Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4999

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
10-11-2016
Zaaknummer
200 161 871_01 en 200 168 666_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie;

Verdeling;

Verrekening;

- Verdeling eenvoudige gemeenschap (woning) met schuld man bij eigen BV t.b.v. verbouwing.

- Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Uitleg. Bewijsvermoeden artikel 1:141 lid 3 BW. Inbreng eenmanszaak in BV.

- Gebruiksvergoeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 141
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 8 november 2016

Zaaknummer: 200.168.666/01 en 200.161.871/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/199867 FA RK 9-567

in de zaak in hoger beroep met nummer 200.168.666/01 van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. A.R. van Wieren,

tegen

[geïntimeerde ] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. K.T.J.M. Pijls-olde Scheper.

en in de zaak in hoger beroep met nummer 200.161.871/01 van:

[appellante (200.161.871/01)] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal appel,

verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. K.T.J.M. Pijls-olde Scheper

tegen

[geïntimeerde (200.161.871/01)] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. A.R. van Wieren

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst in de zaak met nummer 200.168.666/01 (die ziet op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de eenvoudige gemeenschap) naar de beschikkingen van de rechtbank Breda van 15 december 2009 (zoals verbeterd bij beschikking van 17 december 2009), 13 december 2010 en 1 november 2012 en van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 31 juli 2013 en 22 januari 2015.

Het hof verwijst in de zaak met nummer 200.161.871/01 (die ziet op de alimentatie) naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 30 september 2014.

2 Het geding in hoger beroep

in de zaak in hoger beroep met nummer 200.168.666/01 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de eenvoudige gemeenschap):

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 april 2015, heeft de man verzocht de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 22 januari 2015, alsmede de beschikking van 31 juli 2013 van de Rechtbank Breda en de daaraan voorafgaande beschikkingen van de Rechtbank Breda d.d. 1 november 2012, 13 december 2010 en 15/17 december 2009 voor zover deze beschikkingen (althans de daarin opgenomen beslissingen) betrekking hebben op de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding van partijen, te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. Ten aanzien van de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap te bepalen – verwijzend naar het bevel tot verkoop van de voormalig echtelijke woning, staande en gelegen aan de [pand] te ( [postcode] ) [plaats] – dat:

a. ieder van partijen recht heeft op de helft van de overwaarde, bestaande uit de feitelijke verkoopopbrengst te verminderen met de (hypothecaire) geldleningen bij:

a) de Rabobank ter hoogte van € 45.378,-,

b) het Nationaal Restauratiefonds ter hoogte van € 25.295,- en

c) de lening bij [Beheer] Beheer BV ter hoogte van € 185.000,-, inclusief alle daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen, alsmede te verminderen met de verkoopkosten (beide makelaars) en te vermeerderen met de te verrekenen waarde van de Spaaroptimaalpolis (nr. [spaaroptimaalpolis] ) ter hoogte van € 17.161,-,

b. althans – indien en voor zover de lening bij [Beheer] Beheer BV ter hoogte van € 185.000,- niet in de genoemde wijze van verdeling wordt betrokken – te bepalen dat de vrouw uit haar aandeel in de overwaarde van de woning aan de [pand] te [plaats] bij voorrang – uiterlijk op de datum transport via de notaris – aan de man dient te vergoeden de helft van genoemd bedrag, zijnde een bedrag van (50% van € 185.000,-) € 92.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum feitelijke scheiding van partijen 19 juni 2008, althans met ingang van de datum inschrijving echtscheiding, althans met ingang van zodanige datum als het Hof juist acht;

c. althans te bepalen dat aan de man, althans aan [Beheer] Beheer BV, bij voorrang uit de verkoopopbrengst van de woning – uiterlijk op de datum transport via de notaris – het genoemde bedrag van € 185.000,- dient te worden voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum feitelijke scheiding van partijen 19 juni 2008, althans met ingang van de datum inschrijving echtscheiding, althans met ingang van een datum die het Hof juist acht;

d. althans zodanige beslissing die het Hof juist acht;

B. En bovendien – verwijzend naar sub A hiervoor – te bepalen dat:

a. de vrouw uit haar aandeel in de overwaarde van de woning aan de [pand] te [plaats] bij voorrang – uiterlijk op de datum transport via de notaris – aan de man dient te vergoeden de helft van de privé-investering van de man in genoemde woning ter hoogte van (50% van € 139.569,66) € 69.784,83, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum feitelijke scheiding van partijen, te weten 19 juni 2008, althans met ingang van de datum inschrijving echtscheiding, althans met ingang van een datum die het Hof juist acht,

b. althans te bepalen dat de man – bij voorrang uit de verkoopopbrengst van de woning – uiterlijk op de datum transport via de notaris, het genoemde bedrag van € 139.569,66, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum feitelijke scheiding van partijen 19 juni 2008, althans met ingang van de datum inschrijving echtscheiding, althans met ingang van een datum die het Hof juist acht, dient te ontvangen,

c. althans zodanige beslissing ten aanzien van genoemd vergoedingsrecht als het Hof juist acht;

C. Te bepalen dat de vrouw aan de man op grond van verdeling binnen een maand na de in deze zaak te wijzen beschikking, althans uiterlijk op de datum transport van de woning aan de [pand] te [plaats] uit haar aandeel van de verkoopopbrengst een bedrag van € 1.500,- dient te voldoen in verband met toedeling van de Opel Corsa aan de vrouw, alsmede een bedrag van € 1.589,- wegens verrekening van IB-aanslagen 2007 en 2008 – in totaal derhalve een bedrag van € 3.089,-- –, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 november 2009, althans met ingang van de datum van de beschikking van de Rechtbank d.d. 15 december 2009, althans met ingang van zodanige datum als het Hof juist acht.

D. Te bepalen dat de vrouw dient mee te werken aan doorhaling van de hypothecaire inschrijving ten behoeve van (wijlen) de heer [vader van geintimeerde (200.168.166/01)] op de woning aan de [pand] te [plaats] binnen een week na de door uw hof te wijzen beschikking op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat de vrouw hier niet aan meewerkt, althans zodanige beslissing als het Hof juist acht;

E. Te bepalen dat de vrouw – bij voorrang uit haar aandeel van de verkoopopbrengst van de woning aan de [pand] te [plaats] uiterlijk op de datum transport – aan de man dient te voldoen de helft van de door de man vanaf 1 januari 2013 betaalde eigenaarslasten ten behoeve van de woning aan de [pand] te [plaats] , zijnde een bedrag van € 17.537,32 over de periode 1 januari 2013 tot en met 30 april 2015 en te vermeerderen met € 642,66 voor iedere maand vanaf 1 mei 2015 tot aan de datum transport van de woning (in verband met de verkoop), alsmede te vermeerderen met de helft van de door de man betaalde kosten genoemd onder punt 75 van het beroepschrift, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 januari 2013, althans zodanig bedrag en zodanige ingangsdatum als het Hof juist acht.

F. Ten aanzien van het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding te bepalen dat:

a. de man ter zake de Spaaroptimaalpolis aan de vrouw een bedrag van € 8.580,50 dient te voldoen op de wijze als hiervoor onder sub A (verdeling overwaarde woning) is aangegeven;

b. de man ter zake verrekening van de banksaldi van de op zijn naam staande bankrekeningen aan de vrouw een bedrag van (50% van € 84.344,48)

€ 42.122,24 dient te voldoen;

c. de vrouw op grond van art. 1:135 lid 3 BW aan de man dient te voldoen een bedrag van € 73.100,- te vermeerderen met het kasgeld dat zich op de peildatum onder de vrouw bevond (welk bedrag de man vooralsnog begroot op € 20.000,-),

althans subsidiair: ter zake verrekening van de banksaldi van de op naam van de vrouw staande bankrekeningen aan de man een bedrag van € 36.550,-, te

vermeerderen met de helft van het kasgeld dat zich op de peildatum onder de vrouw bevond (welk bedrag de man vooralsnog begroot op € 20.000,-), dient te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente;

d. de man ten aanzien van de op zijn naam staande polis van levensverzekering bij Nationale Nederlanden (nr. [levensverzekeringspolis NN] ) aan de vrouw een bedrag van € 1.100,16 dient te voldoen;

G. Voor recht te verklaren dat geen sprake is van enige te verrekenen waarde van de aandelen van de besloten vennootschap [Beheer] Beheer BV, althans de vordering van de vrouw ter zake af te wijzen, althans te bepalen dat sprake is van verschoonbare rechtsdwaling zoals hierboven nader aangegeven, zodat van enige te verrekenen waarde van de aandelen van de besloten vennootschap [Beheer] Beheer BV ten laste van de man geen sprake kan zijn, althans zodanige beslissing als het Hof juist acht.

H. Het verzoek van de vrouw om ten laste van de man aan haar – bij wijze van voorschot op de verrekening – enig bedrag te voldoen, af te wijzen, althans de vrouw te verbieden over te gaan tot executie van de beslissing van de Rechtbank in de beschikking van 22 januari 2015, voor wat betreft het door de man aan de vrouw te betalen voorschot van € 100.000,-, althans tot betaling van enig voorschot, totdat in deze zaak definitief is beslist over de vermogensrechtelijke afwikkeling van de gevolgen van de echtscheiding, althans de uitvoerbaar bij voorraadverklaring te schorsen, in afwachting van de (eind)beschikking van het hof inzake de vermogensrechtelijke afwikkeling van de gevolgen van de echtscheiding, althans zodanige beslissing als het hof juist acht.

I. Te bepalen dat de vrouw wordt veroordeeld om binnen 24 uur na betekening van de in deze zaak te wijzen beschikking, althans binnen een door uw hof nader te bepalen termijn, het namens haar opgelegde beslag op te heffen op de onverdeelde helft van de onroerende zaak, kadastrale omschrijving WONEN, staande en gelegen aan de [pand] , te [postcode] [plaats] , kadastraal bekend gemeente Geertruidenberg , sectie [kadastrale sectie] , nummer [sectienummer] , groot 3 are en 14 centiare, ten name van de man, [appellant] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat de vrouw aan het vorenstaande niet onverwijld haar medewerking verleent, althans te bepalen dat de man met de in deze zaak te wijzen beschikking onverwijld kan overgaan tot opheffing, althans doorhaling van het hiervoor genoemde beslag, respectievelijk de in deze zaak te wijzen beschikking de bewaarder machtigt tot opheffing, respectievelijk doorhaling van het genoemde beslag.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 juni 2015, heeft de vrouw verzocht de man in zijn appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans het ingestelde beroep als ongegrond en onbewezen af te wijzen nu alle grieven falen.

Tevens heeft de vrouw hierbij incidenteel appel ingesteld en verzocht de beschikking van 22 januari 2015 te vernietigen voor zover het betreft de beslissing aangaande de gebruiksvergoeding en, opnieuw rechtdoende, onder verbetering en/of aanvulling van de gronden te bepalen dat de man gehouden is om met ingang van 1 november 2013 een gebruiksvergoeding van € 596,-- per maand aan de vrouw te voldoen dan wel een dusdanig maandelijks bedrag aan gebruiksvergoeding vast te stellen als het hof juist acht.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 16 juli 2015, heeft de man verzocht:

a. voor wat betreft het verzoek om een gebruiksvergoeding ten laste van de man aan de vrouw te voldoen: de bestreden beschikking op dit punt te bekrachtigen, althans – subsidiair – de omvang van de vordering te beperken en eerst in te laten gaan “per datum beschikking”, en eerst betaalbaar te stellen bij finale afwikkeling van de huwelijksvermogensrechtelijke posities.

b. de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot proceskostenveroordeling van de man, althans deze af te wijzen.

in de zaak in hoger beroep met nummer 200.161.871/01 (alimentatie):

2.2.2.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 december 2014, heeft de vrouw verzocht de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 30 september 2014, te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man een bijdrage dient te voldoen in het levensonderhoud van de vrouw

Primair

- met een bedrag ad € 1.352,-- bruto per maand met ingang van 1 november 2013 tot 10 april 2015

- met een bedrag ad € 2.503,-- bruto per maand met ingang van 10 april 2015;

Subsidiair

met een bedrag ad € 916,-- bruto per maand dan wel een dusdanig bedrag als het hof juist acht, met als ingangsdatum 1 november 2013;

Uiterst subsidiair

te bepalen dat de man gehouden is de gebruiksvergoeding ad € 596,-- netto per maand aan de vrouw te voldoen, dan wel een bedrag ad € 949,-- bruto per maand in het levensonderhoud van de vrouw.

2.2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 februari 2015, heeft de man verzocht de bestreden beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 30 september 2014 te bekrachtigen, zo nodig onder verbetering van de gronden en de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar aanvullende verzoeken, althans deze af te wijzen, en bovendien:

a. te bepalen dat de vrouw geen behoefte meer heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op de gronden als in dit processtuk aangegeven, althans dat haar (aanvullende) behoefte aan een bijdrage lager is dan € 531,-- netto/€ 916, -- bruto per maand;

b. de vrouw te veroordelen in de daadwerkelijke kosten van deze procedure, zoals door de man nog nader zal worden aangegeven.

Tevens heeft de man hierbij incidenteel appel ingesteld en verzocht de ingangsdatum van de nihilstelling partneralimentatie alsnog te bepalen op 1 oktober 2013, althans zodanige datum als het hof juist acht (niet zijnde een datum na 1 november 2013).

2.2.4.

