Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4714

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
200.178.655/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:966
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie;

omgangsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 20 oktober 2016

Zaaknummer: 200.178.655/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/265155 / FA RK 13-3510_3

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. I.H.M. Mooren - van Weereld,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.C. Appünn.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 juli 2015 en naar de beschikkingen van die rechtbank van 24 januari 2014 en 11 oktober 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 oktober 2015, heeft de man verzocht voormelde beschikking van 15 juli 2015 te vernietigen voor zover daarbij een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen van partijen is vastgesteld ten bedrage van € 205,43 per kind per maand en die bijdrage vast te stellen op

€ 109,- per kind per maand, althans op een zodanig bedrag als het hof juist acht.

2.2.

De vrouw heeft op 22 december 2015 een verweerschrift met producties ter griffie ingediend. Hierbij heeft de vrouw tevens incidenteel appel ingesteld en verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen ten aanzien van de beslissing omtrent de zorgregeling en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat:

I. de man met een bedrag van € 289,- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;

II. de kinderen een weekend per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man verblijven, alsmede de helft van de vakanties en de feestdagen.

Bij dit verweerschrift heeft de vrouw daarnaast het hof om een provisionele voorziening verzocht, waarbij zij het hof verzoekt om in dat kader een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige kinderen van partijen vast te stellen van een weekend per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en de feestdagen. Dit verzoek is bij het hof geadministreerd onder nummer 200.178.655/02 en bij beschikking van 10 maart 2016 door het hof afgewezen.

2.3.

Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 2 februari 2016, heeft de man verzocht bij beschikking, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het beroep van de vrouw in incidenteel appel ongegrond te verklaren althans haar grieven en verzoeken af te wijzen.

2.4.

In de bodemprocedure (nummer 200.178.655/01) heeft op 16 februari 2016 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij beschikking van 10 maart 2016 heeft het hof drs. [bijzondere curator] als bijzondere curator benoemt en haar verzocht de belangen van de kinderen in deze te behartigen, voor zover nodig zowel in als buiten rechte. Daarbij ging het in het bijzonder om de vraag op welke wijze het beste inhoud kan worden gegeven aan de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Het hof verzocht de bijzondere curator daartoe gesprekken te voeren met de ouders en de minderjarigen.

2.5.

De voortzetting van de mondelinge behandeling in de bodemprocedure heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de gecertificeerde instelling (GI)), vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

De bijzondere curator drs. [bijzondere curator] is, met bericht van verhindering, niet ter zitting

verschenen.

2.6.

Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.

Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en zijn voorafgaand aan de voortgezette mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.7.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 8 februari 2016;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 14 april 2016;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 15 april 2016;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 8 augustus 2016;

- het rapport van de bijzondere curator d.d. 9 augustus 2016;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 16 augustus 2016.

3. De beoordeling

in het principaal en incidenteel appel:

3.1.

Partijen zijn op 1 november 2002 te Boxtel met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [minderjarige 1] (hierna ook: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2003 te ’ [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] (hierna ook: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 3] (hierna ook: [minderjarige 3] ), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] .

De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

De kinderen staan sinds 18 april 2014 onder toezicht van de GI.

De vrouw heeft in 2015 een vierde kind gekregen, [minderjarige 4] .

3.2.

Bij beschikking van 11 oktober 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 18 februari 2014 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Bij beschikking van 24 januari 2014 heeft de rechtbank - voor zover thans van belang - onder aanhouding van iedere verdere beslissing de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de vragen welke hoofdverblijfplaats en welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het meest tegemoet komt aan de belangen van de kinderen.

3.4.

De raad heeft op 14 april 2014 rapport uitgebracht.

3.5.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepaald, een zorgregeling vastgesteld, waarbij de kinderen de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man verblijven en het wisselmoment op zaterdag om 18.00 uur plaatsvindt en voorts de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vastgesteld op een bedrag van € 205,43 per kind per maand.

3.6.

De man kan zich met deze beschikking niet verenigen voor zover deze betrekking heeft op de door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen en hij is hiervan in zoverre in hoger beroep gekomen.

De vrouw kan zich met deze beschikking niet verenigen zowel voor zover deze betreft de zorgregeling ten aanzien van de kinderen als de daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en zij is hiervan in incidenteel hoger beroep gekomen.

Zorgregeling

3.7.

