Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5006

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-11-2016
Datum publicatie
22-02-2017
Zaaknummer
15/00791
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:2735, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:686
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2011 de reisaftrek (artikel 3.87 Wet IB) in aanmerking genomen. De Inspecteur heeft deze gecorrigeerd. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende hierop geen recht heeft, omdat de overgelegde reisverklaring niet voldoet en belanghebbende overigens ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor de reisaftrek in aanmerking komt. Belanghebbendes beroep op de meerderheidsregel (toepassing van het gelijkheidsbeginsel) slaagt niet omdat de vergelijkbare gevallen waarin de inspecteur de reisaftrek ten onrechte heeft verleend door hem zijn nagevorderd en niet aannemelijk is geworden dat hij niet kan navorderen.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.87
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/407
V-N 2017/14.1.2
FutD 2017-0509
NTFR 2017/899 met annotatie van mr. D. Westerman
Viditax (FutD), 30-11-2018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00791

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] , Slowakije, domicilie gekozen hebbende ten huize van zijn hierna te noemen gemachtigde,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 29 april 2015, nummer AWB 14/2438 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.955, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Tegelijkertijd is daarbij € 24 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Nadien hebben partijen nog verschillende schriftelijke reacties ingediend, welke telkens in afschrift aan de wederpartij zijn gestuurd.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 15 september 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord als gemachtigde van belanghebbende de heer [A] , wonende te [B] , alsmede, namens de Inspecteur, [C] en [D] .

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende was in het jaar 2011, samen met 9 andere personen, in dienstbetrekking werkzaam bij bouwbedrijf [E] , gevestigd in [F] . Hij heeft in dit jaar voor dit bedrijf op diverse locaties in [F] en omgeving werkzaamheden verricht.

2.2.

In zijn aangifte IB/PVV 2011 heeft belanghebbende reisaftrek, ter grootte van € 1.186, geclaimd. Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2011 heeft de Inspecteur de reisaftrek gecorrigeerd.

2.3.

Belanghebbende heeft een reisverklaring van zijn werkgever ( [E] ) overgelegd. Deze luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Bij deze verklaar ik als werkgever, dat Dhr. [belanghebbende] , geboortedatum [datum 1] 1983, in de jaar 2011 heeft gereisd met openbaar vervoer van zijn woonadres [a-straat] 56, [postcode] [F] naar onze projecten naar het adressen:

Van 03-01-2011 t/m 14-01-2011 (…) Amsterdam

Van 17-01-2011 t/m 31-01-2011 (…) Alkmaar

Van 01-02-2011 t/m 18-02-2011 (…) Haarlem

Van 21-02-2011 t/m 25-02-2011 (…) Amsterdam

Van 28-02-2011 t/m 04-03-2011 (…) Amstelveen

Van 07-03-2011 t/m 18-03-2011 (…) Haarlem

Van 21-03-2011 t/m 01-04-2011 (…) Heemstede

Van 04-04-2011 t/m 22-04-2011 (…) Haarlem

Van 25-04-2011 t/m 06-05-2011 (…) Heemstede

Van 09-05-2011 t/m 27-05-2011 (…) Haarlem

Van 30-05-2011 t/m 10-06-2011 (…) Heemstede

Van 13-06-2011 t/m 15-07-2011 (…) Haarlem

Van 18-07-2011 t/m 05-08-2011 (…) Heemstede

Van 08-08-2011 t/m 19-08-2011 (…) Amsterdam

Van 22-08-2011 t/m 02-09-2011 (…) Haarlem

Van 05-09-2011 t/m 23-09-2011 (…) Haarlem

Van 26-09-2011 t/m 30-09-2011 (…) Haarlem

Van 03-10-2011 t/m 28-10-2011 (…) Amsterdam

Van 31-10-2011 t/m 11-11-2011 (…) Heemstede

Van 14-11-2011 t/m 25-11-2011 (…) Haarlem

Van 28-11-2011 t/m 22-12-2011 (…) Heemstede

Dhr. [belanghebbende] heeft voor het jaar 2011 geen reiskostenvergoeding ontvangen.”

