Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4675

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
200.160.890_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:8139
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante is er niet in geslaagd te bewijzen dat vanuit het ABP aan haar telefonisch mededelingen zijn gedaan over de hoogte van het door haar te ontvangen pensioen bij een bepaalde werkgeversstorting. Aldus kan niet worden geconcludeerd dat het ABP bij appellante het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat appellante op haar 65ste jaar een bepaald bedrag aan pensioen zou ontvangen en dat zij ervan mocht uitgaan dat zij op haar 65ste jaar een hoger bedrag aan ouderdomspensioen zou ontvangen dan het ouderdomspensioen waarop zij uiteindelijk recht bleek te hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1206
AR 2016/3057
PJ 2016/159

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.160.890/01

arrest van 18 oktober 2016

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. R.H. Stam te Utrecht,

tegen

Stichting Pensioenfonds ABP,

gevestigd te Heerlen ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als ABP,

advocaat: mr. E. Lutjens te Amsterdam,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 25 augustus 2015 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht onder zaaknummer 2994849 CV EXPL 14-4749 gewezen vonnis van 17 september 2014.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 25 augustus 2015;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 16 november 2015;

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting getuigenverhoor van 3 december 2015;

  • -

    de akte uitlating na enquête van de zijde van [appellante] ;

  • -

    de contra-akte na enquête van de zijde van ABP.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Thans ligt aan het hof de vraag ter beantwoording voor of ABP bij [appellante] , zoals [appellante] stelt, het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat [appellante] bij een werkgeversstorting door Hogeschool Utrecht (hierna: HU) van € 90.000,00 vanaf haar 65ste jaar een ouderdomspensioen zou ontvangen van € 2.500,00 bruto per maand. [appellante] heeft zich ter onderbouwing van haar stelling beroepen op door backoffice-medewerkers van ABP gedane mededelingen die telefonisch zijn gedaan na 16 december 2011 en die haar ertoe hebben gebracht te besluiten haar dienstverband met HU per 1 augustus 2012 te beëindigen, HU te verzoeken € 90.000,00 over te maken aan ABP en een ABP KeuzePensioen aan te vragen. Gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door ABP heeft het hof [appellante] bij genoemd tussenarrest toegelaten feiten en/of omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt:

- dat zij na 16 december 2011 meerdere malen contact heeft gehad met backoffice-medewerkers van ABP;

- dat zij aan deze medewerkers heeft verzocht te berekenen wat een storting door haar werkgever HU als extra pensioen haar bruto per maand zou opleveren;

- en dat daarbij uiteindelijk een bedrag van € 2.500,00 is genoemd bij een werkgeversstorting van € 90.000,00.

6.2.

In het kader van deze bewijsopdracht heeft [appellante] op 16 november 2015 vier getuigen doen horen:

- zichzelf;

- mevrouw [getuige 1] , werkzaam als docent/trainer/coach bij HU en oud-collega van [appellante] bij HU;

- de heer [medewerker ABP 2] , thans zonder beroep (gepensioneerd), in de periode van 1 januari 1976 tot 1 mei 2014 in dienst geweest van APG, waarvan in 2011/2012 als pensioenmedewerker voor ABP;

- mevrouw [medewerker ABP 1] , werkzaam bij APG voor ABP.

Op 3 december 2015 heeft [appellante] nog een getuige doen horen, te weten de heer

[getuige 2] , oud-collega van [appellante] bij Hanzehogeschool in Groningen.

6.3.

Partijen hebben zich respectievelijk bij akte uitlating na enquête en contra-akte na

enquête uitgelaten over de resultaten van de getuigenverhoren. Voor zover nodig zal het hof

hierna op deze uitlatingen ingaan.

6.4.

