Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4985

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
13-06-2018
Zaaknummer
200.193.556_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:1210
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:2495
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Commissie. Participatie. Afstand. Samenhangende procedure ten overstaan van de rechter te Curaçao. Aktewisseling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.193.556/01

arrest van 8 november 2016

gewezen in het incident ex artikel 843a Rv dan wel 194 Rv in de zaak van

1 [trading company] Trading Company B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [aandeelhouder en bestuurder van de trading company],

wonende te [woonplaats] ,

appellanten in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

hierna afzonderlijk te noemen: [trading company] en [aandeelhouder en bestuurder van de trading company] en gezamenlijk te noemen: [appellanten c.s.] ,

advocaat: mr. K.A. van Panhuis te Utrecht,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [cranes & services] Cranes & Services B.V.,
gevestigd te Sliedrecht,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

hierna afzonderlijk te noemen: [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [cranes & services] en gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden c.s.] ,

advocaat: mr. C.M. Reijnen te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 26 mei 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 2 maart 2016, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch gewezen tussen [appellanten c.s.] als eisers en [geïntimeerden c.s.] als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/283957/HA ZA 14-704)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven tevens houdende memorie van eis in incident met producties;

  • -

    de antwoordmemorie in het incident van [geïntimeerden c.s.] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

[appellanten c.s.] vorderen in het incident:

Commissie

1. [cranes & services] te veroordelen ex artikel 843a Rv (subsidiair wordt een deskundigenbericht ex artikel 194 Rv verzocht) [trading company] althans [aandeelhouder en bestuurder van de trading company] binnen 14 dagen na het (tussen)arrest te voorzien van informatie op grond waarvan de verschuldigde commissie ter zake verkoop en verhuur van de betreffende kraan kan worden vastgesteld, waaronder in ieder geval begrepen verkoop- en verhuurfacturen van de betreffende kraan, voorzien van een deugdelijke onderbouwing, op verbeurte van een dwangsom ad € 25.000,-, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [geïntimeerden c.s.] nalaten hieraan uitvoering te geven, gemaximeerd op € 500.000,-, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen maximumbedrag;

2. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk, althans tezamen, althans één van hen, te veroordelen tot de sub 1 vermelde vordering, op de voorwaarde dat [cranes & services] hieraan niet tijdig heeft voldaan.;

Aandelen

3. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk, althans tezamen, althans één van hen, ex artikel 843a Rv te veroordelen [aandeelhouder en bestuurder van de trading company] althans [trading company] binnen 14 dagen na het (tussen)arrest te voorzien van in ieder geval de volgende bescheiden (subsidiair wordt een deskundigenbericht ex artikel 194 Rv verzocht):

a. een cijfermatige onderbouwing van de Translation Reserve per 1 juli 2010 en per 31 december 2012, waarbij inzicht wordt gegeven in de aansluiting met de stand van de Translation Reserve op 1 januari 2010 en 31 december 2012;

b. een uitdraai van de kolommenstaten en grootboekrekeningen (Proef en Saldi balans) 2010 waarin de omzet, kosten en winst per maand van de volgende deelnemingen inzichtelijk worden:

- WWE Far East Ltd;

- [offshore & marine services] Offshore & Marine Services PTE Ltd;

- WWESEA (World Wide Equipment South East Asia);

- WWE Caribbean Ltd;

- WWE St. Lucia Ltd;

c. een uitdraai van de grootboekrekening van de deelneming [offshore & marine services] over de jaren 2007-2013 alsmede de koopovereenkomst [offshore & marine services] d.d. 1 juli 2011;

d. een uitdraai van de grootboekrekening van de vordering op [schuldenaar] over de jaren 2010-2013 alsmede de jaarrekening WWE over 2013 (dit laatste is overigens onder meer verzocht door de deskundige op 13 mei 2016, maar nog niet verstrekt;

e. een verklaring van PWC dat voormelde stukken onder i t/m iv (het hof begrijpt a t/m d) naar waarheid zijn opgesteld en deze een getrouw beeld geven;

op verbeurte van een dwangsom ad € 25.000,-, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte van een dag, dat [geïntimeerden c.s.] nalaten hieraan uitvoering te geven, gemaximeerd op € 5.000.000,-, althans een door uw hof in goede justitie te bepalen maximumbedrag.

3.2.1.