Uit het rapport van de bijzondere curator van 9 augustus 2016 blijkt dat de ouders overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de kinderen.

3.8.

De man heeft ter zitting - kort samengevat - het volgende aangevoerd. De man heeft kanttekeningen bij het rapport van de bijzondere curator. In dat rapport wordt hij ten onrechte afgeschilderd als een persoon die situaties vaak verkeerd inschat. De opmerkingen van de man bij het rapport zijn door de bijzondere curator maar ten dele verwerkt. Op twee zaken uit het rapport wil de man in het bijzonder ingaan. Op de eerste plaats is het zeer zeker niet waar dat de man had kunnen weten dat de kinderen de caravan in brand zouden steken, zoals de bijzondere curator in het rapport lijkt te suggereren. Verder is de verslaglegging over de beweerde aanranding van [minderjarige 1] door een bewoner van de [vakantiepark] niet juist. In het rapport staat dat de man alles ontkende en hij wordt neergezet als iemand die de rechtsgang heeft belemmerd. De man heeft tegenover de politie echter alleen verklaard dat hij niet wist wat er was gebeurd. De als verdachte aangemerkte persoon was geen bekende van de man noch was hij een bewoner van de [vakantiepark] .

Ook is het niet aan de orde dat [minderjarige 2] zou zijn geslagen door de man, zoals in het rapport staat vermeld.

Door de slordige verslaglegging van de bijzondere curator is de man op achterstand gezet. De kinderen hebben nu de indruk gekregen dat het bij de man thuis minder goed is dan bij de vrouw. De man heeft daar veel moeite mee.

De man heeft bij de bijzondere curator een stap teruggezet ten behoeve van de rust van de kinderen. Echter, volgens hem is de afgesproken regeling niet in het belang van de kinderen. De man wil uiteindelijk weer een uitgebreidere contactregeling. In de huidige regeling kan hij in te geringe mate als opvoeder fungeren. Dat is niet in het belang van de kinderen. De man maakt zich veel zorgen over de kinderen.

Met betrekking tot de zorgregeling tijdens de kerstdagen is de man van mening dat er in de door de vrouw voorgestelde regeling te veel wisselingen plaatsvinden. De man wil om het jaar de kerstdagen rustig met de kinderen kunnen doorbrengen.

3.9.

De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij bij een familiefeest als kerstmis de kinderen graag een dag bij zich wil hebben.

3.10.

Het hof overweegt als volgt.

Als bijlage bij haar verslag heeft de bijzondere curator een door de ouders ondertekend ouderschapsplan d.d. 9 augustus 2016 aan het hof doen toekomen. In dit ouderschapsplan zijn de door de ouders gemaakte afspraken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de kinderen neergelegd. De ouders zijn het volgende overeengekomen:

de kinderen brengen gezamenlijk eenmaal per veertien dagen een weekend bij de man door. Zij worden op vrijdagavond om 19.00 uur gebracht door de vrouw en de kinderen worden op zondagavond om 20.00 uur door de man naar de vrouw gebracht. [minderjarige 3] en [minderjarige 2] gaan in de andere week, eveneens met een frequentie van eenmaal per veertien dagen, een woensdagmiddag naar de man. De man haalt en brengt de kinderen. Zij gaan na schooltijd naar hem en zijn om 20.00 uur terug bij de vrouw.

Partijen zijn voorts een uitgebreide regeling ten aanzien van de verdeling van de zorg en opvoedingstaken overeengekomen met betrekking tot de vakanties en de feest- en bijzondere dagen.

Het hof zal beslissen overeenkomstig de door de ouders gemaakte afspraken zoals die zijn neergelegd in het ondertekende ouderschapsplan. Het hof neemt hierbij in overweging dat, wat er zij van de ter zitting door de man geplaatste kanttekeningen bij het rapport van de bijzondere curator, de man niet heeft aangegeven dat hij thans wil terugkomen op de in het ouderschapsplan opgenomen afspraken tussen de ouders.

Het hof zal de door partijen overeengekomen weekend- en woensdagmiddagregeling opnemen in het dictum van deze beschikking en voorts bepalen dat de ouders zijn overeengekomen zoals neergelegd in voormeld ouderschapsplan en een kopie van dit plan aan deze beschikking hechten.

3.10.1.

