Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4678

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
200.163.912_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:6766
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

strook grond van de gemeente. Langdurig in gebruik bij de eigenaar van een belendend perceel. geen verkrijging door verjaring op grond van artikel 3:105 jo. 3:306 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 105, geldigheid: 2002-01-01
Burgerlijk Wetboek Boek 3 306, geldigheid: 2016-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/489

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.163.912/01

arrest van 18 oktober 2016

in de zaak van

Gemeente Boxtel,

zetelend te Boxtel,

appellante,

hierna aan te duiden als de Gemeente,

advocaat: mr. R.A.F. Willems te 's-Hertogenbosch,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] c.s.,

advocaat: mr. J.J.C.M. Rouws te Berlicum (NB),

op het bij exploot van dagvaarding van 21 januari 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 22 oktober 2014, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats
's-Hertogenbosch, gewezen tussen de Gemeente als eiseres en [geïntimeerde 1] c.s. als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/283597 / HA ZA 14-667)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte uitlating producties van de Gemeente;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde 1] c.s.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. a) De Gemeente is voornemens om enkele straten in de villawijk bij het natuurgebied [natuurgebied] te [plaats] te reconstrueren. Het betreft de straten [straatnaam 1] , [straatnaam 2] en [straatnaam 3] . De reconstructie betreft het vervangen van de riolering, de verharding en de nutsvoorzieningen. De Gemeente wil hiervoor hoofdzakelijk gebruik maken van de (niet verharde) grond tussen de geasfalteerde wegen door de wijk en de percelen van de bewoners.
b) Bewoners uit de wijk hebben hierop de Commissie Reconstructie Buurtvereniging [natuurgebied] (hierna: de Commissie) ingesteld. De Commissie heeft zich bij brief van 9 november 2009 jegens de Gemeente op het standpunt gesteld dat zij niet tegen de reconstructie is, maar dat het aanleggen van de diverse voorzieningen dient te geschieden onder het wegdek. De Commissie heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat de meeste bewoners door verjaring eigenaar zijn geworden van de aan hun percelen grenzende stroken grond, omdat zij - al dan niet tezamen met hun rechtsvoorgangers - gedurende meer dan 20 jaar onafgebroken bezit hebben gehad van die stroken.
c) De Gemeente heeft daarop bij brief van 22 juni 2010 aan de Commissie bericht dat zij geen bezwaar heeft tegen het gebruik van de stroken grond, zowel in het verleden als in de toekomst. Zij heeft verder bericht dat zij er wel bezwaar tegen heeft dat bewoners de stroken als eigenaren in bezit nemen, omdat de stroken als wegbermen een belangrijke functie hebben als kabel- en leidingstrook voor nutsvoorzieningen.

d) In overlegvergaderingen tussen de Gemeente en de Commissie in november 2010 en februari 2011 heeft de Gemeente voorgesteld dat de bewoners die het aangaat onder voorwaarden de stroken grond kunnen huren voor het bedrag van € 20,- per jaar.

e) Bij brief van 24 april 2012 heeft de Commissie de Gemeente meegedeeld dat zij negatief adviseert over de huurovereenkomst, maar dat zij de bewoners vrij laat in het accepteren van de voorwaarden. Zij heeft tevens meegedeeld dat de Commissie zal worden opgeheven.

f) Bij brieven van 7 augustus 2012 heeft de advocaat van de Gemeente de individuele bewoners benaderd en meegedeeld dat de Gemeente voornemens is hen in rechte te betrekken, hetgeen zij kunnen voorkomen door te erkennen dat de Gemeente eigenaar is van de stroken grond en waarbij de Gemeente bereid is een huurovereenkomst met betrekking tot die stroken aan te gaan. Voor het geval de eigendom van de Gemeente niet wordt erkend, heeft de advocaat van de Gemeente meegedeeld dat de brief als dient te worden opgevat als een stuitingshandeling met betrekking tot de lopende verjaring.

g) [geïntimeerde 1] c.s. is eigenaar van het perceel aan de [straatnaam 3][huisnummer 1] te [plaats] , kadastraal bekend als gemeente Boxtel, [sectieletter] , nummer [sectienummer] (hierna: perceel [perceel] ). Op perceel [perceel] is een woning (hierna: de woning) gebouwd.

h) [geïntimeerde 1] c.s. heeft niet erkend dat de Gemeente eigenaar is van de strook grond tussen zijn perceel en de openbare weg, de [straatnaam 3] (voorkant) en het [straatnaam 1] (zijkant).

