Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4969

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
11-11-2016
Zaaknummer
200.173.176_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden; huurverkoop woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.173.176/01

arrest van 8 november 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. L.A.P. van Haperen te Breda,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. R.A. Knopper te Helmond,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 25 augustus 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond onder zaaknummer C/04/115800 HA.ZA 12-152 gewezen vonnis van 1 april 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 25 augustus 2015 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 9 oktober 2015;

  • -

    de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 26 augustus 2016;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

7 De beoordeling

7.1.

De man heeft geen grieven gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten. Het hof zal van diezelfde feiten uitgaan en deze hierna opnieuw weergeven en aanvullen met hetgeen in hoger beroep verder is komen vast te staan.

7.2.

Het gaat in deze zaak om het volgende:

a. Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2008 te [plaats 3] met elkaar gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden.

b. Aan de akte houdende de huwelijkse voorwaarden is een overzicht van de aanbreng van partijen gehecht. Hierin staat vermeld dat de aanbreng van de man bij aanvang van het huwelijk bestaat uit een bedrag van € 120.000,-. De aanbreng van de vrouw bij aanvang van het huwelijk bestaat volgens die lijst uit een bedrag van € 191.000,-, een pand en ondergrond [straatnaam][huisnummers ] te [plaats 1] en pand en ondergrond [straatnaam 2][huisnummer] te [plaats 2] (laatstgenoemd pand hierna aan te halen als “de woning”).

c. De huwelijkse voorwaarden houden onder meer het volgende in:

“(…)

GEEN GEMEENSCHAP VAN GOEDEREN

Artikel l

De echtgenoten sluiten elke gemeenschap van goederen uit.

(…)

GEEN JAARLIJKSE VERREKEN1NG VAN INKOMEN

Artikel 5

De echtgenoten komen geen jaarlijkse verrekening van gespaard inkomen overeen,

VERREKENING BIJ OVERLIJDEN OF ECHTSCHEIDING

Artikel 6

1. Als het huwelijk eindigt (ongeacht of dit is door overlijden, echtscheiding of scheiding van tafel en bed) zal tussen de echtgenoten dan wel de langstlevende echtgenoot en de rechtverkrijgenden van de overleden echtgenoot worden afgerekend alsof de echtgenoten in wettelijke gemeenschap van goederen waren

gehuwd. Buiten de afrekening blijven echter:

  • -

    de goederen en schulden die ten huwelijk zijn aangebracht. Ook waardestijgingen en waardedalingen van deze goederen blijven buiten de verrekening, behoudens voor wat betreft de woning als hierna vermeld;

  • -

    wat door erfenis of schenking door de echtgenoten is verkregen (hieronder vallen ook het eventueel verschuldigde successie- en schenkingsrecht);

  • -

    lijfrentepolissen kapitaalverzekeringen en aanspraken op al of niet ingegaan pensioen;

  • -

    al hetgeen door zaaksvervanging voor de bovengenoemde goederen in de plaats is getreden.

2. binnen acht maanden na het overlijden of de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed wordt het vermogen van ieder van de echtgenoot beschreven.

3. De afrekening als in lid 1 bedoeld geschiedt naar de toestand en waarde in het economisch verkeer op de dag van overlijden dan wel de dag waarop het verzoekschrift tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingediend.

4. Het vermogen van ieder van de echtgenoten bestaat uit het saldo van zijn bezittingen en schulden. Indien verrekening plaats vindt ten gevolge van het overlijden vat een echtgenoot, moet het vermogen van de langstlevende echtgenoot worden vermeerderd met de te zijnen/haren laste komende en tijdens het huwelijk betaalde premies, als bedoeld in artikel 11. Aanspraken op al of niet ingegaan pensioen of andere oudedagsvoorzieningen worden niet in deze verrekening betrokken: hiervoor wordt verwezen naar

artikel 8.

5. De vaststelling van beide vermogens alsmede de bepaling van de waarde daarvan zullen geschieden in onderling overleg of bij gebreke daarvan door een of meer deskundigen als door de aard van de goederen wordt vereist, zulks ter beoordeling van na te melden kantonrechter. Die deskundigen dienen te worden

benoemd door de ter plaatse waar de goederen zich bevinden bevoegde kantonrechter op verzoek van de meest gerede partij. Bevinden de goederen zich in het buitenland dan vindt de benoeming plaats door de kantonrechter te Amsterdam. Het onderling overleg wordt als gestaakt beschouwd als niet binnen twee maanden na dagtekening van een aangetekende brief waarbij door de ene partij aan de andere partij om mededeling van hun inzichten dienaangaande is verzocht, overeenstemming is bereikt over de waarde.

6. De uitkering vindt plaats in geld binnen een jaar na het einde van het huwelijk, tenzij partijen anders overeenkomen of de eisen van redelijkheid en billijkheid anders meebrengen.

7. Wanneer afrekening plaatsvindt op grond van dit artikel, kan er geen verrekening meer worden gevorderd als bedoeld in artikel 4 (kosten van de huishouding).

