [zoon geïntimeerde] en [schoonzoon geïntimeerde] (schoonzoon van [geïntimeerde] ) hebben over de email van 4 april 2011 (ik hoor u zeggen productie 7 van memorie van grieven) gesproken. Wij hebben gezegd dat wij zes maanden voor het einde van de drie jaars termijn in de overeenkomst wilden weten, indien de overeenkomst niet zou worden verlengd. We hebben daar in de periode tussen 4 april en 29 april 2011 telefonisch over gesproken, ik en dhr. [geïntimeerde] senior. Ik heb de tekst “de samenwerkingsovereenkomst….. heeft een tijdsduur van drie (3) jaar met een wederzijdse opzegtermijn van zes maanden.(….)” zoals (…) die nu in de overeenkomst staat daar ingezet. De email van 4 april 2011 was een document voor overleg. Voor mij was de enige uitleg, een langdurige overeenkomst. (…)

Er is tijdens de gesprekken voorafgaand aan (…) het sluiten van de overeenkomst niet gesproken over tussentijds opzegging van de overeenkomst, duurzame samenwerking was in het belang van beiden partijen. Wel is gesproken over verlenging van het contract na drie jaar.

Er is niet gesproken over een mogelijkheid dat het contract vóór drie jaar zou eindigen. We hebben ook niet gesproken over hoe te handelen in (…) conflict situaties.

Het product [handelsnaam] verkeerde niet in een test fase, het werd ons gepresenteerd als kant- en klaar product en dat was een kant- en klaar product.

(…)

Na het tekenen van het contract hebben we niet meer over opzeg termijn gesproken.

Op 19 december 2011 hebben [geïntimeerde] , zijn zoon ( [zoon geïntimeerde] ), [werknemer SKS] en ik vergaderd.

We hebben niet gesproken over opzegging maar wel gezegd dat de intentieverklaring over was gegaan in een agentschap. Dhr. [zoon geïntimeerde] heeft dat in een email van 9 januari 2012 bevestigd (…). De vetgedrukte tekst in dat document is het antwoord van dhr. [zoon geïntimeerde] . Hij heeft de vetgedrukte tekst zelf aangebracht.

Er is ook met derden over de duur van de overeenkomst gesproken. Tijdens het eerste jaar van de intentieverklaring heeft SKS zelf kosten gemaakt zoals reizen naar Saudi-Arabië en een computer voor [werknemer SKS] . Ik en dhr. [werknemer SKS] hebben een accountant benaderd voor financiering. De accountant heeft ons geholpen en verklaart dat de intentieverklaring een overeenkomst voor een langere periode betreft. Financiering vraag je alleen aan indien je een overeenkomst voor een langere periode hebt.

De heer [eigenaar reclamebureau] , eigenaar van een reclamebureau heeft in december 2011 een schetsontwerp van een concept bedacht om [handelsnaam] met sub logo’s in de markt te brengen. De heren [geïntimeerde] hebben dit concept goedgekeurd. (…)”.

11.2.2

De als getuige gehoorde [eigenaar reclamebureau] heeft, voor zover relevant, verklaard:

Ik weet niets over de totstandkoming van de bepaling in de overeenkomst “de samenwerkingsovereenkomst, …….. heeft een tijdsduur van drie (3) jaar met een wederzijdse opzegtermijn van zes maanden. (….)”

Ik heb een concept schets gemaakt die heb ik aan [vertegenwoordiger SKS] gepresenteerd, [vertegenwoordiger SKS] heeft deze in Turkije aan [handelsnaam] gepresenteerd. De concept schets is in goede orde ontvangen. Ik heb de schets uitgewerkt in een definitief concept. Ik heb dat aan [vertegenwoordiger SKS] en [geïntimeerde] junior gepresteerd. Daar bleek dat er een overeenkomst tussen [vertegenwoordiger SKS] en [handelsnaam] was en dat sprake was van een langdurige samenwerkingsovereenkomst. [handelsnaam] dat wil zeggen dhr. [geïntimeerde] junior melde mij dat het een heel mooi concept was, waarin [handelsnaam] zich helemaal zag terugkomen. Ik begreep dat het een langdurige samenwerking was omdat je zo’n concept niet aangaat als er geen sprake is van een langdurige samenwerking. In het verlengde zou ook een langdurige samenwerking met mij zijn aangegaan. [handelsnaam] was mijn opdrachtgever. (…) Ik heb alles besproken met dhr. [geïntimeerde] junior en dhr. [vertegenwoordiger SKS] . Het is in goede orde ontvangen. Ik heb het gemaild aan [geïntimeerde] junior. Met mij is niet gesproken over opzegmogelijkheden van de samenwerking tussen SKS en [handelsnaam] .

(…)

Er was sprake van een langdurige samenwerking anders maak je geen concept. (…)’.

