Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5086

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-11-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
200.198.982/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:5092
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Fw: niet gehouden aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichting.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 10 november 2016

Zaaknummer : 200.198.982/01

Zaaknummer eerste aanleg : R 14/362

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. S.M. Diekstra te Leiden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 1 september 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 september 2016, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog te bepalen dat het verzoek beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.

2.2.

Gelet op de onderlinge samenhang heeft het hof de onderhavige zaak gevoegd behandeld met de zaak met rekestnummer 200.199.101/01 van [appellant in de zaak van 200 199 101_01]

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 november 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- Namens [appellante] door mr. Diekstra.

  • -

    Mevrouw [waarnemend bewindvoerder] , waarnemend namens mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.

  • -

    [appellante] is, hoewel op juiste wijze opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 18 oktober 2016.

- een indieningsformulier van 26 oktober 2016 met als bijlagen een deel van de stukken van eerste aanleg;

- de brief van de advocaat van [appellante] van 31 oktober 2016;

Voorts heeft het hof vanwege de gelijktijdige behandeling van deze zaak met die van

D. [appellant in de zaak van 200 199 101_01] ook kennis genomen van de stukken van die laatste zaak.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 24 september 2014 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 25 maart 2016 tussentijds beëindigd, nu [appellante] een of meer van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door haar doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen baten zijn voor uitdeling, zodat de schuldsaneringsregeling, conform artikel 350 lid 4 Fw, eindigt door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.

3.3.

De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

De rechtbank is van oordeel dat de schuldenares niet heeft voldaan aan haar informatieverplichting. De bewindvoerder heeft.ter zitting aangegeven dat zij geen nadere stukken meer heeft ontvangen van de schuldenares. Doordat de schuldenares niet aan.haar informatieverplichting voldoet, belemmert zij de bewindvoerder in de uitoefening van haar taak. De bewindvoerder kan bijvoorbeeld ook niet met zekerheid vaststellen in hoeverre de schuldenares voldoende aan haar afdrachtverplichting voldoet. Ook volgt uit de dossierstukken en het verhandelde ter zitting dat de schuldenares de bewindvoerder niet actief informeert en in sommige gevallen zelfs niet, ondanks herhaalde verzoeken van de bewindvoerder.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat [appellante] niet heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting. Zij heeft onvoldoende sollicitatiebewijzen aan de bewindvoerder doen toekomen en er zijn geen medische stukken overgelegd waaruit volgt dat zij niet in staat is om 36 uur per week betaalde arbeid te verrichten.

Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat [appellante] bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de vastgestelde tekortkomingen toerekenbaar zijn aan [appellante] .

3.4.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

[appellante] stelt een betalingsregeling getroffen te hebben met de gemeente en is bezig betalingsregelingen te treffen met Tele2 en de NEM. [appellante] zal voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling de bewijsstukken hiervan overleggen.

[appellante] erkent dat zij nalatig is geweest in het toezenden van stukken aan de bewindvoerder wegens haar gezondheid. [appellante] heeft al een jaar problemen met haar gezondheid waardoor zij er niet aan toe is gekomen de documenten aan de bewindvoerder te doen toekomen. [appellante] geeft aan dat zij nu bijna allé stukken beschikbaar heeft voor de bewindvoerder.

[appellante] geeft aan dat zij niet aan haar sollicitatieplicht heeft voldaan omdat zij al een jaar problemen heeft met haar gezondheid, waardoor zij (deels) arbeidsongeschikt is. Op dit moment werkt zij part-time.

Met betrekking tot de nieuwe schulden, de boedelachterstand en het niet nakomen van de sollicitatie- en informatieplicht heeft [appellant in de zaak van 200 199 101_01] aangevoerd dat een en ander onvoldoende aanleiding vormt tot het tussentijds beëindigen van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei.

3.5.1.

De bewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep meegedeeld dat zij van [appellante] nog drie sollicitatiebewijzen heeft ontvangen, maar dat dat geenszins voldoende is. De bewindvoerder heeft haar verzoek om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen gemotiveerd gehandhaafd.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Fw, te beoordelen of er bij [appellante] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door haar doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling en het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden.

3.6.2.

Het hof stelt in de eerste plaats vast dat [appellante] niet ter zitting is verschenen en derhalve geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid een toelichting te geven op het door haar ingestelde hoger beroep. Evenmin zijn nadere onderbouwende stukken door haar in het geding gebracht.

In de brief van de advocaat van [appellante] van 31 oktober 2016 is aangegeven dat het de afgelopen tijd ook niet meer gelukt is om in contact te komen met zijn cliënten, [appellante] en haar partner. (zie opmerking in [appellant in de zaak van 200 199 101_01] )

3.6.3.

Gelet op de inhoud van de processtukken en op hetgeen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep namens [appellante] en de bewindvoerder naar voren is gebracht is het hof van oordeel dat onweersproken is komen vast te staan dat [appellante] zich niet althans onvoldoende heeft gehouden aan de aan haar opgelegde uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichting. De handelwijze van [appellante] , het herhaaldelijk niet dan wel niet voldoende nakomen van de informatieverplichting, heeft er toe geleid dat de bewindvoerder structureel is belemmerd in haar toezichthoudende taak. Ondanks het feit dat, blijkens het voortgangsverslag van de bewindvoerder d.d. 26 oktober 2015, de rechter-commissaris op verzoek van de bewindvoerder een waarschuwingsbrief naar [appellante] heeft gezonden en daarnaast op 25 februari 2016 een verhoor heeft plaatsgevonden ten overstaan van de rechter-commissaris, waarbij [appellante] nogmaals op haar verplichtingen is gewezen, heeft dit niet, althans volstrekt onvoldoende geleid tot verbetering in de gedragingen van [appellante] .

3.6.4.

Het hof is van oordeel dat van de hiervoor weergegeven gedragingen van [appellante] haar een zodanig ernstig verwijt kan worden gemaakt dat dit op zichzelf beschouwd voldoende grond oplevert de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.

Dat [appellante] zich daarnaast niet heeft gehouden aan de aan haar opgelegde inspannings- en afdrachtverplichting en nieuwe bovenmatige schulden heeft doen laten ontstaan, zoals de rechtbank heeft overwogen, behoeft naar het oordeel van het hof geen afzonderlijke bespreking meer.

3.7.

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd dient te worden.

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, C.N.M. Antens en A.J. Coster en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2016.