De eerste aanleg

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft de Gemeente in eerste aanleg, na wijziging van eis, jegens 23 bewoners van woningen aan het [straatnaam 1] , de [straatnaam 2] en de [straatnaam 3] - waaronder [geïntimeerde 1] c.s. - gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
a) voor recht verklaart dat de Gemeente eigenaar is van de stroken grond, zoals met (licht)blauw weergegeven op de als productie 25 bij de dagvaarding overgelegde kaarten, dan wel voor recht verklaart dat de Gemeente eigenaar is van de door de rechtbank in goede justitie te bepalen stroken grond,
b) de bewoners veroordeelt de onder a) bedoelde grond met al de hunnen te ontruimen, te verlaten, ontruimd te houden en ter vrije beschikking te stellen van de Gemeente, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag, dat de bewoners hiermee in gebreke blijven, en met machtiging aan de Gemeente om, indien de bewoners nalatig blijven aan het voormelde te voldoen, dit zelf te doen uitvoeren op kosten van de bewoners, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie, en desgewenst onder zodanige voorwaarden als de rechtbank zal oordelen;
c) de bewoners hoofdelijk veroordeelt in de kosten van het geding, de nakosten daaronder begrepen, met rente.

3.2.2.

In het tussenvonnis van 29 mei 2013 heeft de rechtbank een descente en een comparitie van partijen gelast, die hebben plaatsgevonden op 9 oktober 2013 respectievelijk 12 februari 2014.

3.2.3.

Bij vonnis van 22 oktober 2014 heeft de rechtbank de zaak van (onder meer)

[geïntimeerde 1] c.s. afgesplitst van de zaak zaken jegens de overige in eerste aanleg door de Gemeente gedaagde partijen.

Bij eindvonnis van dezelfde datum heeft de rechtbank in de zaak jegens [geïntimeerde 1] c.s., samengevat, voor recht verklaard dat de Gemeente eigenaar is van de strook grond aan de voorkant van de woning (de oostkant) en [geïntimeerde 1] c.s. veroordeeld om deze strook te ontruimen, te verlaten, ontruimd te houden en ter vrije beschikking te stellen van de Gemeente, met machtiging aan de Gemeente om, indien [geïntimeerde 1] c.s. nalatig blijft aan het voormelde te voldoen, dit zelf te doen uitvoeren op kosten van [geïntimeerde 1] c.s., zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie. Ten aanzien van de strook grond aan de zijkant van de woning (de zuidkant) heeft de rechtbank de vorderingen van de Gemeente afgewezen.

De rechtbank heeft de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

Vordering en grieven

3.3.1.

De Gemeente heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd en heeft geconcludeerd tot het alsnog toewijzen van het door haar in eerste aanleg gevorderde, met veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. in de proceskosten van beide instanties, de nakosten daaronder begrepen, met rente.

3.3.2.

[geïntimeerde 1] c.s. heeft vervolgens geantwoord, concluderend dat het hof het bestreden vonnis in stand dient te laten, met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

[geïntimeerde 1] c.s. heeft zijnerzijds geen (al dan niet incidenteel) hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank tot toewijzing van de vordering van de Gemeente waar het betreft de strook aan de voorkant (oostzijde) van de woning.

3.4.

Het voorgaande betekent dat in hoger beroep uitsluitend nog aan de orde is de eigendom van de strook aan de zijkant van de tuin van [geïntimeerde 1] c.s. (hierna: de strook).

De strook is door [geïntimeerde 1] c.s. met twee ‘B’s’ aangeduid op de tekening die als productie 1 is gevoegd bij de memorie van antwoord. Uit de akte uitlating producties van de Gemeente blijkt dat zij akkoord gaat met deze aanduiding.

Tussen partijen staat vast dat de strook in elk geval tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw eigendom is geweest van de Gemeente.

3.5.

Met grief 1 maakt de Gemeente bezwaar tegen de beslissing in r.o. 4.5. van het bestreden vonnis dat vaststaat dat de verjaringstermijn van 20 jaar is voltooid. Volgens de Gemeente heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat [geïntimeerde 1] c.s. (althans zijn rechtsvoorganger) de strook in de jaren zestig van de vorige eeuw in bezit heeft genomen. Met grief 2 maakt de Gemeente bezwaar tegen de beslissing van de rechtbank in r.o. 4.7. van het bestreden vonnis dat het bezit van de strook ondubbelzinnig is geweest en dat - gelet daarop en gelet op de voltooiing van de verjaringstermijn - ten aanzien van de strook sprake is van eigendomsverkrijging door verjaring door [geïntimeerde 1] c.s.