2.4.

Bij bouwbedrijf [E] is op [datum 2] 2011 door de Belastingdienst een boekenonderzoek ingesteld met betrekking tot de privégebruik auto-regeling over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010. Door de controlerend ambtenaar is in het rapport van dit boekenonderzoek vermeld dat de werkgever heeft aangegeven dat de bestelauto’s (vanaf 11 februari 2011 staat een tweede bestelauto op naam van [E] geregistreerd) ter beschikking worden gesteld en door meerdere werknemers wisselend worden gebruikt. Ook is melding gemaakt van een afspraak tussen de Belastingdienst en [E] die inhoudt dat vanaf 1 juli 2011 per dag zou worden vastgelegd welke werknemer in welke auto rijdt. Uit de aangiften loonheffing 2011 van [E] bleek dat het in totaal om nog 9 andere werknemers ging. Aan 8 van deze 9 collega’s is over 2011 de reisaftrek openbaar vervoer verleend. De collega waarvoor deze aftrek niet is geclaimd, had uit andere hoofde al zoveel aftrek dat de gehele loonheffing al werd teruggegeven zonder toepassing van de reisaftrek.

2.5.

De Inspecteur heeft een met dagtekening 1 augustus 2013 aan belanghebbende gerichte brief geschreven. Hierin wijst hij belanghebbende er op dat hij – onder andere – de originele vervoersbewijzen of, als hij op saldo reist, de transactielijst dient te overleggen.

2.6.

De Inspecteur heeft bij zijn verweerschrift in hoger beroep als bijlage 1 een overzicht verstrekt waaruit blijkt wat de reistijden zijn indien van de verblijfplaats van belanghebbende met het openbaar vervoer naar de bouwlocaties is gereisd. De door hem berekende reistijden (enkele reis) zijn: 52 minuten, 1 uur en 39 minuten, 44, 32, 59, 47 minuten, 1 uur en 1 minuut, 54 en 44 minuten en 1 uur en 9 minuten.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of belanghebbende in aanmerking komt voor de reisaftrek, zoals bedoeld in artikel 3.87 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB). Meer in het bijzonder betreft het geschil het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft belanghebbende met de door hem overgelegde reisverklaring aannemelijk gemaakt dat hij in 2011 met het openbaar vervoer, tussen zijn woning of zijn verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden, heeft gereisd?

2. Zo nee, heeft hij desondanks recht op de reisaftrek op grond van het gelijkheidsbeginsel (de meerderheidsregel)?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak van de Inspecteur, alsmede vermindering van de aanslag IB/PVV 2011 overeenkomstig de ingediende aangifte IB/PVV 2011. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Vooraf

4.1.

Belanghebbendes gemachtigde heeft in zijn brief van 29 augustus 2016 het Hof op de voet van artikel 8:60 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht een tolk (Slowaaks-Nederlands) voor de zitting van 15 september 2016 te benoemen en op te roepen. Het Hof heeft dit verzoek afgewezen in de brief van 6 september 2016 die per abuis naar een onjuist adres is verzonden. Op 13 september 2016 heeft de griffier alsnog deze beslissing per emailbericht aan belanghebbendes gemachtigde gezonden. Ter zitting is niet belanghebbende verschenen maar wel diens gemachtigde de hiervoor vermelde heer [A] . Het Hof is van oordeel dat uit de door gemachtigde geschreven stukken alsmede uit het verhandelde ter zitting van het Hof is gebleken dat de gemachtigde van belanghebbende de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst en ziet daarom geen aanleiding om op zijn eerdere afwijzing van het verzoek terug te komen. Belanghebbende heeft overigens ter zitting van het Hof niet nader verzocht om benoeming en oproeping van een tolk.

Ten aanzien van het geschil

Reisaftrek

4.2.

