Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5100

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
21-11-2016
Zaaknummer
200.107.580_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2012:3199
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huwelijksvermogensrecht. Verdeling gemeenschap van goederen. Waardering van een in Duitsland gelegen woning, belast met vruchtgebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.107.580/01

arrest van 15 november 2016

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.E.Th. Hogervorst te Maastricht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. B.H.S. Brinkman te Kerkrade,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 17 september 2013 en 2 september 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer 146217/HA ZA 09-1481 gewezen vonnis van 1 februari 2012.

10 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 2 september 2014;

  • -

    het deskundigenbericht van 31 januari 2016;

  • -

    de memorie na deskundigenbericht van de man;

  • -

    de antwoordmemorie na deskundigenbericht van de vrouw.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

11 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

11.1.

In het tussenarrest van 2 september 2014 heeft het hof bepaald dat een deskundigenonderzoek moet worden verricht teneinde de actuele waarde in het economisch verkeer te kunnen vaststellen van de (op naam van de vrouw staande) woning aan de [straatnaamm][huisnummer] in [plaats 2] , Duitsland, dit in bewoonde staat en voorzien van een tweetal vruchtgebruiken, uitgaande van de (feitelijke en juridische) situatie op 23 maart 2009. Het hof heeft als deskundige ing. J. Vugts van het Bureau Gloudemans in [plaats 1] benoemd.

11.2.

De deskundige heeft voor de waardering van de woning in het economisch verkeer (door de deskundige aangeduid met “marktwaarde”) gebruik gemaakt van de – in Duitsland gebruikelijke – methode van de gecorrigeerde vervangingswaarde en de huurwaardekapitalisatiemethode. Op basis van deze twee methoden heeft de deskundige de marktwaarde van de woning in vrije staat berekend op € 183.000,-. Op die waarde heeft hij de netto contante waarde van het vruchtgebruik van de ouders van de vrouw, respectievelijk van de huidige vruchtgebruikster mevrouw [vruchtgebruikster] in mindering gebracht (respectievelijk gewaardeerd op € 95.000,- en € 44.000,-). Er resteert dan een waarde van de woning van € 44.000,- (deskundigenrapport, blad 24).

Op die laatste waarde heeft de deskundige vervolgens de waarde van de jegens mevrouw [vruchtgebruikster] bestaande (voorwaardelijke) restitutieverplichting in mindering gebracht. Die verplichting is door de deskundige gewaardeerd op € 22.000,-, zodat een waarde van de woning resteert van € 22.000,- (deskundigenrapport, blad 25).

Hierop heeft de deskundige een bedrag van € 14.500,- in mindering gebracht wegens het, als gevolg van de opeenvolgende vruchtgebruiken optredende, rendementsverlies. De deskundige heeft aldus geconcludeerd tot een waarde van de woning van € 7.500,- (deskundigenrapport, blad 25).

11.3.

De vrouw kan zich met de inhoud van het deskundigenrapport verenigen.

11.4.

De man heeft een aantal bezwaren aangevoerd tegen het deskundigenrapport.

Zijn eerste bezwaar is dat de deskundige alleen de buitenzijde van de onroerende zaak heeft kunnen bekijken en zich heeft moeten beperken tot een gevelopname.

De deskundige heeft hieromtrent op blad 8 van het deskundigenbericht het volgende vermeld:

“Tijdens de hoorzitting is gemeld dat de woning niet inpandig is opgenomen, omdat de aanwezige ouders van mevrouw [appellante] geen toegang konden verschaffen in verband met de verhuurde staat. (….)

Deskundige heeft partijen tijdens de hoorzitting op de beperkingen van het niet kunnen opnemen van het object gewezen en ook opgemerkt dat dit niet gebruikelijk is. Deskundige heeft gemeld dat het ook zijn voorkeur had het object inpandig op te nemen, maar dat men er zich ook van bewust moet zijn dat er sprake is van een peildatum in het verleden, waardoor het deskundigenonderzoek op basis van de uitgevoerde (gevel)opname, de bouwtekeningen, foto’s en nota’s toch van het vereiste kwaliteitsniveau is. Door het niet kunnen opnemen kan er in theorie een afwijking optreden in de waardering, echter zal deze afwijking te allen tijde binnen de bandbreedte blijven welke volgens de algemeen geldende taxatieregels aanvaardbaar is.”