Bij verweerschrift in incidenteel appel, met producties, ingekomen ter griffie op 19 maart 2015, heeft de vrouw verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidenteel appel, althans de grieven in incidenteel appel als ongegrond en onbewezen af te wijzen en de man in zijn aanvullende verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans de aanvullende verzoeken als ongegrond en onbewezen af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling in beide zaken heeft plaatsgevonden op 16 december 2015 en op 28 januari 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Van Wieren en zijn financieel adviseur, de heer [financieel adviseur (de man)] ;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Pijls-olde Scheper en haar financieel adviseur, de heer [financieel adviseur (de vrouw)] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief van de advocaat van de man d.d. 7 september 2015;

  • -

    de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 2 oktober 2015;

  • -

    het V8-formulier van de advocaat van de man met bijlage ingekomen ter griffie op 5 oktober 2015;

  • -

    de brief van de advocaat van de man met bijlagen d.d. 26 oktober 2015;

  • -

    de brief van mr. van Wieren met bijlage d.d. 30 oktober 2015;

  • -

    het V6-formulier van de advocaat van de vrouw met bijlage d.d. 2 november 2015;

  • -

    het V8-formulier van de advocaat van de vrouw met bijlage d.d. 13 november 2015;

  • -

    de brief van de advocaat van de man met bijlagen d.d. 16 november 2015;

  • -

    het V8-fromulier van de advocaat van de man met bijlage d.d. 19 november 2015;

  • -

    het V6-formulier van de advocaat van de vrouw met bijlage d.d. 19 november 2015;

  • -

    het V6-formulier van de advocaat van de vrouw met bijlage d.d. 3 december 2015;

  • -

    de brief van de advocaat van de man met bijlagen d.d. 4 december 2015;

  • -

    het V6-formulier van de advocaat van de vrouw met bijlage d.d. 4 december 2015;

  • -

    het V6-formulier van de advocaat van de vrouw met bijlagen ingekomen ter griffie op 4 december 2015;

  • -

    het V6-formulier van de advocaat van de vrouw met bijlage d.d. 15 januari 2016;

  • -

    het V6-formulier van de advocaat van de vrouw met bijlage d.d. 28 januari 2016;

  • -

    het V8-formulier van de advocaat van de vrouw met bijlage d.d. 29 februari 2016.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op 20 juni 1985 gehuwd na het opstellen van huwelijkse voorwaarden. Deze huwelijkse voorwaarden (hierna: de huwelijkse voorwaarden 1985) houden – voor zover thans van belang – het volgende in:

“(…)

Artikel 1. Tussen de echtgenoten zal geen enkele gemeenschap van goederen, welke ook, bestaan; derhalve worden de gemeenschappen van winst en verlies en van vruchten en inkomsten uitgesloten.

(…)

Artikel 8.1. Per het einde van elk kalenderjaar voegen de echtgenoten bijeen, hetgeen van hun inkomsten over dat kalenderjaar nog onverteerd is, ter verdeling tussen hen bij helfte en ter voeging van deze helften bij hun respectieve vermogens.

2. De vordering van de echtgenoot jegens de andere echtgenoot op voeging en verdeling van de inkomsten van beide echtgenoten over het afgelopen kalenderjaar vervalt twee jaren na het einde van dat kalenderjaar.

3. Wanneer de echtgenoten duurzaam gescheiden wonen, eindigt de aanspraak van de echtgenoten op voeging en verdeling met ingang van het kalenderjaar waarin de samenwoning heeft opgehouden te bestaan.

(…)”

In de jaren 2006/2007 hebben partijen over een periode van negen maanden diverse gesprekken gehad bij de notaris over hun testamenten en hun huwelijkse voorwaarden 1985. Zij hebben hun testamenten gewijzigd en in een notariële vaststellingsovereenkomst d.d. 7 juni 2007 met elkaar vastgesteld dat er geen sprake was van nog te verrekenen overgespaard inkomen. Voorts hebben zij hun huwelijkse voorwaarden bij akte van 7 juni 2007 gewijzigd.

3.2.

Bij de bestreden beschikking van 15 december 2009, zoals verbeterd bij herstelbeschikking van 17 december 2009, heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 29 maart 2010 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank, naar aanleiding van het verzoek van de vrouw strekkende tot vernietiging van de notariële vaststellingsovereenkomst d.d. 7 juni 2007, alsmede tot vernietiging van de gewijzigde akte huwelijkse voorwaarden d.d. 7 juni 2007, deze kwestie verwezen naar de handelskamer en de vrouw opgedragen deze kwestie via een dagvaarding aldaar aanhangig te maken. Partijen hebben over deze kwestie tot aan de Hoge Raad geprocedeerd. Bij arrest van 28 februari 2012 van dit hof zijn beide akten van 2007 vernietigd. De Hoge Raad heeft bij arrest van 15 november 2013 de zaak op grond van art. 81 RO afgedaan.

Als gevolg hiervan heeft een deel van de vermogensrechtelijke afwikkeling van de gevolgen van de echtscheiding (namelijk het deel op basis van de huwelijkse voorwaarden) een paar jaar stilgelegen. De bodemprocedure is vervolgens op dit onderdeel hervat, hetgeen heeft geleid tot de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 22 januari 2015.

3.2.1.

In laatstgenoemde beschikking heeft de rechtbank als volgt beslist:

“Stelt de verdeling van de gemeenschappelijke woning [pand] , [postcode] te [plaats] vast aldus door partijen te bevelen over te gaan tot verkoop van die woning aan een derde en daartoe binnen 4 weken na heden een opdracht te verstrekken aan een in onderling overleg aan te wijzen makelaar tot verkoop tegen een reële marktconforme vraagprijs;

wijst de verzoeken tot vaststelling van een gebruiksvergoeding en tot vergoeding van de eigenaarslasten van de woning af;

veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, de man tot betaling bij wijze van voorschot op de verrekening – tegen behoorlijk bewijs van kwijting – aan de vrouw van een bedrag van € 100.000,-- (…) door storting op een door de vrouw aan te wijzen bankrekening binnen 2 maanden na de datum van deze beschikking;

draagt de vrouw op de (hof: te) bewijzen dat het saldo op haar rekening met nummer [bankrekeningnummer] bij de Rabobank, zoals genoemd in rechtsoverweging 2.38, behoort tot haar privévermogen nu zij dit uit de erfenis van haar ouders heeft verkregen;

gelast een deskundigenonderzoek door L.C. Augustijn RA, (…) en formuleert – voorlopig – de navolgende vragen:

1. Welke methode voor de waardering van de aandelen in [Beheer] Beheer BV is in het onderhavige geval het meest aangewezen?

2. Wat is – op basis van deze meest aangewezen methode – de waarde van de aandelen in [Beheer] Beheer B.V op 1 januari 2008, rekening houdend met de deelneming in [compagnons] BV en de overige (in)directe deelnemingen?

3. In hoeverre is de rekening-courant-schuld van de man bij [Beheer] Beheer BV van invloed op de waardering van de aandelen per peildatum?

4. In hoeverre is de schuld ad € 185.000,= van de man bij [Beheer] Beheer BV, destijds aangewend ten behoeve van de aankoop en/of verbouwing van de gemeenschappelijke woning van partijen, van invloed op de waardering van de aandelen op de peildatum?

5. In de beschikking van 31 juli 2013 heeft de rechtbank met partijen vastgesteld dat na de peildatum een bedrag is afgestort bij Aegon in verband met pensioenaanspraken van de man én de vrouw. Wat is, uitgaande van een aanspraak van de vrouw op 50% van de waarde van de aandelen op 1 januari 2008, na de afstorting van haar pensioenaanspraken, de omvang van de resterende aanspraken van de vrouw op de waarde van de aandelen?

6. Zijn er nog andere punten die de deskundige naar voren wil brengen waarvan de rechter volgens hem kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

deelt mede dat de deskundige het benodigde, door partijen ieder bij helfte te betalen, voorschot ter zake van zijn kosten en honorarium begroot op € 14.665,20,= inclusief BTW;

bepaalt dat partijen, ieder bij helfte, een aanvullend voorschot dienen te voldoen indien dit door de deskundige nodig wordt geoordeeld;

verwijst de zaak naar dinsdag 24 februari 2015 pro forma voor schriftelijk uitlating van partijen ter zake de voorgestelde vragen en eventueel door hen gewenste vragen alsmede ter zake van de kosten van de deskundige;

houdt de beslissing voor het overige aan.”

3.2.2.

Naast de vermogensrechtelijke afwikkeling heeft ook de partneralimentatie tot diverse procedures geleid, ook bij dit hof. Thans komt de vrouw in appel van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 30 september 2014 waarbij, met wijziging van de bij de beschikking van dit hof van 10 december 2012 vastgestelde alimentatie – waarin de door partijen bereikte overeenstemming is neergelegd –, de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw op nihil is gesteld.

3.3.

Partijen kunnen zich met deze beslissingen niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.1.

De grieven van partijen ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (zaaknummer 200.168.666/01) betreffen – zakelijk weergegeven – :

- verschoonbare rechtsdwaling (grieven 44 tot en met 46 in principaal appel, preliminair verweer van de man);

- de Spaaroptimaalpolis (grief 1 in principaal appel);

- de hypothecaire geldlening van € 185.000,-- bij [Beheer] Beheer BV (verdeling overwaarde [pand] , respectievelijke vergoedingsrecht) (grieven 2 tot en met 11 in principaal appel);

- doorhaling hypotheek (wijlen) vader [vader van geintimeerde (200.168.166/01)] (grief 12 in principaal appel);

- de eigenaarslasten van de (gezamenlijke) woning (grieven 13 tot en met 17 in principaal appel);

- vergoeding privé-investering € 139.569,66 (grieven 18 tot en met 22 in principaal appel);

- bankrekeningen ten name van de vrouw ( grieven 23 tot en met 27 in principaal appel);

- verrekening van de waarde van de aandelen [Beheer] Beheer BV (grieven 29 tot en met 38 in principaal appel);

- benoeming deskundige (grief 39 in principaal appel);

- betaling voorschot (grief 40 tot en met 43 in principaal appel);

- gebruiksvergoeding (grief I en II in incidenteel appel);

- veroordeling in werkelijk gemaakte kosten en proceskosten (verzoek in incidenteel appel).

Ter zitting van het hof heeft de vrouw haar grieven I en II in incidenteel appel, die betrekking hebben op de gebruiksvergoeding, ingetrokken, zodat deze geen verdere bespreking behoeven.

3.4.2

De grieven van partijen ten aanzien van de alimentatie (zaaknummer 200.161.871/01) betreffen – zakelijk weergegeven – :

- de vraag of sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden (grief III t/m VI van de vrouw);

- de ingangsdatum (incidentele grief D van de man)

- de (aanvullende) behoefte van de vrouw (incidentele grief A man en zelfstandig aanvullend verzoek van de man);

- de vraag of sprake is van een verwijtbaar en voor herstel vatbaar inkomensverlies (grief XIX van de vrouw);

- de draagkracht van de man (grief VII t/m grief XVIII van de vrouw en incidentele grieven B en C van de man);

- de proceskostenveroordeling (aanvullend verzoek van de man).

3.5.

Het hof zal in het navolgende eerst ingaan op het geschil met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden (zaaknummer 200.168.666/01)

Preliminair verweer: verschoonbare rechtsdwaling (grief 44 t/m 46 in principaal appel)

3.6.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van de man op verschoonbare rechtsdwaling niet slaagt. De rechtbank heeft hiertoe als volgt overwogen:

“(…)

De consequentie van de arresten van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch en de Hoge Raad is at het verzoek van de vrouw om afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden moet worden beoordeeld op basis van de huwelijkse voorwaarden van 1985; immers de voorwaarden van 2007 bestaan niet meer.

Het geheel van aangevoerde argumenten en stellingen van de man, zoals de rechtbank die afleidt uit de processtukken en het verhandelde ter zitting, kunnen wellicht dienen ter onderbouwing van een beroep van de man op dwaling met betrekking tot hetgeen hij met de wijziging van de huwelijkse voorwaarden in 2007 dacht te bereiken, maar vormen op zichzelf geen grond voor een dwaling met betrekking tot het tussen partijen geldende en op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden toepasselijke recht.

Het beroep van de man op verschoonbare rechtsdwaling vormt immers in de kern een verwijt aan de betrokken notaris in die zin dat deze met de wijzigingsakte van 2007 niet heeft geleverd wat de man er mogelijk mee wilde bereiken. Dit doet echter niets af aan de vaststelling dat met de vernietiging van de wijzigingsakte van 2007, de toepasselijkheid van de huwelijkse voorwaarden van 1985 in de huwelijkse en verbintenisrechtelijke relatie van partijen een gegeven is en dat deze in het licht van het recht zoals vastgelegd in titel 8 van Boek 1 van het BW moeten worden afgewikkeld.

De rechtbank vermag, in vervolg op het bovenstaande, daarnaast niet in te zien dat een eventueel geslaagd beroep op verschoonbare rechtsdwaling er toe zou moeten leiden, zoals de man stelt, dat de vrouw het recht zou moeten worden ontzegd om afwikkeling overeenkomstig de huwelijks voorwaarden van 1985 te verzoeken. Het kan niet zo zijn dat door een vermeende verschoonbare rechtsdwaling aan de zijde van de man, de vrouw geconfronteerd blijft met een door haar niet gewenst – en niet meer op een notariële akte berustend – huwelijksvermogensregime. De consequentie van de stelling van de man, te weten dat de vrouw in dat geval de notaris kan aanspreken, kan in het licht van het voorgaande niet worden aanvaard.

Het bovenstaande brengt mee dat een beroep op verschoonbare rechtsdwaling niet slaagt.

(…)”

3.6.1.

