Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4815

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-10-2016
Datum publicatie
31-10-2016
Zaaknummer
200.186.182_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 27 oktober 2016

Zaaknummer: 200.186.182/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/294411/FA RK 15-2909

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te

[woonplaats 1] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.J.S. Houtackers,

tegen

[verweerster] ,

wonende te

[woonplaats 2] ,

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.A.M.J.M. Joosten.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 november 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 februari 2016, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, met wijziging van de beschikking van 29 januari 2015 van dit hof, de partneralimentatie met ingang van 1 augustus 2015 te bepalen op nihil, althans op een lager bedrag dan € 338,- per maand.

2.2.

Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 18 maart 2016, heeft de vrouw verzocht de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren althans hem dat te ontzeggen als ongegrond en/of onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 september 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Houtackers;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. A.W.M. Mans, namens mr. Joosten.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 19 oktober 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de man 3 maart 2016;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 6 september 2016;

  • -

    de ter zitting door mr. Houtackers overgelegde pleitaantekeningen.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op [huwelijksdatum] 1987 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geen thans nog minderjarige kinderen geboren.

3.2.

Bij beschikking van 15 december 2010 heeft de rechtbank Roermond tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 14 april 2011 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij die beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw moet voldoen een bedrag van € 1.460,- per maand met ingang van 14 april 2011. Bij beschikking van 6 oktober 2011 heeft dit hof die beschikking op dit onderdeel bekrachtigd.

3.3.

Bij beschikking van 18 juli 2012 heeft de rechtbank Roermond met ingang van 1 mei 2012 voornoemde uitspraak van 15 december 2010 gewijzigd in die zin dat de man voor levensonderhoud aan de vrouw zal hebben te betalen een bedrag van € 174,- per maand.

Bij beschikking van 30 mei 2013 heeft dit hof die beschikking bekrachtigd.

3.4.

Bij beschikking van 26 maart 2014 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, met wijziging van voornoemde beschikking van de rechtbank Roermond van 18 juli 2012, bepaald dat de man met ingang van 19 augustus 2013 voor levensonderhoud aan de vrouw zal hebben te betalen een bedrag van € 719,- per maand.

Bij beschikking van 29 januari 2015 heeft dit hof die beschikking vernietigd en bepaald dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal hebben te voldoen een bedrag van

€ 237,- per maand met ingang van 19 augustus 2013.

3.5.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank voornoemde beschikking van dit hof van 29 januari 2015 gewijzigd en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 augustus 2015 bepaald op € 338,- per maand.

3.6.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7.

De grief van de man betreft de niet door de rechtbank in aanmerking genomen last (premie-inleg) voor de reservering van gelden, nodig voor het gezond maken van zijn onderneming, en voorts voor de periode vanaf zijn 55e levensjaar dat hij niet meer in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering - terwijl hij medisch gezien al 100% arbeidsongeschikt is - en ten slotte voor de periode vanaf zijn 67e levensjaar, waarvoor hij nog geen enkel pensioen heeft opgebouwd.

3.8.

De vrouw brengt daar tegen in dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat bij de bepaling van de draagkracht van de man met genoemde last geen rekening wordt gehouden, nu de man een wettelijke onderhoudsplicht heeft jegens de vrouw en de door de man gestelde premie ad € 1.072,- per maand, gelet op het netto besteedbaar inkomen van de man, niet redelijk is.

3.9.

Het hof overweegt het navolgende.

3.9.1.

De grief van de man is met name gebaseerd op de stelling dat hij op of rond zijn 60e levensjaar om medische redenen niet meer zal kunnen werken. Dit gegeven is ook tot uitgangspunt genomen in het door de man overgelegde schriftelijke advies financiële planning in verband met pensioen van zijn accountant d.d. 3 augustus 2015.

Het hof is van oordeel dat de man zijn stelling hieromtrent niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd. De man heeft enkel aangevoerd dat hij een lichamelijk zwaar beroep uitoefent en niet vrij is (geweest) van gezondheidsklachten. Medische verklaringen ter zake zijn lichamelijke gesteldheid zijn niet aan het hof overgelegd; het schriftelijk advies van de accountant, die niet een medisch deskundige is, kan niet als zodanig gelden.

Of de situatie dat de man om medische redenen niet meer kan werken zich ook zal voordoen, is hiermee naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Gelet op het voorgaande zal het hof evenmin als de rechtbank in het kader van de draagkrachtberekening rekening houden met de last van de door de man beoogde reservering van gelden.

3.10.

Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 november 2015;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, H. van Winkel en H.J. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2016.