De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

De verjaring, algemeen

3.6.1.

Het hof stelt in verband met de beoordeling van de grieven voorop dat de vorderingen van de Gemeente zijn gebaseerd op haar eigendomsrecht van de strook en dat [geïntimeerde 1] c.s. tegen die vorderingen uitsluitend verweer voert met een beroep op de eigendomsverkrijging door verjaring zoals geregeld in de artikelen 3:105 BW jo. 3:306 BW.

Op grond van artikel 3:105 BW komt de eigendomsverkrijging vast te staan als [geïntimeerde 1] c.s. - of een rechtsvoorganger - bezitter was van de strook op het moment dat de verjaring van de door de Gemeente in te stellen rechtsvordering strekkende tot beëindiging van dat bezit werd voltooid.

De verjaring treedt op grond van artikel 3:306 BW in door verloop van twintig jaren. Zij begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden van de strook/stroken (of de onmiddellijke opheffing gevorderd kan worden van de onrechtmatige toestand waarvan dit bezit de voortzetting vormt, welke situatie hier - anders dan bijvoorbeeld in HR 4 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2463 - niet aan de orde is). De verjaringstermijn loopt door zolang een derde bezitter is.

Niet van belang is hoeveel opvolgende bezitters er zijn geweest en hoe zij hun bezit hebben verkregen. Niet van belang is verder of het bezit door ieder van de bezitters al dan niet te goeder trouw is verkregen. Vereist is wél dat op het moment van de voltooiing van de verjaringstermijn ondubbelzinnig sprake is van bezit.

3.6.2.

Of dit laatste het geval is, moet worden beoordeeld op grond van de verkeersopvattingen, met inachtneming van de wettelijke bepalingen inzake het bezit en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW).

Het hof overweegt in dit verband dat de onderhavige zaak er één is van vele, waarin een strook grond die eigendom is van een gemeente en die grenst aan een particulier perceel, in gebruik wordt genomen door de particulier.

In veel gevallen zal dat gebruik plaatsvinden zonder een aanwijsbare juridische basis daarvoor, waarna de desbetreffende gemeente dat gebruik vervolgens gedoogt. In dit verband zal een rol spelen dat de bevoegdheid van de eigenaar tot het exclusieve gebruik van zijn eigendom ten aanzien van de hier bedoelde stroken publieke grond minder sterk op de voorgrond treedt dan de exclusieve gebruiksbevoegdheid van een particulier ten aanzien van zijn perceel.

Het particuliere gebruik van de stroken publieke grond zal in de regel dan ook niet op bezwaren van de eigenaar (de gemeente) stuiten, zo lang dat gebruik (bijvoorbeeld) niet afdoet aan de verkeersveiligheid en het ook niet verhindert dat de gemeente toegang heeft tot de strook grond als dat vanuit haar overheidstaak nodig is (zoals in de situatie dat dieper in de grond leidingen van nutsvoorzieningen en dergelijk lopen).

Het particulier gebruik van de hier bedoelde stroken grond kan zelfs leiden tot een situatie die voordelig is, voor zowel de eigenaar van het belendende perceel als voor de gemeente. Dat - bijvoorbeeld - een particulier niet alleen zijn tuin, maar ook de aangrenzende strook van de gemeente onderhoudt en eventueel zelfs met planten verfraait, zal bijdragen aan het genot van de eigen woning met tuin. De gemeente kan het onderhoud en de verfraaiing van de strook positief opvatten, als een particuliere bijdrage aan het openbaar groen in de gemeente, en zal het waarschijnlijk ook op prijs stellen dat zij de strook niet behoeft te onderhouden.

Dat de gemeente niet optreedt tegen particulier gebruik van stroken als hier bedoeld mag daarom niet snel worden uitgelegd als een blijk van desinteresse van de gemeente voor haar eigendommen, ook niet als de gemeente gebruik gedoogt dat een particuliere eigenaar niet van zijn buurman zou dulden.

