Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4850

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-11-2016
Datum publicatie
03-11-2016
Zaaknummer
200.159.209_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

schending eer en goede naam; onrechtmatige daad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.159.209/01

arrest van 1 november 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. H.H.G. Theunissen te Leusden,

tegen

1 Gemeente Brunssum,
gevestigd te Brunssum,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als de gemeente respectievelijk [geïntimeerde 2] ,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 oktober 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 30 juli 2014, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser en de gemeente en [geïntimeerde 2] als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 2177816 CV EXPL 13-5802)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende – door de kantonrechter in het bestreden vonnis weergegeven en niet betwiste – feiten.

  1. [geïntimeerde 2] is wethouder bij de gemeente (geweest). Hij is en/of was in die hoedanigheid verantwoordelijk voor de uitvoering van het zogenoemde ‘Masterplan Brunssum ’, zijnde een plan op het gebied van de ruimtelijke ontwikkeling in het centrum van Brunssum .

  2. [appellant] is advocaat van beroep en werkt met name in de regio Parkstad, waar ook de gemeente Brunssum deel van uit maakt.

  3. [appellant] is de zoon van mr. [senior] (hierna te noemen: [senior] ). Deze is raadslid bij de gemeente (geweest) en voormalig wethouder van de gemeente Brunssum met de portefeuille die [geïntimeerde 2] thans heeft. [senior] . heeft een column in het huis-aan-huis-blad het Parelnieuws, dat in de gemeente Brunssum wordt verspreid. In deze column heeft [senior] . zich kritisch uitgelaten over onder meer het mede door [geïntimeerde 2] uitgevoerde beleid van de gemeente ten aanzien van het Masterplan Brunssum . [appellant] is daarnaast de neef van mr. [oom] . Deze voert een juridisch advieskantoor onder de naam [appellant] & [appellant] associates. Dit advieskantoor houdt zich vooral bezig met vraagstukken op het gebied van ruimtelijke ordening en milieu. Mr. [oom] is als gemachtigde betrokken geweest bij gerechtelijke procedures tegen de gemeente, waarbij is geageerd tegen het Masterplan Brunssum .

  4. Op 14 maart 2012 heeft [geïntimeerde 2] een artikel in het Parelnieuws geplaatst met betrekking tot een onderdeel van het Masterplan. In dit artikel is de navolgende passage opgenomen:

“Door de rug recht te houden is het uiteindelijk gelukt om deze winkelformule te laten landen in het kernwinkelgebied. Waardoor een versterking gaat optreden. Tenminste als de [appellant] -clan dit niet met juridische procedures dusdanig vertraagt dat partijen alsnog gaan afhaken”.

Naar aanleiding van deze passage heeft de toenmalige gemachtigde van [appellant] en tevens diens kantoorgenoot, mr. Van Geelkerken, op 16 maart 2012 een brief geschreven aan het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente (hierna te noemen: het college van B&W) en daarin verzocht – en voor zover nodig gesommeerd – om publiekelijk, tijdens de eerstvolgende raadsvergadering, afstand te nemen van de uitlatingen van [geïntimeerde 2] . Bij schrijven van 11 april 2012 heeft het college van B&W meegedeeld geen aanleiding te zien om aan voormeld verzoek/sommatie gehoor te geven. De brief van 16 maart 2012 heeft mr. Van Geelkerken in afschrift aan alle gemeenteraadsfracties gezonden.

Op 21 maart 2012 is een krantenartikel verschenen in het Limburgs Dagblad met als titel: “Advocaat [appellant] : [geïntimeerde 2] gaat te ver”. In dit artikel is een passage opgenomen die luidt als volgt:

“Het was de wethouder opgevallen dat bezwaarmakers tegen gemeentelijke plannen waar raadslid [senior] (lees: [senior] ) ook tegen is, doorgaans worden bijgestaan door de zoon of de broer van diezelfde [appellant] . In de raad sprak [geïntimeerde 2] al tegen dat hij advocaten in een kwaad daglicht had gesteld. Clan verwijst niet naar mafia, stelde [geïntimeerde 2] . ‘Clan betekent dat er nauwe familiebanden zijn. Dat is een feit’.”

Namens [appellant] heeft mr. Van Geelkerken op 22 maart 2012 een klacht ingediend bij het college van B&W. De klacht heeft betrekking op het in het Parelnieuws gepubliceerde artikel van 14 maart 2012.

