Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4703

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
21-10-2016
Zaaknummer
200 196 938_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoekster wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. In hoger beroep vooralsnog voldoende aannemelijk geworden dat verzoekster op een verantwoorde wijze haar onderneming is gestart. Op basis van onder meer schriftelijke verklaring van een behandelaar voldoende gebleken dat psychische problemen onder controle zijn. Wijziging in de persoonlijke omstandigheden van verzoekster behoeft niet aan haar toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 20 oktober 2016

Zaaknummer : 200.196.938/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/220502 / FT RK 16/591

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. R. Jacobs te Heerlen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 juli 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 1 augustus 2016, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en haar alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2016. Bij die gelegenheid is [appellante] gehoord, bijgestaan door mr. Jacobs.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de stukken van de eerste aanleg, ingestuurd door de advocaat van [appellante] bij brief d.d. 17 augustus 2016;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 20 juli 2016, ingestuurd door de advocaat van [appellante] bij brief d.d. 30 augustus 2016;

- de brief van de advocaat van [appellante] d.d. 22 september 2016 met bijlage (verklaring medische behandeling UMC [vestigingsplaats] );

- de ter zitting in hoger beroep door de advocaat van [appellante] overgelegde verklaring van psycholoog drs. [psycholoog] d.d. 10 oktober 2016.

3 De beoordeling

3.1.

[appellante] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellante] blijkt een totale schuldenlast van € 6.045,- aan preferente schulden en € 259.035,04 aan concurrente schulden, tezamen € 265.080,04. Daaronder bevinden zich

een schuld aan ABN afd. Credit van € 146.264,88 en een tweetal schulden aan SNS van

€ 21.447,24 resp. € 7.463,14.

Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat meerdere crediteuren niet met het voorstel hebben ingestemd.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

3.3.

De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

De rechtbank betwijfelt of er bij [appellante] wel sprake is geweest van verantwoord ondernemerschap. [appellante] is, hoewel zij ervaring had in de confectiebranche, onvoorbereid begonnen aan haar kledingzaak. Daar komt bij dat er al een behoorlijke schuld bestond op het moment dat [appellante] aan haar zaak wilde beginnen. Na de weigering van verschillende banken om een lening te verstrekken, had [appellante] zich de vraag moeten stellen of zij wel aan een avontuur moest beginnen waarvan de afloop zeer onzeker was. De rechtbank kan niet beoordelen of de door [appellante] gemaakte keuzes als ondernemer de toets der kritiek kunnen doorstaan, maar stelt daar grote vraagtekens bij.

3.4.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan tijdig in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

[appellante] stelt dat het feit dat zij een eigen bedrijf is begonnen terwijl zij een schuld had, niet betekent dat zij te kwader trouw, dan wel lichtvaardig heeft gehandeld. De rechtbank heeft dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft haar oordeel dat zij betwijfelt of er bij [appellante] sprake is geweest van verantwoord ondernemerschap eveneens ondeugdelijk gemotiveerd. Voorts betwist [appellante] dat zij onvoorbereid is begonnen aan haar kledingzaak, zoals de rechtbank overweegt. Toen een particuliere geldschieter, die € 35.000,- in de onderneming van [appellante] investeerde, zich na ongeveer een half jaar terugtrok en zijn geld terug wilde, heeft [appellante] een bedrag van € 15.000,- op zeer korte termijn terugbetaald met winst uit onderneming en heeft zij bij een goede relatie € 20.000,- geleend, teneinde de eerste lening af te lossen. Zij heeft er daarmee voor gezorgd dat er geen nieuwe schulden zijn ontstaan. [appellante] erkent dat zij niet juist heeft gehandeld door kleding mee te geven aan een klant zonder bon of betaling, maar dit heeft niet bijgedragen aan het niet slagen van haar onderneming, aldus [appellante] . Verder heeft zij destijds met Bureau [bureau] B.V. te [vestigingsplaats] een ondernemingsplan opgesteld en is er een uitvoerig concurrentieonderzoek door voornoemd bureau verricht.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd.