VERDELING OPBRENGST/MEERWAARDE WONING

Artikel 7

1. het woonhuis met aangebouwde garages en praktijkruimten, tuin en verdere aanhorigheden staande en gelegen te [postcode] [plaats 2] , [straatnaam 2][huisnummer] , kadastraal bekend gemeente [plaats 3] sectie [sectieletter 1] nummer [sectienummer], groot eenenvijftig are (51 a); en

het perceel weiland en bos gelegen te [plaats 2] , plaatselijk bekend [straatnaam 2] , kadastraal bekend gemeente [plaats 3] sectie [sectieletter 1] nummer [sectieletter 2], groot een hectare, zevenennegentig are en twintig centiare (01 ha, 97 a en 20 ca);

zijn eigendom van de verschenen persoon sub 2 (hierna te noemen: de eigenaar). Deze verplicht zich, ter nakoming van een dringende verplichting van moraal en fatsoen, in de navolgende gevallen de (meer)waarde van de woning bij te verrekenen met de verschenen persoon sub 1 in de verhouding veertig procent (40%) voor de verschenen persoon sub 1 en zestig procent (60%) voor de verschenen persoon sub 2 (hierna te noemen: de gerechtigde), met inachtneming van het hierna bepaalde.

De gevallen waarin deze verrekenplicht bestaat, en de vordering direct opeisbaar wordt zijn:

  • -

    geheel of gedeeltelijke vervreemding van de woning (waaronder begrepen een vervreemding in economische zin of bezwaring met een beperkt genotsrecht anders dan een erfdienstbaarheid). In dit geval bestaat de verrekenplicht slechts voor zover vervreemding heeft plaatsgevonden;

  • -

    (…)

  • -

    het einde van het huwelijk anders dan door overlijden;

  • -

    (…)

2. De meerwaarde wordt vastgesteld als volgt:

a. bij verkoop: de verkoopprijs (gebaseerd op kosten koper) voorzover deze hoger is dan vijfhonderdzestigduizend euro (€ 560.000,.--) vermeerderd met de verbouwings- en verbeteringskosten welke niet gefinancierd zijn en verminderd met de op deze woning rustende (hypothecaire) geldlening(en) ter verwerving, verbetering of onderhoud van de woning en vermeerderd met de aan die financiering van de woning gekoppelde afkoopwaarde van de spaarpolis en/of beleggingspolis.

De verbouwings- en verbeteringskosten welke uit eigen middelen door (een van) de echtgenoten zijn voldaan, komen ten goede aan degene die deze heeft voldaan.

in alle andere gevallen dan verkoop: de waarde van de woning (te bepalen als hierna vernield) voorzover deze hoger is dan vijfhonderdzestigduizend euro (€ 560.000,--) vermeerderd met de verbouwings- en verbeteringskosten welke niet gefinancierd zijn en verminderd met de op deze woning rustende (hypothecaire) geldlening(en) ter verwerving, verbetering of onderhoud van de woningen vermeerderd met de aan die financiering van de woning gekoppelde afkoopwaarde van de spaarpolis en/of beleggingspolis. De verbouwings- en verbeteringskosten welke uit eigen middelen door (een

van) de echtgenoten zijn voldaan, komen ten goede aan degene die deze heeft voldaan.

Mocht er sprake zijn van een minderwaarde dan kan dit niet leiden tot een vordering van de eigenaar op de ander: in dat geval zal er geen verrekening plaatsvinden

3. De waarde van de woning wordt door partijen (dan wel hun rechtsopvolgers onder algemene titel) in onderling over]eg bepaald. Bij gebreke van overeenstemming zullen partijen in onderling overleg een taxateur benoemen, welke de waarde bindend zal vaststellen. Als ook over de benoeming van een taxateur geen overeenstemming wordt bereikt, zullen partijen ieder een eigen taxateur aanwijzen, welke gezamenlijk een derde taxateur aanwijzen. Deze laatste taxateur zal de waarde dan bindend vaststellen. De kosten van de te benoemen taxateur(s) komen ten laste van partijen, ieder voor de helft.

(…)

VERGOEDINGSRECHTEN

Artikel 9

Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot als een bedrag of waarde ten bate van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking, zonder vergoeding van rente, tenzij de echtgenoten anders overeenkomen. De vergoeding is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten of in deze huwelijkse voorwaarden voor bepaalde goederen anders is bepaald. De vergoeding draagt de wettelijke rente vanaf het moment dat de vergoedingsplichtige echtgenoot volgens de wet in gebreke is gesteld.

(…)”

d. Op 23 maart 2011 heeft de vrouw de woning voor een bedrag van € 955.000,- in de verkoop geplaatst. De vraagprijs is op 5 januari 2012 verlaagd naar € 599.000,-.

e. In opdracht van de man heeft een waardebepaling plaatsgevonden door Makelaardij [Makelaardij 1] B.V.. Deze makelaar heeft op 8 maart 2012 een waardeverklaring afgegeven tot een bedrag van € 770.000,- bij een onderhandse verkoop.

f. In opdracht van de vrouw heeft een waardebepaling plaatsgevonden door makelaarskantoor [makelaarskantoor 1] . [makelaar 1] heeft op 6 juni 2012 een waardeverklaring afgegeven van € 599.000,- kosten koper.

g. De vrouw heeft op 1 april 2012 met betrekking tot de woning een huurkoopovereenkomst gesloten onder de ontbindende voorwaarde van financiering van de vraagprijs van € 599.000,- tot uiterlijk 1 januari 2014 en een eigendomsoverdracht uiterlijk op 1 april 2014.

