Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:486

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
200.161.526_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Bevoegdheid Nederlandse rechter. Artikel 31 CMR. Stilzwijgende forumkeuze. Toepasselijkheid artikel 110 lid 1 tweede zin Rv. Relatieve bevoegdheid op grond van artikel 630 Rv.

Wetsverwijzingen
Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) 31
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 110
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 630
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2016/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.161.526/01

arrest van 16 februari 2016

in de zaak van

Transcargo B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als: Transcargo,

advocaat: mr. S.L. Emons te Maastricht,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht Transinter S.A.S.,

gevestigd te [vestigingsplaats] , Frankrijk,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als: Transinter,

advocaat: mr. P.A.J. Raaijmaakers te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 9 oktober 2014 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond gewezen vonnis van 9 juli 2014 tussen Transcargo als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en Transinter als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 375802 \ EJ VERZ 10-1637)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel appel.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Transcargo is een expediteur. Op 18 oktober 2012 heeft zij, in opdracht en voor rekening van een klant in [plaats] , Transinter in [vestigingsplaats] , Frankrijk, een lading van 180 lege metalen rekken in ontvangst laten nemen voor vervoer over de weg van [vestigingsplaats] naar [plaats] .

3.1.2.

In België is de vrachtwagen van Transinter staande gehouden door de politie en heeft de chauffeur wegens overbelading een boete gekregen van € 1.995,--. De chauffeur is vervolgens teruggekeerd naar [plaats] , Frankrijk.

3.1.3.

Transinter heeft vervolgens aan Transcargo te kennen gegeven slechts bereid te zijn de lading naar [plaats] te brengen wanneer Transcargo zou instaan voor de boete voor de overbelading en zij de kosten voor de terugkeer naar [plaats] , de kosten voor het transport van [plaats] naar [plaats] , de kosten voor wachttijd en de kosten voor de opslag van (een gedeelte van) de lading zou betalen. Transcargo heeft dat geweigerd, waarna Transinter een beroep heeft gedaan op haar retentierecht. Transcargo heeft Transinter daarop schriftelijk aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijdt door de handelwijze van Transinter.

3.2.

Op grond van de stelling dat Transinter ten onrechte een retentierecht uitoefent op de lading, heeft Transcargo in de inleidende dagvaarding van 26 maart 2013 de veroordeling gevorderd van Transinter om:

- op straffe van verbeurte van een dwangsom de lading vrij te geven;

- aan haar de gemaakte buitengerechtelijke kosten ad € 6.705.05 met de wettelijke rente te betalen.

3.3.

Transinter heeft verweer gevoerd tegen de vordering en heeft in reconventie de veroordeling gevorderd van Transcargo tot betaling aan haar van een bedrag van € 3.295,--, althans van een door de kantonrechter te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.4.

Transcargo heeft verweer gevoerd tegen de vordering in reconventie.

3.5.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard om van de vordering kennis te nemen. Hij heeft daartoe onder meer overwogen dat ingevolge de EEX-Verordening in beginsel het gerecht van de woonplaats van Transinter bevoegd is, dat een alternatieve bevoegdheid op grond van de algemene voorwaarden van Transcargo niet vast staat en dat voor zover het verweer van Transinter niet zonder meer zou zien op de bevoegdheid van de kantonrechter, uit artikel 108 Rv volgt dat de kantonrechter gehouden is zijn (relatieve) bevoegdheid ambtshalve te toetsen.

De proceskosten zijn gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.6.

Transcargo is tijdig in hoger beroep gekomen. Zij heeft drie grieven aangevoerd en heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en de zaak voor (verdere) behandeling terugverwijst naar de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, subsidiair naar de zittingsplaats Maastricht.

3.7.

Transinter heeft geantwoord op de grieven en heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Zij heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof Transcargo in het door haar ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaart, althans haar vorderingen afwijst. In incidenteel hoger beroep heeft Transinter geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling vernietigt en Transcargo veroordeelt in de proceskosten van de eerste aanleg.

3.8.