De schuld van € 27.000,- die bestond bij het aangaan van haar onderneming, bestaat uit een doorlopend krediet van € 20.000,- uit 2008, die aan de ex-partner van [appellante] is verstrekt en waarvoor zij diende mee te tekenen en uit een debetstand van € 7.000,- op de lopende rekening van [appellante] die na de start van de onderneming is ontstaan.

Geen van de schulden op de schuldenlijst heeft betrekking op de vennootschap onder firma die [appellante] heeft gehad. Met de onderneming is het mis gegaan toen een privé investeerder zijn geld terug wilde. Haar psychische problemen zijn thans onder controle, aldus [appellante] .

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.6.2.

[appellante] heeft - aanvankelijk in de vorm van een vennootschap onder firma en (blijkens het overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel) van 15 oktober 2012 tot en met 31 december 2014 als eenmanszaak - een winkel in dameskleding, genaamd ELLE Fashion & Styling geëxploiteerd. Het merendeel van de schulden van [appellante] zou zijn ontstaan uit de onderneming die zij heeft gedreven. Het zou veelal gaan om schulden aan leveranciers uit 2014.

3.6.3.

Het hof is op basis van de thans voorhanden zijnde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep van oordeel dat vooralsnog voldoende aannemelijk is geworden dat

[appellante] op een verantwoorde wijze met haar onderneming is gestart. Daartoe overweegt het hof als volgt.

3.6.4.

[appellante] werkte voordat zij haar onderneming startte reeds meer dan 20 jaren in de mode- en verkoopbranche. Zij heeft eerder een eigen modezaak gehad met meerdere vestigingen.

3.6.5.

[appellante] is haar modezaak gestart op de benedenverdieping van haar woning om de kosten van de onderneming alsmede haar woonlasten zo laag mogelijk te houden. Ook heeft zij de winkelinrichting zelf verzorgd.

3.6.6.

Anders dan de rechtbank overweegt, is [appellante] niet onvoorbereid begonnen met haar kledingzaak. Samen met bureau [bureau] B.V. heeft [appellante] een ondernemingsplan opgesteld. Tevens is er door bureau [bureau] van tevoren een uitvoerig concurrentieonderzoek verricht.

3.6.7.

Aangezien [appellante] op administratief vlak minder onderlegd is, heeft zij de hulp ingeroepen van een boekhouder, die de administratie van haar onderneming verzorgde en haar wekelijks op de hoogte hield van de financiële situatie van de onderneming. Daarmee zorgde [appellante] er tevens voor dat zij zich ten volle kon inzetten om haar onderneming, waarvoor zij alleen verantwoordelijk was, tot een succes te maken.

3.6.8.

Uit het verhandelde ter zitting in hoger beroep is voorts gebleken, dat de reden dat verschillende banken hebben geweigerd aan [appellante] een lening te verstrekken, is gelegen in het feit dat deze banken onvoldoende vertrouwen hadden in de modebranche, gelet op de ontwikkelingen in deze branche. Het is een feit van algemene bekendheid dat banken sinds de kredietcrisis zeer terughoudend zijn met het verstrekken van kredieten, met name aan winkelbedrijven als van [appellante] . Het hof is dan ook, anders dan de rechtbank, van oordeel dat dit [appellante] niet behoefde te weerhouden om een eigen onderneming te beginnen (met andere financiering), temeer nu zij een ondernemingsplan had laten opstellen en uitvoerig concurrentieonderzoek had laten verrichten.

3.6.9.