7.3.

De man heeft – voor zover thans van belang – in eerste aanleg in conventie gevorderd:

  1. te verklaren voor recht dat de vrouw jegens hem toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen (huwelijkse voorwaarden);

  2. te verklaren voor recht dat de vrouw jegens hem toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen (vennootschapscontract);

  3. te verklaren voor recht dat de vrouw jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld;

  4. te verklaren voor recht dat de vrouw aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden schade;

  5. de vrouw te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden c.q. te lijden schade als gevolg van de in de dagvaarding omschreven wanprestatie respectievelijk onrechtmatig handelen, deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  6. de vrouw te veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van € 1.785,- aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover ingaande op de dag van dagvaarding, althans vanaf de dag van het in deze te wijzen vonnis, tot aan de dag van volledige betaling;

  7. de vrouw te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis aan hem te betalen een voorschot ter grootte van € 100.000,- op de nader te bepalen schade aan zijn zijde;

  8. de vrouw te verplichten om hem binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis te informeren omtrent de koopovereenkomst met betrekking tot de woning, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat de vrouw na betekening van het te wijzen vonnis met betrekking tot de nakoming van deze verplichting in gebreke zal blijven, dit tot een maximaal te verbeuren dwangsom van € 100.000,-;

  9. de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding respectievelijk de dag van het te wijzen vonnis.

7.4.

De vrouw heeft verweer gevoerd.

7.5.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis, voor zover thans van belang, de vorderingen van de man afgewezen.

7.6.

De man kan zich (op onderdelen) met het beroepen vonnis niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

7.7.

De man heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. De man heeft na wijziging van eis geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor zover hij daartegen heeft gegriefd en gevorderd:

  1. te verklaren voor recht dat de vrouw jegens de man toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de contractuele verplichtingen voortvloeiende uit de tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden;

  2. te verklaren voor recht dat de vrouw jegens de man onrechtmatig heeft gehandeld in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden;

  3. te verklaren voor recht dat de vrouw jegens de man aansprakelijk is voor de door de man ingevolge het hiervoor onder a en b bepaalde geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  4. het te verrekenen vermogen vast te stellen en te bepalen dat het bedrag dat de man na verrekening van de vrouw zal hebben te ontvangen, en verder te bepalen op wat voor wijze de betaling zal dienen plaats te vinden, zulks met inachtneming van de wijziging van eis met betrekking tot de tussen partijen te realiseren verrekening als omschreven onder A tot en met D in de memorie van grieven;

  5. de vrouw te veroordelen om binnen veertien dagen na het door het hof te wijzen arrest aan de man met verificatoire bescheiden gestaafd opgave te doen van haar vermogen per datum huwelijk tot en met de datum van ontbinding van dat huwelijk, alsmede van de ontwikkelingen dienaangaande in de tussenliggende periode, een en ander middels het opleggen van een door het hof te bepalen dwangsom;

  6. de vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties.

Verkoop van de woning

7.8.

Grief 1 van de man keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat:

“het door de vrouw te koop zetten van de woning (in het per 1 april 2012 verhuurkopen van de woning) niet worden aangemerkt als een handelen in strijd met de huwelijkse voorwaarden. Uit de akte, meer in het bijzonder artikel 7, volgt dat de vrouw eigenaar van de woning is, alsmede dat vervreemding van de woning voor het einde van het huwelijk kan plaatsvinden en dat op dat moment een verrekenplicht ontstaat. Uit de voorwaarden volgt niet, en door de man wordt ook niet gesteld, dat gehele of gedeeltelijke vervreemding van de woning alleen in samenspraak of met instemming van de man kan plaatsvinden.”

Ter toelichting op zijn grief voert de man – kort samengevat – het volgende aan.

De rechtbank is volledig voorbij gegaan aan de onderliggende partijbedoeling van de in de huwelijkse voorwaarden opgenomen regeling met betrekking tot de verkoop van de woning. De bedoeling zoals die ten grondslag heeft gelegen aan het bepaalde in artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden is evident: ingeval van beëindiging van het huwelijk door echtscheiding zou aan ieder van partijen datgene worden uitgekeerd dat hij of zij in verband met de aankoop en verbouwing van de woning te [plaats 2] had ingebracht, te vermeerderen met een naar rato te bepalen aandeel in de overwaarde. Dit brengt met zich mee dat indien zich een dergelijke situatie zou voordoen, beide partijen in goed onderling overleg zouden moeten besluiten op welke wijze en tegen welke prijs de woning zou worden verkocht.

