Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4845

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-11-2016
Datum publicatie
02-11-2016
Zaaknummer
20-002616-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:6048, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:496, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 287 Sr: Hof veroordeelt verdachte opnieuw wegens doodslag. Beroep op noodweer(exces) verworpen wegens het ontbreken van een noodweersituatie. Het hof houdt rekening met de kwetsbare persoonlijkheid van verdachte, die jarenlang, ook door het slachtoffer, is getergd en getreiterd. Het hof acht de straf als in eerste aanleg gevorderd voldoende en legt een lagere straf op dan de rechtbank: 6 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0428
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002616-14

Uitspraak : 2 november 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 september 2014 in de strafzaak met parketnummer 02-700059-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) te Vught.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende,

- verdachte zal vrijspreken van de primair ten laste gelegde moord en zal bewezen verklaren de aan verdachte (eveneens onder primair) ten laste gelegde doodslag;

- verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, met het advies om deze gevangenisstraf ten uitvoer te leggen in een penitentiair psychiatrisch centrum.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal gevorderd deze geheel toe te wijzen, met toepassing van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Door de verdediging is bepleit dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van noodweer(exces) dan wel putatief noodweer. Voorts is verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 maart 2014 te Middelburg opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk [slachtoffer] met een mes gestoken/gesneden, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 maart 2014 te Middelburg aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (steekwond/snijwond in de borstkas) heeft toegebracht, door opzettelijk [slachtoffer] met een mes te steken/snijden, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 maart 2014 te Middelburg opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer] ) met een mes heeft gestoken/gesneden, ten gevolge waarvan deze is overleden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak primair ten aanzien van moord

Het hof is met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat het enkele gegeven dat de verdachte, omwille van zijn eigen gevoel van veiligheid, al enige tijd met een mes op zak rondliep, niet impliceert dat de verdachte het plan had het slachtoffer te doden. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van het bestanddeel "met voorbedachten rade".

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 maart 2014 te Middelburg opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk [slachtoffer] met een mes gestoken, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Het hof overweegt ten aanzien van het opzet van verdachte het volgende.

Verdachte heeft met een mes met een opwaartse beweging gestoken in het bovenlichaam van het slachtoffer, een plek waar zich vitale organen bevinden, terwijl hij op korte afstand van het slachtoffer stond. Gelet op de aard van die gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, is, naar algemene ervaringsregels, de kans aanmerkelijk te achten dat het slachtoffer daardoor zou komen te overlijden.

Met zijn gedraging heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. De primair ten laste gelegde doodslag is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verweren omtrent de strafbaarheid

Door de verdediging is een beroep gedaan op noodweer(exces) met daarbij het verzoek om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte werd aangevallen en dat hij zich daartegen heeft verdedigd. In eerste instantie is verdachte weggerend van het groepje jongens dat hem had aangevallen. Na enkele meters heeft verdachte omgekeken en zag hij dat hij werd achtervolgd. Verdachte wilde vervolgens eetcafé De Koning in vluchten. Verdachte had er zelfs over nagedacht of er in dat café een achteruitgang zou zitten zodat hij aan de situatie kon ontsnappen. Toen verdachte in het halletje van eetcafé De Koning was, draaide hij zich om en zag hij het slachtoffer recht voor zijn neus staan. Verdachte durfde onder die omstandigheden niet zijn rug richting het slachtoffer te keren, omdat dit hem extra kwetsbaar zou maken. Dat kan ook niet zonder meer van hem gevergd worden (vergelijk ECLI:GHDHA:2014:3435). In een reflex, om zich te verdedigen, heeft verdachte het mes gepakt en het voor zich gehouden, zwaaiend om een aanval tegen te gaan.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat er geen sprake was van noodzakelijke verdediging, omdat bij de laatste confrontatie met het slachtoffer door het slachtoffer geen klappen of stompen zijn uitgedeeld. Evenmin is gebleken van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding die noopte tot noodzakelijke verdediging. De enkele vrees daarvoor is niet voldoende.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof gaat uit van de verklaring die verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, onder meer inhoudende:

Op 1 maart 2014 heb ik in Middelburg een jongen, van wie ik nu weet dat hij [slachtoffer] heet, met een mes gestoken. [slachtoffer] is aan die verwonding overleden.

Ik had het mes onderweg al gepakt. Ik heb al rennend het mes uit het plastic zakje gehaald. Ik heb het daarna niet terug in mijn zak gestoken. Ik hield het klaar voor als het helemaal verkeerd zou gaan, dat ik hem van mij af zou kunnen steken.

Toen ik in het halletje van café De Koning was, twijfelde ik en draaide ik mij om. Ik zag [slachtoffer] ineens vlak voor mij staan, ik toonde mijn mes en dreigde hem. Hij sloeg mij en ik stak. Beter kan ik het niet uitleggen. Toen ik mij omdraaide zag ik hem vlak voor mij, ik zei opzouten en ik stak. Dat gebeurde in fracties van secondes.

Ik had door moeten lopen, ik erken dat dat zo is. Ik maakte een verkeerde keuze.

