Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4732

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
200.196.331/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw: appellante moet met haar besteedbaar netto maandinkomen ten opzichte van haar schulden in staat worden geacht op haar schulden af te lossen

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288, geldigheid: 2008-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 20 oktober 2016

Zaaknummer : 200.196.331/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/220247/FT RK 16/558

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. L.N. Hermans te Sittard, gemeente Sittard-Geleen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Maastricht) van 19 juli 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 juli 2016, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te bepalen dat [appellante] alsnog in aanmerking komt voor de wettelijke schuldsanering.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2016. Bij die gelegenheid is gehoord:

- [appellante] , bijgestaan door mr. Hermans.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 6 juli 2016;

- de brief/het formulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 2 augustus 2016;

- de brief/het formulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 19 september 2016.

3 De beoordeling

3.1.

[appellante] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep, heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.3.

De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

De rechtbank is van oordeel dat, mede nu [appellante] ter zitting heeft verklaard dat

zij in behandeling is geweest bij Mondriaan en medicatie heeft in verband met haar

psychische gesteldheid, zij stukken had dienen over te leggen waaruit de beheersbaarheid van haar psychische problemen blijkt. Het had op de weg van [appellante]

gelegen om bij Mondriaan dan wel haar huisarts dergelijke stukken op te vragen. Nu

[appellante] dit heeft nagelaten is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt

dat de psychosociale problematiek al enige tijd beheersbaar is in die zin dat [appellante] de

uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal kunnen

nakomen en zich zal kunnen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.3.1.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 288, derde lid van de Fw, omdat [appellante] in het geheel geen stukken heeft

overgelegd waaruit haar psychische situatie blijkt.

3.4.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan (tijdig) in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

3.4.1.

Met betrekking tot het oordeel van de rechtbank dat voorafgaande aan het verzoek ter zitting [appellante] appellante geen stukken zijn ingediend waaruit haar psychische situatie blijkt, voert [appellante] aan dat haar partner voorafgaand aan de behandeling ter zitting met de griffie van de rechtbank Limburg contact heeft opgenomen over de vraag welke stukken naar

aanleiding van hulpverleningstrajecten uit het verleden ingediend moesten worden.

3.4.2.

Ten onrechte stelt de rechtbank in het vonnis dat [appellante] heeft verklaard dat zij van

haar huisarts zware medicijnen heeft gekregen in verband met haar psychische

gesteldheid. [appellante] betwist dat zij ter zitting bedoeld heeft te zeggen dat zij psychische problemen heeft of kampt met psychische problematiek waarvoor zij zware medicatie heeft.

De uitingen van appellante ter zitting zijn ten onrechte uitgelegd als zware medicatie

wegens haar psychische gesteldheid.

3.4.3.

[appellante] stelt voorts dat zij haar problematiek al geruime tijd zelf oplost, zodat gesteld kan worden dat haar psychosociale problematiek beheersbaar is. Alcoholgebruik vormt geen probleem meer in het leven van [appellante] . Daarbij heeft [appellante] in haar nieuwe leefomgeving een goed sociaal netwerk waarop zij indien nodig altijd kan rekenen.

3.5.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.5.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.

3.5.2.

Uit de inhoud van de 285-verklaring is het hof gebleken dat [appellante] een WIA-uitkering ontvangt van € 831,07 netto per maand, een pensioen-uitkering van € 245,72 per maand en dat zij daarnaast aan belastingtoeslagen een bedrag van € 714,-- per maand ontvangt, zodat in totaal het netto-inkomen van [appellante] neerkomt op afgerond

€ 1.791,-- netto per maand. Voorts is het hof gebleken dat [appellante] samenwoont met een partner, die over een eigen inkomen beschikt, zodat zij feitelijk een economische eenheid vormen en de woonlasten en de kosten van levensonderhoud worden gedeeld. Rekening houdende met de maandelijkse lasten van [appellante] van € 663,46 per maand, heeft [appellante] maandelijks € 1.127,54 te besteden voor haarzelf en haar minderjarige dochter en zoon, terwijl de totale schuldenlast van [appellante] € 9.926,29 bedraagt. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellante] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden. Het hof overweegt in dat verband dat [appellante] met haar besteedbaar netto maandinkomen ten opzicht van haar schulden in staat moet worden geacht op haar schulden af te lossen. Dit geldt temeer, nu uit de bij de 285-verklaring gevoegde vervolgrapportage integrale schuldhulpverlening het hof is gebleken dat [appellante] , met uitzondering van het LBIO, met haar overige schuldeisers betalingsregelingen heeft getroffen. Reeds eerder, namelijk in mei 2015, had de gemeente Heerlen kennelijk al twijfels of de schuldenproblematiek van [appellante] wel “helemaal problematisch” was, om vervolgens in overleg met [appellante] het dossier toch “door te zetten aan Kredietbank Limburg”. In dat verband stelt het hof bovendien nog vast dat, anders dan kennelijk in mei 2015 werd aangegeven, er thans wel degelijk mogelijkheden zijn tot uitgavenbeperkingen (en dus in beginsel meer mogelijkheden tot het inlossen van de schulden/betere c.q. meer betalingsregelingen dan nu), omdat ter zitting in hoger beroep daarnaar gevraagd, [appellante] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het bezit van een auto (met de daaraan verbonden kosten) noodzakelijk is. Al het voorgaande vormt reeds een grond het thans gedane verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering af te wijzen.