Het feit dat de woning formeel juridisch eigendom was van de vrouw betekent niet dat zij bij verkoop van de woning geen rekening behoefde te houden met de zienswijze/belangen van de man. De vrouw was als goed contractant gehouden om de woning te verkopen op een wijze en tegen een prijs die de instemming had van de man, ten minste op een wijze en tegen een prijs die in meer algemene zin als redelijk kon worden aangemerkt. De vrouw heeft deze verplichting geschonden, hetgeen geresulteerd heeft in een enorm nadeel (schade) aan de zijde van de man.

7.9.

De vrouw voert – kort samengevat – het volgende verweer. De vrouw bestrijdt dat de rechtbank volledig voorbij is gegaan aan de onderliggende partijbedoeling van de in de huwelijkse voorwaarden opgenomen regeling met betrekking tot de verkoop van de woning en daarmee geen recht heeft gedaan aan de redelijkheid en billijkheid. Immers niet bij verkoop, maar louter in alle andere gevallen dan verkoop diende de waarde van de woning in onderling overleg te worden bepaald. Zonder daartoe verplicht te zijn, heeft zij wel degelijk met de man overleg gepleegd ten aanzien van de verkoopprijs, zulks ook in samenspraak met de Makelaarsgroep [Makelaarsgroep] . Met medeweten van de man is door deze zelfde makelaar een verkoop bij inschrijving georganiseerd en is nadat daar geen enkele reactie op is gekomen, eveneens met medeweten van de man, in overleg met het makelaarskantoor een ondergrens gehanteerd van € 599.000,-. Na een lange tijd geen serieuze koper te hebben ervaren, is de huurverkoop besproken met de man als een verkoopmogelijkheid, teneinde gedwongen verkoop door de bank te voorkomen.

7.10.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat uit de akte huwelijkse voorwaarden niet volgt dat gehele of gedeeltelijke vervreemding van de woning alleen in samenspraak of met instemming van de man kan plaatsvinden. De man heeft voorts – tegenover de uitdrukkelijke betwisting door de vrouw – onvoldoende gesteld waaruit kan worden afgeleid dat partijen de bedoeling hebben gehad dat de vrouw slechts met toestemming van de man tot vervreemding van de woning kon overgaan. De enkele stelling van de man dat het de bedoeling van partijen was dat beide partijen hun inbreng zouden terug krijgen en zouden delen in een eventuele overwaarde is daartoe ontoereikend. Voor zover de man met zijn stelling heeft willen betogen dat de vrouw “als goed contractant” op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid gehouden was de woning slechts met toestemming van de man te verkopen, is deze grondslag ontoereikend om daaraan het rechtsgevolg te verbinden dat de vrouw de toestemming van de man nodig had. Derhalve faalt grief 1.

Toestemming verkoop woning

7.11.

Grief 2 van de man keert zich tegen het hiernavolgende oordeel van de rechtbank:

“Gesteld, noch gebleken is dat de woning op het moment van het te koop zetten nog als echtelijke woning in gebruik was. Voor de verkoop was derhalve geen toestemming van de man vereist.”

Ter toelichting op zijn grief voert de man – kort samengevat – het volgende aan.

Vaststaat dat de woning indertijd is aangekocht met de bedoeling om deze, na renovatie, als echtelijke woning te gaan betrekken, hetgeen medio 2010 ook daadwerkelijk is gebeurd. Op het moment dat de woning te koop werd aangeboden was de woning nog als echtelijke woning in gebruik. In het voorjaar van 2011 was de relatie van partijen nog zeker niet geëindigd, getuige onder andere het feit dat de vrouw de man tijdens zijn ziekenhuisopname met regelmaat heeft bezocht en in de periode na zijn ontslag uit het ziekenhuis nog met hem heeft samengewoond en hem incidenteel ook heeft verzorgd. Om reden waarvan op basis van het bepaalde in artikel 1:88 BW voor de verkoop van de woning de toestemming nodig was van de man, welke toestemming niet is gevraagd of verkregen, zeker niet voor de thans voorliggende constructie van huurkoop en tegen de onaanvaardbaar lage verkoopprijs.

7.12.

De vrouw voert hiertegen het volgende verweer. Noch uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden, noch uit hoofde van artikel 1:88 BW had de vrouw toestemming van de man nodig om tot huurverkoop van de woning over te gaan. Ten tijde van deze verkoop was de woning reeds niet meer in gebruik als echtelijke woning van partijen.

7.13.

Het hof overweegt als volgt.

De grief van de man faalt. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft de man desgevraagd verklaard dat de vrouw in april 2011 in [plaats 1] is gaan wonen, alsook dat hijzelf, na eind augustus 2011 uit het ziekenhuis te zijn ontslagen, tot aan zijn vertrek op 19 december 2011 bij de vrouw in [plaats 1] heeft gewoond. Daaruit leidt het hof af dat op het moment dat de vrouw ter zake van de woning in [plaats 2] in april 2012 de huurverkoopovereenkomst sloot, deze woning reeds niet meer in gebruik was als echtelijke woning. Derhalve was daarvoor toestemming van de man in de zin van artikel 1:88 lid 1 sub a BW niet vereist. Ook op grond van lid 1 sub d van artikel 1:88 BW is – anders dan de man heeft betoogd – toestemming van de man niet vereist, reeds omdat het hier gaat om huurverkoop en niet om huurkoop van de woning.

