Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4920

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-11-2016
Datum publicatie
07-11-2016
Zaaknummer
200.171.275_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 3 november 2016

Zaaknummer: 200.171.275/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/276061/FA RK 14-369

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te

[woonplaats 1] , Spanje,

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel

,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. P.W.J.C. van Peer, voorheen mr. B.J. Visser,

tegen

[verweerster] ,

wonende te

[woonplaats 2] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel

,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.J.H.E. Jeurissen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 maart 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 juni 2015, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    te bepalen dat het vonnis van het gerechtshof Barcelona d.d. 3 april 2012 wordt gewijzigd in die zin dat de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna nader te noemen minderjarigen met ingang van de datum van echtscheiding, althans een nader te bepalen datum, nader wordt vastgesteld op nihil, althans op een lager dan het thans geldende bedrag;

  • -

    voor zover de ingangsdatum van de wijziging niet gelijkgesteld wordt aan de datum van echtscheiding, te bepalen dat zijn alimentatieverplichting tot de datum van nihilstelling wordt gelijkgesteld aan hetgeen hij tot die datum daadwerkelijk heeft betaald;

  • -

    de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van het thans door de man onverschuldigd betaalde bedrag aan alimentatie;

  • -

    de vrouw te veroordelen haar financiële informatie over de afgelopen jaren inclusief de huwelijkse periode te overleggen, alsmede aan de man zijn volledige administratie met betrekking tot dezelfde periode terug te bezorgen;

  • -

    de vrouw te veroordelen in de proceskosten van deze procedure.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 juli 2015, heeft de vrouw verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel hem zijn grieven te ontzeggen als onjuist en/of onbewezen.

Tevens heeft de vrouw hierbij incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen op de navolgende punten en opnieuw rechtdoende:

I. de man te gijzelen tot het moment dat hij aan zijn gehele betalingsverplichting aan haar heeft voldaan;

II. de man te bevelen de in punt 37 van het in eerste aanleg door haar op 18 maart 2014 ingediende verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, genoemde (financiële) stukken in de deze procedure over te leggen dan wel de man te bevelen haar een afschrift van de in punt 37 genoemde (financiële) stukken te doen toekomen;

III. de man te veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg alsmede in de kosten van de onderhavige procedure.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 4 september 2015, heeft de man verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidenteel appel dan wel haar dit te ontzeggen.

2.3.

De eerste mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 februari 2016, waarbij het hof anders was samengesteld dan ter zitting van 20 september 2016.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. Van Peer, waarnemend voor mr. Visser;

- mr. Jeurissen.

Bij die mondelinge behandeling heeft het hof wegens het ontbreken van het procesdossier in eerste aanleg uitsluitend de ontvankelijkheid van het ingestelde appel aan de orde gesteld, hetgeen partijen op voorhand was medegedeeld.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.4.

Naar aanleiding van bij het hof ingekomen faxberichten van de man van respectievelijk 2, 5 en 18 februari en 6 en 24 maart 2016 heeft het hof de man in de gelegenheid gesteld het procesdossier in eerste aanleg alsnog over te leggen.

2.5.

De tweede mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 september 2016.

Bij die gelegenheid zijn gehoord: de man, bijgestaan door mr. Van Peer en de vrouw, bijgestaan door mr. Jeurissen.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het faxbericht van de man d.d. 24 maart 2016;

  • -

    het V8-formulier met bijlage van de advocaat van de vrouw d.d. 6 april 2016;

  • -

    de brief met daarbij gevoegd het procesdossier in eerste aanleg van mr. Visser d.d. 24 mei 2016;

  • -

    het faxbericht met bijlagen van de man d.d. 24 mei 2016;

  • -

    het V2-stelbericht van mr. Van Peer d.d. 11 juli 2016;

  • -

    het faxbericht van de man d.d. 13 augustus 2016;

  • -

    e-mailberichten van de man aan het hof d.d. 20 augustus 2016 en 5 september 2016;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 8 september 2016;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de man d.d. 16 september 2016;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van vrouw d.d. 19 september 2016;

  • -

    het faxbericht van de man d.d. 18 september 2016.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2000 gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [kind 1] , op [geboortedatum 1] 2002 te [woonplaats 1] , Spanje;

- [kind 2] , op [geboortedatum 2] 2004 te [woonplaats 1] , Spanje.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

De man woont in Spanje, de vrouw en de kinderen wonen in Nederland.