Voormelde klacht is op 13 april 2012 behandeld tijdens een hoorzitting van de klachtencommissie van de gemeente. Naar aanleiding van die hoorzitting heeft de klachtencommissie op 19 april 2012 geadviseerd de klacht gegrond te verklaren. Ter motivering van dit advies stelt de klachtencommissie dat door het gebruik van de term ‘ [appellant] -clan’ [appellant] al dan niet bewust wordt betrokken bij zaken waarbij hij niet betrokken is (geweest). De klachtencommissie stelt dat het woord ‘clan’ neutraal wordt beschreven in de Van Dale, maar dat het artikel van 14 maart 2012 in zijn volledige context een negatieve emotie bij [appellant] kan oproepen. Om die reden acht de klachtencommissie het gebruik van het woord ‘clan’ minder passend. Tot slot is de commissie van mening dat [geïntimeerde 2] zich beter had dienen te realiseren dat in het algemeen advocaten namens een ander procedures voeren en dat [appellant] , voor zover bij de commissie bekend, in het geheel geen politieke rol in Brunssum speelt. Door de uitlatingen van [geïntimeerde 2] in het artikel van 14 maart 2012, zou een andere indruk kunnen worden gewekt. Ook op dit punt wordt geadviseerd de klacht gegrond te verklaren.

Bij brief aan mr. Van Geelkeren van 26 juni 2012 heeft het college van B&W te kennen gegeven dat de klachten van [appellant] , in navolging van het advies van de klachtencommissie, gegrond werden verklaard.

In het Limburgs Dagblad verschijnt op 30 juni 2012 het bericht met als titel: ‘Wethouder op vingers getikt’. In dit artikel is de volgende passage opgenomen:

“ [geïntimeerde 2] zelf benadrukte gisteren met het woord ‘clan’ niets negatiefs te hebben bedoeld. (…) Volgens de wethouder heeft hij zich ook “meer gericht op [oom] , dan op [appellant] ”.”

Mr. Van Geelkerken heeft naar aanleiding van deze publicatie op 25 juli 2012 namens [appellant] een tweede klacht ingediend bij het college van B&W.

Op 3 oktober 2012 heeft de klachtencommissie een hoorzitting gehouden. Bij advies van 9 oktober 2012 heeft de klachtencommissie geadviseerd om de klacht gegrond te verklaren. De commissie is van mening dat het gebruik van het woord ‘clan’ in de publicatie van 30 juni 2012, gelet op de uitleg van [geïntimeerde 2] daaromtrent, niet klachtwaardig is. Echter, die uitleg in samenhang bezien met de daarop volgende opmerking van [geïntimeerde 2] dat “hij zich meer heeft gericht op [oom] dan op [appellant] ” acht de klachtencommissie, mede gezien de eerdere publicatie van 14 maart 2012, wel klachtwaardig. [geïntimeerde 2] had zich volgens de klachtencommissie dienen te realiseren dat het beantwoorden van vragen van een journalist over deze kwestie weer reacties zou kunnen oproepen. Gelet op hetgeen namens [appellant] tijdens de hoorzitting is aangegeven, acht de commissie in dit geval een rectificatie in het Limburgs Dagblad aan de orde.

Het college van B&W heeft bij besluit van 4 december 2012 de klacht, in navolging van het advies van de klachtenadviescommissie, gegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat in het Limburgs Dagblad een rectificatie zal worden geplaatst met de volgende tekst:

“Op 30 juni 2012 stond in deze kant een interview met een lid van ons college. Daarbij zijn namen genoemd in een context die als negatief ervaren is. Het college betreurt dit ten zeerste.”

Deze tekst is op 7 december 2012 in het Limburgs Dagblad gepubliceerd.

[appellant] acht de rectificatie onvoldoende. Om die reden heeft mr. Van Geelkerken bij brief van 3 januari 2013 een klacht ingediend bij de Nationale Ombudsman, waarbij de Nationale Ombudsman is verzocht er zorg voor te dragen dat alsnog een – meer passende – rectificatie zal plaatsvinden. De Nationale Ombudsman heeft echter bij ongedateerd schrijven laten weten geen verder onderzoek te zullen instellen naar de klacht.

Op 9 april 2013 heeft een bespreking plaatsgevonden ten einde een minnelijke regeling te beproeven. Bij deze bespreking was [appellant] met zijn toenmalige gemachtigde aanwezig. Aan de zijde van [geïntimeerde 2] waren bij dit gesprek aanwezig de heer [burgemeester] – burgemeester van de gemeente Brunssum – en de heer [vertegenwoordiger] . Dit gesprek heeft niet geleid tot een minnelijke regeling. Bij brief van 12 juni 2013 (productie 16 bij de inleidende dagvaarding) heeft het college van B&W laten weten dat het van mening is dat er geen reden bestaat om schadevergoeding te betalen aan [appellant] .

3.2.1.

