Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4841

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-10-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
200.197.266/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 3 lid 1 Fw: verzoek toelating tot schuldsaneringsregeling na faillissementsverzoek, geen stukken als bedoeld in artikel 285 lid 1 Fw overgelegd.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 3, geldigheid: 2005-12-01
Faillissementswet 285, geldigheid: 2008-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3814

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 27 oktober 2016

Zaaknummer : 200.197.266/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/218850 / FT RK 16/424

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. A.L. Stegeman te Heerlen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 3 augustus 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 augustus 2016, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en haar alsnog toe te laten tot de WSNP.

2.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2016. Bij die gelegenheid is [appellante] zonder bericht van verhindering niet verschenen.

De advocaat van [appellante] heeft bij brief van 18 oktober 2016 het hof bericht dat hij door [appellante] niet in staat is gesteld om haar belangen tijdens de mondelinge behandeling te behartigen. Kennelijk is dit voor de advocaat reden geweest om eveneens niet ter zitting te verschijnen.

2.3

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de stukken van de eerste aanleg, ingestuurd bij brief van 1 september 2016;

- de brief van de advocaat van [appellante] d.d. 18 oktober 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Bij verzoekschrift gedateerd 9 maart 2016 heeft de Ontvanger (hierna: de belastingdienst) de rechtbank verzocht van [appellante] in staat van faillissement te verklaren.

3.1.1.

Bij brief van 15 maart 2016 heeft de griffier van de rechtbank [appellante] opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 5 april 2016 te 10.30 uur om te worden gehoord op het faillissementsverzoek.

Bij deze brief heeft de griffier op grond van het bepaalde in artikel 3 Fw. [appellante] in kennis gesteld dat, indien zij een beroep wenst te doen op de schuldsaneringsregeling, zij binnen 14 dagen het bijgevoegde formulier “verzoek schuldsaneringsregeling” dient terug te sturen naar de rechtbank.

3.1.2.

Bij faxbericht van 31 maart 2016 heeft mr. [juridisch adviseur van DIGO Debiteurenbewaking BV] van DIGO Debiteurenbewaking BV de rechtbank bericht dat [appellante] expliciet gebruik wenst te maken van de in de brief van de griffier bij brief van 15 maart 2016 geboden wettelijke mogelijkheid om een beroep te doen op de WSNP conform het bijgesloten formulier “verzoek toelating schuldsanering.” (gedateerd 24 (of 29?) maart 2016) Bij deze brief is namens [appellante] voorts verzocht voor de zitting van 5 april 2016 de behandeling van de faillissementsaanvraag voor een periode van 120 dagen op te schorten c.q. uit te stellen, althans voor een nadere periode als door de rechtbank passend geoordeeld, in verband met de behandeling van het door [appellante] nog te onderbouwen en in te dienen WSNP-verzoek.

Mr. [juridisch adviseur van DIGO Debiteurenbewaking BV] heeft tot slot nog opgemerkt dat in de tussentijd vanuit DIGO via een ultieme poging met financiële ondersteuning van familie en derden alsnog met de aanvrager van het faillissement zal worden geprobeerd tot een akkoord c.q. oplossing te komen, zodat alsdan toelating tot de WSNP en/of een privé faillissement wellicht niet nodig zal zijn.

3.1.3.

Bij faxbericht d.d. 1 april 2016 heeft buro schuldhulp van de gemeente Roermond de rechtbank verzocht de mondelinge behandeling van 5 april 2016 niet door te laten gaan en daarbij verzocht om een uitstel van 120 dagen om te bezien of er een eenvoudiger oplossing is voor de schuldensituatie van [appellante] of dat zij toch een beroep moet doen op WSNP.

3.1.4.

Bij brief van 1 april 2016 heeft de rechtbank aan buro schuldhulp van de gemeente Roermond (cc aan mr. [juridisch adviseur van DIGO Debiteurenbewaking BV] ) medegedeeld dat de behandeling van het faillissementsverzoek is geschorst en dat een uitstel is verleend van 120 dagen voor de indiening van een compleet WSNP- verzoek, welk verzoek uiterlijk in week 31 van 2016 dient te worden ingediend.

3.1.5.

Bij brief van 29 juli 2016 van mr. [juridisch adviseur van DIGO Debiteurenbewaking BV] is aan de rechtbank bericht dat het binnen de uitsteltermijn niet gelukt is om met de crediteuren van [appellante] (vooral ‘de Ontvanger van de fiscus’) tot een oplossing te komen. Voorts heeft mr. [juridisch adviseur van DIGO Debiteurenbewaking BV] meegedeeld dat hij de belangen van [appellante] niet langer vertegenwoordigt, maar dat [appellante] het WSNP-verzoek wenst te handhaven. Hij heeft de rechtbank verzocht om bepaling van een mondelinge behandeling van voornoemd verzoek.