Met haar grieven komt Transcargo op tegen de onbevoegdverklaring door de kantonrechter. Kort gezegd stelt Transcargo zich op het standpunt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat primair op grond van een rechtskeuze ex artikel 23 EEX-Vo, subsidiair op grond van artikel 5 aanhef lid 1 sub a EEX-Vo en meer subsidiair op grond van artikel 31 CMR de kantonrechter te Roermond, dan wel de kantonrechter te Maastricht, bevoegd is van de vordering kennis te nemen.

3.9.

Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat in een zaak met internationale aspecten als hier aan de orde (Transinter is gevestigd in Frankrijk), de rechter ambtshalve moet beoordelen of hij – de Nederlandse rechter – rechtsmacht heeft (zie onder meer Hoge Raad 17 april 2015 inzake Northern River Shipping Company c. Kompas Overseas Inc., ECLI:NL:HR:2015:1077). Als de rechter van oordeel is dat hem geen rechtsmacht toekomt, moet hij zich ambtshalve onbevoegd verklaren.

3.10.

Bij de beantwoording van de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt is uitgangspunt dat de vestigingsplaatsen van partijen zijn gelegen in verschillende EU-lidstaten, dat de vordering in eerste aanleg is ingesteld vóór 10 januari 2015 en ook de dagvaarding in hoger beroep vóór die datum is uitgebracht (zie artikel 66 lid 1 van de herschikte EEX-Vo/Brussel-I bis Vo, 1215/2012/EU). Daarom dient de rechterlijke bevoegdheid in beginsel beoordeeld te worden aan de hand van de EEX-Vo (oud), tenzij op grond van het bepaalde in artikel 71 EEX-Vo (oud) de bevoegdheidsregeling van artikel 31 CMR van toepassing is.

Het hof constateert dat Transinter niet heeft betwist dat op de vervoerovereenkomst van partijen de CMR van toepassing is. Dat betekent dat de hiervoor bedoelde uitzondering opgeld doet en dat de rechterlijke bevoegdheid beoordeeld dient te worden aan de hand van artikel 31 CMR (vergelijk HvJ 4 september 2014, C-157/13 inzake Nickel & Goeldner Spedition GmbH c. Kintra UAB, ECLI:EU:C:2014:2145).

3.11.

Artikel 31 lid 1 CMR luidt als volgt:

"Alle rechtsgedingen, waartoe het aan dit Verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft, kunnen door de eiser behalve voor de gerechten van de bij dit Verdrag partij zijnde landen, bij beding tussen partijen aangewezen, worden gebracht voor de gerechten van het land op het grondgebied waarvan:

a) de gedaagde zijn gewone verblijfplaats, zijn hoofdzetel of het filiaal of agentschap heeft, door bemiddeling waarvan de vervoerovereenkomst is gesloten, of

b) de plaats van inontvangstneming der goederen of de plaats bestemd voor de aflevering der goederen, is gelegen;

zij kunnen voor geen andere gerechten worden gebracht."

Aangezien Transinter in eerste aanleg is verschenen zonder een bevoegdheidsverweer te voeren (zij heeft wat de internationale aspecten betreft enkel het toepasselijk recht betwist), is naar het oordeel van het hof sprake geweest van een door artikel 31 jo 41 CMR verdrag toegestane stilzwijgende forumkeuze voor een rechter van een verdragsland, namelijk voor de rechter van het land op het grondgebied waarvan de plaats bestemd voor de aflevering van de goederen is gelegen. Dat betekent dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 31 lid 1 aanhef en sub b CMR bevoegd is kennis te nemen van de vordering van Transcargo.