De grieven 44 tot en met 46 van de man richten zich tegen dit oordeel van de rechtbank. De man voert – kort samengevat – het volgende aan.

Van (verschoonbare) rechtsdwaling is sprake wanneer de rechtsdwalende uit gaat van een (naar later blijkt) onjuiste juridische situatie. Wanneer iemand zich heeft ingespannen om de regels te kennen en desondanks bouwt op een juridisch onjuiste voorstelling van zaken, kan een gerechtvaardigd beroep op rechtsdwaling worden gedaan. Dit geldt in het bijzonder bij een onjuist advies (o.a. ECLI:NL:HR: 2008:BC0813 en ECLI:NL:HR:2006:AU4664).

De man verkeerde in de jegens de vrouw in – op grond van artikel 3:35 BW – verschoonbare rechtsdwaling dat de vermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding zouden worden afgewikkeld conform de vaststellingsovereenkomst en de huwelijkse voorwaarden van 7 juni 2007. De vrouw kan de door haar geëntameerde vernietiging van de notariële akten niet aan de man tegenwerpen. De man mocht er namelijk op vertrouwen (vertrouwensleer) dat de vrouw zich realiseerde wat de consequenties waren van het opstellen van notariële akten en dat de notaris aan zijn professionele (wettelijke) verplichtingen had voldaan en ook afdoende getoetst had dat beide partijen begrepen wat zij tekenden en dat hun wil daarop was gericht. Niet alleen de vrouw, maar ook de man dient beschermd te worden door de notariële tussenkomst.

De rechtbank motiveert op geen enkele wijze waarom de vrouw niet (eerst) de notaris dient aan te spreken in plaats van de man om jegens de notaris afwikkeling op grond van de huwelijkse voorwaarden 1985 te verzoeken.

Voor zover de man bij afwikkeling conform de huwelijkse voorwaarden 1985 “meer” zou moeten afrekenen dan op grond van die uit 2007 (in combinatie met de vaststellingsovereenkomst) dient dit voor rekening van de notaris (respectievelijk diens verzekeraar) te komen en niet voor rekening van de man.

De rechtbank heeft ten onrechte de belangen van de man niet meegewogen in een kennelijke beoordeling op grond van redelijkheid en billijkheid.

De man verzoekt subsidiair de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan te houden in afwachting van het verzoek/procedure van de vrouw strekkende tot afwikkeling van haar schade bij de notaris/verzekeringsmaatschappij.

3.6.2.

De vrouw voert verweer. Zij stelt het volgende.

Een preliminair verweer moet vóór de voordracht van de zaak worden gevoerd, betrekking hebben op een formele kwestie en moet zonder inhoudelijk onderzoek van de zaak kunnen worden beoordeeld. Daarvan is in casu geen sprake, zodat het beroep van de man op verschoonbare rechtsdwaling niet als preliminair verweer kan worden opgevat en moet worden afgewezen.

Voor zover het hof niet om voornoemde reden het beroep van de man op verschoonbare rechtsdwaling afwijst, stelt de vrouw dat het leerstuk van verschoonbare rechtsdwaling niet toepasbaar is op de overeenkomst/verbintenis van partijen, nu geen sprake is van een ongeoorloofde eenzijdige gedraging.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een geslaagd beroep op verschoonbare rechtsdwaling zou leiden tot een situatie dat de vrouw geconfronteerd blijft met een door haar niet gewenste – en niet meer op een notariële akte berustend – huwelijksvermogens-regime.

3.6.3.

Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

De man voert als “preliminair” verweer dat sprake is van verschoonbare rechtsdwaling. Het hof begrijpt de door de man gebruikte term “preliminair” aldus, dat hij bedoelt dat het een verweer betreft dat als eerste aan de orde moet komen, derhalve voor alle andere grieven c.q. verweren. De stelling van de vrouw, dat het beroep van de man op verschoonbare rechtsdwaling moet worden afgewezen omdat het “preliminair” verweer vóór de voordracht van de zaak moet worden gevoerd, betrekking moet hebben op een formele kwestie en zonder inhoudelijk onderzoek van de zaak moet kunnen worden beoordeeld, gaat derhalve niet op.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, heeft geoordeeld dat het beroep van de man op verschoonbare rechtsdwaling faalt. De akte huwelijkse voorwaarden en de akte houdende vaststellingsovereenkomst uit 2007 zijn bij arrest van 28 februari 2012 van dit hof vernietigd op grond van dwaling. De Hoge Raad heeft bij arrest van 15 november 2013 de zaak op grond van art. 81 RO afgedaan. Deze uitspraak van de Hoge Raad is inmiddels in kracht van gewijsde gegaan. Hetgeen de man aanvoert ten aanzien van verschoonbare rechtsdwaling – voor zover al rechtens relevant – kan nimmer tot gevolg hebben dat de huwelijkse voorwaarden en de vaststellingsovereenkomst van 2007 herleven.

De man legt zijn beroep op verschoonbare rechtsdwaling uit als een beroep op artikel 3:35 BW. Het hof is van oordeel dat het bepaalde in artikel 3:35 BW niet meebrengt dat de vrouw zich niet (meer) zou kunnen beroepen op vernietiging van de twee akten uit 2007 op grond van dwaling.

De man stelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is indien de vrouw verlangt dat partijen afwikkelen op grond van de huwelijkse voorwaarden 1985. De stellingen van de man komen er feitelijk op neer dat, hoewel de akten uit 2007 vernietigd zijn, de vrouw dit in de onderlinge verhouding tussen partijen niet aan de man mag tegenwerpen.

Het hof is van oordeel dat hetgeen de man aanvoert, niet tot het oordeel kan leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw afwikkeling conform de huwelijkse voorwaarden 1985 vordert.

Voor zover de man heeft betoogd dat de vrouw de notaris c.q. de verzekeringsmaatschappij van de notaris zou moeten aanspreken, is het hof van oordeel dat – wat daar ook van zij – dit niet afdoet aan het feit dat partijen in hun onderlinge verhouding dienen af te wikkelen op grond van de huwelijkse voorwaarden 1985.

De Spaaroptimaalpolis (grief 1 in principaal appel)

3.7.

Partijen hebben op dit punt overeenstemming bereikt en zijn overeengekomen dat een bedrag van € 17.161,-- verrekend dient te worden per peildatum 1 januari 2008. Het hof begrijpt de overeenstemming tussen partijen aldus dat dientengevolge, anders dan in de bestreden beschikking van 15 december 2009 is vastgesteld, de waarde van deze polis niet moet worden betrokken bij de berekening van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning van partijen.

Verdeling eenvoudige gemeenschap

De (hypothecaire) geldlening van € 185.000,-- bij [Beheer] Beheer BV (verdeling overwaarde [pand] te [plaats] (hierna: de woning) respectievelijk vergoedingsrecht) (grieven 2 tot en met 11 in principaal appel)

3.8.

De rechtbank heeft de verdeling aldus vastgesteld dat partijen is bevolen de woning te verkopen (rov. 2.17) en dat partijen na verkoop ieder recht hebben op de helft van de overwaarde; bij de te berekenen overwaarde blijft de geldlening bij de BV buiten beschouwing, in die zin dat deze niet in mindering strekt op de verkoopopbrengst, (rov. 2.18).

3.8.1.

In de grieven 2 tot en met 7, alsmede 10 en 11, stelt de man primair dat voor de vaststelling van de overwaarde van de woning rekening dient te worden gehouden met de lening van € 185.000,-- bij [Beheer] Beheer BV, die is afgesloten in verband met de verbouwing van de voormalige echtelijke woning. Hij voert daartoe het volgende aan.

Het betreft een geldlening in verband met de financiering van (de verbouwing van) de woning en de lening is derhalve een eigenwoningschuld in box 1, die ook door de belastingdienst als zodanig wordt aangemerkt. Uit de beschikkingen van de rechtbank van 15 december 2009 en 1 november 2012 blijkt dat partijen hierover overeenstemming hadden. Het is daarom onbegrijpelijk dat de rechtbank in de bestreden beschikking de lening van € 185.000,-- niet langer in mindering laat strekken op de feitelijke verkoopopbrengst van de woning. Subsidiair beroept de man zich op een hem toekomend vergoedingsrecht.

3.8.2.

De vrouw voert verweer. Zij stelt dat zij er door een foutieve mededeling van de man ten onrechte van uit is gegaan dat de schuld van € 185.000,-- aan [Beheer] Beheer BV een gemeenschappelijke schuld was. De vrouw heeft het recht om thans terug te komen op een onjuiste juridische kwalificatie van de geldlening.

3.8.3.

Het hof overweegt als volgt.

In september 2003 is een overeenkomst van geldlening gesloten tussen [architecten] Architecten BV (die in de overeenkomst wordt aangeduid als (“hierna te noemen”) schuldeiser en de man die in de overeenkomst wordt aangeduid als (“hierna te noemen”) schuldenaar. Deze overeenkomst is in hoger beroep overgelegd als productie 57, en houdt – voor zover thans van belang – het volgende in.

“(…)

In aanmerking nemende:

dat schuldenaar in de financiering van de verbouwing van zijn woonhuis gelegen te [plaats] aan de [pand] wenst te voorzien en daarom schuldenaar aan schuldeiser heeft verzocht om vanaf 22 september 2003 middelen aan hem ter beschikking te stellen maximaal groot EUR 185.000,-- (…);

dat schuldenaar per 22 september 2003 een bedrag van EUR 185.000,-- (…) schuldig is;

(…)

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1 Lening

1.1.

Schuldeiser verklaart hierbij aan schuldenaar ten titel van geldlening te hebben verstrekt gelijk schuldenaar verklaart van schuldeiser ten titel van geldlening te hebben aanvaard, een geldsom van EUR 185.000,-- (…).

1.2

Schuldenaar verklaart hierbij het in lid 1 van dit artikel genoemde bedrag van EUR 185.000,-- (…), hierna te noemen: “geldlening”, schuldig te zijn aan schuldeiser.

(…)

Artikel 3 Looptijd en aflossing

3.1.

de geldlening heeft een looptijd van 30 jaar. De geldlening dient te zijn of worden afgelost op uiterlijk 21 september 2033.

3.2.

De geldlening dient in haar geheel te worden afgelost:

(a) wanneer de woning door schuldenaar wordt verkocht;

(…)

Artikel 6 Zekerheid

6.1.

Schuldenaar verbindt zich zolang de schuldeiser uit hoofde van deze overeenkomst nog enige vordering heeft of zal hebben op schuldenaar:

(a) het aan de schuldenaar toebehorende registergoed gelegen te [plaats] aan de [pand] en de eventueel door ondergetekende nog de verkrijgen registergoederen en/of beperkte rechten daarop en/of bestanddelen daarvan en/of de roerende zaken die bestemd zijn bedoelde registergoederen duurzaam te dienen, niet zonder schriftelijke toestemming van de schuldeiser geheel of gedeeltelijk te vervreemden, bezwaren, veranderen of wegnemen, verhuren, verpachten of vervrachten, of anderszins in gebruik af te staan of gebruik daarvan door derden te gedogen, of met hypotheek of andere beperkte rechten te bezwaren;

(b) op eerste verzoek van de schuldeiser, onder de bij de banken gebruikelijke voorwaarden, aan de schuldeiser hypotheek te verlenen op de onder (a) bedoelde registergoederen en/of beperkte rechten daarop, en de onder (a)bedoelde roerende zaken aan de schuldeiser te verpanden, tot zekerheid voor al hetgeen de schuldeiser van de debiteur te vorderen heeft of mocht hebben, uit welken hoofde ook, alsdan door de schuldeiser te bepalen bedrag.

Artikel 7 Overdracht vordering

7.1.

Schuldeiser hierbij per 1 januari 2006, hierna te noemen: “de overdrachtsdatum”, overdraagt en cedeert aan [Beheer] Beheer B.V. al zijn per de overdrachtsdatum bestaande rechten op schuldenaar welke voortvloeien uit deze geldleningsovereenkomst, heden ten bedrage van EUR 185.000,-- (eenhonderd vijfentachtig duizend euro), welke overdracht en cessie door [Beheer] Beheer B.V. hierbij wordt aanvaard.

7.2.

Schuldeiser en [Beheer] Beheer B.V. de per de overdrachtsdatum verschuldigde koopprijs van de vordering hierbij hebben vastgesteld op de nominale waarde van de vordering, zijnde EUR 185.000,-- (eenhonderd vijfentachtig duizend euro) indien en voor zover alsdan geen aflossingen hebben plaatsgevonden. Voornoemde koopprijs zal per de overdrachtsdatum worden verrekend met de rekening-courantschuld van schuldeiser aan [Beheer] Beheer B.V.

7.3.

Schuldenaar verklaart hierbij bekend te zijn met voornoemde overdracht en verklaart hierbij, indien en voor zover vereist, onderroepelijk haar medewerking te verlenen aan voornoemde overdracht.

(…)”

De overeenkomst is, hoewel zij in de kop van de overeenkomst van geldlening niet als “ondergetekende” is genoemd, mede ondertekend door de vrouw “voor akkoord (in het bijzonder met de zekerheidstelling genoemd in artikel 6)”.

De vrouw heeft geweigerd haar medewerking te verlenen aan het vestigen van hypothecaire zekerheid ten gunste van [Beheer] Beheer BV ten laste van de woning door inschrijving van de geldlening in de daartoe bestemde registers. De man heeft op zijn aandeel in de woning hypothecaire zekerheid verstrekt.

3.8.4.