3.1.6.

Bij vonnis van 3 augustus 2016 is [appellante] niet ontvankelijk verklaard in het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

De rechtbank heeft daarbij overwogen dat geen aanleiding wordt gezien tot het bepalen van een mondelinge behandeling omdat het namens [appellante] ingediende formulier niet kan worden beschouwd als een verzoekschrift in de zin van artikel 284 Faillissementswet en ook niet is voldaan aan de vereisten die staan vermeld in de artikelen 284 en 285 Faillissementswet.

3.2.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.

[appellante] stelt dat haar niet duidelijk is waarom het volledig ingevulde formulier niet als verzoekschrift in de zin van artikel 284 Fw is aan te merken, dan wel niet aan de eisen daarvan zou voldoen, en zij betwist dit. In ieder geval mag [appellante] artikel 284 Fw niet worden tegengeworpen, indien zij van het daarvoor specifiek ontworpen en gebruikelijke formulier gebruik maakt en dit volledig invult en indient, aldus [appellante] .

Dat aan het verzoekschrift in het onderhavige geval de eisen van artikel 285 Fw kunnen en moeten worden gesteld, vloeit niet eenduidig uit de wettelijke regeling voort en is volgens haar ook in strijd met de ratio daarvan. Het WSNP-verzoek is immers ingediend naar aanleiding en onder druk van een door de Belastingdienst tegen [appellante] ingediend faillissementsverzoek.

Voor een faillissement geldt enkel het criterium van artikel 1 Fw, dat wil zeggen: het opgehouden zijn te betalen. Als dan aan een WSNP-verzoek onder druk van een faillissementsaanvraag, meer en zwaardere eisen worden gesteld dan aan een faillissement, schiet het instrument zijn doel voorbij. Doel is immers om het aantal faillissementen van natuurlijke personen zoveel als mogelijk terug te dringen ten gunste van de toepassing van de WSNP.

Tot slot stelt [appellante] dat Mr. [juridisch adviseur van DIGO Debiteurenbewaking BV] heeft gepoogd met schuldeiseres een buitengerechtelijke regeling te bewerkstelligen. Dat is niet gelukt. Hij heeft een met redenen omklede verklaring afgegeven dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke akkoord te komen. Daarmee is voldaan aan de eis dat er professionele

schuldhulpverlening plaatsvindt, alvorens een beroep op de WSNP wordt gedaan.

3.3.

Het hof stelt in de eerste plaats vast dat bij beroepschrift namens [appellante] is aangekondigd dat onderbouwende stukken met betrekking tot de feiten en gronden en van de toelaatbaarheid van [appellante] nader zullen worden aangevuld en worden ingeleverd voorafgaande aan de mondelinge behandeling. Het hof heeft echter geen nadere stukken van [appellante] ontvangen, zodat het hof uitsluitend beschikt over de bij brief van de advocaat van 1 september 2016 overgelegde (summiere) procestukken.

3.3.1.

Het hof verwijst naar artikel 3 lid 1 Fw, waarin is bepaald dat indien een verzoek tot faillietverklaring een natuurlijke persoon betreft en hij geen verzoekschrift heeft ingediend tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling bedoeld in titel III, de griffier de schuldenaar terstond bij brief kennis geeft dat hij binnen veertien dagen na de dag van de verzending van die brief een verzoekschrift als bedoeld in artikel 284 kan indienen.

3.3.2.

Zoals uit artikel 284 juncto artikel 285 Fw lid 1 Fw volgt, dienen in het verzoekschrift of in een daarbij te voegen bijlage de volgende stukken te worden opgenomen:

a. een staat als bedoeld in artikel 96;

b.een opgave van de goederen van de schuldenaar, met vermelding van eventueel daarop rustende rechten van pand en hypotheek en retentierechten die daarop uitgeoefend kunnen worden;

c.een gespecificeerde opgave van de inkomsten van de schuldenaar, hoe ook genaamd en ongeacht de titel van verkrijging, die de schuldenaar pleegt te verwerven of kan verwerven, onder vermelding van de wijzigingen die daarin over de eerstvolgende drie jaar redelijkerwijs voorzienbaar zijn;

d.een gespecificeerde opgave van de vaste lasten van de schuldenaar;