Berekening meerwaarde woning

7.14.

Grief 3 van de man keert zich tegen het hiernavolgende oordeel van de rechtbank:

“De in artikel 7 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden beschreven wijze van waardebepaling, te weten in onderling overleg, dan wel door een taxateur, mist, anders dan de man betoogt, toepassing in het geval van verkoop van de woning. Dan geldt immers de verkoopprijs als uitgangspunt voor de berekening van de meerwaarde. Zoals in artikel 7 lid 2 onder b van de huwelijkse voorwaarden is bepaald, is die wijze van waardebepaling bedoeld voor het vaststellen van de meerwaarde in alle andere gevallen dan verkoop.”

Ter toelichting op zijn grief voert de man – samengevat – het volgende aan.

Het is evident dat partijen indertijd bij het vormgeven van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden niet stil hebben gestaan bij de mogelijkheid van huurverkoop. Derhalve is de opmerking van de rechtbank dat in onderhavige situatie de verkoopprijs als uitgangspunt voor de berekening van de meerwaarde te kort door de bocht. De constructie van huurverkoop kan niet worden aangemerkt als een vorm van reguliere verkoop, zodat zich een situatie voordoet als omschreven in artikel 7 lid 2 sub b van de huwelijkse voorwaarden. In deze situatie dient de waarde van de woning te worden vastgesteld door partijen in onderling overleg, dan wel middels een taxateur.

7.15.

De vrouw voert hiertegen verweer. Van bevoordeling aan de zijde van de vrouw is volstrekt geen sprake. De vrouw houdt niets over en wordt derhalve niet bevoordeeld ten koste van de man.

7.16.

Het hof overweegt als volgt.

Partijen zijn het oneens over de uitleg van de bepaling over de vaststelling van de meerwaarde van de woning. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad komt het ook bij de uitleg van huwelijkse voorwaarden aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-criterium).

Anders dan de man betoogt, is het hof van oordeel dat partijen over en weer aan artikel 7 lid 2 onder a en b van de huwelijkse voorwaarden in onderling verband bezien redelijkerwijs de betekenis moesten toekennen dat ook in geval van huurverkoop – hetgeen een species is van koop – het bepaalde in artikel 7 lid 2 sub a van de huwelijkse voorwaarden voor de vaststelling van de meerwaarde van de woning als uitgangspunt zou gelden. Evenals in het geval van verkoop, ligt aan huurverkoop een (huur)koopovereenkomst ten grondslag en is er sprake van een (weliswaar uitgestelde) levering. Anders dan de man betoogt vormt het feit dat sprake is van huurverkoop dan ook geen aanleiding om aansluiting te zoeken bij artikel 7 lid 2 sub b van de huwelijkse voorwaarden. Grief 3 van de man faalt.

Hoogte verkoopprijs woning

7.17.

Grief 4 van de man keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de man niet heeft onderbouwd dat de vrouw de woning voor een te lage prijs heeft verkocht en dat niet is gebleken dat dat de vrouw jegens de man onrechtmatig heeft gehandeld door de woning voor de prijs van € 599.000,- te huurverkopen. Ter toelichting op zijn grief voert hij – samengevat – het volgende aan.

Uitgaande van de eigen stellingen van de vrouw is zij naar haar zeggen akkoord gegaan met een vraagprijs van € 599.000,-, waar de oorspronkelijke koopsom € 560.000,- bedroeg te vermeerderen met € 485.144,- aan verbouwingskosten, zijnde een totaal aan investeringen ten bedrage van € 1.045.144,-. Gelet op de omvang van het in totaal geïnvesteerd vermogen is een niet verplichte verlaging van de oorspronkelijke, tussen partijen overeengekomen, vraagprijs van € 955.000,- tot een bedrag van € 599.000,-, eenzijdig en binnen tien maanden, niet uit te leggen en onaanvaardbaar. Waardeverklaringen en taxatierapporten van verschillende NVM- en VBO-makelaars/taxateurs leveren bovendien het navolgende resultaat op:

- [Makelaardij 1] Makelaardij, NVM-makelaar: taxatie d.d. 7 maart 2012 ten bedrage

van € 770.000,-;

- [taxateur] , RMT, registermakelaar/taxateur: taxatie d.d. 17 juni 2013 ten bedrage van

€ 791.600,-;

  • -

    de heer [makelaar 2] , NVM-makelaar: taxatie d.d. 29 mei 2013 ten bedrage van € 809.100,-, gecorrigeerd met een door de man bestreden correctie ten bedrage van € 30.000,- tot een bedrag ad € 779.100,-, vervolgens gecorrigeerd met een door de man opnieuw bestreden correctie met 30% tot € 545.000,-;

  • -

    reactie op het taxatierapport van de heer [makelaar 2] van de heer [makelaar 3] , NVM-makelaar te Breda ( [makelaarskantoor 2] ) d.d. 28 juni 2013, meer in het bijzonder gericht tegen de onjuiste correcties door de heer [makelaar 2] van zijn oorspronkelijke taxatie ad € 809.100,-.