Als in situaties als deze het gedogen té snel het risico in zich bergt dat het leidt tot verlies van eigendom aan de zijde van de gemeente, kan dat de uitoefening van overheidstaken waarvoor de toegang tot de strook en/of het gebruik ervan noodzakelijk is, bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken. Deze consequentie zou voor de gemeente ook aanleiding kunnen zijn om dat gebruik - en vergelijkbaar gebruik in alle andere gevallen - voortaan niet meer te gedogen. Particulier én gemeente missen dan de beperkte, maar niet te verwaarlozen voordelen van het tot dan toe gedoogde gebruik van de strook publieke grond.
Het is mede tegen deze achtergrond dat het het hof juist voorkomt dat, waar in het algemeen bij onroerende zaken al niet snel een intentie tot het houden voor zichzelf door een niet-rechthebbende pleegt te worden aangenomen, dit des te meer geldt bij stroken publieke grond als de onderhavige.

3.6.3.

Het tot 1 januari 1992 geldende BW kende de op artikel 3:105 BW gebaseerde wijze van eigendomsverkrijging niet. Dat sluit niet uit dat bij de toepassing van artikel 3:105 BW rekening wordt gehouden met een bevrijdende verjaring waarvan de termijn is aangevangen vóór 1 januari 1992. In dat geval zijn mogelijk relevant de artikelen 73 en 93 Overgangswet NBW, die een uitgestelde werking van één jaar vanaf 1 januari 1992 tot gevolg hebben en op grond waarvan de eigendomsverkrijging niet eerder dan op 1 januari 1993 kan hebben plaatsgevonden.

3.6.4.

Het beroep op verjaring is een zelfstandig verweer van [geïntimeerde 1] c.s. tegen het door de Gemeente gevorderde. Stelplicht en bewijslast ter zake liggen daarom bij [geïntimeerde 1] c.s.

3.6.5.

[geïntimeerde 1] c.s. heeft niet gesteld op welk moment de verjaringstermijn van twintig jaar ex artikel 3:306 BW in zijn ogen is aangevangen of voltooid. Uit zijn stellingen - met name in hoger beroep - volgt wel dat hij zich op het standpunt stelt dat de eigendomsverkrijging ten gevolge van de extinctieve verjaring kan hebben plaatsgevonden vanaf het moment dat hij eigenaar is van perceel [perceel] , maar eventueel ook al eerder.

3.6.6.

Partijen zijn het erover eens dat de Gemeente een eventueel lopende verjaring ex artikel 3:306 BW heeft gestuit bij brief van 7 augustus 2012 (zie r.o. 3.1. onder f). Dit betekent dat, wil sprake zijn van de verjaring van de rechtsvordering van de Gemeente strekkende tot beëindiging van het bezit, de verjaringstermijn van twintig jaren uiterlijk op

7 augustus 1992 moet zijn aangevangen.

De strook in kwestie, bezit en tijdsverloop

3.7.1.

De rechtbank heeft ten aanzien van de strook overwogen en beslist: (1) dat de strook in de jaren zestig van de vorige eeuw in bezit is genomen door de heer [rechtsvoorganger 1] (hierna: [rechtsvoorganger 1] ), als rechtsvoorganger van [geïntimeerde 1] c.s., door de strook bij het erf te trekken, (2) dat op de grens van de bestrating van het [straatnaam 1] en de strook een hekwerk met klimop staat en vlak daarachter [gezien vanuit de openbare weg: vlak daarvóór, hof] een laurierhaag, (3) dat hek en haag die kant van het erf van [geïntimeerde 1] c.s. afsluiten van het [straatnaam 1] en het voor derden onmogelijk maken om de strook te betreden; dat wordt aangenomen dat deze feitelijke situatie meer dan twintig jaar bestaat, nu de Gemeente de desbetreffende stelling van [geïntimeerde 1] c.s. onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, (4) dat de Gemeente er op grond van de geconstateerde uiterlijke omstandigheden op bedacht moest zijn dat zij haar eigendom van de strook zou gaan verliezen, en dat gelet op dit een en ander sprake is van ondubbelzinnig bezit gedurende meer dan twintig jaren en daarmee van eigendomsverkrijging op grond van verjaring.

3.7.2.

Partijen hebben in hoger beroep uitgebreid stellingen ingenomen over het gebruik van de strook door de opvolgende eigenaren van perceel [perceel] en hebben hun stellingen onderbouwd met foto’s.