Over de zorgregeling tijdens de kerstdagen zijn de ouders verdeeld gebleven. De vrouw wil ieder jaar een van de kerstdagen met de kinderen doorbrengen. De man wil dat de kinderen om het jaar beide kerstdagen bij hem verblijven. De ouders verzoeken het hof op dit punt een beslissing te nemen.

Het hof overweegt als volgt.

De kinderen hebben aan het hof laten weten dat zij er de voorkeur aan geven om met kerstmis bij ieder van de ouders één dag door te brengen. De kinderen hebben daarbij verteld dat het in de afgelopen jaren, op één jaar na, ook feitelijk zo is geregeld en uitgevoerd. Zij hebben die jaren een kerstdag bij de ene ouder en een kerstdag bij de andere ouder verbleven. De ouders hebben dit ter zitting bevestigd.

Gelet op de wijze waarop de contactregeling tijdens de kerstdagen in de periode na de breuk tussen de ouders tot nu toe is uitgevoerd, en de kinderen uitdrukkelijk te kennen hebben gegeven aan het hof daar ook de voorkeur aan te geven zal het hof overeenkomstig de wens van de kinderen beslissen en de kerstdagen tussen de ouders verdelen zoals opgenomen in het dictum.

Kinderalimentatie

3.11.

De grieven van de man betreffen:

- de behoefte van de kinderen (grieven 1 en 2);

- de draagkracht van de man (grief 3);

- de draagkracht van de vrouw (grief 4);

- de hoogte van de door de man te betalen kinderbijdrage (grief 5).

De grieven van de vrouw zien op:

- de verdeling van haar draagkracht over haar vier kinderen (grief 1);

- de draagkracht van de man (grief 2).

De man heeft verder nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die zich na de uitspraak van de rechtbank hebben voorgedaan. De man is met ingang van 1 november 2015 werkloos geworden. Hij heeft van zijn voormalige werkgever een ontbindingsvergoeding ontvangen van € 120.000,- bruto ofwel € 69.600,- netto.

Ingangsdatum

3.12.

De ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage, zijnde 15 juli 2015, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.

Behoefte kinderen

3.13.

Partijen zijn het eens over de behoefte van de kinderen van € 1.500,- totaal per maand in 2012, geïndexeerd € 1.552,- per maand in 2015, en afgerond € 1.572,- per maand in 2016 . Gelet op de overeenstemming tussen partijen over de behoefte van de kinderen, behoeven de grieven 1 en 2 van de man in zoverre geen bespreking.

De man heeft met grief 1 nog wel aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte - overigens zonder dat dit van invloed is op de vaststelling van de hoogte van de behoefte van de kinderen - op het fiscaal jaarinkomen van de man in 2012 niet de fiscale bijtelling vanwege de auto van de zaak ten bedrage van € 7.498,- per jaar in mindering heeft gebracht.

De vrouw is het eens met deze grief, zodat deze in zoverre slaagt.

3.14.

Tussen partijen is voorts niet in geschil dat de behoefte van [minderjarige 4] € 222,- per maand in 2015 bedraagt.

De vrouw voert met grief 1 aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vrouw kan worden verplicht aan de verwekker van [minderjarige 4] een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 4] te vragen. De vrouw heeft er bewust voor gekozen om [minderjarige 4] alleen op te voeden en om de volledige financiële verantwoordelijkheid voor het kind te dragen.

De man heeft deze grief van de vrouw gemotiveerd bestreden.

Het hof overweegt met de rechtbank als volgt.

Op grond van artikel 1:394 BW is de verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, als ware hij ouder, verplicht tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Gelet hierop kan de vrouw aan de verwekker van [minderjarige 4] een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding verzoeken en is de verwekker verplicht die bijdrage te voldoen. Aan de stelling van de vrouw dat zij er voor heeft gekozen om de volledige financiële verantwoordelijkheid voor [minderjarige 4] te dragen en dat zij niet verplicht kan worden aan de verwekker om een bijdrage te vragen, gaat het hof voorbij. De vrouw verliest hierbij uit het oog dat bij de becijfering van haar draagkracht niet alleen haar feitelijke inkomsten, maar ook de inkomsten die zij zich in redelijkheid kan verwerven, bepalend zijn. Het staat de vrouw uiteraard vrij ervoor te kiezen om van de vader van [minderjarige 4] geen bijdrage te vragen, maar deze keuze komt geheel voor haar rekening en werkt niet door in de draagkracht ten behoeve van de andere drie kinderen. De grief van de vrouw slaagt derhalve niet.