Anders dan de rechtbank doet voorkomen, is het voorts niet juist dat op basis van de oorspronkelijke vraagprijs niemand interesse in de woning heeft getoond. In die betreffende periode hebben verschillende personen het pand bezichtigd en heeft zelfs één bezoeker zich als een serieuze gegadigde aangediend. In het licht van het vorenstaande is de opmerking van de rechtbank dat onder de gegeven omstandigheden van de vrouw in redelijkheid niet kon worden verlangd dat zij moest vasthouden aan een vraagprijs die gelet op de marktomstandigheden niet zou leiden tot enige interesse bij potentiële kopers, onbegrijpelijk.

7.18.

De vrouw voert hiertegen verweer. Zij bestrijdt dat zij geheel naar eigen inzicht en binnen een tijdsbestek van tien maanden onverplicht akkoord is gegaan met de verlaging van de verkoopprijs tot € 599.000,-. De vrouw heeft dit gedaan in overleg met de haar adviserende makelaar [makelaar 1] , die met het pand al de nodige ervaring achter de rug heeft en zelfs op openbare inschrijvingen geen enkel resultaat heeft geboekt. Daarnaast is de onverplichtheid relatief bij de wetenschap dat de bank meerdere malen heeft gedreigd tot een gedwongen of openbare verkoop over te gaan. Voor de woning bestond geen interesse, ook niet uitgaande van een minimum inschrijving van € 599.000,-.

7.19.

Het hof overweegt als volgt.

Terecht en op goede gronden die het hof na eigen beoordeling overneemt en tot de zijne maakt, heeft de rechtbank geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat de vrouw onrechtmatig jegens de man heeft gehandeld door de woning voor de prijs van € 599.000,- te huurverkopen. Het hof overweegt voorts het volgende.

Ter bepaling van de onderhandse verkoopwaarde van de woning tegen de datum van 1 april 2012, zijnde de datum waarop de woning huurverkocht is, heeft de rechtbank bij vonnis van 13 maart 2013 de heer [makelaar 2] van [Makelaardij 2] B.V. te [plaats 4] benoemd tot deskundige (hierna: [makelaar 2] ).

Blijkens het taxatierapport d.d. 29 mei 2013, heeft [makelaar 2] , na toepassing van een correctie van 30%, de vrije verkoopwaarde van de woning getaxeerd op € 545.000,-. Ter toelichting op de door hem toegepaste correctie, heeft [makelaar 2] in het taxatierapport nog het volgende opgemerkt:

“Het getaxeerde object ligt in het buitengebied van [plaats 3] / [plaats 2] tussen al dan niet praktiserende landbouw / veeteelt bedrijven. Als woonruimte is het pand moeilijk te verkopen (minder courant), vanwege de grootte van het pand + bijgebouw, tuin en ligging. Andere bestemmingsmogelijkheden zijn beperkt waardoor de doelgroep voor dit object bijzonder klein is. Tevens is rekening gehouden met de prijsdalingen vanaf begin crisis tot en met april 2012. Bovenstaande factoren hebben geleid tot een afschrijving van 30%.”

Het voorgaande, in samenhang bezien met het gegeven dat de woning meer dan een jaar te koop heeft gestaan (na aanvankelijk eerst voor een bedrag van € 955.000,- in de verkoop te zijn geplaatst en een openbare inschrijving waaraan geen vraagprijs was verbonden geen inschrijvingen had opgeleverd), alsmede gelet ook op de door de vrouw gestelde en door de man niet weersproken WOZ-waarde ad € 558.000,- per 1 januari 2012, maakt dat ook het hof van oordeel is dat niet kan worden vastgesteld dat de vrouw onrechtmatig jegens de man heeft gehandeld door de woning voor de prijs van € 599.000,- te huurverkopen. Hetgeen de man voor het overige heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Derhalve faalt ook grief 4 van de man.

Vorderingen

A. Verrekening opbrengst/meerwaarde woning

7.20.

De man vordert verrekening ingevolge artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden.

Uitgaande van een bedrag van € 770.000,-, alsmede rekening houdende met het gedeelte van de hypotheek dat aan de woning kan worden toegerekend, zijnde een bedrag van € 915.000,-, te verminderen met een bedrag van € 113.445,- (dat alleen aan de woning te [plaats 1] moet worden toegerekend), resteert een bedrag van € 801.555,-, te verdelen pro rata over de beide woningen te [plaats 2] en [plaats 1] , des dat gerelateerd aan de waarde van de woning te [plaats 2] (€ 770.000,-) en de waarde van de woning te [plaats 1] (€ 600.000,-) 56% van de totale hypotheekschuld ad € 801.555,- aan de woning te [plaats 2] moet worden toegerekend, resulterende in een hypothecaire renteverplichting ten laste van de woning te [plaats 2] ten bedrage van € 448,.870,-, afgerond € 450.000,-. Uitgaande van een waarde van de woning van € 770.000,- is in deze situatie een overwaarde gerealiseerd van € 320.000,-. Van deze overwaarde dient een bedrag van € 120.000,- aan de man te worden uitgekeerd. Rekening houdende met het bedrag dat aan de vrouw toekomt ad € 151.000,-, komt van het dan nog resterende bedrag 40% aan de man toe, zijnde een bedrag van € 3.600,-.

