Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5092

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-11-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
200.199.101/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:5086
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Fw: het herhaaldelijk niet dan wel niet voldoende nakomen van de informatieverplichting.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 10 november 2016

Zaaknummer : 200.199.101/01

Zaaknummer eerste aanleg : R 14/361

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. S.M. Diekstra te Leiden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 1 september 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 september 2016, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en het verzoek beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling af te wijzen.

2.2.

Gelet op de onderlinge samenhang heeft het hof de onderhavige zaak gevoegd behandeld met de zaak met rekestnummer 200.198.982/01 van [appellante in de zaak van 200 198 982_01] .

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 november 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- namens [appellant] , mr. Diekstra.

- mevrouw [waarnemend bewindvoerder] waarnemend voor mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.

[appellant] is, hoewel op juiste wijze opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 28 juli 2016;

- de stukken van de eerste aanleg, ingestuurd bij indieningsformulier van 26 oktober 2016;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 18 oktober 2016;

- de brief van de advocaat van [appellant] d.d. 31 oktober 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 24 september 2014 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 25 maart 2016 tussentijds beëindigd, nu [appellant] een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen baten zijn voor uitdeling, zodat de schuldsaneringsregeling, conform artikel 350 lid 4 Fw, eindigt door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.

3.3.

De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

De rechtbank is van oordeel dat de [appellant] niet, althans onvoldoende heeft voldaan aan zijn informatieverplichting: Dit valt aan hem toe te rekenen. Het feit dat zijn vriendin een slechte gezondheid heeft, hetgeen de rechtbank overigens niet kan vaststellen, ontslaat hem niet tijdig en correct zijn informatieverplichting na te komen. Indien [appellant] moeite heeft deze verplichting na te komen, om wat voor reden dan ook, dan had het op zijn weg gelegen om tijdig hulp in te schakelen. Ook dat heeft hij nagelaten. [appellant] is meerdere malen door de bewindvoerder en de rechtbank, bij brief d.d. 7 mei 2015 en tijdens het verhoor door de rechter-commissaris op 25 februari 2016, gewezen op zijn tekortkoming in de nakoming van zijn informatieverplichting. [appellant] heeft meerdere kansen gehad om de tekortkoming in de nakoming van zijn informatieverplichting te herstellen, doch heeft van deze kansen geen gebruik gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank loopt de informatievoorziening al geruime tijd niet goed. Gelet op het feit dat [appellant] ter zitting heeft aangegeven dat hij het op dit moment te druk heeft om zijn zaken goed te regelen en daarbij erg druk te zijn met de slechte gezondheid van zijn vriendin, heeft de rechtbank er onvoldoende vertrouwen in dat er op korte termijn verbetering zal gaan plaatsvinden ten aanzien van de informatievoorziening zijdens [appellant] .

Voorts is de rechtbank van oordeel dat [appellant] niet heeft voldaan aan zijn afdrachtverplichting, gezien de ontstane boedelachterstand, en heeft de rechtbank vastgesteld dat sprake is van het ontstaan van nieuwe bovenmatige schulden.

3.4.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van de nieuwe schulden heeft [appellant] aangevoerd dat betalingsregelingen zijn en worden getroffen. [appellant] erkent dat hij nalatig is geweest in het toezenden van stukken aan de bewindvoerder wegens de gezondheid van zijn vriendin. [appellant] geeft aan dat hij nu bijna alle stukken beschikbaar heeft voor de bewindvoerder.

[appellant] stelt dat als gevolg van een tekort aan salaris hij niet heeft kunnen afdragen aan de boedel. Deze stelling zal [appellant] proberen te onderbouwen met stukken.

Ten aanzien van de sollicitatieplicht stelt [appellant] dat hij met zijn werkgever heeft overlegd over de arbeidsuren en dat hij inmiddels (meer dan) 36 uren in de week werkt.

Met betrekking tot de nieuwe schulden, de boedelachterstand en het niet nakomen van de sollicitatie- en informatieplicht heeft [appellant] aangevoerd dat een en ander onvoldoende aanleiding vormt tot het tussentijds beëindigen van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei.

3.5.

De bewindvoerder heeft haar verzoek om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen gemotiveerd gehandhaafd.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Fw, te beoordelen of er bij [appellant] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door zijn doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregelingen het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden.

3.6.2.

Het hof stelt in de eerste plaats vast dat [appellant] niet ter zitting is verschenen en derhalve geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid zelf een toelichting te geven op het door hem ingestelde hoger beroep. Evenmin zijn nadere onderbouwende stukken door hem in het geding gebracht.

In de brief van de advocaat van [appellant] van 31 oktober 2016 is aangegeven dat het de afgelopen tijd ook niet meer gelukt is om in contact te komen met zijn cliënten, [appellant] en zijn partner. Ter zitting heeft de advocaat aangegeven ook voorafgaand aan de zitting geen contact meer met hen te hebben gehad.

3.6.3.

Gelet op de inhoud van de processtukken en op hetgeen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep namens [appellant] en de bewindvoerder naar voren is gebracht is het hof van oordeel dat onweersproken is komen vast te staan dat [appellant] zich gedurende de de schuldsaneringsregeling niet althans onvoldoende heeft gehouden aan de aan hem opgelegde uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichting. De handelwijze van [appellant] , het herhaaldelijk niet dan wel niet voldoende nakomen van de informatieverplichting, heeft er toe geleid dat de bewindvoerder structureel is belemmerd in haar toezichthoudende taak. Ondanks het feit dat, blijkens het voortgangsverslag van de bewindvoerder d.d. 26 oktober 2015, de rechter-commissaris op verzoek van de bewindvoerder een waarschuwingsbrief naar [appellant] heeft gezonden en daarnaast op 25 februari 2016 een verhoor heeft plaatsgevonden ten overstaan van de rechter-commissaris, waarbij [appellant] nogmaals op zijn verplichtingen is gewezen, heeft dit niet geleid tot enige verbetering in de gedragingen van [appellant] .

3.6.4.

Het hof is van oordeel dat van de hiervoor weergegeven gedragingen van [appellant] gedurende de van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling hem een zodanig ernstig verwijt kan worden gemaakt dat dit op zichzelf beschouwd al voldoende grond oplevert de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.

Dat [appellant] zich daarnaast niet heeft gehouden aan de aan hem opgelegde inspannings- en afdrachtverplichting en nieuwe bovenmatige schulden heeft doen laten ontstaan, zoals de rechtbank heeft overwogen, behoeft naar het oordeel van het hof geen afzonderlijke bespreking meer.

3.7.

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd dient te worden.

3.8.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, C.N.M. Antens en A.J. Coster en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2016.