Voorts is uit het verhandelde ter zitting in hoger beroep gebleken dat de schuld die [appellante] had toen zij haar onderneming startte, geen € 27.000,- maar € 20.000,- bedroeg en bestond uit een doorlopend krediet bij de SNS bank op naam van de ex-partner van [appellante] , waarvoor [appellante] als partner ter meerdere zekerheid van de bank bij het afsluiten ervan diende mee te tekenen. De andere schuld bij de SNS bank ad

€ 7.000,- betreffende een debetstand op de lopende rekening van [appellante] is eerst naderhand ontstaan.

3.6.10.

Verder is gebleken dat [appellante] haar onderneming heeft beëindigd, zodra zij financieel niet meer in staat was de kwalitatief hoogwaardige kleding van de wat duurdere merken in te kopen die paste bij hetgeen haar onderneming uitstraalde en waarvoor haar klanten en relaties kwamen. Gedurende een korte poging om in een lager segment voort te gaan, heeft zij gezien dat de omzet van haar onderneming te ver terugliep. Zo beschouwd, heeft [appellante] haar onderneming tijdig beëindigd.

3.6.11.

Weliswaar is de schuldenlast mede ontstaan doordat [appellante] in goed vertrouwen kleding heeft meegegeven aan een goede klant, zonder bon of betaling, maar gebleken is dat deze handelwijze van [appellante] werd ingegeven door de goede relatie die zij had met deze klant. Bovendien beslaat de vordering op deze klant slechts een klein gedeelte van de totale schuldenlast van [appellante] .

3.6.12.

Gezien het vorenstaande is het hof dan ook van oordeel dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

3.6.13.

Het hof is verder van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt, dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw).

3.6.14.

Bij [appellante] zijn op enig moment psychische problemen ontstaan, mede als gevolg van het verloop van haar onderneming. Ter zitting in hoger beroep is overgelegd een verklaring d.d. 10 oktober 2016 van psycholoog drs. [psycholoog] bij wie [appellante] sinds september 2015 voor haar psychische problemen in behandeling is geweest. Uit deze verklaring blijkt dat een afsluitend gesprek heeft plaatsgevonden op 23 mei 2016. Bij de start van de behandeling was, aldus de verklaring, sprake van (sociaal) maatschappelijke en individuele problematiek en een inadequate coping daartegenover. Tijdens de laatste gesprekken liet [appellante] duidelijk zien op een meer aangepaste wijze om te kunnen gaan met voornoemde problematiek. Met [appellante] is afgesproken om contact op te nemen indien een en ander niet goed zou verlopen. [appellante] heeft zich vooralsnog niet genoodzaakt gezien om hiertoe over te gaan.

3.6.15.

Bij [appellante] is onlangs borstkanker geconstateerd. Voor deze aandoening heeft [appellante] zich onder behandeling gesteld van het UMC te [vestigingsplaats] . Tevens zal [appellante] op korte termijn in verband hiermee een operatie ondergaan. Voormelde wijziging in de persoonlijke omstandigheden van [appellante] behoeft naar het oordeel van het hof niet aan haar toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg te staan. Het hof merkt daarbij wel op dat niettegenstaande de ontheffing van de arbeidsverplichtingen die [appellante] in verband met het voorgaande door de gemeente vanaf augustus 2016 voor de duur van zes maanden is verleend, de rechter-commissaris na toelating van [appellante] tot de schuldsaneringsregeling zal dienen te beoordelen of haar tevens een ontheffing van de in het kader van de schuldsaneringsregeling op haar rustende sollicitatie- en arbeidsverplichting dient te worden verleend. Zolang daarvan geen sprake is, zal [appellante] de geldende verplichtingen dienen na te komen.

3.7.

Gezien het vorenstaande en nu vast staat dat ook aan het toelatingsvereiste van artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw is voldaan en geen van de in artikel 288 lid 2 Fw genoemde weigeringsgronden zich voordoet, zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en het verzoek van [appellante] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling alsnog toewijzen. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 juli 2016;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van Elisabeth Ursula Guillaumine [appellante] , geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] , wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ;

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, A.P. Zweers-van Vollenhoven en M. Breur en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2016.