Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4729

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
07-11-2016
Zaaknummer
200.193.663/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag moeder over minderjarige, 8 jaar. Pleegmoeder is de oma van minderjarige. Situatie is vanuit het verleden gezien voor minderjarige te onbestendig om het gezag bij moeder te laten. Ook deling van gezag met oma zou meebrengen dat perspectief voor minderjarige onduidelijk blijft. Beëindiging gezag en opdragen van voogdij aan GI noodzakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 20 oktober 2016

Zaaknummer : 200.193.663/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/301704 / FA RK 15-4490

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende op een voor het hof bekend adres,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S. van de Voorde,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- de gecertificeerde instelling : Stichting Intervence, gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna te noemen: de GI);

- mevrouw [de pleegmoeder] en de heer [partner pleegmoeder] , beiden wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de pleegmoeder en partner).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 23 maart 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 juni 2016, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en daarbij het verzoek van de raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over [kind 1] alsnog af te wijzen.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 september 2016.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door een kantoorgenote van mr. Van de Voorde, mr E. Sijnesael;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door heer [vertegenwoordiger van de stichting] ;

- de heer [partner pleegmoeder] , in zijn hoedanigheid van partner van de pleegmoeder.

2.3.1.

Mevrouw [de pleegmoeder] , de pleegmoeder respectievelijk oma is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlage van 22 juni 2016 van de advocaat van de moeder;

  • -

    de brief van de raad d.d. 30 juni 2016;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van 23 augustus 2016 van de advocaat van de moeder;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van 5 september 2016 van de advocaat van de moeder;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van 6 september 2016 van de advocaat van de moeder;

  • -

    de brief met bijlagen van 13 september 2016 van de GI;

  • -

    de brief met bijlagen van 15 september 2016 van de advocaat van de moeder.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] [kind 1] (hierna te noemen: [kind 1] ) geboren.

De moeder heeft het ouderlijk gezag over [kind 1] .

3.2.

[kind 1] verblijft, met instemming van de moeder, ruim vier jaar bij de pleegmoeder en haar partner.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder beëindigd.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat -aan dat de rechtbank ten onrechte het ouderlijk gezag van de moeder over [kind 1] heeft beëindigd.

Daartoe heeft zij vier grieven opgeworpen. In de eerste plaats heeft zij gesteld dat door de rechtbank ten onrechte is bepaald dat door de raad voldoende aannemelijk is gemaakt dat de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te dragen (grief I). Tevens heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het onzekere perspectief van de minderjarige haar veel onrust geeft en dit maakt dat zij geen stabiliteit kent (grief II). In haar derde grief (grief III) heeft de moeder gesteld dat de rechtbank onterecht heeft bepaald dat de moeder onvoldoende beschikt over de mogelijkheden en vaardigheden die nodig zijn om de minderjarige te bieden wat zij nodig heeft en tot slot is volgens de moeder door de rechtbank ten onrechte overwogen dat de aanvaardbare termijn om in onzekerheid te verkeren over het opvoedingsperspectief voor de minderjarige inmiddels is verstreken (grief IV).

3.5.1.

In haar beroepschrift heeft de moeder ter onderbouwing van haar grieven overwogen dat zij de negatieve spiraal uit het verleden heeft doorbroken. Zij heeft zelfstandig hulp ingeschakeld van [Zorgbegeleiding] Zorgbegeleiding. Verder heeft zij haar relatie met de heer [ex-partner] beëindigd, eigen woonruimte gevonden en is er sprake van een opwaartse spiraal. Inmiddels is zij bevallen van haar zoon, [kind 2] , over wie op 31 maart 2016, nog voor zijn geboorte, een ondertoezichtstelling is uitgesproken. Vanwege de grote vooruitgang is door de rechtbank echter het verzoek tot uithuisplaatsing voor vijf maanden aangehouden en vervolgens is door de raad het verzoek tot uithuisplaatsing ingetrokken.

De stelling van de moeder is derhalve dat zij haar leven weer op de rails heeft.

De moeder weerspreekt om die reden tevens de conclusies van de raad in het rapport van 3 juli 2015. Deze zijn onjuist; de moeder heeft wel degelijk grip op haar leven.

Ook is de balans draagkracht-draaglast inmiddels vergroot, de moeder is strijdbaar en heeft ervoor gevochten dat zij haar zoontje thuis kan opvoeden.

De moeder verwijst verder naar het verslag van het netwerkberaad van 22 maart 2016 om te benadrukken dat er geen sprake is van wisselende relaties met hulpverleners.

Nu er drie rapportages van de raad bestaan die lijnrecht tegenover elkaar staan, acht de moeder het noodzakelijk dat er een nieuw en actueel raadsonderzoek wordt verricht naar het perspectief van [kind 1] .

Volgens de moeder is het verder niet juist dat de onzekerheid over haar perspectief [kind 1] onrust geeft en onzeker maakt. Uit de aanvullende informatie van 8 januari 2016 blijkt immers dat [kind 1] lekker in haar vel zit. Het verslag van school verschilt dan ook sterk met het raadsrapport.