Gelet op dit oordeel van de deskundige ziet het hof onvoldoende reden om aan de enkele omstandigheid dat de deskundige de onroerende zaak niet van binnen heeft kunnen bezichtigen, de conclusie te verbinden dat het deskundigenbericht niet bruikbaar is dan wel dat een nieuwe taxatie moet plaatsvinden, zoals de man heeft betoogd.

11.5.

De man heeft verder bezwaar gemaakt tegen de door de deskundige gehanteerde waarderingsmethoden en tegen de correcties die de deskundige heeft toegepast in verband met de opeenvolgende vruchtgebruiken en de (voorwaardelijke) restitutieverplichting jegens mevrouw [vruchtgebruikster] .

Wat betreft de gehanteerde waarderingsmethoden en de correcties in verband met de opeenvolgende vruchtgebruiken gaat het om bezwaren die de man ook al tijdens het deskundigenonderzoek naar voren had gebracht. De deskundige heeft in die bezwaren geen aanleiding gezien om zijn conclusies te wijzigen.

Het hof verenigt zich met de door de deskundige gehanteerde waarderingsmethoden en met de toegepaste correcties in verband met de opvolgende vruchtgebruiken. Het hof acht het rapport van de deskundige op deze onderdelen deugdelijk onderbouwd; de opmerkingen van de man leiden niet tot een andere conclusie.

11.6.

Naar het oordeel van het hof moet anders geoordeeld worden over de correctie wegens de (voorwaardelijke) restitutieverplichting jegens mevrouw [vruchtgebruikster] . Blijkens productie j bij de akte van de vrouw d.d. 7 mei 2013 gaat het om een restitutieverplichting ten gunste van mevrouw [vruchtgebruikster] indien verkrijger (de moeder van de vrouw) de onroerende zaak zonder haar toestemming verkoopt of bezwaart.

Tussen partijen staat echter vast dat de ouders van de vrouw met uitdrukkelijke toestemming van mevrouw [vruchtgebruikster] de onroerende zaak hebben verkocht aan de vrouw. Dit betekent naar het oordeel van het hof dat er geen grond is voor een correctie op de waarde van de onroerende zaak in verband met een (voorwaardelijke) restitutieverplichting jegens mevrouw [vruchtgebruikster] . Dat er op dit punt een correctie zou moeten plaatsvinden was overigens ook niet gesteld door de vrouw.

Weliswaar is er ten behoeve van de ouders van de vrouw een nieuwe (voorwaardelijke) restitutieverplichting in het leven geroepen, zoals vermeld in de notariële akte d.d. 23 februari 2007 (productie n bij de akte van de vrouw d.d. 7 mei 2013) maar hieromtrent heeft het hof in de rechtsoverwegingen 4.14.5 en 4.14.6 van het tussenarrest van 17 september 2013 overwogen dat hier (materieel) sprake is van een gift en dat de man zich terecht op de vernietigbaarheid hiervan heeft beroepen.

11.7.

Het voorgaande betekent dat de door de deskundige toegepaste correctie van € 22.000,- wegens de (voorwaardelijke) restitutieverplichting jegens mevrouw [vruchtgebruikster] buiten beschouwing moet blijven en dat uitgegaan moet worden van een waarde van de woning (na correctie in verband met de twee opeenvolgende vruchtgebruiken) van € 44.000,-. Hierop moet in mindering gebracht worden: het rendementsverlies als gevolg van de twee vruchtgebruiken. Dat rendementsverlies bedraagt geen € 14.500,- zoals de deskundige heeft berekend, maar het dubbele, dus € 29.000,- (omdat bij de berekening van het rendement niet een waarde van € 22.000,- moet worden gehanteerd, maar het dubbele daarvan, te weten € 44.000,-).