Dienaangaande is in eerste instantie van belang dat [geïntimeerde 1] c.s. heeft gesteld dat het hekwerk met klimop op de strook is geplaatst door de heer en mevrouw [rechtsvoorganger 2] (hierna: [rechtsvoorganger 2] ), die in 1998 eigenaren zijn geworden van perceel [perceel] .

Met een beroep op deze stelling van [geïntimeerde 1] c.s. heeft de Gemeente aangevoerd dat de rechtbank op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat sprake is van eigendomsverkrijging door verjaring, omdat de rechtbank dit oordeel uitsluitend heeft gebaseerd op het uitgangspunt dat het hekwerk met klimop méér dan twintig jaar op de strook heeft gestaan, zodat sprake is geweest van (meer dan) twintig jaren ondubbelzinnig bezit van de strook.

Het hof volgt de Gemeente in deze opvatting. Gesteld dat uit het plaatsen van het hekwerk volgt dat [rechtsvoorganger 2] de strook in bezit heeft genomen (de kwestie komt hierna nader aan de orde), volgt reeds uit de eigen stellingen van [geïntimeerde 1] c.s. dat dit bezit niet twintig opeenvolgende jaren heeft voortgeduurd.

3.7.3.

Het voorgaande betekent dat de grieven 1 en 2 slagen.

3.8.1.

Dit betekent niet dat vaststaat dat de door de grieven aangevallen beslissing van de rechtbank dient te worden vernietigd. In het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep dient het hof de in eerste aanleg verworpen en/of niet behandelde verweren van

[geïntimeerde 1] c.s., voor zover die in hoger beroep niet zijn prijsgegeven, opnieuw te beoordelen.
Dit komt erop neer dat het hof zal onderzoeken of het door [geïntimeerde 1] c.s. gevoerde verweer, dat neerkomt op de eigendomsverkrijging op grond van artikel 3:105 BW, op andere dan de door de rechtbank gehanteerde gronden moet worden gehonoreerd.

Het hof zal hiertoe allereerst nader ingaan op de stellingen van partijen over de wijze waarop de achtereenvolgende eigenaren van perceel [perceel] zijn opgetreden met betrekking tot de strook.

3.8.2.

Uitgaande van de stellingen van [geïntimeerde 1] c.s. in hoger beroep en de door hem overgelegde foto’s heeft aanvankelijk, in elk geval vanaf het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw, op de strook een haag gestaan, aldaar geplant door de toenmalige eigenaar van perceel [perceel] , de eerder genoemde [rechtsvoorganger 1] . [geïntimeerde 1] c.s. heeft niet gesteld wanneer [rechtsvoorganger 1] de haag heeft geplant. Uitgaande van hoogte en dichtheid van de haag op de door [geïntimeerde 1] c.s. overgelegde foto, die volgens hem in 1984 is genomen, mag worden aangenomen dat de haag is geplant in de jaren zeventig van de vorige eeuw (of nog eerder; [rechtsvoorganger 1] is volgens [geïntimeerde 1] c.s. eigenaar geworden van perceel [perceel] in juni 1962).

Volgens [geïntimeerde 1] c.s. heeft een opvolgende eigenaar van het perceel, de heer [rechtsvoorganger 3] (hierna: [rechtsvoorganger 3] ) de door [rechtsvoorganger 1] geplante haag op enig moment verwijderd en deze vervangen door een lage haag van stekelige planten en enkele door een ijzerdraad draad verbonden paaltjes. [geïntimeerde 1] c.s. heeft niet gesteld wanneer [rechtsvoorganger 3] de door [rechtsvoorganger 1] geplante haag heeft verwijderd. [rechtsvoorganger 3] is volgens [geïntimeerde 1] c.s. in juli 1987 eigenaar geworden van perceel [perceel] . Volgens [geïntimeerde 1] c.s. is de haag verwijderd omdat [rechtsvoorganger 3] prijs stelde op meer openheid op zijn perceel. Daaruit zou kunnen volgen dat de haag al in of vlak na juli 1987 is verwijderd. De Gemeente heeft een luchtfoto in het geding gebracht die volgens haar dateert uit 1993

(prod. 3 mvg). [geïntimeerde 1] c.s. heeft deze datering onvoldoende gemotiveerd betwist. Op de foto is de haag niet (langer) zichtbaar, zodat het hof ervan uitgaat dat de haag in elk geval in de loop van 1993 is verwijderd.