Het bedrag van € 185.000,- is aan de man verstrekt; hém zijn die middelen blijkens de overeenkomst van geldlening ter beschikking gesteld. De middelen zijn besteed aan de (financiering van de) verbouwing van de gemeenschappelijke woning van partijen. Ter zake van deze bijdragen uit zijn prive-vermogen, komt de man een vergoedingsrecht toe (HR 10 januari 1992, NJ 1992, 651 en HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1871, rov. 4.3.2). Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad, komt “hetgeen na aftrek van het totaal van die vergoedingen (…) bij vervreemding, van de opbrengst van het goed [hof: de woning] resteert, (…) iedere echtgenoot naar evenredigheid van zijn aandeel in de gemeenschap (…) toe” (zie HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8938, rov. 3.4.3). Dit betekent dat de grieven 2 tot en met 7, alsmede 10 en 11 van de man slagen en dat bij het vaststellen van de overwaarde van de echtelijke woning het bedrag van € 185.000,-- in mindering dient te strekken op de verkoopopbrengst van de woning.

Nu het hof de man volgt in zijn primaire standpunt ten aanzien van de hypothecaire geldlening bij [Beheer] Beheer BV, behoeven de grieven 8 en 9 die zien op het subsidiaire standpunt van de man ten aanzien van deze geldlening, geen verdere bespreking.

Doorhaling hypotheek (wijlen) vader [vader van geintimeerde (200.168.166/01)] (grief 12 in principaal appel)

3.9.

In zijn twaalfde grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte geen beslissing heeft gegeven op het verzoek van de man de vrouw te bevelen mee te werken aan doorhaling van de hypothecaire inschrijving ten gunste van wijlen haar vader de heer [vader van geintimeerde (200.168.166/01)] (hypotheeknemer) ten laste van de woning aan de [pand] .

2.9.1.

De vrouw heeft aangegeven haar medewerking aan doorhaling te willen verlenen, maar heeft hiervoor ook de medewerking van haar twee zussen (de mede-erfgenamen) nodig.

2.9.2.

Het hof oordeelt als volgt.

De vrouw heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof toegezegd te zullen meewerken aan de doorhaling ter gelegenheid van de verkoop van de woning. Tussen partijen staat vast dat ook de zussen van de vrouw mee zullen moeten werken aan de doorhaling van de hypotheek.

Nu voor doorhaling van de hypotheek niet alleen de medewerking van de vrouw vereist is, maar ook die van haar twee zussen, kan het hof het verzoek van de man de vrouw te veroordelen tot medewerking op straffe van een dwangsom niet toewijzen.

De twaalfde grief van de man faalt derhalve.

De eigenaarslasten van de (gezamenlijke) woning (grieven 13 tot en met 17 in principaal appel)

3.10.

De grieven 13 tot en met 17 van de man richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw er redelijkerwijze van uit mocht gaan dat het de bedoeling van partijen was dat – in hun interne verhouding – de man de eigenaarslasten van de echtelijke woning aan de [pand] te [plaats] voor zijn rekening zou blijven nemen, en dat er op dit punt geen verrekening zou plaatsvinden.

De man voert het volgende aan.

De man verwijst naar de afspraken tussen partijen die zijn opgenomen in de beschikking van dit hof van 10 december 2012, waaruit blijkt dat geen verrekening van de eigenaarslasten zou plaatsvinden tot 1 januari 2013, alsmede dat de feitelijke voldoening van de eigenaarslasten door de man zou worden gecontinueerd. Uit het specifiek benoemen van deze datum kan reeds worden afgeleid dat partijen nimmer de bedoeling hebben gehad, althans de vrouw er redelijkerwijs niet op mocht vertrouwen, dat de man niet alleen (feitelijk) de eigenaarslasten voor zijn rekening zou nemen, maar bovendien ter zake volledig afstand zou hebben gedaan van zijn vordering op de vrouw terzake de helft van de door hem betaalde eigenaarslasten over de periode met ingang van 1 januari 2013.

3.10.1.

De vrouw voert verweer. Zij voert het volgende aan.

De man heeft geen recht op betaling door de vrouw van de helft van de eigenaarslasten. De vrouw ‘voldoet’ haar deel van de eigenaarslasten al, doordat bij het vaststellen van de alimentatiebijdrage in het draagkachtloos inkomen van de man reeds met alle eigenaarslasten rekening is gehouden. Het is onjuist, onredelijk en onbillijk indien met de volledige eigenaarslasten rekening wordt gehouden bij het bepalen van de draagkracht van de man en de vrouw vervolgens de helft van de eigenaarslasten alsnog aan de man dient te voldoen. Bovendien bewoont de man sinds maart 2011 met uitsluiting van de vrouw de gezamenlijke woning.

Voorts betwist de vrouw de noodzaak van het schilderwerk en het herstel van het keukenblok. Volgens de makelaar was het niet nodig allerlei kosten te maken voor de verkoop van de woning.

3.10.2.

Het hof overweegt als volgt.

Tussen partijen staat vast dat het gaat om de eigenaarslasten en onderhoudskosten van een gemeenschappelijke woning, waarin sinds maart 2011 uitsluitend de man woonachtig is.

Op grond van het bepaalde in artikel 3:172 BW is in beginsel ieder der partijen voor de helft draagplichtig voor de lasten met betrekking tot deze gemeenschappelijke woning.

3.10.3.

De man heeft bij brief van 16 november 2015 als productie 73 een overzicht van de eigenaarslasten in de jaren 2013 tot en met 2015 in het geding bebracht. Deze bedragen zijn door de vrouw op zichzelf niet betwist. De vrouw stelt zich slechts op het standpunt dat hiermee bij het bepalen van de draagkracht van de man reeds rekening is gehouden.

Het hof houdt echter, anders dan de rechtbank, in het draagkrachtloos inkomen van de man slechts rekening met het forfaitaire bedrag aan eigenaarslasten van € 95,-- (r.o. 3.13), zodat dit argument van de vrouw niet opgaat. Nu de (werkelijke) eigenaarslasten van de gemeenschappelijk woning niet bij het vaststellen van de draagkracht van de man worden meegenomen, is het hof van oordeel dat de vrouw draagplichtig is voor de helft van deze lasten.

3.10.4.

De man heeft als productie 72 bij brief van 16 november 2015 en productie 93 bij brief van 4 december 2015 een aantal door hem betaalde facturen overgelegd die betrekking hebben op onderhoudskosten met betrekking tot de woning. Het betreft de volgende kosten:

- reparatie cv ketel € 919,24

- schoorsteen vegen etc. € 571,50

Voorts stelt de man dat hij kosten heeft gemaakt op advies van de makelaar in verband met verkoop van de woning, te weten kosten voor schilderwerk en herstel van het keukenblok.

De (noodzaak van) de door de man opgevoerde kosten van onderhoud zijn door de vrouw betwist.

Het hof is van oordeel dat de man, gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, de kosten voor schilderwerk en herstel van het keukenblok onvoldoende met bewijsstukken heeft onderbouwd. Het hof zal met deze kosten derhalve geen rekening houden.

De kosten van reparatie van de cv ketel en de kosten in verband met onderhoud c.q. vegen van de schoorsteen zijn door de man met facturen onderbouwd, zodat de enkele, blote bewisting van de vrouw onvoldoende is om deze kosten te weerleggen. Het hof is derhalve van oordeel dat de vrouw draagplichtig is voor de helft van deze lasten.

3.10.5.

De advocaat van de man heeft aan de hand van eerdergenoemde productie 72 en 73 voorgerekend dat het aandeel van de vrouw in de eigenaarslasten en onderhoudskosten (uitgaande van voormelde uitgangspunten) in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 € 24.169,36 bedraagt. Dit bedrag is door de vrouw niet betwist. Wel heeft de vrouw er op gewezen dat met de volledige hypotheekrente (dus inclusief haar aandeel) bij het vaststellen van de alimenatie van de man reeds rekening wordt gehouden in zijn draagkrachtloos inkomen. Hierover verschillen partijen niet van mening. De helft van de betaalde hypotheekrente (haar aandeel), volgens berekening van het hof een bedrag van € 17.849,16 (productie 73), strekt daarom in mindering op het bedrag van € 24.169,36.

De vrouw is voorts draagplichtig voor de helft van de eigenaarslasten – met uitzondering van de hypotheekrente om de zojuist genoemde reden – met ingang van 1 januari 2016 tot aan de datum van de notariële overdracht van de echtelijke woning, welke datum nog niet bekend is. Het hof zal derhalve bepalen dat de vrouw bij voorrang uit haar aandeel uit de verkoopopbrengst van de echtelijke woning een bedrag ad € 6.320,20 aan de man dient te voldoen, te vermeerderen met de helft van de eigenaarslasten (minus de helft van de hypotheekrente) met ingang van 1 januari 2016 tot aan de datum van notariële overdracht van de woning. De door de man verzochte wettelijke rente zal het hof afwijzen nu het bedrag, overeenkomstig zijn verzoek, pas verschuldigd is ter gelegenheid van de verkoop en levering van de woning en derhalve nog niet opeisbaar is. De man heeft ook nagelaten uit te leggen hoe naast zijn aldus geformuleerde verzoek nog ruimte kan bestaan voor toewijzing van wettelijke rente.

Vergoeding privé-investering € 139.569,66 (grieven 18 tot en met 22 in principaal appel)

3.11.

In zijn grieven 18 tot en met 22 stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat aan de man uit de overwaarde van de gemeenschappelijke woning geen – bij voorrang – te ontvangen nominale vergoeding toekomt ter hoogte van € 139.566,66, respectievelijk uit het aandeel van de vrouw uit de overwaarde een bedrag van € 69.784,83, en dat de rechtbank ten onrechte de investering in de woning na de peildatum heeft beschouwd als belegging en herbelegging van overgespaard inkomen, die voor verrekening in aanmerking komt, en heeft geoordeeld dat de dividenduitkering waarmee de man de privé-investeringen in de woning heeft gedaan, tot het overgespaard inkomen wordt gerekend.

3.11.1.

De vrouw voert verweer. Zij voert het volgende aan.

Er is geen sprake van investering met privé-vermogen van de man. De investeringen in de voormalige echtelijke woning zijn gefinancierd met dividenduitkeringen. De dividenduitkering, betaalbaar gesteld op 9 december 2007, had betrekking op het boekjaar 2006. De dividenduitkering van 10 december 2008 had betrekking op het boekjaar 2007.

De waarde van de aandelen [Beheer] Beheer B.V. behoort ex artikel 1:141 lid 1 BW tot het te verrekenen vermogen. Vorengaande betekent dat de man door middel van dividenduitkering, die behoort tot het te verrekenen vermogen van partijen, belegd heeft in gemeenschappelijk onroerend goed van partijen. Nu de dividenduitkeringen behoren tot het te verrekenen vermogen, kan geen sprake zijn van een privé-investering.

De man stelt ten onrechte dat bij de vaststelling van de waarde van de aandelen op de peildatum het risico bestaat dat met beide dividenduitkeringen geen rekening zal worden gehouden. De deskundige is zeer wel in staat om bij het vaststellen van de waarde van de aandelen rekening te houden met dividenduitkeringen die betrekking hebben op de verrekenperiode.

3.11.2.

Het hof overweegt als volgt.

Tussen partijen staat vast dat de investering van in totaal € 139.569,66 in de echtelijke woning is gefinancierd door middel van twee dividenduitkeringen uit [Beheer] Beheer BV.

De eerste dividenduitkering ad € 26.000,--, is betaalbaar gesteld vóór de peildatum 1 januari 2008, te weten in december 2007. De tweede dividenduitkering van € 133.333,-- is betaalbaar gesteld ná de peildatum, te weten op 10 december 2008.

De eerste dividenduitkering is van voor de peildatum. Het betreft vermogen dat op grond van de huwelijkse voorwaarden in de verrekening wordt betrokken. Er kan derhalve voor wat betreft dit bedrag geen sprake zijn van een privé-investering van de man in de gemeenschappelijke woning (die aanleiding zou geven tot de door hem gestelde vergoedingsaanspraak).

De tweede dividenduitkering is van na de peildatum en behoort als zodanig niet tot het te verrekenen vermogen per peildatum. Voor deze uitkering geldt dat de man met privé-vermogen heeft geïnvesteerd in een gemeenschappelijk goed, zodat hij recht heeft op nominale vergoeding hiervan. Uit productie 22 in hoger beroep van de man blijkt dat hij over 2008 een netto dividenduitkering heeft ontvangen van € 113.333,05. Dit bedrag heeft de vrouw niet betwist. De man heeft bij verdeling van de eenvoudige gemeenschap derhalve een nominaal vergoedingsrecht op de gemeenschap voor dit bedrag.

De vraag of en zo ja hoe bij de waardering van de aandelen in de BV rekening kan of moet worden gehouden met al dan niet bestemde winst, betaalbaar gestelde winst of vastgestelde uitkeringen moet worden onderscheiden van de kwestie van het vergoedingsrecht waarop de grieven van de man zien en welke laatstgenoemde kwestie thans voorligt.

De grieven 18 tot en met 22 van de man slagen derhalve gedeeltelijk.

Bankrekeningen ten name van de vrouw (grieven 23 tot en met 27 in principaal appel)

3.12.

De man heeft ter gelegenheid van de zitting grief 23, ten aanzien van de bankrekeningen bij de Rabobank met nummers [rabobanknummer 1] , [rabobanknummer 2] . [rabobanknummer 3] en [rabobanknummer 4] , die bestemd zijn voor de kinderen, ingetrokken, zodat deze grief geen verdere bespreking behoeft.

3.12.1.