Ter terechtzitting heeft verdachte tevens kenbaar gemaakt dat hij niet enkel zwaaiende bewegingen met het mes heeft gemaakt, maar ook een opwaartse stekende beweging in de richting van het slachtoffer.

Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Aan de hand van de eigen verklaring van verdachte stelt het hof vast dat verdachte, toen hij in het halletje stond, de mogelijkheid onbenut heeft gelaten het café in te gaan en op die manier op afstand van het slachtoffer te blijven. Gezien de omstandigheden had dit wel van verdachte kunnen en moeten worden verwacht. Hieruit leidt het hof af dat verdachtes intentie op dat moment was gericht op het aangaan van een confrontatie met het slachtoffer en niet op het ontlopen van die confrontatie. Verdachte had daarbij het mes, dat hij al rennend uit een plastic zakje had gehaald, in zijn hand, naar eigen zeggen "klaar voor als het helemaal verkeerd zou gaan, dat ik hem van mij af zou kunnen steken".

Onder deze omstandigheden kan niet worden gesproken van een noodweersituatie, waarbij verdachte zich tegen een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding zou mogen verdedigen.

Het verweer dat verdachte uit noodweer heeft gehandeld wordt dan ook verworpen.

Aangezien er naar het oordeel van het hof geen sprake is geweest van een situatie waarin voor verdachte een noodzaak tot verdediging heeft bestaan, wordt tevens het beroep op noodweerexces verworpen.

De raadsman heeft voorts aan het slot van zijn pleidooi nog de woorden “putatief noodweer” laten vallen. Het hof overweegt hierover het volgende. Putatief noodweer veronderstelt dat de verdachte zich verontschuldigbaar heeft vergist in de feitelijke situatie, betrekking hebbend op de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Er zijn door en namens de verdachte echter geen feiten en omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing hiervan. Ook overigens zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aannemelijk geworden.

Het hof verwerpt derhalve ook dit verweer.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof overweegt, met de rechtbank, dat verdachte een van de ernstigste misdrijven heeft begaan in ons strafrechtstelsel. Verdachte heeft een 19-jarige jongen zijn leven ontnomen en heeft daarmee onherstelbaar leed en verdriet aangedaan aan de nabestaanden van het slachtoffer. Daarnaast heeft verdachte dit schokkende en gewelddadige feit gepleegd in de openbare ruimte in het uitgaansgebied van Middelburg, in de aanwezigheid van omstanders. Dit soort geweld versterkt het in de maatschappij levende gevoel van onveiligheid en brengt vaak langdurige angstgevoelens en psychische schade teweeg bij degenen die daar getuigen van zijn. Bij een dergelijk feit hoort een langdurige gevangenisstraf die doorgaans niet lager is dan 6 jaar.

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte onder meer het volgende overwogen:

"Uit het (beknopte) reclasseringsrapport van 4 maart 2014 blijkt dat de reclasseringswerker

de indruk heeft gekregen dat er bij het delictgedrag van verdachte een samenhang is met de

persoonlijkheid van betrokkene en dat de wijze waarop hij reageert op ervaren onrecht niet

begrepen wordt. Verdachte heeft van jongs af aan structureel pestervaringen die mogelijk

sporen hebben achtergelaten in de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De indruk bestaat

dat hij kritisch is richting anderen en niet zozeer richting zichzelf; verdachte ziet zichzelf als

een kwetsbare man die telkens door toedoen van anderen in de problemen komt.

Het huidige delictgedrag lijkt voort te vloeien uit een zich voor verdachte herhalende

bedreigende situatie waardoor hij had besloten een mes bij zich te dragen hetgeen het

slachtoffer fataal is geworden.

Over verdachte zijn twee gedragsdeskundige rapporten opgemaakt.

In het rapport van J. de Veth, psycholoog, van 14 juni 2014 is onder meer het navolgende

gesteld:

Betrokkene is lijdend aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, zijnde een

stoornis in het autistisch spectrum. Dwangklachten en onaangepaste denk- en

gedragspatronen worden als secundair aan deze ASS gezien.

Ook ten tijde van het ten laste gelegde was sprake van deze problematiek. Ondergetekende

heeft niet kunnen vaststellen of en hoe de gevonden stoornis een relevante en sturende

invloed heeft gehad op gedrag(skeuzes) van betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde.

Gewelddadig gedrag in de toekomst kan niet uitgesloten worden. Ingeschat wordt dat

Risico’s toenemen naarmate frustraties bij betrokkene oplopen.

Het geringe ziekte-inzicht van betrokkene, in combinatie met de ASS, lijken hierbij de

grootste rol te spelen.

Wanneer gekeken wordt naar de justitiële voorgeschiedenis van betrokkene en de

anamnestische informatie komt naar voren dat er telkens sprake is van langdurende

conflicten tussen betrokkene en de omgeving, die een aantal keren hebben geleid tot

justitiële contacten vanwege bedreigingen en mishandelingen die betrokkene gepleegd heeft.