7.21.

De vrouw voert hiertegen verweer. Een verrekening op basis van een verkoopprijs van € 770.000,- dient te worden afgewezen, eenvoudigweg omdat de huurverkoopprijs € 599.000,- bedraagt en voor dit hogere bedrag geen overtuigende basis is. De eigen middelen van de man bedroegen geen € 120.000,- . Weliswaar is dit bedrag vermeld in de staat van aanbrengsten van de huwelijkse voorwaarden, maar daarvan is slechts een bedrag aangewend door de man van € 50.840,- tegenover een bedrag van € 245.988,- door de vrouw. Nadrukkelijk wordt betwist dat de waarde van de woning te [plaats 1] 56% van de totale hypotheekschuld bedraagt. Dit is geen uitgangspunt bij de wetenschap dat dit pand slechts voor € 113.445,- is belast aangaande de gedane investeringen ter zake van de woning te [plaats 2] . De woning te [plaats 1] heeft niets met de verrekening van doen.

7.22.

Het hof overweegt als volgt.

Bij gelegenheid van het pleidooi heeft de advocaat van de man erkend dat uitgaande van de verkoopprijs van € 599.000,- er sprake is van een minderwaarde. Gelet op het bepaalde in artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden waaruit (onder meer) volgt dat mocht er sprake zijn van een minderwaarde er tussen partijen geen verrekening van de woning zal plaatsvinden, in samenhang met hetgeen het hof hiervóór heeft overwogen, leidt dit tot de conclusie dat er ter zake van de woning tussen partijen niets te verrekenen valt.

B. Vergoedingsrechten

7.23.

De man vordert ingevolge artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden een bedrag van € 50.000,- van de vrouw. Ter toelichting voert de man aan dat door hem op 11 september 2009 de opbrengst van de verkoop van de Rabo-obligaties ten bedrage van € 50.000,- gestort is op de spaarrekening met nummer 3491.301.955 van de vrouw. Verwezen wordt naar productie 25 behorende bij de conclusie na deskundigenrapport van 13 november 2013, waarin deze mutatie is terug te vinden. Productie 25 bestaat in totaal uit zes pagina’s. De eerste twee pagina’s hebben betrekking op de hiervoor vermelde mutatie, terwijl op de laatste bladzijde is te zien dat van de gemeenschappelijke rekening met nummer [rekeningnummer] een bedrag ad € 4.000,- en een bedrag ad € 1.100,- van deze gemeenschappelijke rekening naar de rekening van de vrouw is overgeboekt. Het betreft hier een onttrekking aan het gemeenschappelijk vermogen van partijen, waartoe de man tot de helft is gerechtigd. Bijgevolg heeft de man een vordering op de vrouw van € 2.550,-.

7.24.

De vrouw voert hiertegen verweer. Het door de man genoemde bedrag van € 50.480,-, alsmede de bedragen van € 4.000,- en € 1.100,- zijn niet aan het vermogen van de man onttrokken, maar behoren te worden toegerekend aan de verbouwings- en verbeteringskosten, die niet gefinancierd zijn.

7.25.

Het hof overweegt als volgt.

Uit artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden blijkt dat een echtgenoot een vergoedingsrecht heeft jegens de andere echtgenoot als een bedrag of waarde ten bate van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking, zonder vergoeding van rente, tenzij de echtgenoten anders overeenkomen.

Het hof constateert dat de vrouw bij gelegenheid van pleidooi heeft gesteld dat de man een bijdrage ten behoeve van de woning heeft geleverd ter waarde van € 50.480,-. Nu de man dienaangaande niet meer dan een bedrag van € 50.000,- heeft gevorderd, zal het hof dit laatstgenoemde bedrag toewijzen.

Ter zake van het door de man gevorderde bedrag van € 2.250,-, heeft de man tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw, niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat dit bedrag ten bate van de vrouw aan zijn vermogen is onttrokken. Derhalve zal het hof deze vordering in zoverre afwijzen.

C. De afrekening van de gezamenlijke onderneming

7.26.

De man vordert een bedrag van € 49.331,- van de vrouw nu zij degene is die vanaf 1 januari 2012 het tot de VOF behorend bedrijf, [bedrijf] geheten, als eenmanszaak heeft voortgezet en beschikt over het volledige ondernemingsvermogen.

7.27.

De vrouw voert hiertegen verweer.

7.28.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de man ad € 49.331,- moet worden afgewezen nu hij dienaangaande niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. De man heeft zijn vordering niet inzichtelijk gemaakt, waardoor hij het hof niet in staat heeft gesteld deze vordering te beoordelen.