De behandeling van [kind 1] bij ‘Kiek !’ in verband met gedragsproblemen werpt vruchten af. Bovendien weet [kind 1] waar ze aan toe is, zij verblijft bij oma en ziet de moeder op vaste tijden.

De moeder concludeert derhalve dat het perspectief van [kind 1] in de toekomst bij haar ligt en dat niet is voldaan aan artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

3.5.2.

Ter zitting van het hof heeft de moeder daaraan toegevoegd dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat zij over onvoldoende vaardigheden beschikt. Het gaat nu heel erg goed. Tijdens haar zwangerschap van haar zoontje [kind 2] is zij gaan vechten en dit heeft zijn vruchten afgeworpen. Ten aanzien van [kind 3] ligt het perspectief inmiddels ook bij haar.

De moeder meent dat het voor [kind 1] beter is om bij oma en de partner van oma te blijven wonen. Het is echter haar wens om belast te blijven met het gezag over [kind 1] .

De moeder verwijst daarvoor naar een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 augustus 2016, ECLI 2016:2418, waar sprake was van een vergelijkbare situatie.

Indien dit niet mogelijk is, is het de wens van de moeder om tezamen met de pleegmoeder op grond van artikel 1:253t BW het gezag uit te gaan oefenen.

Voor het geval het hof de bestreden beschikking bekrachtigt, verzoekt de moeder om de pleegmoeder te benoemen tot voogdes. Dit aangezien haar wantrouwen ten aanzien van Intervence is toegenomen door hetgeen is voor gevallen in de afgelopen periode.

3.6.

De raad voert ter zitting, - kort samengevat - aan dat ondanks de positieve ontwikkelingen in het leven van de moeder, het in het belang van [kind 1] is om duidelijkheid te krijgen waar zij gaat opgroeien. Deze duidelijkheid voor [kind 1] prevaleert boven de belangen van de moeder. De raad meent bovendien dat de zorgen die er nog bestaan ten aanzien van [kind 1] tezamen met de voornoemde duidelijkheid maken dat de raad het inleidende verzoek handhaaft en derhalve verzoekt om bekrachtiging van de bestreden beschikking.

3.7.

De GI voert ter zitting, - kort samengevat - aan dat het positief is dat het beter gaat met de moeder. Namens de GI wordt echter benadrukt dat de belangen van [kind 1] hier centraal staan. De instemming van de moeder met verblijf van [kind 1] bij de pleegmoeder is positief, dit is echter in de beleving van de GI een zeer recente ontwikkeling. Ook de wens van de moeder om samen met de pleegmoeder gezamenlijk het gezag over [kind 1] uit te oefenen is nieuw voor de GI en de GI ziet dit als een hele grote stap, welke op termijn nader zou moeten worden onderzocht.

De GI acht het thans van belang dat er duidelijkheid komt voor [kind 1] dat zij bij de pleegmoeder kan blijven wonen. De moeder kan uiteraard betrokken blijven, maar dan in haar rol als moeder op afstand. De GI kan daar een rol bij spelen. De GI verzoekt derhalve om de bestreden beschikking te bekrachtigen.

3.8.

Door de partner van de pleegmoeder is ter zitting aangegeven dat [kind 1] het erg goed doet. Ook op school gaat het goed en heeft zij het erg naar haar zin. [kind 1] voelt zich veilig bij pleegmoeder en haar partner.

Desgevraagd heeft de partner van de pleegmoeder verklaard dat de behandeling van [kind 1] bij ‘Kiek !’ goed gaat en er vooruitgang is te zien. Het is erg belangrijk dat zij vertrouwen krijgt in de behandelaars.

Ten aanzien van de moeder geldt dat zij altijd haar best heeft gedaan en dat het gezag dan ook bij de moeder zou moeten blijven.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.9.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat [kind 1] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [kind 1] aanvaardbaar te achten termijn.

3.9.3.

Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

Gebleken is dat [kind 1] in haar jonge leven veel onrust heeft gekend, waaronder verschillende wisselingen van woonomgeving en hechtingsfiguren, verwaarlozing en seksueel misbruik. Er is sprake van een complex trauma met hechtingsproblematiek.

Zij is op jonge leeftijd in een pleeggezin geplaatst, waar zij twee jaar heeft gewoond. Vervolgens is zij teruggeplaatst bij de moeder, om na één jaar bij de pleegmoeder en haar partner te worden geplaatst. [kind 1] is daarna bij de pleegmoeder blijven wonen.

Uit het raadsrapport volgt dat er nog veel zorgen zijn over het gedrag van [kind 1] . Zij laat seksueel ontremd gedrag zien, heeft moeite met het inschatten van grenzen, afstand en nabijheid. Het is voor haar verder moeilijk om aandacht te delen.