Bij gebrek aan inkomensgegevens van de verwekker gaat het hof er, evenals de rechtbank, vanuit dat hij in de helft van de behoefte van [minderjarige 4] kan voorzien. Dit betekent dat de behoefte van [minderjarige 4] waarmee het hof rekening zal houden € 111,- per maand bedraagt.

Draagkracht

3.15.

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding de kosten van de kinderen tussen de ouders moeten worden verdeeld. Het hof volgt in dit opzicht de richtlijn van de expertgroep alimentatienormen, die inhoudt dat de kosten van de kinderen tussen de ouders moeten worden verdeeld naar rato van ieders draagkracht.

Het bedrag aan draagkracht voor inkomens vanaf een netto besteedbaar inkomen (NBI) van

€ 1.500,- per maand wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 NBI + € 875,- (2015) / € 890,- (2016))].

Draagkracht man

3.16.

Partijen zijn het ter zitting eens geworden over het in aanmerking te nemen inkomen van de man. Deze overeenstemming houdt in dat in de periode tot 1 november 2015 rekening dient te worden gehouden met een fiscaal jaarinkomen van de man van € 50.093,-, zoals vermeld op de jaaropgave over 2014, verminderd met de fiscale bijtelling vanwege de auto van de zaak ten bedrage van € 7.498,- per jaar, hetgeen resulteert in een fiscaal jaarinkomen van € 42.595,- en een netto maandinkomen van € 2.473,-. Met ingang van 1 november 2015 ontvangt de man een werkloosheidsuitkering van € 2.660,43 bruto per maand tot 1 januari 2016, € 2.785,71 bruto in de maand januari 2016 en € 2.789,56 bruto per maand met ingang van 1 februari 2016. Gelet op de bereikte overeenstemming behoeven grief 3 van de man en grief 2 van de vrouw geen behandeling meer.

De man heeft recht op de volgende heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting (tot 1 november 2015).

3.17.

Tussen partijen is nog wel in geschil of en in hoeverre de man met de door hem van zijn voormalige werkgever ontvangen ontbindingsvergoeding van netto € 69.600,- zijn werkloosheidsuitkering dient aan te vullen tot het inkomensniveau dat hij tot 1 november 2015 had.

De man stelt zich op het standpunt dat zijn draagkracht met ingang van 1 november 2015 dient te worden vastgesteld op basis van zijn werkloosheidsuitkering. De man voert daartoe aan dat er van de door hem ontvangen ontbindingsvergoeding niets meer resteert. Hij heeft gedurende een lange periode de huur van een loods van partijen betaald alsmede hoge kosten moeten maken vanwege het leegruimen van die loods. De man heeft geld geleend om betalingen te kunnen doen of heeft betalingen uitgesteld. De man heeft daarnaast door de talloze procedures tussen partijen een bedrag van ongeveer € 35.000,- aan advocaatkosten moeten betalen. Hij heeft daarvoor een bedrag van € 20.000,- bij zijn moeder geleend.

Na ontvangst van de ontbindingsvergoeding is deze geheel opgegaan aan het betalen van alle uitgestelde rekeningen en het terugbetalen van het geleende geld.

De vrouw is van mening dat de man met de door hem ontvangen ontbindingsvergoeding zijn werkloosheidsuitkering moet aanvullen tot zijn oude salarisniveau. De man heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt waaraan de ontbindingsvergoeding is besteed.

3.18.

Het hof overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man een ontbindingsvergoeding heeft ontvangen van € 69.600,- netto. Het hof overweegt dat een ontbindingsvergoeding in principe is bestemd om inkomensschade uit ontslag op te vangen. Dat betekent dat het hof er bij de draagkrachtbepaling in principe vanuit gaat dat het lagere inkomen wordt aangevuld tot het oude niveau.

Het hof acht het evenwel in dit geval redelijk en billijk dat de man deze vergoeding deels heeft gebruikt om advocaatkosten te betalen. Met betrekking tot de hoogte daarvan en de overige door de man gestelde bestedingen van de ontbindingsvergoeding is het hof van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd wat daadwerkelijk van de ontbindingsvergoeding is betaald en in hoeverre deze betalingen zodanig noodzakelijk en onvermijdelijk waren dat ze dienen te prevaleren boven de dringende onderhoudsverplichting van de man ten opzichte van zijn kinderen.

Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt, dat in redelijkheid van hem niet kan worden gevergd dat hij de ontbindingsvergoeding aanwendt om in elk geval zijn werkeloosheidsuitkering gedurende de hele looptijd, die duurt tot 1 augustus 2018, aan te vullen tot het niveau van zijn netto salaris, berekend op basis van zijn inkomen in 2014 van € 2.473,- per maand.

3.19.

Uitgaande van een netto besteedbaar inkomen van de man van € 2.473,- per maand is de draagkracht van de man volgens de formule € 599,- per maand.

Draagkracht vrouw

3.20.

Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over het in aanmerking te nemen inkomen van de vrouw. Partijen zijn overeengekomen dat rekening dient te worden gehouden met een fiscaal jaarinkomen van € 23.897,-, zoals daarvan blijkt uit de jaaropgave over 2015. De vrouw ontvangt daarnaast een kindgebonden budget. In 2015 bedroeg dit

€ 4.897 per jaar en in 2016 € 5.547,- per jaar.

Gelet op de bereikte overeenstemming hoeft grief 4 van de man niet te worden besproken.

De vrouw heeft recht op de volgende heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting;

- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

3.21.

Op grond van het voorgaande stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op een bedrag van € 2.164,- per maand in de periode vanaf 15 juli 2015 tot 1 januari 2016, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening I, en op een bedrag van € 2.327,- per maand met ingang van 1 januari 2016, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening II.

3.22.

De draagkracht van de vrouw is volgens de formule € 448,- per maand in de periode vanaf 15 juli 2015 tot 1 januari 2016 en € 517,- per maand in de periode met ingang van

1 januari 2016.

Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de vrouw dient te worden verdeeld over de vier kinderen naar rato van hun behoefte (behoefte/totale behoefte maal draagkracht vrouw).

De draagkracht van de vrouw voor de drie kinderen van partijen bedraagt dan € 418,- per maand in de periode vanaf 15 juli 2015 tot 1 januari 2016 (€ 1.552,- / € 1.663,- x € 448) en

€ 482,- per maand in de periode met ingang van 1 januari 2016 (€ 1.552,- / € 1.663,- x

€ 517,-). Gezien het relatief geringe verschil in draagkracht van de vrouw zal het hof nu het om een beperkte periode gaat eerst vanaf 22 mei 2016 (wijziging percentage zorgkorting) met deze hogere draagkracht rekening houden. Het hof zal ook met ingang van die datum rekening houden met de geïndexeerde behoefte van de kinderen in 2016.

3.23.

Nu in geen van de onderscheiden periodes de draagkracht van partijen voldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien, kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van de man wordt beperkt door diens draagkracht.

Zorgkorting

3.24.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man in de periode waarin er sprake was van een co-ouderschap, te weten vanaf 15 juli 2015 tot 22 mei 2016, aanspraak heeft op een zorgkorting van 35%. Nu de behoefte van de kinderen € 1.552,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting in deze periode een bedrag van € 544,- per maand.

3.25.

Met ingang van 22 mei 2016 wordt de door de ouders afgesproken zorgregeling uitgevoerd. De man maakt in deze periode aanspraak op een zorgkorting van 25% voor alle drie de kinderen, waartegen de vrouw gemotiveerd bezwaar heeft gemaakt voor zover het betreft de zorgkorting voor [minderjarige 1] . In haar visie dient deze 15% te belopen.

Het hof volgt in dit opzicht de richtlijn van de expertgroep alimentatienormen, die inhoudt dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. Nu de man gemiddeld een dag per week de zorg heeft voor [minderjarige 1] , geldt een percentage van 15%.

Voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hanteert het hof - als niet in geschil - een percentage van 25%.

De zorgkorting ten aanzien van [minderjarige 1] beloopt in deze periode € 78,- per maand en die ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] € 129,- per kind per maand.

Vaststelling van de alimentatie

In de periode vanaf 15 juli 2015 tot 22 mei 2016

3.26.

Nu de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend.

Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting.

Het tekort bedraagt: € 505,- in de periode vanaf 15 juli 2015 tot 22 mei 2016.