Het hof stelt voorop dat het aan [appellante] opgedragen bewijs weliswaar bestaat uit drie

delen, maar dat het bewijs van het derde deel het meest cruciaal is voor de beantwoording van de vraag of ABP bij [appellante] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat [appellante] bij een werkgeversstorting door Hogeschool Utrecht van € 90.000,00 vanaf haar 65ste jaar een ouderdomspensioen zou ontvangen van € 2.500,00 bruto per maand. [appellante] overwoog namelijk eerder dan op haar 65ste, en wel op haar 62ste, te stoppen met werken. Indien vast komt te staan dat [appellante] na 16 december 2011 meerdere malen contacten heeft gehad met backoffice-medewerkers van ABP en zij aan deze medewerkers heeft verzocht te berekenen wat een storting door haar werkgever HU als extra pensioen zou opleveren, dan kunnen de vorderingen van [appellante] alsnog stranden op het niet slagen van het bewijs van het derde deel, te weten dat daarbij een bedrag van € 2.500,00 is genoemd bij een werkgeversstorting van € 90.000,00. Het hof zal bij de waardering van het getuigenbewijs dan ook de nadruk leggen op hetgeen de getuigen over dit laatste punt hebben verklaard.

6.5.

[appellante] heeft als getuige het volgende verklaard:

‘(…).

Op 16 december 2011 kreeg ik van mijn werkgever de Hogeschool Utrecht (HU) een eerste

voorstel voor een pensioenregeling. Zij boden toen €60.000,- als werkgeversstorting en

hadden bij ABP uitgezocht wat dat voor mij aan pensioen zou opleveren als ik met mijn 62e

met pensioen zou gaan. Dit bedrag van €60.000,- wordt genoemd in de brief van 16

december 2011 van de HU aan mijn toenmalige advocaat mr. Stam. (…).

Naar aanleiding van deze brief heb ik met ABP gebeld. Ik weet niet of dit meteen op de 16e december is gebeurd, maar in elk geval vlak erna heb ik ABP gebeld en gevraagd hoe het voor mij zat met het minimaal opnemen van pensioen vanaf mijn 62e tot mijn 65e. Ik had twee namen gekregen van backoffice-medewerkers van ABP. Deze namen en telefoonnummers waren mij bij eerdere brieven medegedeeld. Ik heb met een van deze backoffice-medewerkers telefonisch contact opgenomen en door hem of haar werd mij meegedeeld dat het zou worden uitgezocht. Ik weet niet zeker of dat ter plekke door ABP is uitgezocht of dat zij hebben teruggebeld of ik ABP. Ik weet mij ook niet meer te herinneren of ik tijdens dit telefoongesprek gesproken heb met een mevrouw of een meneer.

Vanuit het ABP bleek dat het verschil voor mij tussen meteen opnemen bij mijn 62e of later bij mijn 65e behoorlijk groot was. Wat ik wilde was minimaal opnemen vanaf mijn 62e tot mijn 65e en daarna maximaal opnemen. Wat ik wilde was mijn pensioen na mijn 65e maximaliseren waardoor ik een hoger pensioen zou krijgen dan normaal gesproken en waardoor ik het missen van drie jaar op den duur zou kunnen compenseren. Om dat te realiseren moest er meer in de pensioenpot worden gestort dan de €60.000,- die de HU in eerste instantie bood.

Mijn advocaat van toen, mr. Stam, heeft over de werkgeversstorting met mijn werkgever de HU onderhandeld. Ik weet dat de HU een keer een bedrag van €80.000,- heeft genoemd. Steeds als de HU een bedrag noemde, belde ik met ABP en steeds werd het bedrag dat ik met mijn 65e aan pensioen zou ontvangen bij minimaal opnemen vanaf mijn 62e tot mijn 65e, hoger. De medewerkers van ABP met wie ik telkens telefonisch contact had waren de heer [medewerker ABP 2] of mevrouw [medewerker ABP 1] . Ik weet mij niet meer te herinneren met wie ik telkens sprak en wie telkens welk bedrag heeft genoemd. De telefoongesprekken hadden plaats in de winter van 2011/2012. Pas in de zomer van 2012 bleek uit de definitieve beschikking van de ABP dat mijn pensioen vanaf mijn 65e €500,- lager lag dan de €2500,- waarvan ik ben uitgegaan. Een ABP backoffice-medewerker heeft dit bedrag van €2500,- genoemd. Dat was in een telefoongesprek dat eind januari 2012 door mij met deze backoffice-medewerker is gevoerd. Toen was door de HU €90.000,- geboden. Welke backoffice-medewerker dat bedrag heeft genoemd weet ik mij niet meer te herinneren. Het moet een van de twee hierboven genoemde medewerkers zijn geweest, of de heer [medewerker ABP 2] of mevrouw [medewerker ABP 1] . In de stukken is ook sprake van een mevrouw van ABP. Dat moet mevrouw [medewerker ABP 1] zijn geweest. Ik heb een aantekening gemaakt van een telefoongesprek en ik heb toen genoteerd dat ik had gesproken met een mevrouw van ABP. Ik heb daarbij niet genoteerd wie deze mevrouw was. Ik heb steeds gebeld met de twee telefoonnummers die ik in eerdere brieven van het ABP had gekregen. Deze twee telefoonnummers waren van de twee backoffice-medewerkers meneer [medewerker ABP 2] of mevrouw [medewerker ABP 1] . Er zijn geen andere ABP backoffice-medewerkers geweest die bedragen hebben genoemd.