Aangezien niet geduid kan worden of en hoe de gevonden stoornis in het ten laste gelegde

heeft doorgewerkt wil ondergetekende zich onthouden van straf- of maatregeladvies.

Wel wordt vanuit gedragsdeskundig perspectief aanbevolen een aan betrokkene op te leggen

straf ten uitvoer te leggen in een penitentiair psychiatrisch centrum, zodat in de bejegening

van betrokkene rekening kan worden gehouden met zijn beperkingen.

In het rapport van L. van Braeckel, psychiater, van 16 juni 2014 is onder meer het

navolgende gesteld:

Betrokkene lijdt aan een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anderszins omschreven.

Ondanks dat de pervasieve ontwikkelingsstoornis aanwezig was ten tijde van het ten laste

gelegde, en ondanks dat deze stoornis steeds van invloed kan zijn op het begrijpen van en

het reageren in sociale situaties, is het voor ondergetekende niet duidelijk dat, en zo ja, hoe

de beperkingen, voortvloeiend uit de psychische stoornis, de gedragskeuzes van betrokkene

ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloed hebben. Ondergetekende zal zich onthouden

van een advies ten aanzien van een juridisch kader.

De preventie van recidive en de bevordering van een gunstige ontwikkeling van verdachte

kan gebaat zijn bij een behandeling die zich toespitst op de pervasieve

ontwikkelingsstoornis. Betrokkene is weinig gemotiveerd tot behandeling.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en stelt vast dat zij geen advies

kunnen geven.

Alhoewel het verband tussen de stoornis en het gedrag van verdachte ten tijde van het ten

laste gelegde voor de gedragsdeskundigen niet duidelijk is, overweegt de rechtbank dat uit

het dossier naar voren komt dat bij verdachte ten tijde van het delict maar ook daaraan

voorafgaand veel problemen bestonden. Zij acht aannemelijk dat de invloed van de stoornis

op het plegen van het delict niet kan worden uitgesloten.

Verdachte is een kwetsbare persoon die jarenlang is getergd en getreiterd, ook door het

slachtoffer van het onderhavige delict.

Bij de strafoplegging houdt zij met het voorgaande rekening in het voordeel van verdachte."

Het hof kan zich in deze overwegingen vinden en maakt die tot de zijne.

Alles overziend ziet het hof, anders dan de rechtbank, geen reden om een hogere straf op te leggen dan de officier van justitie in eerste aanleg heeft gevorderd, te weten 6 jaar gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank in belangrijke mate gewicht toegekend aan de omstandigheid dat verdachte in het verleden vaker al agressie heeft uitgestraald en voorts het reële recidivegevaar van soortgelijk gewelddadig gedrag. Tevens heeft de rechtbank bij haar afweging betrokken de disproportionele wijze van handelen van verdachte bij het bewezen verklaarde feit.

Hoe vreselijk de gevolgen van verdachtes daad ook zijn, het hof sluit evenmin de ogen voor het feit dat verdachte moet worden gekenschetst als een kwetsbaar persoon die jarenlang is getergd en getreiterd. Ook het slachtoffer van het onderhavige feit heeft dat gedaan. Bovendien is verdachte, die ten tijde van het plegen van het feit ruim vijftig jaar oud was, blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 augustus 2016 voorafgaand aan het plegen van het thans bewezen verklaarde feit niet eerder onherroepelijk veroordeeld voor geweldsmisdrijven. In verband met het door de rechtbank genoemde recidiverisico merkt het hof op dat verdachte heeft aangegeven open te staan voor behandeling vanuit de detentiesituatie in een penitentiair psychiatrisch centrum. Al met al hecht het hof minder belang aan de omstandigheden die de rechtbank ertoe hebben gebracht een hogere straf op te leggen.

Evenals de rechtbank sluit het hof zich aan bij het advies dat de gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd in een penitentiair psychiatrisch centrum, zodat de omgeving meer aangepast is aan de beperkingen van verdachte.

Vordering van de [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 16.300,38 te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.300,38. De vordering is door de verdediging betwist.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering heeft betrekking op materiële schade ter hoogte van € 7.300,38 en immateriële schade ter hoogte van € 9.000,00.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden, nu verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Het hof is van oordeel dat de behandeling van de vordering ter zake immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de gevorderde schade, bestaande uit shockschade, alleen dan kan worden toegewezen als sprake is van een door de psychiatrie erkend ziektebeeld. Nu ook in hoger beroep een duidelijke psychiatrische onderbouwing ontbreekt, kan deze schade niet in rechte worden vastgesteld.

De benadeelde partij zal voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en kan deze vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen niet bewezen dat verdachte de primair ten laste gelegde moord heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte de primair ten laste gelegde doodslag heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Geeft het advies dat de gevangenisstraf ten uitvoer zal worden gelegd in een penitentiair psychiatrisch centrum.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.300,38 (zevenduizend driehonderd euro en achtendertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.300,38 (zevenduizend driehonderd euro en achtendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 71 (eenenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. P.M. Frielink, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.G.W.M. van der Vleuten, griffier,

en op 2 november 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Mols is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.