Commissie

[appellanten c.s.] hebben in het incident ex artikel 843a Rv aan de vorderingen ter zake de commissie -kort gezegd - ten grondslag gelegd dat zij de gevorderde informatie nodig hebben om de verschuldigde commissie van de verkoop en verhuur van een kraan vast te kunnen stellen. Volgens [appellanten c.s.] hebben zij hierbij een rechtmatig belang (reeds omdat [appellanten c.s.] een vordering hebben), het om voormelde bepaalde bescheiden gaat en de stukken een rechtsbetrekking betreffen waarbij [trading company] althans [aandeelhouder en bestuurder van de trading company] partij is.

3.2.2

Aandelen

Aan de vorderingen ter zake de aandelen hebben [appellanten c.s.] in het incident ex artikel 843a Rv en artikel 21 Rv ten grondslag gelegd dat zij veel belang bij de gevraagde cijfers hebben en de controle daarvan, nu zij met deze cijfers de wijze kunnen beoordelen waarop de intrinsieke waarde van de aandelen in het kapitaal van WWE per 31 december 2012 is vastgesteld. [appellanten c.s.] stellen dat zij bij afgifte van de gevorderde bescheiden een rechtmatig belang hebben (reeds omdat [appellanten c.s.] schade hebben geleden), het om bepaalde bescheiden gaat en de stukken een rechtsbetrekking betreffen waarbij [aandeelhouder en bestuurder van de trading company] partij is (reeds als aandeelhouder en als bestuurder).

3.2.3.

Indien het hof het gevorderde niet toewijst, verzoekt [aandeelhouder en bestuurder van de trading company] een deskundigenbericht te bevelen ex artikel 194 Rv met het doel de deskundige onderzoek te laten doen.

[appellanten c.s.] stellen dat voor het geval het hof van oordeel mocht zijn dat op voormelde vorderingen ex artikel 843a Rv althans 194 Rv in dit stadium niet kan worden beslist in incident, dit integraal onderdeel uitmaakt van de vordering in de hoofdzaak.

3.3.

[geïntimeerden c.s.] hebben met betrekking tot de incidenten verweer gevoerd en - kort gezegd - gesteld dat de gevorderde bescheiden ter zake de commissie geen betrekking hebben op enige rechtsbetrekking waarbij [aandeelhouder en bestuurder van de trading company] partij is. [geïntimeerden c.s.] hebben tevens gesteld dat [appellanten c.s.] met betrekking tot die vordering ook geen rechtmatig belang hebben bij inzage en afgifte van de gevorderde bescheiden. Daarnaast betreft de gevraagde informatie ook vertrouwelijke en concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens.

Over de gevorderde bescheiden ter zake de aandelen stellen [geïntimeerden c.s.] - kort gezegd- dat [appellanten c.s.] geen rechtmatig belang hebben, [aandeelhouder en bestuurder van de trading company] geen partij is bij de rechtsbetrekking waar de gegevens op zien en dat de bescheiden niet onder berusting bij, noch ter beschikking van [geïntimeerden c.s.] staan.

3.4.

Het hof stelt voorop dat een vordering op grond van artikel 843a Rv slechts kan worden toegewezen indien aan alle drie in lid 1 van dit artikel gestelde voorwaarden is voldaan: (i) de wederpartij van degene die bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, moet rechtmatig belang hebben bij inzage, afschrift of uittreksel daarvan, (ii) de vordering moet betrekking hebben op bepaalde bescheiden en (iii) de bescheiden moeten een rechtsbetrekking betreffen waarin de wederpartij van degene die ze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, partij is. Verder moet zich, indien de belanghebbende zich daarop beroept, geen van de drie in de leden 3 en 4 vervatte uitzonderingen voordoen.

Commissie

3.5.1.

Uit hetgeen [appellanten c.s.] hebben aangevoerd begrijpt het hof dat [appellanten c.s.] het doel hebben om een reeds opgeworpen grief met de door hen gevorderde en verkregen financiële informatie nader te onderbouwen. Het hof acht de vordering ex artikel 843a Rv echter te prematuur. Dat op [appellanten c.s.] in de hoofdzaak op enig moment de bewijslast zal komen te rusten die hen noodzaakt overlegging van stukken door [geïntimeerden c.s.] te vorderen staat op dit moment geenszins vast. Immers, in de hoofdzaak zal het hof eerst een beslissing moeten nemen op de vraag of [aandeelhouder en bestuurder van de trading company] afstand heeft gedaan van commissies. Het hof neemt voorts in aanmerking dat artikel 843a Rv er uitdrukkelijk niet toe strekt om aan een eiser de mogelijkheid te bieden bescheiden op te vragen waarvan deze eiser vermoedt dat zij steun kunnen geven aan haar stelling.