Belanghebbende wenst voor het jaar 2011 op de voet van artikel 3.87 Wet IB in aanmerking te komen voor de reisaftrek. De reisaftrek geldt bij ten minste eenmaal per week plegen te reizen tussen de woning of verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden waarbij binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug wordt gereisd en wordt in aanmerking genomen voor de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand, voor zover dat vervoer niet vanwege de inhoudingsplichtige plaatsvindt (artikel 3.87, eerste lid, van de Wet IB). Op belanghebbende rust de last feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op grond waarvan hij voor de reisaftrek in aanmerking komt.

4.3.

In het negende lid van voornoemd artikel is opgenomen dat de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand slechts blijkt uit een op een tijdvak van 12 maanden betrekking hebbende verklaring die is afgegeven door de desbetreffende openbaar-vervoeronderneming (de openbaar-vervoerverklaring) of, in die gevallen dat door de gebruikte kaartsoort de openbaar-vervoerverklaring niet kan worden verstrekt, een aan een openbaar-vervoerverklaring gelijk te stellen andere tot de persoon van de belastingplichtige herleidbare verklaring omtrent het gereisd hebben met openbaar vervoer (de reisverklaring).

4.4.

De uit het tiende lid van artikel 3.87 Wet IB voortvloeiende uitvoeringsregeling bepaalt, dat de reisverklaring ten minste de volgende gegevens bevat: de naam en het adres van de inhoudingsplichtige als ook die van de belastingplichtige en een door de inhoudingsplichtige ondertekende verklaring, die vermeldt het aantal dagen per week dat de belastingplichtige met het openbaar vervoer naar de plaats of plaatsen van werkzaamheden heeft gereisd (artikel 16, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001). Doordat het derde lid van artikel 16 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 met terugwerkende kracht per 1 januari 2011 is vervallen, kan een belastingplichtige ook zonder het overleggen van plaatsbewijzen aannemelijk maken dat hij met het openbaar vervoer heeft gereisd. De vrije bewijsleer geldt derhalve.

4.5.

Met het overleggen van de in 2.3. vermelde reisverklaring heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat hij per openbaar vervoer heeft gereisd. De reisverklaring vermeldt namelijk niet het aantal dagen per week dat hij per openbaar vervoer heeft gereisd naar de plaatsen van zijn werkzaamheden. Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende namelijk verklaard dat belanghebbende 5 dagen per week heeft gereisd. De reisverklaring is daarmee niet in overeenstemming omdat daarin de periodes waarin per openbaar vervoer zou zijn gereisd in de meeste gevallen langer zijn. Aangezien de reisverklaring niet geheel aan de in artikel 16 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 vermelde eisen voldoet, bestaat reeds hierom geen recht op de geclaimde reisaftrek. Ook anderszins is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij met het openbaar vervoer heeft gereisd. Gelet op de in 2.6. vermelde en onweersproken reistijden acht het Hof het, evenals de Inspecteur, onwaarschijnlijk dat belanghebbende zich het gehele jaar per openbaar vervoer zou hebben verplaatst.

4.6.

De stelling van belanghebbende dat hij niet wist dat hij plaatsbewijzen diende te overleggen – hij ontkent de in 2.5. bedoelde brief te hebben ontvangen – doet aan het voorgaande niet af. Niet aannemelijk is namelijk dat belanghebbende de plaatsbewijzen, zou hij deze brief kort na 1 augustus 2013 hebben ontvangen, nog zou hebben bewaard. Dat de Inspecteur belanghebbende bij het indienen van de aangifte IB/PVV 2011 op de hoogte zou moeten stellen dat hij de plaatsbewijzen diende te bewaren, is in zijn algemeenheid onjuist. Het is aan belanghebbende die in zijn aangifte IB/PVV de reisaftrek claimt om aannemelijk te maken dat hij daarvoor ook in aanmerking komt. Voor de hand ligt het dan om de plaatsbewijzen te bewaren. Dat hij dit heeft verzuimd, dient voor zijn rekening en risico te blijven.

Gelijkheidsbeginsel

4.7.