De grieven 24 en 25 richten zich tegen de door de rechtbank aan de vrouw gegeven bewijsopdracht. Een dergelijke beslissing is niet appellabel, daar deze betrekking heeft op de voortgang of instructie van de zaak en daarmee geen einde is gemaakt aan het geding omtrent enig deel van het verzochte.

3.12.2.

Grief 26, waarin de man aanvoert dat de rechtbank zijn beroep op de ‘omkeerregeling’ van artikel 1:135 lid 3 BW zonder nadere motivering buiten beschouwing laat, en grief 27, waarin de man stelt dat de rechtbank het beroep van de man op verrekening van het kasgeld zonder nadere motivering buiten beschouwing laat, zijn naar het oordeel van het hof prematuur. De rechtbank heeft op deze punten nog geen beslissing genomen, omdat eerst de bewijslevering door de vrouw dient te worden afgewacht.

Verrekening van de waarde van de aandelen [Beheer] Beheer BV (grieven 29 tot en met 38 in principaal appel)

3.13.1

De grieven 29 tot en met 38 van de man keren zich – samengevat – tegen het oordeel van de rechtbank dat de waarde van de aandelen in [Beheer] Beheer BV in de verrekening moet worden betrokken.

De man voert allereerst aan dat het verrekenbeding (artikel 8 huwelijkse voorwaarden 1985) geen ondernemingswinsten omvat: “Enerzijds vanwege het bepaalde in artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden 1985 (geen gemeenschappen van winsten en verliezen), anderzijds vanwege hetgeen partijen nadrukkelijk hebben verklaard bij de notaris”, (beroepschrift, p. 120). Met dit laatste heeft de man kennelijk het oog op de besprekingen gevoerd bij de notaris in 2006/2007 over de wijziging van de huwelijkse voorwaarden 1985 (waarover beroepschrift, pt. 118; de man heeft in dit verband in hoger beroep de producties 63 en 64 overgelegd).

Ter weerlegging van het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW stelt de man dat tijdens de verrekenperiode noch in de eenmanszaak, noch in de BV sprake is geweest van enig overgespaard inkomen dat voor verrekening in aanmerking kwam (en op grond waarvan de waarde van de aandelen van [Beheer] Beheer BV in de verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden 1985 zou moeten worden betrokken). Hij voert in dat verband het volgende aan.

De man is zijn onderneming gestart in de vorm van een eenmanszaak onder de naam Architectenbureau Ir. [architectenbureau] , met slechts zijn tekentafel (die gelet op de staat van aanbrengsten privé-eigendom was) en zijn ijver, vlijt en kwaliteiten als architect. Van enige ‘overwinst’ of ‘overgespaarde inkomsten’ was in de tijd dat de man de eenmanszaak dreef geen sprake. Alles ging op aan de kosten van de huishouding. Dat blijkt wel uit het zeer geringe positieve saldo op de kapitaalrekening van de eenmanszaak op de datum van de omzetting van de eenmanszaak naar BV ( [Beheer] Beheer BV) van fl. 12.000,--/€ 5.445,36.

Eind 1999 is de eenmanszaak met terugwerkende kracht per 1 januari 1999 ingebracht in de daarvoor opgerichte vennootschap [Beheer] Beheer BV. Het totaal ingebrachte aandelenkapitaal fl. 492.000,--/€ 223.260,-- (geplaatst kapitaal), werd gefinancierd met het hiervoor genoemde kapitaal fl. 12.000,--/€ 5.445,36 uit de eenmanszaak en persoonlijke goodwill ad fl. 480.000,-- (fl. 600.000,-- -/- fl. 120.000,-- belastinglatentie), omgerekend € 217.815,--. De volstorting van de aandelen [Beheer] Beheer BV heeft derhalve niet plaatsgevonden met overgespaarde, te verrekenen inkomsten/winsten, aldus de man.

3.13.2.

De vrouw voert verweer. Zij voert het volgende aan.

Anders dan de man meent, is er geen beperkt inkomensbegrip opgenomen in de huwelijkse voorwaarden. Alles wat er bij partijen binnenkwam, hoe ook gedefinieerd, moest na betaling van de kosten van de huishouding bij helfte verdeeld worden, of het nu ging om inkomen uit arbeid, onderneming, rentebetalingen, gespaard geld, beleggingen etc.) Een ruimer begrip van het inkomen bestaat niet.

Nu partijen tijdens het huwelijk geen uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden, wordt het volledige vermogen, waaronder dus de waarde van de aandelen van de onderneming van de man, vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. De man heeft dit bewijsvermoeden niet weerlegd.

3.13.3.

Het hof oordeelt als volgt.

Aan de orde is allereerst de uitleg van artikel 8.1 van de huwelijkse voorwaarden 1985. Dit artikel luidt als volgt: “Per het einde van elk kalenderjaar voegen de echtgenoten bijeen, hetgeen van hun inkomsten over dat kalenderjaar nog onverteerd is, ter verdeling tussen hen bij helfte en ter voeging van deze helften bij hun respectieve vermogens.”

“(…) volgens vaste rechtspraak [dient] de uitleg van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden (…) te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Hierbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijze aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen en aan hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Te denken valt aan de bewoordingen en context van de bepaling, de totstandkomingsgeschiedenis, aard en uitvoering van de overeenkomst, alsmede de hoedanigheid en deskundigheid van partijen. De Haviltex-maatstaf brengt mee dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin deze bepalingen zijn gesteld, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang. Bij toepassing van de Haviltex-maatstaf bij de uitleg van huwelijkse voorwaarden komt mede gewicht toe aan hetgeen de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft meegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, en aan de betekenis die veel voorkomende bepalingen daarin volgens notarieel gebruik normaal gesproken hebben. De uitleg wordt derhalve uiteindelijk bepaald door de omstandigheden van het geval. De rechter is niet verplicht bij zijn uitleg andere dan de door partijen over en weer naar voren gebrachte gezichtspunten in zijn overwegingen te betrekken.” (Conclusie van AG Rank-Berenschot voor HR 25 februari 2011, LJN: BO7277, pt. 2.4 (voetnoten weggelaten).)

Anders dan de man meent, houdt artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden 1985 in dat er geen goederenrechtelijke gemeenschap (noch de (toen) algehele gemeenschap, noch een beperkte gemeenschap) was. Daarmee is, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niets gezegd over de (reikwijdte) van het verbintenisrechtelijke verrekenbeding van artikel 8 van die huwelijkse voorwaarden 1985. Voorts is onjuist het standpunt van de man over de beweerde verklaringen van partijen bij de notaris. Uit de producties 63 en 64 (in hoger beroep), waarop hij zich in dit verband beroept, valt geenszins af te leiden dat partijen hebben verklaard dat het verrekenbeding (artikel 8 huwelijkse voorwaarden 1985) geen ondernemingswinst omvat. Andere feiten of omstandigheden ter ondersteuning van zijn standpunt dat artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden 1985 aldus moet worden begrepen dat daaronder geen ondernemingswinsten vallen, heeft de man niet aangevoerd. De man heeft voorts ook nagelaten duidelijk te maken welke inkomsten volgens hem wél verrekend zouden moeten worden. De vrouw heeft het standpunt van de man over de uitleg van de huwelijkse voorwaarden gemotiveerd betwist.

In het licht van het voorgaande moet worden geoordeeld dat het verrekenbeding niet de door de man bepleite enge strekking heeft, maar dat, mede gelet op de bewoordingen van artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden die op dit punt zeer ruim geformuleerd zijn (er wordt gesproken van verrekening van inkomsten, zonder enige beperking) en hetgeen de vrouw omtrent de uitleg van de huwelijkse voorwaarden heeft aangevoerd, partijen met artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden 1985 de bedoeling hebben gehad ook ondernemingswinsten te verrekenen. In zoverre falen de grieven van de man.

In de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden is een periodiek verrekenbeding opgenomen, waaraan door partijen tijdens het huwelijk nooit uitvoering is gegeven. Van belang is dan artikel 1:141 BW lid 1 BW dat bepaalt dat, indien tijdens het huwelijk niet is verrekend, de verplichting tot verrekening in stand blijft en zich uitstrekt over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan.

Artikel 1:141 lid 3 BW bepaalt voorts, dat het aan het einde van de verrekenperiode aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden.

Voor de beantwoording van de vraag of de waarde van de aandelen in de BV op de voet van artikel 1:141 BW verrekend moet worden, is bepalend of de volstorting van die aandelen is gefinancierd door aanwending van inkomen of vermogen dat verrekend had moeten worden (HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9605; NJ 2012/365). De volstorting van aandelen wordt geregeld door (het hier relevante) artikel 2:204a BW.

Het hof oordeelt als volgt

De man heeft aan zijn volstortingsverplichting (van de aandelen [Beheer] Beheer BV) ad fl. 492.000,- per 1 januari 1999 voldaan door inbreng van de eenmanszaak Architectenbureau Ir. [architectenbureau] , hetgeen blijkt uit de accountantsverklaring (ingevolge het toen geldende artikel 2:204a BW) en de daarbij behorende beschrijving (bijlage bij productie 72, eerste aanleg). Uit bijlage 2 bij de brief van [accountants en belastingadviseurs] Accountants en Belastingadviseurs van 22 november 1999 (bijlage bij prod. 72, eerste aanleg) blijkt dat in de jaren 1997 en 1998 in de eenmanszaak winsten zijn behaald van respectievelijk fl. 238.000,-- en fl. 313.000,--. Indien rekening wordt gehouden met het ondernemersloon en de arbeidsbeloning echtgenote, blijft er (zoals eveneens weergegeven in bijlage 2) een winst van respectievelijk fl. 57.000,-- en fl. 132.000,-- over. De stelling van de man dat de in de eenmanszaak behaalde winst volledig is opgegaan aan de kosten van de huishouding wordt weersproken door de commerciële openingsbalans per 1 januari 1999 van [Beheer] Beheer BV i.o. (bijlage 5 bij brief van [accountants en belastingadviseurs] ), waarop een bedrag aan liquide middelen is opgenomen van fl. 106.558,-- (terwijl voorts de reeds genoemde accountantsverklaring ex artikel 2:204a BW een post vlottende activa bevat van fl. 722.838,-). De man heeft niet gesteld dat dit bedrag (deze bedragen) een andere herkomst had (hadden) dan in de eenmanszaak behaalde winst; daarnaar gevraagd ter zitting van dit hof heeft de man ook niet kunnen uitleggen dat dit bedrag een andere herkomst heeft. De man heeft evenmin kunnen uitleggen waarom deze niet-uitgekeerde winst (ad 57.000,-- en fl. 132.000,-) buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat dit onredelijk zou zijn in de zin van artikel 1:141 lid 4 jo. lid 5 BW. Het hof herinnert er ten slotte aan dat het (ook in dit verband) op de weg van de man had gelegen het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW te weerleggen. Daarin is hij niet geslaagd.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat op het moment van inbreng van de eenmanszaak in [Beheer] Beheer BV overgespaard inkomen in de eenmanszaak aanwezig was, zodat volstorting van de aandelen [Beheer] Beheer BV is gefinancierd met overgespaard inkomen dat verrekend had moeten worden. De man is niet geslaagd in het weerleggen van het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW. De waarde van de aandelen in [Beheer] Beheer BV dient derhalve in de verrekening te worden betrokken.

De grieven 29 tot en met 38 falen.

Benoeming deskundige (grief 39 in principaal appel)

3.14.

Grief 39 van de man richt zich tegen de beslissing van de rechtbank tot benoeming van een deskundige ter vaststelling van de waarde van de aandelen in [Beheer] B.V. Deze grief vloeit voort uit overige grieven van de man, en strekt ertoe dat zolang er nog niet definitief is beslist over de vraag of de waarde van de aandelen in [Beheer] Beheer BV in enige verrekening dienen te worden betrokken, het geen toegevoegde waarde heeft een deskundige te benoemen.

3.14.1.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de beslissing van het hof op de grieven 44 tot en met 46 (preliminair verweer), zoals neergelegd in r.o. 3.6.3, en de grieven 29 tot en met 38, zoals neergelegd in r.o. 3.13.3, deze grief eveneens faalt.

Betaling voorschot (grief 40 tot en met 43 in principaal appel)

3.15.

De grieven 40 tot en met 43 van de man richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de man aan de vrouw een voorschot dient te voldoen van € 100.000,--.

3.15.1.

Het hof is van oordeel dat deze grief slaagt. Nu nog niet vaststaat welk bedrag de vrouw uiteindelijk van de man te vorderen heeft in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, is de omvang van de vordering van de vrouw onvoldoende bepaald en is er naar het oordeel van het hof geen aanleiding een voorschot vast te stellen.

De grieven 40 tot en met 43 slagen derhalve.

Overige verzoeken

3.16.

In het petitum van het beroepschrift zijn verschillende verzoeken gedaan die niet nader zijn toegelicht en in verband waarmee ook geen grieven zijn geformuleerd, zodat deze verzoeken van de man zullen worden afgewezen.

Gebruiksvergoeding (grief I en II in incidenteel appel)

3.17.

De vrouw is van mening dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek tot vaststelling van een gebruiksvergoeding heeft afgewezen. Zij voert het volgende aan.

Bij beschikking van 8 maart 2011 heeft de rechtbank Breda een door de man aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding van € 596,-- opgelegd.

In het kader van de afspraken die partijen eind 2012 hebben gemaakt, en die zijn neergelegd in de beschikking van dit hof van 10 december 2012, over de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie, heeft de vrouw afstand gedaan van deze gebruiksvergoeding. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op verzoek van de man bij de bestreden beschikking van 30 september 2014 de partneralimentatie nader vastgesteld op nihil. De vrouw is van mening dat de man gelet daarop wederom gehouden is een gebruiksvergoeding aan haar te voldoen.