In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd:

- een verklaring voor recht dat de gemeente en [geïntimeerde 2] als gevolg van de uitlatingen van [geïntimeerde 2] onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld en ten gevolge daarvan schadeplichtig zijn geworden;

- de gemeente en [geïntimeerde 2] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis een rectificatie te plaatsen in Dagblad de Limburger, althans het Limburgs Dagblad, op de voorpagina van de regiokatern Parkstad alsook in het Parelnieuws, met een tekst zoals vermeld in de dagvaarding, althans met woorden van gelijke aard en strekking, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte van een dag dat de gemeente en [geïntimeerde 2] in gebreke blijven, en met een maximum van € 25.000,-;

- de gemeente en [geïntimeerde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 5.500,- ten titel van schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, alsmede tot betaling van een bedrag van € 786,50 aan buitengerechtelijke kosten, subsidiair tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat, met veroordeling van de gemeente en [geïntimeerde 2] tot betaling van een voorschot van € 1.500,- en de buitengerechtelijke kosten ad € 786,50, althans een in goede justitie te betalen bedrag dat de kantoncompetentie niet overschrijdt.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[geïntimeerde 2] heeft, in zijn hoedanigheid van wethouder, willens en wetens bij meerdere gelegenheden bij het lokale publiek de schijn gewekt dat er tussen [appellant] en [senior] . een twee-eenheid bestaat en dat [appellant] in zijn hoedanigheid van advocaat in zaken tegen de gemeente vanuit eigenbelang zou handelen, althans niet slechts vanuit het belang van zijn cliënt.

[appellant] stelt dat hij door de uitlatingen van [geïntimeerde 2] in onderlinge samenhang bezien, in zijn eer en goede naam zowel als privépersoon als in zijn hoedanigheid van advocaat is aangetast. Daardoor is eveneens sprake van een aantasting van de persoonlijke levenssfeer van [appellant] . [appellant] stelt dat [geïntimeerde 2] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, als bedoeld in artikel 6:162 BW.

[appellant] stelt op grond van artikel 6:106 sub b BW aanspraak te maken op immateriële schadevergoeding van € 2.000,-, alsmede op vergoeding van juridische bijstand van € 1.500,- en € 2.000,- terzake van gederfde winst.

3.3.

In het vonnis van 30 juli 2014 heeft de kantonrechter het gevorderde afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat de feiten, op zichzelf maar ook in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat [geïntimeerde 2] met zijn uitlatingen het recht van [appellant] op bescherming van zijn eer en goede naam heeft geschonden. Er is, aldus de kantonrechter, geen sprake van een onrechtmatige gedraging waarvoor de gemeente of [geïntimeerde 2] aansprakelijk zijn.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis, tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen – met uitzondering van de gevorderde rectificatie – alsmede tot veroordeling van de gemeente en [geïntimeerde 2] tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan de gemeente en [geïntimeerde 2] heeft voldaan en tot veroordeling van de gemeente en [geïntimeerde 2] in de proceskosten.

3.5.

De gemeente en [geïntimeerde 2] hebben in hun memorie van antwoord geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep en veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.6.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.7.1.

Bij beantwoording van de vraag of de gemeente en [geïntimeerde 2] op onrechtmatige wijze de eer en goede naam van [appellant] hebben geschaad stelt het hof voorop dat het in deze zaak gaat om de botsing van twee fundamentele rechten namelijk aan de zijde van [geïntimeerde 2] het recht op vrijheid van meningsuiting en aan de zijde van [appellant] zijn recht op eer en goede naam (onder meer HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230). Het antwoord op de vraag welk van beide rechten in het onderhavige geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval en met inachtneming van de proportionaliteitstoets en de noodzakelijkheidstoets (artikelen 8 lid 2 en 10 lid 2 EVRM).

3.7.2.

Alvorens aan voormelde belangenafweging toe te komen dient te worden beoordeeld of de uitspraken van [geïntimeerde 2] in de lokale pers wel of niet een schending van de eer en goede naam van [appellant] inhielden. Meer in het bijzonder gaat het er hier om of de reputatie van [appellant] als advocaat is geschonden door suggesties dat hij in strijd met de gedragsregels en/of op andere wijze niet integer zou hebben gehandeld.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

3.8.1

Ten aanzien van de passage: “Tenminste als de [appellant] -clan dit niet met juridische procedures dusdanig vertraagt dat partijen alsnog gaan afhaken” in het door [geïntimeerde 2] geschreven artikel van 14 maart 2012 voert [appellant] het volgende aan.