Gelet op de kindeigen problematiek en haar nog jonge leeftijd heeft zij - om zich emotioneel goed te kunnen ontwikkelen - (fysieke en emotionele) veiligheid en rust nodig. Deze ervaart [kind 1] in haar huidige opvoedsituatie. Beëindiging van het gezag zal bij [kind 1] duidelijkheid brengen over haar perspectief waardoor er ruimte zal ontstaan om aan heling en verdere ontplooiing te werken.

Bij de pleegmoeder is er hoop en verlangen dat het met de moeder beter zal gaan. Voor [kind 1] heeft dat twee kanten. De goede kant is dat de door pleegmoeder uitgedragen wens en hoop de warmte die van de familierelaties onderling uit gaat bevestigt. De lastige kant is dat het voor [kind 1] onrust veroorzaakt: haar perspectief blijft onzeker. Deze onrust stagneert haar hechtingsbehoeften en haar sociaal-emotionele ontwikkeling. Voor haar is daarom noodzakelijk dat er thans duidelijkheid komt omtrent haar perspectief.

Het hof ziet het als een positieve ontwikkeling dat, zo is ter zitting van het hof naar voren gekomen, de moeder thans uit zichzelf heeft aangegeven dat het verblijf van [kind 1] bij de pleegmoeder en haar partner kan worden gecontinueerd. Uit de stukken is ook gebleken, zoals tevens namens de GI is benadrukt, dat dit een zeer recente ontwikkeling is en de verhouding tussen de moeder en pleegmoeder in de loop van de tijd zeer wisselend is geweest. Daarbij is gebleken dat, ondanks dat er bij de moeder sprake is van goede intenties, (persoonlijke) omstandigheden er - in het recente verleden - voor hebben gezorgd dat afspraken anders verliepen en aangepast moesten worden.

De zaak als behandeld door het hof Den Haag, van 17 augustus 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:2418) is in menig opzicht niet vergelijkbaar met de onderhavige.

De gezagskwestie in deze wordt op zichzelf, rekening houdend met alle relevante feiten en omstandigheden, beoordeeld hetgeen een andere uitkomst rechtvaardigt.

Tenslotte acht het hof de wens van de moeder, zoals zij eerst ter zitting van het hof heeft verzocht, om gezamenlijk met de pleegmoeder het gezag uit te oefenen over [kind 1] thans niet in het belang van de minderjarige. Uit hetgeen uit de stukken is gebleken zou naar het oordeel van het hof ook in die situatie de ontwikkeling van de minderjarige op dit moment ernstig bedreigd blijven, met name door de onrust ten gevolge van de onzekerheid over haar perspectief, die onder die gezagsvoorziening voor [kind 1] zou blijven bestaan.

Gelet op het vorenstaande is het hof met de raad en de GI van oordeel dat het belang van [kind 1] bij rust en stabiliteit thans duidelijkheid omtrent haar toekomstperspectief vereist en dat in redelijkheid niet te verwachten is dat de moeder binnen een aanvaarbare termijn in staat zal zijn om op een verantwoorde wijze de opvoeding van [kind 1] op zich te nemen. De moeder heeft dit feitelijk ook zelf ter zitting aangegeven nu zij te kennen heeft gegeven dat de woon en verblijfplaats van [kind 1] ook voor de toekomst bij de pleegmoeder zou moeten zijn. Een beëindiging van het gezag van de moeder over [kind 1] acht het hof in het belang van de minderjarige dan ook noodzakelijk.

Het hof ziet voorts geen aanleiding om de huidige situatie alsnog te laten onderzoek door raad, zoals de moeder heeft verzocht. Het hof acht zich, gezien ook in het licht van hetgeen hierboven is overwogen, voldoende voorgelicht om in deze een verantwoorde beslissing te nemen. Overigens verzet ook het belang van [kind 1] zich tegen een nieuw onderzoek, gelet op de tijd die zo een onderzoek zou gaan kosten en de voortdurende onrust waarvan sprake is. Voor haar verdere ontwikkeling is nu duidelijkheid omtrent haar toekomstperspectief noodzakelijk.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

3.11.

Het hof begrijpt dat de beëindiging van haar gezag over [kind 1] voor de moeder moeilijk zal zijn. Echter, de moeder blijft de moeder van [kind 1] . Daar verandert niets aan en evenmin verandert dit iets aan het belang van een goed contact tussen [kind 1] en de moeder. Het hof acht het in dit verband van belang dat de moeder hierbij ondersteuning krijgt.

Tot slot overweegt het hof dat van de zijde van de GI, ter zitting van het hof, is aangegeven dat er in het kader van de gezagsuitoefening door de GI altijd wordt gekeken of er de mogelijkheid bestaat om het gezag in de (verdere) toekomst bij de pleegmoeder neer te leggen, waarbij ook de mogelijkheid bestaat van een gezagssituatie waarbij de moeder betrokken wordt.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg van 23 maart 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, J.H.J.M. Mertens-Steeghs en A.J. van de Rakt in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2016.