11.3

De verklaring van de getuige [vertegenwoordiger SKS] moet behoedzaam worden gebruikt omdat hij als statutair bestuurder van SKS het nodige belang heeft bij een goede uitkomst van de procedure voor SKS die onder meer betaling vordert van € 100.000,-. Wat die getuigenverklaring betreft is het opvallend dat [vertegenwoordiger SKS] als getuige heeft verklaard: “(…) Ik, [werknemer SKS] , [geïntimeerde] , zijn zoon [zoon geïntimeerde] en [schoonzoon geïntimeerde] (…) hebben over de email van 4 april 2011 (…) gesproken. Wij hebben gezegd dat wij zes maanden voor het einde van de drie jaars termijn in de overeenkomst wilden weten, indien de overeenkomst niet zou worden verlengd. We hebben daar in de periode tussen 4 april en 29 april 2011 telefonisch over gesproken, ik en dhr. [geïntimeerde] senior. (…)”. [vertegenwoordiger SKS] heeft volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal tijdens de comparitie in eerste aanleg al verklaard: “(…) Ook de zinsnede ‘de samenwerkingsovereenkomst, ingaande op dagtekening, heeft een tijdsduur van drie (3) jaar met een wederzijdse opzegtermijn van zes maanden’ is van mijn hand. Ik bedoelde daarmee dat in het geval een van ons de intentieovereenkomst na deze drie jaar niet wilde voortzetten, zij dit na 2,5 jaar aan de ander moest mededelen. (…) Het spreekt dan ook voor zich dat wij niet wilden dat de overeenkomst op elk moment tussentijds kon worden opgezegd. U vraagt mij of ik dit ook op deze wijze tegen [geïntimeerde] heb gezegd. Er is nooit gesproken over deze wederzijdse opzegtermijn of over het feit dat ik niet wilde, en daarmee ook niet bedoelde, dat de overeenkomst tussentijds kon worden opgezegd.” Aan die beide verklaringen van [vertegenwoordiger SKS] kent het hof echter weinig bewijskracht toe. Die verklaringen zijn niet overtuigend omdat zij haaks staan op het nadrukkelijk in deze procedure door SKS ingenomen standpunt dat de bedoelde opzegtermijn van zes maanden was bedoeld en overeengekomen voor de pas na die drie jaren mogelijk geldende overeenkomst voor onbepaalde duur. Een en ander klemt nog te meer nu [vertegenwoordiger SKS] zelf namens SKS de overeenkomst heeft opgesteld.

In de memorie na enquête benadrukt SKS (opnieuw) dat de strekking en bedoeling was dat de overeenkomst niet eerder zou kunnen eindigen dan op 28 april 2014 en de bedoelde opzegtermijn zou gelden voor een nadien geldende overeenkomst voor onbepaalde tijd. Voor zover volgens SKS uit de getuigenverklaring van [vertegenwoordiger SKS] ook volgt dat een voorgenomen beëindiging per 28 april 2014 zes maanden voordien aan de wederpartij moest worden meegedeeld, verhoudt zich dat zonder (de ontbrekende) nadere toelichting niet tot haar eerdere nadrukkelijk ingenomen standpunt dat de zes-maanden-termijn was overeengekomen voor een mogelijk pas na 28 april 2014 geldende overeenkomst voor onbepaalde duur.

De andere gehoorde getuige, [eigenaar reclamebureau] (reclame adviseur), is niet betrokken geweest bij de onderhandelingen en heeft in feite alleen maar verklaard dat je naar zijn mening een concept als door hem gemaakt niet aangaat als er geen sprake is van een langdurige samenwerking. Die opmerking heeft een zekere logica, maar die is niet dwingend genoeg om tot het oordeel te kunnen komen dat SKS is geslaagd in het door haar te leveren tegenbewijs. Uit de door SKS bij memorie na enquête overgelegde producties valt in onderling verband en samenhang bezien, evenmin af te leiden dat partijen anders hebben afgesproken dan het hof voorshands heeft vastgesteld in het tussenarrest van 9 februari 2016. Uit het feit dat SKS degelijke plannen heeft gemaakt valt immers niet af te leiden dat partijen geen tussentijdse opzeggingsmogelijkheid zijn overeengekomen. Dit betekent dat de opzegging van de overeenkomst door [geïntimeerde] niet in strijd is geweest met hetgeen partijen zijn overeengekomen, zodat de vordering van SKS moet worden afgewezen. Nu naar het oordeel van het hof partijen expliciet een mogelijkheid van tussentijdse opzegging zijn overeengekomen, behoeft de vraag of de overeenkomst al dan niet een agentuurovereenkomst is, niet te worden beantwoord.

Al met al brengt dit met zich dat de overige bezwaren van SKS tegen het vonnis niet beoordeeld hoeven te worden. De overeenkomst is immers rechtsgeldig opgezegd. Een en ander brengt met zich dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bekrachtigen, maar, gelet op hetgeen het hof in het tussenarrest en in dit arrest heeft geoordeeld, met verbetering van gronden.

SKS heeft te gelden als de in het ongelijke gestelde partij, en zal daarom worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep. Het hof heeft reeds geoordeeld over de kosten van het incident.

12 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het tussen partijen op 28 augustus 2013 door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch gewezen vonnis met verbetering van gronden;

veroordeelt SKS in de kosten van dit hoger beroep, voor zover gerezen aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 683,- aan griffierecht en € 5.264,- voor salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M Stienissen, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 november 2016.

griffier rolraadsheer