Aandelen

3.5.2.

Met betrekking tot de gevorderde afgifte van de bescheiden over waardebepaling van de aandelen begrijpt het hof dat [appellanten c.s.] met deze bescheiden willen aantonen dat de intrinsieke waardebepaling onjuist is vastgesteld ten gevolge waarvan zij schade hebben geleden. [appellanten c.s.] stellen dat [geïntimeerde 1] dan wel [geïntimeerde 2] in hoedanigheid van bestuurder dan wel feitelijk leidinggevende van Global International Trading N.V. onrechtmatig hebben gehandeld. Of dit het geval is dient echter eerst in de hoofdzaak vastgesteld te worden. Indien vast zou komen te staan dat [geïntimeerden c.s.] onrechtmatig hebben gehandeld, komt men pas toe aan de vraag of [appellanten c.s.] schade hebben geleden. Het hof acht de vordering ex artikel 843a Rv dan ook te prematuur.

Het hof neemt hierbij tevens in aanmerking dat bij het Gerecht in Eerste Aanleg te Curaçao het geschil aanhangig is tussen [aandeelhouder en bestuurder van de trading company] en Global International Trading N.V.. Dit geschil ziet tevens op dezelfde vraag of de intrinsieke waarde van de aandelen onjuist is vastgesteld. Dit Gerecht heeft [aandeelhouder en bestuurder van de trading company] opgedragen bewijs te leveren van de stelling dat de intrinsieke waarde van de aandelen per 31 december 2012 op onjuiste wijze tot stand gekomen is en heeft daartoe een deskundigenbericht gelast

3.5.3.

Het hof is derhalve van oordeel dat [appellanten c.s.] (vooralsnog) geen rechtmatig belang hebben tot instellen van genoemde vorderingen ex artikel 843a Rv, althans hiertoe onvoldoende hebben gesteld, zodat deze vorderingen reeds hierop stranden. In het midden kan blijven of en in hoeverre aan de overige twee vereisten van artikel 843a Rv is voldaan en of zich een van de uitzonderingen voordoet.

3.6.

Het hof ziet evenmin aanleiding de vordering ter zake de aandelen op grond van artikel 21 Rv toe te wijzen. Als uitgangspunt mag van een partij in een civiele procedure openheid van zaken worden verwacht. In artikel 21 Rv is bepaald dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.

Er bestaat echter voor partijen geen algemene exhibitieplicht en een partij behoeft onder hem rustende bescheiden in beginsel niet aan een ander ter inzage af te geven. Artikel 843a Rv maakt op dit beginsel een uitzondering voor het geval dat aan de in dit artikel gestelde vereisten is voldaan. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, is niet aan een van de voor toewijzing in de incidentele vordering noodzakelijke vereisten voldaan en zal de vordering op grond van dit artikel worden afgewezen.

Deskundigenbericht ex artikel 194 Rv

3.7.

Artikel 194 lid 1 Rv - dat ook in hoger beroep van toepassing is - bepaalt dat de rechter op verzoek van een partij of ambtshalve een bericht of een verhoor van deskundigen kan bevelen. Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid van de rechter, waartoe de partijen ook gedurende de procedure een verzoek kunnen doen. Dit artikel bepaalt geenszins dat het gaat om een verzoek waarop het hof thans met voorrang zou moeten beslissen alvorens een oordeel te vormen over het geleverde bewijs.

Het hof is dan ook van oordeel dat de vraag of het hof een deskundigenbericht noodzakelijk acht, in beginsel in de hoofdzaak moet worden beantwoord. Het hof ziet in hetgeen door [appellanten c.s.] is aangevoerd geen aanleiding om vooruitlopend op de beoordeling in de hoofdzaak het gevorderde deskundigenonderzoek toe te wijzen. Het hof zal de vordering in het incident daarom afwijzen.

3.8.

Het hof zal de vorderingen in het incident op grond van het voorgaande afwijzen. Het hof wijst tevens het in punt 61 van de memorie gedane aanhoudingsverzoek van [appellanten c.s.] af.

[appellanten c.s.] zullen worden veroordeeld in de kosten van het incident.

In de hoofdzaak

3.9.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [appellanten c.s.] in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerden c.s.] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 894,- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 6 december 2016 voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerden c.s.] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, M.G.W.M. Stienissen en A.J. Henzen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 november 2016.

griffier rolraadsheer