De gebruiksvergoeding is gebaseerd op artikel 3:169 BW. Nu de man sinds maart 2011 met uitsluiting van de vrouw het gebruik heeft van de voormalige echtelijke woning, is het redelijk dat de vrouw een vergoeding ontvangt voor het verlies van het genot van deze woning, zeker nu de vrouw ook de eigenaarslasten van de woning moet voldoen.

3.17.1.

De man voert verweer.

Hij stelt zich op het standpunt dat hij noodgedwongen nog steeds in echtelijke woning woont omdat de vrouw zich niet houdt aan gemaakte afspraken met betrekking tot verkoop van de woning, alsmede jarenlang de toedeling van de woning traineert. Van enig woon‘genot’ is al lange tijd geen sprake meer.

Rekening houdend met de (hypothecaire) geldleningen van circa € 256.000,- de vordering van € 139.596,66 en de kosten van de makelaar (stel) € 10.000,- alsmede het feit dat de man ten behoeve van de vrouw nog steeds de volledige eigenaarslasten voldoet, is er geen reden voor enige gebruiksvergoeding voor de vrouw.

3.17.2.

Het hof oordeelt als volgt.

Het hof is van oordeel dat er, gelet op het bepaalde in artikel 3:169 BW aanleiding is voor het vaststellen van een gebruiksvergoeding, nu de man met uitsluiting van de vrouw de gemeenschappelijke woning bewoont, ter compensatie van het door de vrouw gederfde genot van de woning en gelet op het feit dat de vrouw niet over haar (deel van dit) vermogensbestanddeel kan beschikken. Over de eigenaarslasten heeft het hof reeds hiervóór beslist, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen; die beslissing staat (anders dan de man meent) niet in de weg aan toekenning van een gebruiksvergoeding aan de vrouw.

De rechtbank Breda heeft in haar beschikking van 8 maart 2011 voor berekening van de gebruiksvergoeding als uitgangspunt gehanteerd, een percentage van 3% over de helft van de overwaarde van de woning. In haar grieven hanteert ook de vrouw dit uitgangspunt, en daartegen heeft de man geen bezwaar gemaakt. Het hof zal daarom ook uitgaan van deze berekeningsmethodiek.

Op de woning rust een hypotheeklast van in totaal circa € 256.000 (zie ook rov. 2.1 en hetgeen hiervóór werd beslist over de geldlening van € 185.000,-- bij [Beheer] Beheer BV. Voorts dient rekening te worden gehouden met het vergoedingsrecht van de man van € 113.333,05 (niet zoals de man stelt: € 139.596,66, zie de beslissing van het hof hiervóór over het vergoedingsrecht). De kosten van de makelaar, waar de man van rept, blijven buiten beschouwing nu het kennelijk slechts een stelpost betreft (waarvoor voorts iedere onderbouwing ontbreekt). De vrouw gaat zelf in punt 107 van haar verweerschrift uit van een verkoopopbrengst van de woning van € 490.000,--, zodat het hof hier ook van uit zal gaan.

Uitgaande van het genoemde percentage van 3%, komt de gebruiksvergoeding daarmee op een bedrag van: (€ 490.000,- minus (€ 256.000 + € 113.333,05) = € 120.666,95) : 2 = € 60.333,48 : 12 = € 5.027,79 x 3% = € 150,83,-.

Overeenkomstig het verzoek van de vrouw zal de man deze vergoeding verschuldigd zijn met ingang van 1 november 2013.

In hetgeen de man dienaangaande, zonder enige onderbouwing, aanvoert, ziet het hof onvoldoende grond om zijn verzoek toe te wijzen dat hij de gebruiksvergoeding pas hoeft te betalen bij de definitieve algehele vermogensrechtelijke afwikkeling (mede gelet ook op de relatief geringe hoogte van het bedrag).

Veroordeling in werkelijk gemaakte kosten en proceskosten

3.18.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man veroordeeld moet worden in de werkelijk gemaakte kosten en de proceskosten, door de vrouw voorlopig begroot op een bedrag van € 100.000,--, omdat de man de vrouw door zijn gedrag en proceshouding onnodig op kosten jaagt.

3.18.1.

De man voert verweer.

3.18.2.

Het hof overweegt als volgt.

Naar het hof begrijpt is de grondslag voor dit verzoek van de vrouw een onrechtmatige daad, gepleegd door de man. Het hof is van oordeel dat het gedrag en de proceshouding van de man, zoals door de vrouw geschetst, niet valt te kwalificeren als onrechtmatige daad, zodat het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.

Het hof zal de proceskosten compenseren nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

Alimentatie (zaaknummer 200.161.871/01)

Rechtens relevante wijziging van omstandigheden (grief III t/m VI van de vrouw)

3.19.

De vrouw stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat door de man voldoende aannemelijk is gemaakt dat de omstandigheden waarvan door hem bij het treffen van de regeling op 12 november 2012 is uitgegaan, nadien zijn gewijzigd. Zij voert – kort samengevat – het volgende aan.

De man was ten tijde van het maken van de afspraken al op de hoogte van de financiële situatie van zijn onderneming waarop hij zich nu beroept ter onderbouwing van de door hem gestelde wijziging van omstandigheden. Er is derhalve geen sprake van omstandigheden die na het overeenkomen van de alimentatiebijdrage zijn gewijzigd en die wijziging van de overeengekomen bijdrage rechtvaardigen.

3.19.1.

De man voert verweer. Hij beroept zich op de uitspraak van de Hoge Raad van 14 september 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BB3554), waarin door de Hoge Raad is overwogen:

“Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW is immers niet van belang of die omstandigheden bij het aangaan van de overeenkomst bekend dan wel voorzienbaar zijn geweest, maar of daarmee destijds zodanig rekening is gehouden dat zij geacht moeten worden aan de vaststelling van de alimentatie ten grondslag te hebben gelegen (vgl. HR 12 sept. 1997, nr. 8927, NJ 1997, 733).”

3.19.2.

Het hof oordeelt als volgt.

Gelet op de door de man aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 14 september 2007, is niet van belang of de man ten tijde van het sluiten van de alimentatieovereenkomst op de hoogte was van zijn (gewijzigde) financiële situatie, maar of daarmee als zodanig rekening is gehouden bij het maken van de afspraken.

Het hof acht het aannemelijk dat de man ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in november 2012 de financiële situatie van zijn onderneming niet volledig heeft kunnen overzien. In november 2012 waren de definitieve jaarcijfers over 2012 nog niet bekend. Het jaar was immers ook nog niet ten einde. Met deze financiële omstandigheden is derhalve bij het maken van de alimentatie afspraken niet zodanig rekening gehouden dat zij geacht moeten worden aan de vaststelling van de alimentatie ten grondslag te hebben gelegen.

Er is derhalve sprake van een wijziging van omstandigheden na het sluiten van de overeenkomst tussen partijen die is neergelegd in de beschikking van dit hof van 10 december 2012.

Het hof zal in het navolgende derhalve overgaan tot beoordeling van de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

Grenzen van de rechtsstrijd

3.20.

Partijen zijn in november 2012 een door de man aan de vrouw te betalen alimentatie overeengekomen van € 916,-- per maand, met ingang van 1 januari 2013. Deze overeenstemming is op verzoek van partijen neergelegd in de beschikking van dit hof van 10 december 2012.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank op verzoek van de man voormelde beschikking van het hof gewijzigd en de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 november 2013 nader vastgesteld op nihil.

De vrouw heeft in de procedure in eerste aanleg geen verzoek gedaan een hogere bijdrage in haar levensonderhoud op te leggen dan het door partijen overeengekomen bedrag van € 916,-- per maand, zoals neergelegd in de beschikking van dit hof van 10 december 2012.

In appel verzoekt de vrouw de bijdrage in haar levensonderhoud vast te stellen op een bedrag van € 1.352,--. Het betreft een nieuw verzoek van de vrouw, voor het eerst in hoger beroep gedaan. Het hof is van oordeel dat de vrouw niet voor het eerst in appel een hogere alimentatiebijdrage kan verzoeken. De rechtsstrijd tussen partijen beperkt zich ten aanzien van de alimentatiebijdrage derhalve tot een bedrag tussen nihil en € 916,--.

Ingangsdatum wijziging (incidentele grief D)

3.21.

Tussen partijen is in geschil op welke datum de wijziging van de onderhoudsbijdrage moet ingaan. Daaromtrent overweegt het hof als volgt.

De man verzoekt nihilstelling van de onderhoudsbijdrage met ingang van 1 oktober 2013. Het verzoekschrift tot wijziging is ingediend op 1 oktober 2013. De man heeft onbetwist gesteld dat hij de vrouw reeds in september 2013 heeft laten weten dat hij de alimentatie niet meer kon betalen. Het hof is van oordeel dat de vrouw er derhalve rekening mee had kunnen houden dat de alimentatie met ingang van oktober 2013 zou wijzigen en bepaalt de wijzigingsdatum derhalve op 1 oktober 2013.

Behoefte vrouw (zelfstandig verzoek van de man)

3.22.

De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw, door dit hof bij beschikking van 12 april 2012 vastgesteld op € 1.800,-- netto per maand, is in zoverre in hoger beroep niet in geschil.

De man heeft echter (primair) aangevoerd dat de feitelijke behoefte van de vrouw lager is, omdat zij feitelijk minder uitgeeft dan de door het hof in voormelde beschikking begrote posten (behoeftelijstje).

Het hof acht het zonder meer aannemelijk dat de vrouw, die noodgedwongen leeft van een bijstandsuitkering, genoodzaakt is geweest op haar kosten van levensonderhoud te bezuinigen. Dit maakt echter niet dat de behoefte van de vrouw lager zou moeten worden vastgesteld.

3.22.1.

De man heeft (subsidiair) aangevoerd dat de behoefte van de vrouw is verbleekt, omdat zij na het huwelijk nimmer op het niveau van de huwelijksgerelateerde behoefte heeft geleefd.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de lange duur van het huwelijk (24 jaar), waaruit vier kinderen zijn geboren, afgezet tegen de relatief korte periode dat partijen uit elkaar zijn, het feit dat partijen nog volop zijn verwikkeld in de echtscheidingsprocedure en er nog geen uitzicht is op vermogen c.q. een voorschot in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (r.o. 3.15.1.), alsmede het feit dat de vrouw door omstandigheden van buitenaf in de bijstand is geraakt en daardoor genoodzaakt is geweest te bezuinigen op de uitgaven voor haar levensonderhoud, van verbleking van haar behoefte thans nog geen sprake is.

Behoeftigheid vrouw (zelfstandig verzoek van de man en grief A in incidenteel appel)

3.23.

In de beschikking van 12 april 2012 heeft dit hof de aanvullende behoefte van de vrouw vastgesteld op een bedrag van € 531,-- netto per maand, dat wil zeggen € 916,-- bruto per maand, rekening houdend met een door de vrouw in redelijkheid te verwerven inkomen ter hoogte van het wettelijke minimumloon ad € 1.529,28 bruto per maand, inclusief vakantietoeslag.

De man heeft aangevoerd, dat de vrouw inmiddels volledig in haar eigen levensonderhoud had kunnen en moeten voorzien. De vrouw heeft het aan zichzelf te wijten dat dit nog niet het geval is, doordat zij zelf opleidingen en dienstverbanden, in het bijzonder haar dienstverband als verkoopmedewerkster bij [woninginrichting] , heeft beëindigd. Verder zou de vrouw inkomen hebben als oppasmoeder.

3.23.1.

De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist. Zij voert het volgende aan.

De vrouw heeft in 2010 de eerste de beste baan die op haar pad kwam, geaccepteerd. Dit was de dienstbetrekking als verkoopmedewerkster bij [woninginrichting] B.V. De vrouw heeft dit dienstverband zelf beëindigd om twee redenen. Ten eerste kreeg de vrouw de mogelijkheid om een opleiding als verzorgende te volgen, hetgeen meer in de lijn lag met de genoten opleidingen van de vrouw en haar interesses. Ten tweede zou de vrouw bij [woninginrichting] B.V. nimmer een fulltime dienstverband hebben kunnen verwerven en daarmee nooit een inkomen hoger dan het minimumloon hebben kunnen genereren. Op 1 mei 2012 heeft de vrouw het aanbod gekregen om bij Rivas een leer- werktraject te starten in de zorg voor dementerende ouderen. In deze functie zou zij tijdelijk, zolang zij in opleiding was, minder gaan verdienen, maar aan het einde van het opleidingstraject zou zij een volwaardig inkomen hebben. De vrouw zag zichzelf tot aan haar pensioen in de zorg werken. De zitting in de alimentatieprocedure bij het hof was in november 2012. De vrouw heeft in deze procedure niet om een hogere alimentatie gevraagd, ondanks het feit dat zij minder was gaan verdienen.

In december 2012 is de vrouw echter volledig arbeidsongeschikt geraakt wegens psychische problemen. De vrouw verwijst naar de door haar als productie 34 en 35 overgelegde medische rapportage van de bedrijfsarts. Haar jaarcontract bij Rivas is niet verlengd. De vrouw heeft tot en met september 2013 met psychische problemen gekampt. Sinds september 2013 is de vrouw wederom aan het solliciteren ten bewijze waarvan de vrouw sollicitatiebrieven overlegt (producties 36 en 38). Tevens is de vrouw ingeschreven als werkzoekende bij een aantal bedrijven (productie 37).