De door de man ten behoeve van de drie kinderen gezamenlijk te betalen bijdrage wordt als volgt berekend:

- in de periode vanaf 15 juli 2015 tot 22 mei 2016 : € 599,00 -/- (€ 544,00 -/- € 253,00) =

€ 308,- (bedrag draagkracht man -/- (zorgkorting -/- helft van het tekort));

3.27.

Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen derhalve vast op een bedrag van € 103,- per kind per maand in de periode vanaf 15 juli 2015 tot 22 mei 2016.

In de periode vanaf 22 mei 2016

3.28.

De gezamenlijk draagkracht van de ouders vanaf 22 mei 2016 bedraagt € 1081,- (€599,- zijdens de man en € 482,- zijdens de vrouw). De behoefte van de drie kinderen tezamen bedraagt € 1572,18. Nu de draagkracht van beide ouders ook in deze periode tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend.

Voor de man betekent dit ook hier dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting.

3.29.

Ten aanzien van [minderjarige 1] :

Het tekort in draagkracht van de ouders bedraagt ten aanzien van [minderjarige 1] afgerond € 164,-. Nu de helft van het tekort (€ 82,-) hoger is dan de zorgkorting (€78,-) is er ten aanzien van [minderjarige 1] onvoldoende draagkracht beschikbaar om enig bedrag terzake zorgkorting in mindering te brengen op de draagkracht van de man.

Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] derhalve vast op een bedrag van afgerond € 199,- per maand.

3.30.

Ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] :

Het tekort in draagkracht van de ouders bedraagt € 328,- voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] samen. De helft hiervan komt voor rekening van de man, zijnde een bedrag van € 164,-. De zorgkorting bedraagt 25% van de behoefte van de beide kinderen (€ 1048,-) is € 262,- voor beide kinderen. De door de man te betalen bijdrage wordt als volgt berekend:

afgerond € 400,00 -/- (€ 258,- -/- € 164,00) (bedrag draagkracht man ten behoeve van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] -/- (zorgkorting -/- helft van het tekort)) = € 306,00;

Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] derhalve vast op een bedrag van € 153,- per kind per maand.

3.31.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de beschikking waarvan beroep gedeeltelijk zal vernietigen.

8 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 juli 2015, voor zover daarbij een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is vastgesteld en voor zover daarbij een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen is bepaald,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt met ingang van heden omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en de vrouw met betrekking tot [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2003 te ’ [geboorteplaats] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2004 te

[geboorteplaats] en [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2004 te

[geboorteplaats] , de volgende regeling vast:

de kinderen brengen gezamenlijk eenmaal per veertien dagen een weekend bij de man door. Zij worden op vrijdagavond om 19.00 uur gebracht door de vrouw en de kinderen worden op zondagavond om 20.00 uur door de man naar de vrouw gebracht. [minderjarige 3] en [minderjarige 2] gaan in de andere week, eveneens met een frequentie van eenmaal per veertien dagen, een woensdagmiddag naar de man. De man haalt en brengt de kinderen. Zij gaan na schooltijd naar hem en zijn om 20.00 uur terug bij de vrouw;

de kinderen verblijven in 2016 (even jaar) op eerste kerstdag bij de man en op tweede kerstdag bij de vrouw en in 2017 (oneven jaar) op eerste kerstdag bij de vrouw en op tweede kerstdag bij de man. Deze systematiek wordt in de daaropvolgende jaren eveneens gevolgd. In de even jaren eerste kerstdag bij de man en tweede kerstdag bij de vrouw. In de oneven jaren draait dit om;

de kinderen verblijven gedurende de vakanties en de feest- en bijzondere dagen bij de man dan wel de vrouw overeenkomstig hetgeen partijen daarover zijn overeengekomen en zoals dit is neergelegd in het op 9 augustus 2016 door hen ondertekende ouderschapsplan, waarvan een kopie aan deze beschikking is gehecht;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2003 te

[geboorteplaats] :

- met ingang van 15 juli 2015 tot 22 mei 2016 op een bedrag van € 103,- per maand;

- met ingang van 22 mei 2016 op een bedrag van € 199,00,- per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] en [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] :

- met ingang van 15 juli 2015 tot 22 mei 2016 op een bedrag van € 103,- per kind per maand;

- met ingang van 22 mei 2016 op een bedrag van € 153,- per kind per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma - Beversluis, J.H.J.M. Mertens -Steeghs en M.C. Bijleveld - van der Slikke en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2016.