3.2.

Bij vonnis van 30 april 2009 heeft de Juzgado de Violencia sobre la Mujer no. 3 de Barcelona (Rechtbank voor Geweldsmisdrijven tegen vrouwen nr. 3 van Barcelona ) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Bij dit vonnis heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen moet voldoen een bedrag van € 400,- per kind per maand.

3.3.

Bij vonnis van 3 april 2012 heeft het Audiencia Provincial de Barcelona (Provinciaal gerechtshof Barcelona ) voormelde uitspraak, voor zover thans van belang, gewijzigd in die zin dat vanaf de datum van het vonnis de maandelijkse alimentatie € 600,- per kind per maand bedraagt.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant de verzoeken van de man de kinderalimentatie te wijzigen en de vrouw te veroordelen haar financiële informatie over de afgelopen jaren inclusief de huwelijkse periode over te leggen, alsmede de volledige administratie van de man met betrekking tot dezelfde periode terug te bezorgen, afgewezen.

Tevens heeft de rechtbank de verzoeken van de vrouw, strekkende tot gijzeling van de man tot het moment dat hij aan zijn gehele betalingsverplichting aan haar heeft voldaan, overlegging door de man van (een afschrift van) de door haar genoemde (financiële) stukken en veroordeling van de man in de kosten van het geding, afgewezen.

3.5.

Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De grieven van de man betreffen – zakelijk weergegeven – :

- de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de door het gerechtshof Barcelona in voornoemde beschikking van 3 april 2012 in aanmerking genomen gegevens (grief 1);

- het oordeel van de rechtbank dat zijn verzoeken inzake de teruggave van zijn financiële informatie en overlegging van financiële bescheiden door de vrouw te onbepaald en niet, dan wel onvoldoende gespecificeerd zijn (grief 2).

De grieven van de vrouw betreffen − zakelijk weergegeven − :

- de overweging van de rechtbank dat slechts beoordeling behoeft of het inkomen van de man thans onvoldoende draagkracht oplevert om de vastgestelde bijdrage te kunnen blijven voldoen (grief 1);

- de overweging van de rechtbank dat de vrouw geen belang (meer) heeft bij haar verzoek tot overlegging van bescheiden ex artikel 21 jo. 22 Rv c.q. artikel 843a Rv (grief 2);

- de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de door haar verzochte toepassing van lijfsdwang (grief 3);

- de overweging van de rechtbank met betrekking tot de betalingsachterstand (grief 4);

- de proceskosten (grief 5).

Wijziging kinderalimentatie

3.7.

Ingevolge artikel 3 sub b van de Alimentatieverordening (nr.4/2009 van de Raad van de Europese Unie van 18 december 2008) is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van het verzoek van de man tot wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

Op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 (Haags Alimentatieprotocol 2007) is Nederlands recht van toepassing op het wijzigingsverzoek van de man.

Ingevolge artikel 17 van de Alimentatieverordening wordt hetgeen in voornoemd vonnis van het Spaanse gerechtshof d.d. 3 april 2012 inzake de kinderbijdrage is vastgesteld in Nederland erkend.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de bij voornoemd vonnis van het gerechtshof Barcelona d.d. 3 april 2012 vastgestelde kinderalimentatie door de Nederlandse rechter kan worden gewijzigd, indien daartoe naar Nederlands recht aanleiding is.

3.8.

De man legt aan zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie ten grondslag dat het gerechtshof Barcelona in voornoemd vonnis van 3 april 2012 is uitgegaan van onjuiste c.q. verouderde financiële gegevens van zijn kant.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.9.

Het hof overweegt als volgt.

3.10.

Ingevolge artikel 1:401 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

3.11.