3.23.2.

Het hof oordeelt als volgt.

De vrouw heeft zich voldoende ingespannen om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Zij heeft weliswaar haar baan bij [woninginrichting] opgegeven voor een baan in de zorg met een lager inkomen, maar dit lagere inkomen zou tijdelijk zijn. De vrouw heeft voldoende onderbouwd dat het feit dat het werk-leertraject bij Rivas uiteindelijk niet heeft geresulteerd in een vast dienstverband met een volwaardig inkomen, is veroorzaakt doordat de vrouw wegens psychische problemen arbeidsongeschikt is geraakt. Het hof is van oordeel dat dit niet te voorzien was en ook had kunnen gebeuren als zij in dienst was gebleven bij [woninginrichting] .

De stellingen van de vrouw worden ondersteund door de door de advocaat van de vrouw ter zitting van het hof voorgelezen brief van haar participatiecoach. Uit deze brief blijkt voorts dat zij aan alle (reïntegratie)trajecten enthousiast heeft meegewerkt en ruimschoots aan haar sollicitatieverplichtingen heeft voldaan. Dat laatste blijkt ook uit de door de vrouw overgelegde sollicitatiebrieven (producties 36 en 38 bij het verweerschrift in incidenteel appel en productie 27 bij de brief d.d. 3 december van de advocaat van de vrouw). Dit is door de man ook niet verder betwist.

De man heeft voorts gesteld dat de vrouw inkomen heeft uit werkzaamheden als oppasmoeder. De vrouw heeft dit betwist. Voor zover de vrouw al inkomen zou hebben als oppasmoeder, dan acht het hof het niet aannemelijk dat de vrouw hiermee volledig in haar eigen behoefte zou kunnen voorzien.

Het hof concludeert derhalve dat de man, gelet op de gemotiveerde, met stukken onderbouwde betwisting door de vrouw, niet heeft aangetoond, dan wel aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw volledig in haar eigen behoefte kan voorzien, Het hof sluit derhalve aan bij de aanvullende behoefte zoals vastgesteld bij beschikking van dit hof van 12 april 2012, van € 531,-- netto, dat wil zeggen € 916,-- bruto per maand, uitgaande van een inkomen ter hoogte van het wettelijke minimumloon ad € 1.529,28 bruto per maand, inclusief vakantietoeslag.

3.23.3.

De man stelt in zijn grief A dat de rechtbank ten onrechte de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw voor het eerst heeft geïndexeerd per 1 januari 2013. Nu partijen hadden afgesproken dat de man de bijdrage van € 916,-- per maand eerst met ingang van 1 januari 2013 zou gaan betalen, kan deze bijdrage pas voor het eerst geïndexeerd worden met ingang van 1 januari 2014.

Het hof overweegt als volgt.

De aanvullende behoefte van de vrouw is vastgesteld op € 916,- in 2012. De man heeft in appel onder andere de aanvullende behoefte van de vrouw opnieuw ter discussie gesteld, waardoor de afspraak tussen partijen, waarbij de vrouw feitelijk heeft afgezien van indexering per 1 januari 2013, niet meer van toepassing is. Er dient derhalve geïndexeerd te worden per 1 januari 2013. Per 1 januari 2013 bedraagt naar analogie van artikel 1:402a lid 1 BW de geïndexeerde aanvullende behoefte van de vrouw € 931,57 per maand en per 1 januari 2014 € 939,95.

Draagkracht

A. Inkomen van de man (grief VII t/m XIII en XIX)

3.24.

In hoger beroep staat het volgende tussen partijen vast.

De man is enig aandeelhouder van [Beheer] Beheer BV en is tevens in loondienst bij deze vennootschap. [Beheer] Beheer BV houdt 50% van de aandelen in [compagnons] Compagnons BV. De overige 50% wordt gehouden door [beheer 2] Beheer BV, waarvan de broer van de man 100% aandeelhouder is. [compagnons] Compagnons houdt 100% van de aandelen in de werkmaatschappijen [bouwtechniek] Bouwtechniek BV en [architecten] Architecten BV.

Op 20 september 2013 zijn Algemene Vergaderingen van Aandeelhouders (AVA’s) gehouden van de vennootschappen [compagnons] Compagnons BV, [architecten] Architecten BV en [bouwtechniek] Bouwtechniek BV, waarin is besloten tot een verlaging van de door deze vennootschappen te betalen managementfees, van € 111.000,- naar € 81.000,-. Eveneens op 20 september 2013 is een AVA gehouden van [Beheer] Beheer BV, waarin is besloten tot een verlaging van het aan de man te betalen salaris.

3.24.1.

De grieven van de vrouw komen er – kort samengevat – op neer dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man genoodzaakt was zijn inkomen uit zijn onderneming te verlagen. Zij voert – kort samengevat – het volgende aan.

De managementfees en het salaris van de man hadden, ondanks de slechte resultaten in de werkmaatschappijen, niet verlaagd hoeven worden, gelet op het vermogen dat is opgebouwd in de jaren dat het goed ging met de onderneming(en) (tot en met 2011) welk vermogen zich thans voornamelijk bevindt in [compagnons] Compagnons BV.

Gelet op dit aanwezige vermogen kan de man er ook voor kiezen dividenduitkeringen te doen.

Er worden privé-onttrekkingen gedaan in de vorm van een leningconstructie, waarbij [Beheer] Beheer BV geld leent van [compagnons] Compagnons BV, en de man vervolgens leent van [Beheer] Beheer BV. Dit ondanks de notulen van de AVA’s, waarin staat dat het aanwezige vermogen in de onderneming moet blijven. Als er op deze wijze geld onttrokken kan worden, kan er ook dividend uitgekeerd worden,

De man heeft op deze wijze in de jaren 2012 tot en met 2015 naast zijn salaris in totaal

€ 410.942,-- onttrokken aan [Beheer] Beheer BV. Dit komt neer op gemiddeld

€ 8.561,-- netto per maand. Uit de prognoses tot en met 2017 blijkt dat dit beleid zich voortzet.

Het gaat in de architectenbranche sinds 2013 beter. De man heeft in 2013 en 2014 vele opdrachten gehad en ontwerpen gemaakt.

3.24.2.

De man voert verweer. Hij stelt – kort samengevat – het volgende.

Het gaat sinds de economische crisis slecht in de bouw en dus ook in de architectuur. De werkmaatschappijen lijden al sinds 2012 forse verliezen. De opdrachten worden vaak op “no cure, no pay” basis gedaan, dat wil zeggen dat de gemaakte ontwerpen moeten concurreren met de ontwerpen van andere architectenbureaus en er pas voor wordt betaald als het ontwerp daadwerkelijk door de opdrachtgever wordt uitgekozen. Er gaat dus veel tijd en mankracht zitten in ontwerpen die het bedrijf uiteindelijk geen geld opleveren.

Gelet op deze situatie was het noodzakelijk de managementvergoeding te verlagen. Omdat de omzet in [Beheer] Beheer BV volledig bestaat uit de managementvergoeding, was hij daarom ook genoodzaakt zijn salaris te verlagen.

De man heeft het bedrag van € 410.942,-- moeten lenen om zijn advocaatkosten te voldoen. Hierop kan geen draagkracht gebaseerd worden. De man heeft geen volledige zeggenschap in [compagnons] Compagnons BV. Hij is afhankelijk van de instemming van zijn broer en die zal met het verstrekken van leningen, dan wel het uitkeren van dividend niet (langer) instemmen.

3.24.3.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

De rechtbank heeft op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, geoordeeld dat de noodzaak tot verlaging van de managementfee – en daarmee het salaris van de man – door de man genoegzaam is onderbouwd. Daarbij is van belang dat de beslissing tot verlaging van de managementfee is genomen in [compagnons] Compagnons BV en in de dochtervennootschappen [architecten] Architecten BV en [bouwtechniek] Bouwtechtniek BV, waarvan [Beheer] Beheer BV niet de enige aandeelhouder is. De verlaging van de managementfee geldt bovendien niet alleen voor [Beheer] Beheer BV, maar ook voor [beheer 2] Beheer BV (de BV van de broer van de man). Uit de stukken is genoegzaam gebleken dat aan de beslissing tot verlaging van de managementfees met name het aanhoudende, teruglopende resultaat in de afgelopen jaren in de werkmaatschappijen ten grondslag ligt.

Het hof overweegt in dit kader voorts dat de man onweersproken heeft gesteld dat veel van de opdrachten c.q. ontwerpen geen geld opleveren omdat er op basis van “no cure, no pay” wordt gewerkt.

3.24.4.

Ten aanzien van de mogelijkheid tot dividenduitkering stelt het hof vast dat de man hiervoor de instemming van zijn broer nodig heeft. De man heeft hierover geen volledige zeggenschap en kan dit derhalve niet afdwingen bij [compagnons] Compagnons BV.

De onttrekkingen van in totaal € 410.942,-- in de periode 2012 tot en met 2015, waarvan de man onbetwist heeft gesteld dat deze zijn gebruikt om zijn advocaatkosten te betalen, zijn gedaan in de vorm van een lening. Dit bedrag, alsmede eventuele toekomstige bedragen die op deze wijze worden onttrokken, zullen moeten worden terugbetaald, door de man aan [Beheer] Beheer BV en door [Beheer] Beheer BV aan [compagnons] Compagnons BV. Hierop kan derhalve geen draagkracht van de man gebaseerd worden.

De man heeft onbetwist gesteld dat er reeds flink bezuinigd is op personeel en dat hij het zich niet kan permitteren om nog meer mensen te ontslaan. Er is een bepaald minimum aantal architecten nodig om als kantoor bepaalde (grotere) projecten binnen te kunnen halen. Als hij nog meer mensen ontslaat, komt hij voor deze projecten, die potentieel veel geld opleveren, niet meer in aanmerking.

De man heeft voorts onbetwist gesteld dat het pand waarin [architecten] Architecten BV thans gevestigd is binnenkort verlaten zal moeten worden, zodat er op korte termijn in een nieuw pand geïnvesteerd zal moeten worden. Gelet op de branche waarbinnen de man werkzaam is, dient dit pand een bepaalde uitstraling te hebben. Daar hangt ook een prijskaartje aan. Om die reden dienen er bepaalde reserves in de onderneming aanwezig te blijven.

Gelet op het voorgaande en op de aanhoudende verliezen in de werkmaatschappijen ziet het hof geen mogelijkheden voor de man om, op welke wijze dan ook, meer geld aan de ondernemingen te onttrekken.

3.24.5.

Uit hetgeen in de voorgaande rechtsoverwegingen is overwogen, volgt tevens dat het hof van oordeel is dat geen sprake is van verwijtbaar inkomensverlies aan de zijde van de man. Het hof acht het inkomensverlies ook niet, althans niet op korte termijn, voor herstel vatbaar.

De negentiende grief van de vrouw faalt derhalve.

3.25.

Gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen, zal het hof voor het inkomen van de man uitgaan van zijn inkomen over 2014, het eerste volledige jaar dat de man het lagere salaris ontvangt. Het hof ziet geen reden om, zoals de vrouw voorstaat, uit te gaan van het gemiddelde inkomen over 2011 tot en met 2013, nu het gaat om de alimentatiebijdrage die de man met ingang van oktober 2013 moet betalen en het ook met name gaat om de toekomstige termijnen.

Het inkomen van de man bedraagt blijkens de salarisspecificaties 2014 € 4.185,19 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage in de premie zorgverzekering (€ 208,80).

3.25.1.

De vrouw heeft een grief gericht tegen de overweging van de rechtbank dat rekening gehouden zal worden met een pensioenpremie van € 272,00 per maand, nu uit de jaarstukken van [Beheer] Beheer BV blijkt dat de pensioenpremie als bedrijfslast in mindering wordt gebracht op de omzet.

De man stelt dat met een hogere pensioenpremie rekening gehouden moet worden, te weten € 530,95 per maand.

3.25.2.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof gaat – anders dan de rechtbank, die uitging van de salarisspecificaties 2013 – uit van het inkomen in 2014. Uit de salarisspecificaties over 2014 blijkt dat er geen pensioenpremie op het loon in mindering worden gebracht, maar een inhouding levensloopregeling van € 527,28 (januari t/m mei) c.q. € 543,52 per maand. De man heeft hieromtrent verklaard dat dit een tijdelijke regeling is ter overbrugging van een periode dat hij niet is aangesloten bij een pensioenfonds. Het hof acht een dergelijk hoge inhouding, terwijl het zodanig slecht gaat met het bedrijf dat de man zijn inkomen heeft moeten verlagen, wetende van zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw, niet redelijk. De man heeft niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt waarom met een hoger bedrag aan pensioenpremie rekening gehouden zou moeten worden. De overgangsfase tussen twee pensioenfondsen is daartoe in ieder geval onvoldoende reden.

Het hof ziet echter ook geen aanleiding om de pensioenpremie geheel buiten beschouwing te laten omdat deze al zou zijn verdisconteerd in de winst. De post ‘Sociale lasten en pensioenlasten’ heeft immers betrekking op de pensioenpremie die de werkgever inhoudt voor zijn werknemers. Het bedrag op de salarisspecificatie is de premie die de werknemer zelf verschuldigd is. Van een dubbeltelling zoals door de vrouw gesteld is derhalve geen sprake. Het hof zal daarom aansluiting zoeken bij het bedrag aan pensioenpremie dat in 2013 werd ingehouden en waarmee de rechtbank ook al rekening heeft gehouden.

De man heeft recht op de volgende heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting;

maar niet meer dan de ingehouden loonheffing.