Voor de gemiddelde lezer van Parelnieuws is duidelijk dat daarmee gedoeld wordt op [senior] . mr. [oom] en [appellant] en dat met “ -clan” wordt bedoeld [appellant] -bende. Hiermee wordt door [geïntimeerde 2] gesuggereerd dat hij met juridische procedures de plannen van de gemeente en/of [geïntimeerde 2] heeft gedwarsboomd, aldus [appellant] .

3.8.2.

Het hof overweegt hierover als volgt.

In de Van Dale Online wordt clan omschreven als:

“ 1. stam, oorspronkelijk van Schotse Hooglanders, vervolgens in ruimer gebruik

2. etnologie groep waarbinnen geen onderling huwelijk mogelijk is

3. groep van personen (m.n. familieleden) met een grote onderlinge binding, die nauwelijks buitenstaanders toelaat.”

Naar het oordeel van het hof, volgen uit het gebruik van het woord “clan” als zodanig en in de context waarin het woord is gebruikt, niet de in 3.8.1 vermelde conclusies van [appellant] . In het artikel, met het in rov. 3.1 onder d genoemde citaat, wordt [appellant] niet bij naam genoemd. Evenmin wordt gesuggereerd dat op hem wordt gedoeld met de verwijzing naar de [appellant] -clan of dat hij betrokken is geweest bij procedures tegen de gemeente aangaande de uitvoering van het Masterplan Brunssum . Dat [geïntimeerde 2] met zijn opmerking in het Parelnieuws de schijn heeft gewekt dat [appellant] in zijn hoedanigheid van advocaat procedures tegen de gemeente uit eigenbelang voert, zoals door [appellant] gesteld, vindt evenmin steun in voornoemd artikel. Daaraan doet het feit dat de klachtencommissie van de gemeente de klacht van [appellant] naar aanleiding van dit artikel gegrond heeft verklaard, niet af.

3.8.3.

Ten aanzien van de artikelen van 21 maart 2012 en 30 juni 2012 in het Limburgs Dagblad overweegt het hof als volgt.

Het hof zal er veronderstellende wijs van uit gaan dat [geïntimeerde 2] de in deze artikelen aan hem toegeschreven uitspraken heeft gedaan.

In dat geval kan uit deze artikelen in samenhang met bovengenoemd artikel van 14 maart 2012 worden afgeleid, dat [geïntimeerde 2] bedoeld heeft te zeggen dat [appellant] (soms) bezwaarmakers tegen gemeentelijke plannen waar [senior] ook tegen is, bijstaat en aldus uitvoering van gemeentelijke plannen vertraagt. Door te zeggen dat hij zich meer op [oom] dan op [appellant] richtte, heeft hij immers te kennen gegeven óók op [appellant] te hebben gedoeld maar dan in mindere mate. Nu tussen partijen niet in geschil is dat [appellant] nooit juridische bijstand heeft verleend aan cliënten die bezwaar maakten tegen gemeentelijke plannen, heeft [geïntimeerde 2] in zoverre een onjuiste uitlating gedaan. Daarbij heeft hij tevens laten doorklinken dat hij als wethouder niet positief staat tegenover de bewuste juridische procedures. In die zin kunnen de uitlatingen in samenhang beschouwd minder passend voor [geïntimeerde 2] als wethouder worden genoemd.

Echter, naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een schending van de eer en goede naam van [appellant] in de door hem gestelde zin. De enkele onjuiste suggestie van [geïntimeerde 2] (dat [appellant] cliënten in hun bezwaarprocedure tegen gemeentelijke plannen zou hebben bijgestaan met als gevolg vertraging van de uitvoering van die plannen) kan niet worden gezien als een uitlating die de reputatie van [appellant] schendt en evenmin als een beschuldiging of suggestie van niet-integer handelen.

3.9.

Aldus is het hof evenals de kantonrechter van oordeel dat de feiten, op zichzelf maar ook in onderlinge samenhang gezien, onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat [geïntimeerde 2] met zijn uitlatingen het recht van [appellant] op bescherming van zijn goede naam en eer, heeft geschonden. Aan beantwoording van de vraag of [geïntimeerde 2] de onder 3.8 bedoelde uitspraken daadwerkelijk heeft gedaan, wat [geïntimeerde 2] bestrijdt, komt het hof niet toe. Ook komt het hof niet toe aan de onder 3.7.1 vermelde belangenweging.

Aldus is er geen sprake van een onrechtmatige gedraging, waarvoor de gemeente of [geïntimeerde 2] aansprakelijk zijn. De grieven falen.

3.10.

[appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten. Op verzoek van de gemeente en [geïntimeerde 2] zal dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de gemeente en [geïntimeerde 2] op € 704,- aan griffierecht en op € 632,- aan salaris advocaat; en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, J.C.J. van Craaikamp en C.W.T. Vriezen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 november 2016.

griffier rolraadsheer