e.indien de schuldenaar is gehuwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan, een opgave van de gegevens, bedoeld onder c en d betreffende de echtgenoot onderscheidenlijk de geregistreerde partner;

f.een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, alsmede over welke aflossingsmogelijkheden de verzoeker beschikt, afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar. Het college kan deze bevoegdheid mandateren aan een gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet financiële dienstverlening of aan krachtens artikel 48, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op het consumentenkrediet aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel categorieën daarvan;

g.een opgave van de aard en het bedrag van de vorderingen ter zake waarvan de schuldenaar zich als borg of anderszins als medeschuldenaar heeft verbonden;

h.indien de schuldenaar aan zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling heeft aangeboden die niet is aanvaard, de inhoud van het ontwerp van de schuldregeling, de reden waarom de schuldregeling niet is aanvaard alsmede met welke middelen, bij aanvaarding van de schuldregeling, bevrediging van schuldeisers zou kunnen plaatsvinden;

i.een opgave van andere gegevens van belang om een zo getrouw mogelijk beeld te bieden van de vermogens- en inkomenspositie van de schuldenaar en van de mogelijkheden voor schuldsanering.

3.3.3.

Zoals uit de inhoud van de in hoger beroep overgelegde processtukken blijkt, heeft [appellante] , met uitzondering van een door de rechtbank verstrekt formulier Verzoek Schuldsanering aan de rechtbank Limburg, voor het overige geen van de in artikel 285 lid 1 Fw vermelde stukken overgelegd.

Bij gebreke van deze stukken heeft het hof onder meer geen inzicht in de totale schuldenlast, geen inzicht in al dan niet ondernomen pogingen tot een minnelijke regeling met álle schuldeisers en is het voor het hof niet mogelijk zelfstandig te beoordelen bijvoorbeeld of [appellante] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest, nu over de schuldenpositie van [appellante] niets bekend is.

Dat in de bijlagen bij het beroepschrift enige stukken inzake de schuld aan de belastingdienst en de mogelijke inschakeling van een externe financier zijn gevoegd, maakt bovenstaande niet anders.

Het hof is reeds op grond hiervan van oordeel dat [appellante] niet-ontvankelijk is in haar verzoek om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Het hof zal het vonnis waarvan beroep dan ook bekrachtigen.

3.4.

Het hof overweegt wellicht ten overvloede het volgende.

Zoals uit artikel 285 sub f Fw blijkt dient een met redenen omklede verklaring overgelegd te worden dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, alsmede over welke aflossingsmogelijkheden de verzoeker beschikt, afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar. Het college kan deze bevoegdheid mandateren aan een gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet financiële dienstverlening of aan krachtens artikel 48, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op het consumentenkrediet aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel categorieën daarvan.

3.4.1.

Zoals uit de inhoud van processtukken blijkt heeft mr. [juridisch adviseur van DIGO Debiteurenbewaking BV] , werkzaam als juridisch adviseur bij DIGO Debiteurenbewaking en – blijkens zijn briefpapier - lid van de Nederlandse vereniging van rechtskundig adviseurs NVRA, getracht te komen tot een buitengerechtelijke schuldregeling met de schuldeisers van [appellante] .

Het hof stelt vast dat, nu mr. [juridisch adviseur van DIGO Debiteurenbewaking BV] , voornoemd, noch DIGO Debiteurenbewaking B.V. aangemerkt kan worden als de in artikel 48, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de Consumentenkrediet aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel categorieën daarvan, [appellante] ook op die grond niet-ontvankelijk is in haar verzoek.

3.5.

Geheel ten overvloede merkt het hof tot slot nog op dat hetgeen hiervoor is overwogen overigens onverlet laat dat (naast of in de plaats van in de stukken vermelde voor [appellante] nog openstaande wegen) [appellante] bij de rechtbank alsnog haar eigen faillissement zou kunnen aanvragen, welk verzoek alsdan met voorrang zou dienen te worden behandeld en wel vóór behandeling van het faillissementsverzoek door een derde, waarna [appellante] , nadat haar faillissement is uitgesproken, tot aan de verificatievergadering een verzoekschrift – uiteraard wel hierbij wel o.m. de artikelen 284 en 285 Fw in acht nemend- om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling bij de rechtbank zal kunnen indienen. Het hof verwijst hiermee naar hetgeen is bepaald in artikel 15b lid 1 Fw en vaste jurisprudentie ter zake.

3.6.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing.

4 De uitspraak

Het hof:

. bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, R.R.M. de Moor en H.A.G. Fikkers en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2016.