Toen deze ABP backoffice-medewerker zei dat mijn pensioen vanaf mijn 65e dan €2500,- zou worden, toen heb ik dat opgeschreven op de achterzijde van de brief van 16 december 2011 waarover ik hiervoor heb verklaard. Mijn aantekening is in kopie overgelegd als productie 1 bij de memorie van grieven. (…). Deze aantekening heb ik gemaakt vlak na of tijdens het telefoongesprek van eind januari 2012. Ik heb niet kunnen achterhalen wanneer ik deze aantekening precies heb genoteerd; wel weet ik dat het tijdens of vlak na het gesprek is geweest. De info van [getuige 2] ( [getuige 2] ) waaraan ik in mijn aantekening refereer, had ik al eerder van hem gekregen.

Daarna waren de onderhandelingen met de HU afgerond. Ik heb vervolgens geen contacten meer gehad met backoffice-medewerkers van ABP. Ik had ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van eind januari 2012 gelet op de voorlopige opgave van 5 april 2012. Later heb ik nog wel met medewerkers van het callcenter gebeld. Ik wilde graag een bevestiging van de afspraken die ik met de backoffice-medewerkers had gemaakt. Die bevestiging kreeg ik niet van het callcenter. Ik had het net over een bevestiging die ik wilde. Waar het mij om te doen was, was een schriftelijke bevestiging van het bedrag. Het callcenter gaf mij aan dat ik moest wachten totdat ik de voorlopige opgave kreeg van ABP. Die kon ik opvragen als ik het aanvraagformulier ging opvragen. Dat heb ik toen gedaan en zodoende heb ik de voorlopige opgave van 5 april 2012 gekregen.

(…).

Ik heb de vaststellingsovereenkomst met HU van 17 februari 2012 getekend uitgaande van de pensioenbedragen die door backoffice-medewerkers van ABP aan mij waren genoemd.

(…).

Op vragen mr. Lutjens antwoord ik het volgende:

Ik weet niet meer precies hoe vaak in de onderhandelingen met de HU een bedrag is genoemd, maar telkens als een bedrag is genoemd heb ik met ABP backoffice-medewerkers gebeld. Mr. Lutjens vraagt hoe vaak ik heb gebeld. Ik antwoord daarop dat ik dat niet weet. Ik vrees tot vervelens toe, maar de mensen waren steeds heel welwillend.

Bij een werkgeversstorting van €60.000,- en minimaal opnemen door mij vanaf mijn 62e tot mijn 65e was het bedrag vanaf mijn 65e ongeveer €2000,- dat door de ABP backoffice-medewerker werd genoemd. Bij een werkgeversstorting van €80.000,- en minimaal opnemen door mij was het bedrag vanaf mijn 65e hoger, maar voor mij nog te laag. Ik heb dat bedrag niet genoteerd. Ik heb alleen het bedrag genoteerd bij een werkgeversstorting van €90.000,-.

Het eindgesprek dat ik per telefoon eind januari 2012 met een backoffice-medewerker van ABP had, verliep niet anders dan de eerdere telefoongesprekken met backoffice-medewerkers. Het was heel precies, heel geduldig, heel welwillend en uitgebreid.

(…).’

6.6.

Getuige [getuige 1] heeft het volgende verklaard:

‘Mevrouw [appellante] is bij mij gekomen als vertrouwenspersoon. (…). Mevrouw [appellante] heeft op een gegeven moment mij verteld dat de HU een bedrag wilde storten van €75.000,-. Ik heb het onthouden dat het ging om een storting in een pensioenpot en mevrouw [appellante] vertelde mij op een gegeven moment dat de HU was gestegen naar €75.000,-.