D. Huurinkomsten

7.29.

De man vordert op basis van een redelijke uitleg van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden de helft van het door de vrouw vanaf 1 april 2012 tot en met december 2015 netto ontvangen bedrag, dat wil zeggen de helft van het bedrag dat resteert door het bedrag ad € 135.000,- (de door de vrouw ontvangen huurinkomsten) te verminderen met het gedeelte van de totale hypothecaire rentelasten die kunnen worden toegerekend aan de woning te [plaats 2] , zijnde 56% van de totale hypothecaire rentelasten met betrekking tot de woningen te [plaats 1] en [plaats 2] ten bedrage van afgerond € 180.000,-, berekend over de periode 1 april 2012 tot en met december 2015, resulterende in een te verrekenen bedrag aan hypothecaire rentebetalingen van afgerond € 100.000,-, waarna per saldo een bedrag van € 35.000,- overblijft, dat gelijkelijk tussen partijen moet worden verdeeld. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de aanspraken van de man met betrekking tot de door de vrouw nog te ontvangen huurinkomsten berekend vanaf 1 januari 2016 op gelijke wijze als hiervoor omschreven, een en ander tot het moment dat de juridische eigendom van de betreffende woning formeel zal zijn overgegaan in de handen van de huurkopers, dan wel de betreffende overeenkomst van huurverkoop op andere wijze zal zijn beëindigd.

7.30.

De vrouw voert hiertegen verweer. Van bevoordeling van de vrouw is volstrekt geen sprake bij de huurverkoop, getuige de als productie 4 overgelegde maandelijkse verplichtingen tot betaling van rente en aflossing van de hypothecaire lening van € 800.000,- als financiering van de aankoop, verbouwing en andere kosten van de woning te [plaats 2] . Deze gelden komen derhalve reeds aan beide partijen ten goede, ervan uitgaande dat beide partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gesloten leningen.

7.31.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof wijst de vordering van de man af. Anders dan de man, ziet het hof niet in op welke rechtsgrond de man een aanspraak zou kunnen ontlenen op de door de vrouw ontvangen huurinkomsten. De vrouw is immers enig eigenaar van de woning. Gesteld noch gebleken is bovendien dat de man heeft bijgedragen aan de voldoening van hypotheekrente en/of aflossing van de hypotheek.

E. Verrekening bij echtscheiding

7.32.

De man vordert van de vrouw dat zij met verificatoire bescheiden gestaafd opgave zal doen van haar vermogen per datum huwelijk tot en met de datum van ontbinding daarvan, alsmede van de ontwikkelingen dienaangaande in de tussenliggende periode. De vrouw is gehouden om haar vermogenspositie te duiden middels IB-opgaves, informatie omtrent de diverse spaarrekeningen en andere vermogensbestanddelen.

Ter toelichting voert de man aan dat in de huwelijkse voorwaarden nadrukkelijk is bepaald dat in geval van echtscheiding tussen de man en de vrouw zal worden afgerekend alsof zij in wettelijke gemeenschap van goederen waren gehuwd. Een en ander impliceert dat in het kader van deze verrekening/afrekening moet worden uitgegaan van een situatie dat alles gemeenschappelijk eigendom is, behoudens de concreet aangegeven uitzonderingen. Dit betekent dat een nauwkeurige opgave van het vermogen, zowel de omvang daarvan als ontwikkelingen dienaangaande, vanaf de datum van het huwelijk tot het moment van ontbinding essentieel is.

7.33.

De vrouw voert hiertegen verweer. Een nauwkeurige opgave van het vermogen dat ter verdeling staat alsof partijen in wettelijke gemeenschap van goederen waren gehuwd, geldt voor beide partijen. De in dat kader door de man gestelde weigerachtige houding van de vrouw om openheid van zaken te geven, is ruimschoots achterhaald bij de wetenschap dat de vrouw tot tweemaal toe middels haar huidige echtgenoot de man en zijn administrateur heeft uitgenodigd de volledige administratie/boekhouding te onderzoeken, het welk na aanvankelijke weigering van de man ook is gebeurd. Daarbij dient te worden volstaan met een opgave van haar vermogen, als ook dat van de man per datum echtscheiding, dan wel datum indiening echtscheidingsverzoek. Voor het meerdere in dat kader bestaat geen enkele rechtsgrond.

7.34.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt vast dat óók de man heeft nagelaten een opgave van zijn vermogen in het geding te brengen. Om die reden alleen al, zal het hof onderhavige vordering van de man afwijzen.

Proceskosten

7.35.

Het hof zal de proceskosten van dit hoger beroep met toepassing van artikel 237 jo. 353 Rv tussen partijen compenseren, aldus dat elke partij de eigen kosten dient te dragen.

8 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt voormeld vonnis voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

veroordeelt conform rov. 7.25 de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 50.000,-;

verklaart dit arrest voor wat betreft voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van dit hoger beroep tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M .J. van Laarhoven, P.P. M . van Reijsen en A.E. van Solinge en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 november 2016.

griffier rolraadsheer