De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof terecht en op goede gronden, die het hof na eigen onderzoek en waardering overneemt en tot de zijne maakt, het verzoek van de man tot wijziging van het vonnis van het gerechtshof Barcelona van 3 april 2012 afgewezen. In hoger beroep zijn zijdens de man geen nadere feiten en/of omstandigheden gesteld, dan wel stukken overgelegd, op grond waarvan het hof tot een ander oordeel komt.

Blijkens de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting betoogt de man in hoger beroep – voorts – dat hij zich (materieel) niet vertegenwoordigd acht door mr. Van Peer alsmede dat het dossier onvolledig is.

Bij het op 11 juli 2016 bij het hof ingediend V2-formulier heeft mr. Van Peer zich gesteld als advocaat van de man. Ter zitting van het hof is door mr. van Peer bevestigd dat hij als advocaat van de man optreedt. Gelet hierop gaat het hof ervan uit dat de man in de onderhavige zaak door mr. Van Peer wordt vertegenwoordigd.

Voor zover de man heeft gesteld dat er in het dossier stukken ontbreken, heeft het hof zulks niet kunnen vaststellen, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de man tot wijziging van het vonnis van het gerechtshof Barcelona van 3 april 2012 afwijzen.

Dit brengt met zich dat de verzoeken van de man aangaande de ingangsdatum van de wijziging, de terugbetaling van de onverschuldigd betaalde alimentatie en het in het geding brengen van de financiële bescheiden van de vrouw geen nadere bespreking behoeven.

Het hof zal deze verzoeken afwijzen.

Het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen zijn volledige administratie over de afgelopen jaren inclusief de huwelijkse periode over te leggen, zal het hof eveneens afwijzen, nu het hof van oordeel is dat, mede gelet op het verweer van de vrouw daaromtrent, de man niet, althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw in het bezit is van de administratie van de man.

3.12.

Nu het hof het wijzigingsverzoek van de man afwijst, behoeven de grieven van de vrouw met betrekking tot de overwegingen van de rechtbank aangaande dit verzoek (grieven 1 en 2), bij gebrek aan belang, geen nadere bespreking. Het hof zal het verzoek van de vrouw de man te bevelen financiële stukken in het geding te brengen, afwijzen.

Betalingsachterstand; lijfsdwang

3.13.

De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw enkel gesteld heeft dat er sprake is van een betalingsachterstand, maar dat zij heeft nagelaten de hoogte van de achterstand te stellen en zo nodig te onderbouwen. Voorts stelt zij dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek tot toepassing van lijfsdwang heeft afgewezen.

De man betwist dat er sprake is van een betalingsachterstand.

Bij beschikking van 12 augustus 2016 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam aan de vrouw verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag op onroerend goed van de man in Nederland.

3.14.

Het hof overweegt als volgt.

3.15.

Artikel 587 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat de rechter – voor zover thans van belang – een beschikking slechts uitvoerbaar bij lijfsdwang verklaart, indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt.

3.16.

In aanmerking genomen het recent aan de vrouw verleende verlof tot het leggen van conservatoir beslag, is het hof van oordeel dat thans (nog) niet vaststaat dat dit dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden, gesteld al dat er een betalingsachterstand is, hetgeen de vrouw stelt en de man nadrukkelijk betwist. Het hof zal het verzoek van de vrouw tot toepassing van lijfsdwang derhalve afwijzen.

Ten overvloede overweegt het hof dat hetgeen de man overigens zou willen en kunnen aantonen ter staving van de door hem gestelde betalingen, niet in deze procedure van belang is, maar thuishoort in een dagvaardingsprocedure, zo nodig een kort geding, waarin de man een zogenoemd executiegeschil aanhangig maakt. In de onderhavige verzoekschriftprocedure zou het hof het namens de vrouw gelegde beslag niet kunnen opheffen, indien en voor zover de man dit al zou hebben verzocht.

Proceskosten

3.17.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel dat de proceskosten in zaken als de onderhavige in beide instanties worden gecompenseerd.

3.18.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda , van 10 maart 2015;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, M.C. Bijleveld-van der Slikke en H.J. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2016.