Achter de door [rechtsvoorganger 3] geplante lage haag met paaltjes/draad is in of na mei 1998 het (eerder genoemde) hekwerk met klimop geplaatst, waarna, ten slotte, in of na oktober 2006 de lage haag en de paaltjes met ijzerdraad zijn vervangen door de (eerder genoemde) laurierstruiken.

3.8.3.

Voor het slagen van het beroep op eigendomsverkrijging op grond van artikel 3:105 BW jo. artikel 3:306 BW is vereist dat op het moment dat de verjaringstermijn is voltooid sprake is geweest van het bezit van de strook door de eigenaar van het belendende perceel (zie r.o. 3.6.1.). Uitgaande van de stellingen van [geïntimeerde 1] c.s. kan op het genoemde moment de door [rechtsvoorganger 1] geplante haag op de strook hebben gestaan, of de door [rechtsvoorganger 3] geplante lage haag met paaltjes en ijzerdraad, of (ook) het door [rechtsvoorganger 2] geplaatste hekwerk met klimop (met, vanaf een later moment, de door [geïntimeerde 1] c.s. geplante laurierstruiken).

3.8.4.

De vraag die vervolgens rijst is, of naar verkeersopvatting uit deze (gestelde) uiterlijke feiten volgt dat sprake is geweest van het bezit van de strook door de eigenaar van perceel [perceel] .

Het hof is van oordeel dat de stellingen van [geïntimeerde 1] c.s. niet tot een bevestigend antwoord op deze vraag kunnen leiden.

Uit de door [geïntimeerde 1] c.s. overgelegde foto (prod. 2 mva) blijkt niet - en [geïntimeerde 1] c.s. heeft ook niet gesteld - dat de door [rechtsvoorganger 1] geplante haag groeide over de volle lengte van de strook en dat deze het daarachter gelegen deel van de strook volledig afsloot van de openbare weg. Het gebruik van de strook dat uit de foto blijkt, is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat op dat moment sprake was geweest van het bezit van de strook als geheel door de eigenaar van perceel [perceel] . [geïntimeerde 1] c.s. heeft geen andere uiterlijke feiten gesteld die het hof kunnen leiden tot dit oordeel. Evenmin heeft [geïntimeerde 1] c.s. op dit punt een voldoende concreet bewijsaanbod gedaan.

Na het rooien van de haag door [rechtsvoorganger 3] is de strook over de volle lengte en breedte in een open verbinding komen te staan met de openbare weg. Op de strook stonden, zoals door [geïntimeerde 1] c.s. gesteld, uitsluitend wat lage beplanting en een zeer rudimentaire afscheiding van lage paaltjes en een ijzerdraad. Uit deze feitelijke situatie hoefde de Gemeente naar verkeersopvatting niet af te leiden dat de toenmalige eigenaar van perceel [perceel] de strook ondubbelzinnig en uitsluitend voor zichzelf hield en dat stilzitten door de Gemeente kon meebrengen dat de eigendom van de strook op den duur gevaar liep.

Datzelfde is het geval geweest vanaf het moment dat [rechtsvoorganger 2] het hekwerk op de strook plaatste. Zoals blijkt uit de in hoger beroep overgelegde foto’s (a2 en a3, prod. 2 mvg) sluit dit hekwerk de tuin aan de zijkant van de woning volledig af van de openbare weg. Uit de stellingen van de Gemeente - die zij deugdelijk heeft onderbouwd met de foto’s b1 en b2 (prod. 2 mvg) en die [geïntimeerde 1] c.s. onvoldoende gemotiveerd heeft betwist - volgt echter tevens dat het hekwerk onmiddellijk grenst aan de tuin op perceel [perceel] en dat voor het hekwerk slechts 30 cm van de ongeveer 2.8 m brede strook wordt gebruikt. Dit is een zodanig beperkt gebruik van de strook, dat uit het plaatsen en houden van het hekwerk niet kan worden afgeleid dat de eigenaar van perceel [perceel] de strook als geheel voor zichzelf is gaan houden. De aanwezigheid van de lage haag (met paaltjes en ijzerdraad) en, later, de laurierstruiken naast het hekwerk brengt hierin geen verandering, omdat de Gemeente als eigenaar uit deze uiterlijke feiten niet behoefde af te leiden dat de eigenaar van het belendende perceel [perceel] de ondergrond van de struiken ondubbelzinnig en uitsluitend voor zichzelf was gaan houden. [geïntimeerde 1] c.s. heeft opnieuw geen andere uiterlijke feiten gesteld die het hof kunnen leiden tot het oordeel dat in de periode na het plaatsen van het hekwerk sprake is geweest van het bezit van de strook door de eigenaar van perceel [perceel] . [geïntimeerde 1] c.s. heeft ook op dit punt geen voldoende specifiek bewijsaanbod gedaan.