3.5.3.

Wat de schulden zelf betreft: een substantieel gedeelte van de schuldenlast van [appellante] bestaat uit (consumptieve) schulden aan een drietal postorderbedrijven die, blijkens de op de 285-verklaring genoemde jaartallen, in 2013 gedateerd zijn en, daarvan uitgaande, binnen de in artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw bedoelde termijn vallen. Desgevraagd bleek [appellante] niet in staat de onderliggende stukken over te leggen in verband met de schulden aan Neckermann, Otto en Wehkamp. [appellante] heeft te kennen gegeven en verklaard (zie bijvoorbeeld het proces-verbaal van eerste aanleg d.d. 6 juli 2016) dat een ex-partner de schulden op haar naam zou hebben gezet. Er zijn geen stuikken ter nadere onderbouwing hiervan. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] met betrekking tot genoemde schulden – die blijkens de 285-verklaring in totaal circa € 6.500,-- bedragen op een schuldenlast van circa € 9.900,-- hetgeen substantieel is – onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan daarvan. Dit vormt, daargelaten de eventuele toepasselijkheid van de hardheidsclausule, eveneens grond het thans gedane verzoek tot toelating tot de schuldsanering af te wijzen.

3.5.4.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.5.5.

Het hof verwijst in de eerste plaats naar de vervolgrapportage integrale schuldhulpverlening, waarin valt te lezen dat [appellante] , nadat haar echtgenoot in 2012 was overleden, een alcoholprobleem heeft gehad. Voorts is uit het proces-verbaal in eerste aanleg gebleken dat [appellante] bij die gelegenheid heeft verklaard dat zij in het verleden verkeerde vrienden heeft gehad en in aanraking is gekomen met alcohol. Uit de inhoud van dit proces-verbaal is het hof voorts gebleken dat meerdere keren is gevraagd om stukken of een rapport over de hulpverlening die er in het verleden is geweest, doch deze bescheiden heeft de rechtbank niet van [appellante] ontvangen.

Bij brief van 19 september 2016 heeft de advocaat een verklaring van Mondriaan d.d. 24 juni 2013 ter zake van de beëindiging van de behandeling van [appellante] overgelegd. Uit de inhoud van deze verklaring blijkt dat [appellante] sinds november 2012 op verzoek van Bureau Jeugdzorg in behandeling is geweest bij de divisie verslavingszorg in verband met regelmatig gebruik van alcohol en cocaine. Anders dan door de advocaat ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is betoogd, is [appellante] niet alleen 1995/1996 verslaafd geweest aan cocaine, doch ook in 2012, kennelijk na het overlijden van haar echtgenoot. Bovendien blijkt nu, anders dan in het kader van het beroepschrift is aangevoerd, er niet alleen sprake te zijn geweest van een terugkerend alcoholprobleem maar evenzeer van een (terugkerend) cocaïneprobleem. Hierover heeft [appellante] in eerste aanleg echter niet of niet volledig verklaard. Dit gebrek aan transparantie, ook waar het meergenoemde schulden aan een drietal postorderbedrijven betreft en verder het gegeven dat, wat er verder van het daadwerkelijke verschil in hoogte van de huurprijs zij, [appellante] blijkens de van maart 2016 daterende rapportage schuldbemiddelaar niet vooraf met de schuldbemiddelingsinstantie heeft overlegd over de verhuizing naar/het samenwonen met de heer [partner] , maken dat [appellante] in het kader van het huidige verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen (waaronder de algemene en spontane inlichtingenplicht) naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Ook dat vormt een grond om het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering af te wijzen.

3.5.6.

Wat betreft de toepassing van de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw: die ziet niet op het bepaalde in artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw. Afgezien hiervan is bij gebreke aan onderliggende bescheiden ook niet of niet voldoende duidelijk, welke omstandigheden bepalend zijn geweest voor het ontstaan van de schulden aan met name de postorderbedrijven. Verder gaat het bij artikel 288 lid 3 Fw om een discretionaire bevoegdheid van de rechter.

3.6.

Al hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof tot de slotsom dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, A.P. Zweers-Van Vollenhoven en M. Breur en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2016.