Het gegeven dat Transinter in hoger beroep wel een bevoegdheidsverweer voert, leidt niet tot een ander oordeel. Op grond van het bepaalde in artikel 11 Rv moet het verweer dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is in dagvaardingszaken immers worden gevoerd vóór alle weren ten gronde, zulks op straffe van verval van het recht om dit verweer te voeren. Een bevoegdheidsverweer dat voor het eerst in hoger beroep wordt gevoerd, is dus enkel tijdig opgeworpen voor zover het betrekking heeft op vorderingen waartegen in de procedure

– inclusief de procedure in eerste aanleg – nog geen weren ten gronde zijn aangevoerd (bijvoorbeeld vorderingen die in hoger beroep bij wege van eisvermeerdering zijn ingesteld). Die situatie doet zich hier echter niet voor. Het bevoegdheidsverweer van Transinter heeft immers betrekking op vorderingen waartegen zij reeds weren ten gronde heeft aangevoerd, namelijk in de procedure in eerste aanleg. Daarom is haar bevoegdheidsverweer in hoger beroep niet tijdig opgeworpen, en is het recht om dit verweer thans alsnog te voeren vervallen.

3.12.

Uit het voorgaande volgt dat door de verschijning van Transinter in de procedure in eerste aanleg de Nederlandse rechter krachtens stilzwijgende forumkeuze rechtsmacht heeft. Gelet op de wijze waarop artikel 31 CMR is geformuleerd, is de vraag welke nationale (in dit geval dus Nederlandse) rechter vervolgens relatief bevoegd is, overgelaten aan het nationale procesrecht. In dit kader is van belang dat de vordering van Transcargo minder dan € 25.000,-- bedraagt. Artikel 110 lid 1 tweede zin Rv schrijft voor dat de rechter in dat geval ook zonder daartoe strekkend verweer beoordeelt of hij relatief bevoegd is.

Op grond van het bepaalde in artikel 630 Rv is de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht als zijnde de rechter van de plaats bestemd voor de aflevering van de zaken, te weten [plaats] , relatief bevoegd om kennis te nemen van de vordering van Transcargo tegen Transinter.

3.13.

Een en ander betekent dat het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven. Indien in hoger beroep een uitspraak van de kantonrechter wordt vernietigd waarbij deze zich onbevoegd had verklaard wegens het ontbreken van rechtsmacht, verwijst het hof de zaak op grond van het bepaalde in artikel 76 Rv naar de kantonrechter voor de verdere behandeling en beslissing, tenzij partijen verklaren te verlangen dat de rechter in beroep de zaak aan zich houdt.

Transcargo concludeert tot terugverwijzing naar de kantonrechter. Transinter kan zich, afgezien van de proceskostenveroordeling, vinden in de beslissing van de kantonrechter en laat zich niet uit over een eventueel vervolg van de procedure. Het hof kan de zaak slechts aan zich houden indien alle betrokken partijen dit verlangen. Omdat in ieder geval Transcargo dit niet wenst, doet zich de uitzondering van artikel 76 Rv niet voor. Het hof zal de zaak daarom verwijzen naar de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht.

3.14.

Omdat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en in eerste aanleg opnieuw moet worden beslist, komt het hof aan de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep over de proceskostenveroordeling niet toe.

3.15.

De kosten van dit hoger beroep zullen worden gereserveerd tot de einduitspraak van de kantonrechter. Tot dit arrest worden de kosten in principaal hoger beroep aan de zijde van Transcargo begroot op € 1.413,52 (kosten exploot € 77,52, griffierecht € 704,-- en salaris advocaat € 632,--) en aan de zijde van Transinter op € 1.336,-- (griffierecht € 704,-- en salaris advocaat € 632,--). De kosten in incidenteel hoger beroep worden tot dit arrest aan de zijde van beide partijen begroot op telkens € 316,--.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

verwijst de zaak in de stand waarin zij zich thans bevindt naar de kantonrechter van de rechtbank te Limburg, zittingsplaats Maastricht om de zaak verder te behandelen met inachtneming van hetgeen het hof in dit arrest heeft overwogen;

reserveert de kosten van dit hoger beroep tot de einduitspraak in de eerste aanleg en begroot deze kosten tot dit arrest in principaal appel aan de zijde van Transcargo op € 1.413,52 en aan de zijde van Transinter op € 1.336,-- en in incidenteel hoger beroep aan de zijde van beide partijen op telkens € 316,--.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.J. van Craaikamp, R.R.M. de Moor en G.A.M. Peper en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 februari 2016.

griffier rolraadsheer