Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4733

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
200.196.333/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw: appellante moet met haar besteedbaar netto maandinkomen ten opzichte van haar schulden in staat worden geacht op haar schulden af te lossen

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288, geldigheid: 2008-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 20 oktober 2016

Zaaknummer : 200.196.333/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/01/306450/FT RK 16/383

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. M. van Tessel te Drunen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 18 juli 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 juli 2016, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te bepalen dat [appellant] alsnog tot de schuldsaneringsregeling zal worden toegelaten.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2016. Bij die gelegenheid is gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Van Tessel.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het ter zitting in hoger beroep door de advocaat van [appellant] overgelegd proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 4 juli 2016.

3 De beoordeling

3.1.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt van één (hypotheek-)schuld aan WestlandUtrecht Bank (in behandeling bij Vesting Finance Fiditon) van € 176.417,66.

Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat Westland Utrecht Bank niet akkoord is gegaan.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep, heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schuld.

3.3.

De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

De rechtbank is van oordeel dat [appellant] niet verkeert in de uitzichtloze financiële situatie die de wetgever bij invoering van de Wet schuldsanering natuurlijke personen voor ogen stond. Zo heeft Westland Utrecht Bank zelf [appellant] er op gewezen dat een betalingsregeling mogelijk is en dat een afkoopsom tegen finale kwijting eveneens bespreekbaar is. [appellant] is 49 jaar en heeft een inkomen van € 2.172,56. De rechtbank is van oordeel dat [appellant] van de door WestlandUtrecht Bank geboden gelegenheid gebruik moet maken en moet trachten een betalingsregeling te treffen met de bank. Daarbij is mede in aanmerking genomen de ter zitting in eerste aanleg door [appellant] naar voren gebrachte recente vordering van de belastingdienst, te weten een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2015 groot € 5.839,00, te betalen voor 29 juli 2016. Daarover heeft [appellant] aangegeven van mening te zijn dat die aanslag te hoog is, dat dat mogelijk fout is gegaan vanwege de verkoop van de woning, dat hij daarover navraag zal doen bij de belastingdienst en dat hij dan gaat proberen een regeling te treffen. Ook dat duidt niet op een uitzichtloze financiële situatie als hiervoor bedoeld. Dat [appellant] hierdoor (veel) langer dan tijdens een schuldsaneringsregeling geconfronteerd wordt met zijn schuldenlast doet hier niet aan af. Naar het oordeel van de rechtbank is het onwenselijk de gevolgen van overfinanciering en/of depreciatie van een woonhuis op deze wijze voor risico van een financiële instelling te laten komen. [appellant] wordt in staat geacht om ook in de toekomst te kunnen voortgaan met het betalen van zijn schuldenlast.

3.4.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan tijdig in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

3.4.1.

De rechtbank heeft ter zitting vragen gesteld en heeft uit de antwoorden daarop grond gevonden om het verzoek af te wijzen. Uit de inhoud van de uitspraak maakt [appellant] op dat hij bij het beantwoorden van de vragen van de rechtbank niet duidelijk is geweest. In elk geval gaat de rechtbank uit van een aantal aannames die niet juist zijn.

3.4.2.

De rechtbank becijfert het inkomen van appellant, zonder daaraan een aflossingscapaciteit te koppelen. Door de Kredietbank is dit wel gedaan bij het opstellen van het verzoek en de aflossingscapaciteit is net iets meer dan € 250,- per maand, uitgaande van de situatie die tijdens een loonbeslag zou gelden of die tijdens een wettelijke schuldsanering het geval zou zijn. De schuld bedraagt ongeveer € 180.000,-. Zelfs als er een rentestop zou worden gehanteerd, is [appellant] nog 60 jaar bezig met afbetalen, als zijn inkomen gelijk blijft en de aflossingscapaciteit niet hoger wordt.

3.4.3.

De rechtbank overweegt dat [appellant] moet proberen om met de schuldeiser tot een regeling te komen. Blijkbaar is [appellant] er niet in geslaagd om aan de rechtbank duidelijk te maken dat hij drie jaar bezig is geweest om te trachten een dergelijke regeling te treffen. Ten minste vijfentwintig keer is er persoonlijk contact geweest tussen [appellant] en steeds weer andere medewerkers van de bank. Er is veelvuldig gecorrespondeerd over mogelijke oplossingen. De bank was niet in beweging te krijgen naar een oplossing waarbij [appellant] in elk geval op enig moment in zijn leven nog schuldenvrij zou worden. Uiteindelijk heeft de Kredietbank geprobeerd een regeling te treffen die zou leiden tot een periode waarin al de aflossingscapaciteit van [appellant] zou worden opgespaard ten behoeve van de bank, waarna dit bedrag tegen finale kwijting zou worden betaald. Daarop kwam het opnieuw voor [appellant] teleurstellende antwoord dat men voor een periode van een jaar akkoord zou gaan met betaling conform de aflossingscapaciteit van [appellant] , dus € 250,- per maand. Na dat jaar zou dan opnieuw gekeken moeten worden naar een maandtermijn in overeenstemming met de aflossingscapaciteit van [appellant] . Met de schuldeiser is dus geen andere afspraak te maken dan dat [appellant] tot aan zijn maximale capaciteit betaalt aan de schuldeiser.