Belanghebbende stelt dat hij op grond van het gelijkheidsbeginsel recht heeft op de reisaftrek. Bij gebreke aan begunstigend of interpretatief beleid dan wel een oogmerk van begunstiging wil belanghebbende met een beroep op de zogenoemde meerderheidsregel de reisaftrek vergolden zien.

4.8.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 juni 1992, nr. 27 048 (ECLI:NL:HR:1992:BH8123), met betrekking tot die meerderheidsregel het volgende overwogen:

Voor zover in de verwerping door het Hof van het beroep van belanghebbende op schending van het gelijkheidsbeginsel ligt besloten het oordeel dat zodanig beroep niet kan slagen indien de ongelijke behandeling niet steunt op een gevoerd beleid dan wel niet voortkomt uit een oogmerk van begunstiging, wordt dit oordeel in de klachten onder 6 en 8 terecht bestreden. Immers buiten evenbedoelde gevallen dient bij de afweging van het beginsel dat de wet moet worden toegepast, tegen het beginsel dat de administratie gelijke gevallen gelijk moet behandelen, aan laatstgenoemd beginsel ook doorslaggevende betekenis te worden toegekend wanneer in een meerderheid van de met het geval van de betrokken belastingplichtige vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven, met dien verstande dat hierbij niet in aanmerking mogen worden genomen gevallen zoals die waarin een juiste wetstoepassing is achterwege gebleven vanwege het geringe financiele belang of de aanslag niet overeenkomstig de wet is vastgesteld ten gevolge van tik- of schrijffouten of daarmee gelijk te stellen vergissingen.”

4.9.

Tussen partijen is blijkbaar niet in geschil dat de groep van met belanghebbende vergelijkbare gevallen bestaat uit 8 andere werknemers die bij [E] in 2011 werkzaam waren en waarbij de inspecteur de reisaftrek niet heeft gecorrigeerd. In zoverre is bij een meerderheid van de met het geval van belanghebbende vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege gebleven.

4.10.

De Inspecteur is, op grond van het in 2.4. vermelde rapport van het boekenonderzoek, van mening dat geen van de werknemers van [E] recht heeft op de reisaftrek, omdat er sprake was van vervoer vanwege de inhoudingsplichtige; de werknemers werden namelijk blijkens de in het controlerapport opgenomen verklaring van de werkgever in de bestelauto’s van de werkgever vervoerd. De Inspecteur heeft daarom aan de hiervoor bedoelde 8 werknemers van [E] in voorkomende geval over de jaren 2010 tot en met 2014 navorderingsaanslagen opgelegd waarbij de geclaimde reisaftrek is gecorrigeerd.

4.11.

In zijn arresten van 5 oktober 1994, nr. 29 839 (ECLI:NL:HR:1994:AA2942) en 15 maart 2000, nr. 34 740 (ECLI:NL:HR:2000:AA5142) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat tot de gevallen waarin de wet juist is toegepast, moeten worden gerekend het geval van de betrokken belastingplichtige, alsmede de gevallen waarin nog navordering mogelijk is en de Inspecteur voornemens is van die mogelijkheid gebruik te maken.

4.12.

Aangezien belanghebbende, op wie de bewijslast rust voor de feiten waarop de meerderheidsregel kan worden toegepast, niet heeft gesteld dat het opleggen van voornoemde navorderingsaanslagen niet mogelijk is, worden de gevallen van de andere 8 werknemers van [E] beschouwd als gevallen waarin de wet juist is toegepast. Dit betekent dat bij een meerderheid van de met het geval van belanghebbende vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing niet achterwege is gebleven zodat belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen.

4.13.

Ook hetgeen belanghebbende overigens heeft gesteld, leidt niet tot de conclusie dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur.

Slotsom

4.14.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.15.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

Ten aanzien van de proceskosten en het verzoek om schadevergoeding

4.16.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Evenmin bestaat er recht op vergoeding van schade aangezien het hoger beroep ongegrond is.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 10 november 2016 door A.J. Kromhout, voorzitter, J.W.J. Huige en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.