B. Lasten van de man (grieven XIV t/m XVII in principaal appel en grief C in incidenteel appel)

3.26.

Het hof houdt rekening met de navolgende lasten:

Normbedrag Wet werk en bijstand

Het hof houdt rekening met het op de Wet werk en bijstand gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Woonlasten

De man voert ten laste van zijn draagkracht de volgende maandelijkse lasten op:

- hypotheekrente lening Rabobank € 204,20

- hypotheekrente lening [Beheer] Beheer BV € 693,75

- rente restauratiefonds € 19,23

- aflossing restauratiefonds € 74,44

- premie Spaaroptimaalpolis € 90,03

De vrouw kan instemmen met de hypotheekrente Rabobank en restauratiefonds. Zij maakt bezwaar tegen het gedeelte van het bedrag van het restauratiefonds dat ziet op aflossing, omdat zij van mening is dat dit bij de verdeling c.q. verrekening moet worden meegenomen. Ook ten aanzien van de Spaaroptimaalpolis is de vrouw van mening dat dit bij de verdeling c.q. verrekening thuishoort, nu partijen het er over eens zijn dat de waarde van de polis per 1 januari 2008 wordt verdeeld. De premie voor deze polis zorgt derhalve voor vermogensvorming voor de man.

De vrouw is voorts van mening dat met slechts 25% van de rente op de lening van [Beheer] Beheer BV rekening moet worden gehouden, derhalve een bedrag van € 173,43 per maand. Zij licht dit, met verwijzing naar de als productie 29 bij brief van 3 december 2015 overgelegde brief van [financieel adviseur (de vrouw)] , als volgt toe:

Indien aan de inkomenszijde alleen rekening wordt gehouden met het salaris van de man en de rente over deze rekening alleen wordt bijgeschreven in rekening courant, wordt in het draagkrachtloos inkomen rekening gehouden met een last die feitelijk niet drukt op het inkomen van de man.

Gelet op het vrij hoge belegbare vermogen dat in de vennootschappen aanwezig is, is hier feitelijk sprake van een keuze van de aandeelhouder om geen dividend uit te keren, maar om een lening te verstrekken. Deze keuze brengt hogere rentelasten met zich dan noodzakelijk is. Dit kan worden gecorrigeerd in de draagkrachtberekening door de rente over de lening van € 185.000 niet volledig, maar voor 25% mee te nemen. De gedachte hierachter is dat de man een dividend kan uitkeren van € 185.000 om zo de lening volledig af te lossen. Als de verschuldigde 25% heffing vervolgens als lening in stand blijft, is de rentelast met 75% gedaald.

De man heeft daartegenover onder andere gesteld dat uit alle jaarrekeningen en aangiften IB blijkt dat de lening ten behoeve van de verbouwing van de woning reeds sinds 2003 bestaat. De vrouw heeft ook schriftelijk ingestemd met de positief/negatief hypotheekverklaring ten behoeve van [Beheer] Beheer B.V.

De man stelt dat geen rekening moet worden gehouden met de forfaitaire eigenaarslasten van € 95,-- per maand, maar met de daadwerkelijke eigenaarslasten en de kosten van onderhoud. de vrouw heeft dat betwist.

Het hof oordeelt als volgt.

Het hof volgt de vrouw niet in haar standpunt ten aanzien van de rente over de lening bij [Beheer] Beheer BV. Partijen hebben ten tijde van het huwelijk en wel in 2003 de keuze gemaakt ten behoeve van de financiering van de verbouwing van de woning geen dividenduitkering te doen, maar de woning te financieren door het aangaan van een lening bij [Beheer] Beheer B.V. Het hof verwijst in dit verband naar de hiervoor in 3.8.2. geciteerde bepalingen uit de leningovereenkomst, die voor akkoord is ondertekend door de vrouw. Het gaat dan niet aan om achteraf in het kader van de echtscheiding te betogen dat de keuze, om de verbouwing van de woning te financieren door het aangaan van een lening, niet gemaakt had mogen worden.

Nu partijen het er over eens zijn dat de waarde van de Spaaroptimaalpolis per 1 januari 2008 wordt verdeeld en de vermogensopbouw in deze polis na deze datum derhalve alleen voor de man is, houdt het hof met deze premie geen rekening in de draagkracht van de man. Dit geldt niet voor de aflossing restauratiefonds, waarmee het hof derhalve wel rekening zal houden.

Het hof is van oordeel dat de eigenaarslasten en de onderhoudskosten thuishoren in de discussie ten aanzien van de verdeling c.q. verrekening en heeft deze dan ook daar behandeld (zie r.o. 3.10.2 t/m 3.10.5) Het hof zal hiermee – anders dan met het forfaitaire bedrag – in het kader van de draagkracht geen rekening houden.

Het hof houdt, gelet op het voorgaande, rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

€ 204,20 aan hypotheekrente Rabobank;

€ 693,75 aan hypotheekrente Beheer BV;

€ 19,23 aan rente restauratiefonds;

€ 74,44 aan aflossing restauratiefonds;

€ 95,- aan (forfaitaire) overige eigenaarslasten.

Van de door de man betaalde hypotheekrente is de helft aftrekbaar.

Ziektekosten

Het hof houdt rekening met de navolgende maandelijkse lasten, die in hoger beroep niet in geschil zijn:

€ 122,-- aan basispremie en aanvullende premie ZVW in 2014 en € 141,50 in 2015;

€ 39,-- aan verplicht eigen risico;

minus € 39,-- zijnde het in het normbedrag Participatiewet begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

Extra energielasten

De rechtbank heeft rekening gehouden met een bedrag van € 532,-- vanwege extra hoge energielasten van de voormalige echtelijke woning, nu dit door de vrouw niet was weersproken.

Hiertegen richt zich de zestiende grief van de vrouw. Zij voert het volgende aan.

Uit de door de man overgelegde jaarspecificatie van Essent blijkt een bedrag van € 866,56 ter zake elektriciteit en een bedrag van € 2.783,99 ter zake gas, derhalve een maandbedrag van (gezamenlijk) € 304,21. Daarbij geldt dat niet duidelijk is of de jaarafrekening enkel betrekking heeft op het woonhuis of ook op de bijgebouwen, waar de meerderjarige kinderen van partijen wonen, voor wie de man niet onderhoudsplichtig is.

De man voert verweer. Hij stelt het volgende.

Aan de woning (een rijksmonument) is het minst zuinige energielabel toegekend (G).

De nota van Essent over 2013 is € 8.083,36 per jaar, derhalve € 673,61 per maand, te vermeerderen met € 35,-- per maand aan waterverbruik, derhalve in totaal € 709,--, zijnde het voorschotbedrag 2014.

Uit het proces-verbaal d.d. 12 februari 2010, naar aanleiding van de zitting van 25 november 2009, blijkt dat de vrouw erkent dat de energielasten hoog zijn en dat de vrouw ermee instemde dat hiermee ten laste van de draagkracht van de man rekening werd gehouden. In de echtscheidingsbeschikking d.d. 15/17 december 2009 heeft de rechtbank dan ook deze hoge energielasten ad € 715,-- in het draagkrachtloos inkomen van de man meegenomen.

Indien de kinderen van partijen geacht worden een deel van deze kosten voor hun rekening te nemen, dan geldt dat ook voor het jongste (meerderjarige) kind van partijen dat bij de vrouw woont.

Het hof oordeelt als volgt.

Het hof zal geen rekening houden met enig (extra) bedrag aan energielasten. Een deel van de energielasten is begrepen in de bijstandsnorm. Een deel van de door de man opgevoerde lasten heeft betrekking op het bijgebouw, waar de twee volwassen kinderen van partijen, alsmede de vriend van een van deze kinderen wonen, die allen een eigen inkomen hebben. Van hen mag verwacht worden dat zij een bijdrage leveren aan de energielasten.

Voorts kan van de man nu hij de woning alleen bewoont, verwacht worden dat hij bezuinigt op de energielasten.

Premie arbeidsongeschiktheidsverzekering

Partijen zijn het er over eens geworden dat rekening wordt gehouden met een bedrag aan premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 582,51 in 2014 en € 539,80 met ingang van 2015.

3.27.

De achttiende grief van de vrouw richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de man geen draagkracht heeft om enige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen, en heeft gezien de inhoud van haar overige tegen de draagkracht van de man gerichte grieven, geen zelfstandige betekenis.

Vaststelling van de alimentatie

3.28.

Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 3.115,-- per maand in 2014 en € 3.367,-- per maand in 2015, waarbij rekening is gehouden met de volgende fiscale aspecten:

- de hiervóór genoemde toepasselijke heffingskortingen;

- de helft van het eigenwoningforfait, welk forfait het hof becijfert op € 3.101,--;

- de helft van de hypotheekrente betreffende de woning van de man;

- de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering.

3.29.

Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man een draagkrachtruimte van € 533,-- per maand in 2014 en € 798,-- in 2015. Daarvan 60% beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage.

3.30.

Partijen zijn het er ter zitting van het hof over eens geworden dat rekening gehouden wordt met de bijdrage die de man betaalt aan de jongste zoon van partijen, [jongste zoon van partijen] van € 603,-- per maand tot 1 mei 2015 en met ingang van 1 mei 2015 met een bijdrage van 472,08.

3.31.

Op grond van hetgeen hierboven is overwogen en rekening houdend met alle relevante fiscale aspecten is het hof van oordeel dat de man niet de draagkracht heeft om enig bedrag te betalen ter voorziening in het levensonderhoud van de vrouw.

3.32.

De beschikking waarvan beroep dient dus te worden bekrachtigd voor zover het de alimentatie betreft.

Proceskosten

3.32.

De man stelt (in de procedure met betrekking tot de alimentatie) dat de vrouw vanwege haar onredelijke proceshouding veroordeeld moet worden in de proceskosten.

De vrouw voert verweer.

3.32.1.

Het hof is van oordeel dat in deze procedure gebleken is dat partijen beiden procederen op het scherp van de snede. Niet is gebleken dat aan de zijde van de vrouw sprake is van een onredelijke proceshouding.

Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de, in zaken tussen gewezen echtgenoten, gebruikelijke compensatie van de proceskosten.

3.32.2.

Voor wat betreft de proceskosten in de procedure met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden verwijst het hof naar hetgeen reeds is overwogen in r.o. 3.18.2. Ook deze proceskosten zullen derhalve worden gecompenseerd.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel in de zaak met nummer 200.168.666/01:

vernietigt de beschikking van 31 juli 2013 van de rechtbank Breda en de daaraan voorafgaande beschikkingen van de rechtbank Breda van 1 november 2012, 13 december 2010 en 15 december 2009, zoals verbeterd bij beschikking van 17 december 2009, en de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 januari 2015, voor zover daarbij:

- is beslist over de waarde van de Spaaroptimaalpolis (rov. 2.18, beschikking 22 januari 2015);

- is beslist hoe de overwaarde van de woning moet worden berekend (rov. 2.18, beschikking 22 januari 2015);

- is beslist over de eigenaarslasten (rov. 2.26 tot en met 2.28, beschikking 22 januari 2015 en rov. 2.14 beschikking van 31 juli 2013);

- is beslist dat er geen reden is om de man uit de overwaarde van de woning nog een vergoeding toe te kennen voor de door de man gestelde – met dividenduitkeringen gedane –investeringen in de woning (rov. 2.22, beschikking 22 januari 2015);

- de man is veroordeeld tot betaling bij wijze van voorschot op de verrekening – tegen behoorlijk bewijs van kwijting – aan de vrouw van een bedrag van € 100.000,--, door storting op een aan de vrouw aan te wijzen bankrekening binnen twee maanden na de datum van deze beschikking (rov. 2.48, beschikking 22 januari 2015);

- het verzoek tot vaststelling van een gebruiksvergoeding is afgewezen (rov. 2.25, beschikking 22 januari 2015);

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat ter zake van de Spaaroptimaalpolis een bedrag van € 17.161,- verrekend dient te worden per peildatum 1 januari 2008;

bepaalt dat bij het vaststellen van de overwaarde van de echtelijke woning de lening ad € 185.000,- bij [Beheer] Beheer BV in mindering strekt op de verkoopopbrengst van de woning;

bepaalt, ter zake van de eigenaarslasten, dat de vrouw bij voorrang uit haar aandeel uit de verkoopopbrengst van de echtelijke woning een bedrag van € 6.332,20 aan de man dient te voldoen, en bepaalt dat de vrouw draagplichtig is voor de helft van de eigenaarslasten (minus de helft van de hypotheekrente) met ingang van 1 januari 2016 tot aan de datum van notariële overdracht van de voormalige echtelijke woning;

bepaalt dat de man bij verdeling van de eenvoudige gemeenschap (bestaande uit de voormalige echtelijke woning) een nominaal vergoedingsrecht heeft op die gemeenschap voor een bedrag van € 113.333,05;

veroordeelt ter zake van de voormalige echtelijke woning de man tot betaling aan de vrouw van een gebruiksvergoeding van € 150,83,- per maand met ingang van 1 november 2013;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte;

op het principaal en incidenteel appel in de zaak met nummer 200.161.871/01:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 september 2014, voor zover daarbij de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw op nihil is gesteld met ingang 1 november 2013;

en opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van dit hof van 10 december 2012;

bepaalt de door de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud te betalen bijdrage met ingang van 1 oktober 2013 tot 1 januari 2015 op nihil;

bepaalt dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van € 63,-- per maand met ingang van 1 januari 2015, voor wat betreft de nog niet verschenen termijnen te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.Th.M. Raab, G.J. Vossestein en H.J.M. van Arkel-van Gasselt en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2016.