3.5.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.

3.5.2.

Uit de salarisstroken, behorende bij de 285-verklaring van [appellant] , is het hof gebleken dat [appellant] over een gemiddeld inkomen beschikt van om en nabij € 2.200,-- netto per maand. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] desgevraagd verklaard dat, nu hij een co-ouderschapsregeling heeft getroffen met zijn ex-echtgenote over de drie kinderen - één kind staat inmiddels ingeschreven op het woonadres van [appellant] –, hij als één-ouder in aanmerking komt voor een aantal door de belastingdienst uit te keren toeslagen voor een totaalbedrag van circa € 400,-- per maand. Weliswaar dienen deze toeslagen te worden aangewend waarvoor ze zijn bestemd, doch daaraan doet niet af dat [appellant] alsdan beschikt over een netto-inkomen van ongeveer

€ 2.600,-- netto per maand, exclusief vakantietoeslag. Dat betekent dat [appellant] , wiens vaste maandelijkse uitgaven ongeveer € 923,-- per maand bedragen, maandelijks € 1.677,-- overhoudt voor zowel zijn kosten van levensonderhoud als dat van zijn drie minderjarige kinderen die 50% bij hem verblijven en 50% bij zijn ex-echtgenote.

3.6.3.

Zoals uit de inhoud van de processtukken blijkt heeft [appellant] als gevolg van de gedwongen verkoop van de voormalige echtelijke woning een schuld aan Westland Utrecht Bank van € 176.417,66. Westland Utrecht Bank is in het kader van het minnelijk traject weliswaar niet akkoord gegaan met het namens [appellant] gedane voorstel, doch de bank heeft een tegenvoorstel gedaan aan [appellant] , inhoudende een regeling voor de duur van 12 maanden van € 250,-- per maand, waarna na ommekomst van die termijn de regeling opnieuw wordt beoordeeld. Hieruit en uit het feit dat [appellant] vanaf het moment dat de woning is verkocht frequent contact onderhoudt met de bank, leidt het hof af dat een minnelijke regeling nog steeds tot de mogelijkheden kan behoren. In elk geval is Westland Utrecht Bank bereid om na een periode van 12 maanden de situatie opnieuw te bezien. Mogelijk dat, gelet op de in hoger beroep overgelegde stukken, zelfs een afkoopsom tegen finale kwijting bespreekbaar is. Stukken waaruit zou blijken dat, daargelaten nog de inhoud van de brief van 1 april 2016, Westland Utrecht Bank gedurende de afgelopen drie jaar niet in beweging te krijgen is geweest om een passende oplossing voor de hypotheekschuld te vinden, zijn door [appellant] overigens ook niet overgelegd.

Het hof merkt hierbij nog op dat in zoverre en ook in algemene zin onder de omstandigheden van deze zaak niet relevant is, althans een onvoldoende tegenargument is, dat - zoals door [appellant] is gesteld - hij de schuld aan de bank nooit binnen een acceptabele termijn geheel zal kunnen aflossen.

3.6.4.

Op dit moment heeft [appellant] een betalingsregeling getroffen met de belastingdienst ter zake van een voorlopige aanslag 2015 van € 5.839,-- waarop hij met een bedrag € 438,-- per maand inloopt. Dienaangaande zijn door hem overigens geen stukken overgelegd, mede waardoor het hof zonder meer al niet de noodzaak van een maandelijkse aflossing ter hoogte van € 438,-- kan beoordelen. Verder is niet gebleken dat de gestelde betalingsregeling is gecommuniceerd met Westland Utrecht Bank in het kader van een (aangepast) aflossingsplan. Dit klemt temeer nu door [appellant] evenmin stukken zijn overgelegd waaruit al eerder (en structureel) van een niet bereidheid tot het treffen van een passende regeling zijdens Westland Utrecht Bank blijkt. Het hof wees hier al eerder op (zie rechtsoverweging 3.6.3).

3.6.5.

Verder is het hof uit de 285-verklaring is het hof gebleken dat [appellant] in het kader van het minnelijk traject een bedrag heeft gespaard van € 5.155,44, welk bedrag hij zou kunnen aanwenden om de aan hem opgelegde belastingaanslag in zijn geheel te voldoen. In dat geval zou [appellant] opnieuw kunnen trachten een betalingsregeling te treffen met Westland Utrecht Bank.

3.7.

Al hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt heeft, geoordeeld heeft dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Daarop strandt reeds het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsanering.

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, A.P. Zweers-Van Vollenhoven en D. Osmic en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2016.