De conclusie is dat voor de verdeling uitgegaan moet worden van een waarde van de onderhavige woning in [plaats 2] van (€ 44.000,- minus het rendementsverlies van € 29.000,- =) € 15.000,-. De woning zal aan de vrouw worden toegedeeld; de vrouw dient de helft van de waarde, dus € 7.500,- aan de man te voldoen.

11.8.

Hiermee is op alle geschilpunten in hoger beroep beslist. Samengevat heeft het hof in dit arrest en in de twee voorafgaande tussenarresten de volgende beslissingen genomen:

- naar aanleiding van de tweede grief van de vrouw heeft het hof beslist dat de beslissing van de rechtbank inzake de hypotheeklasten, de onroerendzaakbelasting en de rioolheffing met betrekking tot de voormalige echtelijke woning gedeeltelijk gegrond is. Het hof zal de beslissing van de rechtbank op dit punt vernietigen en opnieuw rechtdoende bepalen dat de man de hypotheeklasten met betrekking tot de voormalige echtelijke woning vanaf 23 maart 2009 volledig voor zijn rekening moet nemen en dat de onroerendzaakbelasting en de rioolheffing wat betreft de periode 23 maart 2009 tot 31 maart 2011 voor de helft ten laste van de vrouw komen. Het voorgaande brengt mee dat ook de beslissing van de rechtbank dat het belastingvoordeel in verband met de betaalde hypotheekrente bij helfte moet worden verdeeld, niet in stand kan blijven;

- wat de door de man te betalen gebruiksvergoeding voor de voormalige echtelijke woning betreft, kan de beslissing van de rechtbank evenmin in stand blijven. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, bepalen dat de man een gebruiksvergoeding over de periode van 23 maart 2009 tot 15 maart 2011 aan de vrouw moet betalen van € 6,65 per maand en de man veroordelen om deswege aan de vrouw (8/31 x € 6,65) + (23 x € 6,65) + (15/31 x € 6,65) = € 157,89 te voldoen;

- met betrekking tot de energiekosten van de voormalige echtelijke woning heeft het hof beslist dat de vrouw 1/6 deel van die kosten vanaf oktober 2007 tot 31 maart 2011 moet dragen. De man heeft verdeling gevorderd van de nabetaling energiekosten ten bedrage van

€ 798,57. Hiervan komt 1/6 deel = € 133,10 ten laste van de vrouw. Dit betekent dat de beslissing van de rechtbank op dit punt niet in stand kan blijven. Het hof zal opnieuw recht doen zoals hiervoor is aangegeven;

- wat betreft het negatieve saldo op de Raborekening [rekeningnummer] heeft het hof beslist dat de beslissing van de rechtbank op dit punt niet in stand kan blijven: de vrouw is met betrekking tot dit negatieve saldo niets verschuldigd;

- wat betreft de leenschuld aan de ouders van de vrouw zal het hof de beslissing van de rechtbank vernietigen en opnieuw rechtdoende bepalen dat deze schuld € 35.000,- bedraagt, te vermeerderen met een rente van 5,4% per jaar vanaf 1 januari 2003 en tevens dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor deze schuld;

- de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de door de man betaalde “overige schulden” (de vrouw is veroordeeld om dienaangaande aan de man € 9.591,34 te betalen) wordt eveneens vernietigd; de vordering van de man op dit punt wordt afgewezen;

- ook de beslissing inzake de overbedeling met betrekking tot de verdeling van de auto’s kan niet in stand blijven: de man zal worden veroordeeld om aan de vrouw (€ 10.000,- minus

€ 5.395,-) : 2= € 2.302,50 te betalen;

- met betrekking tot de ten name van de vrouw staande woning in Duitsland kan de (afwijzende) beslissing van de rechtbank evenmin in stand blijven. Het hof zal die woning aan de vrouw toedelen onder gehoudenheid om aan de man een bedrag van € 7.500,- te voldoen;

- ter zake van de (in hoger beroep voor het eerst ingestelde) vordering van de man met betrekking tot de saldi bij Raiffeisenbank en Deka Investmentfonds zal het hof bepalen dat deze saldi worden toegedeeld aan de vrouw onder gehoudenheid om de helft van die saldi aan de man te betalen, te weten een bedrag van € 176,01 respectievelijk € 2,39.