3.8.5.

Nu het hof tot het oordeel komt dat geen van de eigenaren van perceel [perceel] , op het moment dat de verjaringstermijn ex artikel 3:306 BW zou kunnen zijn voltooid (zie r.o. 3.6.5.), bezitter is geweest van de strook, kan met betrekking tot deze strook geen sprake zijn van eigendomsverkrijging op grond van artikel 3:105 BW.

Dit betekent dat geen grond bestaat om het verweer van [geïntimeerde 1] c.s. te honoreren en dat de rechtbank de vorderingen van de Gemeente ten onrechte heeft afgewezen.

Deze beslissing van de rechtbank zal worden vernietigd en de vorderingen van de Gemeente met betrekking tot de strook aan de zijkant van perceel [perceel] zullen worden toegewezen op de wijze als hierna in het dictum te verwoorden. Het hof zal de gevorderde dwangsom afwijzen, nu de Gemeente zoals door haar gevorderd zal worden gemachtigd om, indien [geïntimeerde 1] c.s. nalatig blijft aan de ontruiming te voldoen, deze zelf te doen uitvoeren op kosten van [geïntimeerde 1] c.s., zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie.

Tot slot

3.9.1.

Grief 3 is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

De grief slaagt, gelet op het voorgaande.

3.9.2.

Het hof zal [geïntimeerde 1] c.s. als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van de Gemeente zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 3,44 (€ 92,81 : 27)

- griffierecht € 21,82 (€ 589,- : 27)

totaal verschotten € 25,26

en voor salaris advocaat, uitgaande van het liquidatietarief (tarief II), maar tevens rekening houdend met de omstandigheid dat de Gemeente jegens alle gedaagden in één procedure en op dezelfde juridische grondslag dezelfde vordering heeft ingesteld en dat alle gedaagden zijn verschenen bij één advocaat en in overwegende mate hetzelfde verweer hebben gevoerd:

6 punten x € 50,-- € 300,--.

De kosten voor de procedure in principaal hoger beroep aan de zijde van de Gemeente zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 94,18

- griffierecht € 711,--

totaal verschotten € 805,18

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

1,5 punten x € 894,- € 1.341,--.

Het hof zal de nakosten begroten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.
De door de Gemeente gevorderde wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal op de na te melden wijze worden toegewezen.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarin de vorderingen van de Gemeente met betrekking tot de strook grond aan de zijkant van het perceel aan de [straatnaam 3][huisnummer 1] te [plaats] , kadastraal bekend als Gemeente Boxtel, [sectieletter] , nummer [sectienummer] zijn afgewezen en voor zover daarin de proceskosten tussen partijen zijn gecompenseerd;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de Gemeente eigenaar is van de strook grond aan de zijkant (zuidzijde) van het perceel aan de [straatnaam 3][huisnummer 1] te [plaats] , kadastraal bekend als Gemeente Boxtel, [sectieletter] , nummer [sectienummer] , zoals met lichtblauw weergegeven op de ter gelegenheid van de pleidooien in eerste aanleg overgelegde tekening van de Gemeente met het nummer [nummer] en de vermelding ‘situatie met kadastrale grenzen [straatnaam 3][huisnummer 1] ’ en zoals nader aangeduid in r.o. 3.4. van dit arrest;

veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. om deze strook grond vóór 1 januari 2017 met al de zijnen te ontruimen, te verlaten en ontruimd te houden en ter vrije beschikking te stellen van de Gemeente, met machtiging aan de Gemeente om indien [geïntimeerde 1] c.s. nalatig blijft aan het voormelde te voldoen, dit zelf te doen uitvoeren op kosten van [geïntimeerde 1] c.s., zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van de Gemeente worden begroot op € 25,26 aan verschotten en op € 300,-- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 805,18 aan verschotten en op € 1.341,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest, voor zover het veroordelingen bevat, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, W.J.J. Beurskens en G.A.M. Peper en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 oktober 2016.

griffier rolraadsheer