11.9.

Het hof zal de kosten van de appelprocedure compenseren omdat partijen voormalige echtgenoten zijn. Partijen dienen ieder de heft van de kosten van het deskundigenonderzoek te dragen.

12 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis van de rechtbank waarvan beroep, voor zover daarin :

- is bepaald dat de hypotheeklasten, de onroerendzaakbelasting en de rioolheffing met betrekking tot de voormalige echtelijke woning vanaf 23 maart 2009 door beide partijen voor de helft moeten worden gedragen en de vrouw is veroordeeld om aan de man € 14.864,22 te betalen ter zake van door de man reeds betaalde hypotheeklasten;

- is bepaald dat het belastingvoordeel in verband met de betaalde hypotheekrente bij helfte moet worden verdeeld;

- de man is veroordeeld om aan de vrouw een gebruiksvergoeding voor de voormalige echtelijke woning te betalen van € 58,33 per maand

- de vrouw is veroordeeld om aan de man met betrekking tot de energiekosten van de voormalige echtelijke woning een bedrag te betalen van € 399,28;

- de vrouw is veroordeeld om aan de man een bedrag te betalen van € 498,85 met rente ter zake van het negatieve saldo op de Raborekening [rekeningnummer];

- is bepaald dat ter zake van de leenschuld aan de ouders van de vrouw ieder van partijen de helft van een bedrag van € 40.000,- moet dragen, te vermeerderen met een rente van 5,4% per jaar;

- de vrouw is veroordeeld om met betrekking tot de door de man betaalde “overige schulden” aan de man een bedrag van € 9.591,34 te betalen;

- de man is veroordeeld om aan de vrouw in verband met overbedeling ter zake van de Honda een bedrag van € 1.302,50 te betalen;

- de vordering van de man ter zake van de ten name van de vrouw staande woning in Duitsland is afgewezen;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man de hypotheeklasten met betrekking tot de voormalige echtelijke woning vanaf 23 maart 2009 volledig voor zijn rekening moet nemen en dat de onroerendzaakbelasting en de rioolheffing wat betreft de periode 23 maart 2009 tot 31 maart 2011 voor de helft ten laste van de vrouw komen;

bepaalt dat de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding ter zake van de voormalige echtelijke woning over de periode 23 maart 2009 tot 15 maart 2011 moet betalen van € 6,65 per maand en veroordeelt de man om deswege aan de vrouw een bedrag van € 157,89 te betalen;

bepaalt dat de vrouw met betrekking tot de energiekosten van de voormalige echtelijke woning 1/6 deel van die kosten vanaf oktober 2007 tot 31 maart 2011 moet dragen en veroordeelt de vrouw om deswege aan de man een bedrag van € 133,10 te betalen;

-bepaalt dat de leenschuld aan de ouders van de vrouw € 35.000,- bedraagt, te vermeerderen met een rente van 5,4% per jaar vanaf 1 januari 2003 en dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor deze schuld;

veroordeelt de man om in verband met de overbedeling inzake de auto’s aan de vrouw een bedrag van € 2.302,50 te betalen;

deelt de ten name van de vrouw staande woning [straatnaamm][huisnummer] in [plaats 2] , Duitsland toe aan de vrouw, onder gehoudenheid om aan de man een bedrag van € 7.500,- te voldoen;

deelt de saldi bij Raiffeisenbank en Deka Investmentfonds toe aan de vrouw onder gehoudenheid om de helft van die saldi, zijnde een bedrag van € 176,01 respectievelijk

€ 2,39 aan de man te betalen;

wijst af het meer of anders gevorderde;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

bepaalt dat ieder van partijen de helft van de kosten van de deskundige moet dragen en bepaalt dat de man zijn aandeel in die kosten, zijnde € 3.000,-, zal overmaken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

compenseert de kosten van het hoger beroep voor het overige in die zin dat iedere partij de eigen kosten moet dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.D.M. Lamers, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 november 2016.

griffier rolraadsheer