Het moet in oktober 2011 zijn geweest, het was tijdens een gesprek in de wandelgangen, dat ik mevrouw [appellante] heb gevraagd of ze al contact had opgenomen met APB. Zij zei mij toen dat dat contact er was.

Op een dinsdag in maart 2012, ik meen mij te herinneren dat in mijn Outlook-agenda staat op 20 maart 2012, hebben mevrouw [appellante] en ik een afrondend gesprek gehad. Mevrouw [appellante] heeft mij in dat gesprek verteld over een storting door de HU van een bedrag van €90.000,- of daaromtrent. Letterlijk heeft mevrouw [appellante] in dat gesprek gezegd: “ik wilde graag op €2500,- per maand uitkomen, ik heb iets toe moeten geven, maar die grens van €2500,- is gelukt”. Ik heb dit onthouden, omdat het voor mij belangrijk was dat mevrouw [appellante] er financieel niet bij inschoot. (…).

Ik begreep van mevrouw [appellante] dat zij bij ABP een vast telefoonnummer had dat zij kon bellen en ik meen ook dat zij binnen ABP een vaste persoon had met wie zij telefoneerde. Deze medewerker, zo heb ik begrepen, gaf aan welke storting door de HU in de pensioenpot een bepaald pensioen voor mevrouw [appellante] zou opleveren. Mevrouw [appellante] , zo heb ik begrepen, voelde zich door de medewerkers van ABP geholpen. (…). Op basis van de informatie die door ABP werd verstrekt, heeft mevrouw [appellante] haar beslissing genomen. Dat heeft zij mij verteld.

(…).’

6.7.

Getuige [medewerker ABP 2] heeft het volgende verklaard:

‘(…).

U vraagt mij of ik een herinnering heb aan mevrouw [appellante] en haar casus. Ik antwoord daarop dat ik daaraan geen herinnering heb.

In de jaren 2011/2012 werkte ik als pensioenmedewerker (…). Ik behandelde telefonische en schriftelijke vragen van klanten van ABP. De werkwijze bij ons was zo dat in geval van een telefonische vraag wij deze noteerden. Met vraag bedoel ik een vraag met een financieel karakter. Deze telefonische vraag kwam dan op een rol te staan en werd dan door degene die de telefonische vraag had ontvangen of een collega altijd schriftelijk behandeld. Als het om een berekening ging, kreeg de vraagsteller schriftelijk antwoord, dit in verband met de voorbehoudclausule die onder de berekeningsmethodieken is opgenomen. Bedragen werd niet telefonisch meegedeeld. Ik gaf ze niet af. Het beleid was ook zo dat we mondeling nooit een pensioenberekening mochten geven. Vaststaande bedragen, die wij op het scherm hadden staan, werden wel eens doorgegeven. Dat waren dezelfde bedragen die de klant ook via MijnABP kan inzien. Ik verwees de klant ook altijd naar MijnABP.

Vragen over een werkgeversstorting en wat dat oplevert aan ABP Extra pensioen, mocht ik niet beantwoorden, daar was een aparte afdeling voor. Waren de berekeningen door die aparte afdeling gemaakt en vastgelegd in een brief, dan konden we de bedragen die in die brief stonden naar de klant toe wel bevestigen.

(…). Mevrouw [medewerker ABP 1] kon de berekeningen waarover ik het zojuist had, wel maken. Zij was een van de specialisten die kon doorrekenen. Met mevrouw [medewerker ABP 1] heb ik het er zojuist op de gang nog over gehad dat het, gelet op de geautomatiseerde systemen, niet mogelijk was voor ABP om foute berekeningen te maken. We moeten dan wel uitgaan van de gegevens die we van de klanten krijgen.

(…).

Telefonische contacten met klanten werden door ons altijd bijgehouden in het vraag- en antwoordsysteem. In mijn tijd werd deze informatie gedurende een paar jaren bewaard.

Registratie van het klantcontact gebeurde automatisch bij het openen van het systeem bij het invullen van het klantnummer. De aard van het klantcontact moest door de betreffende medewerker worden ingevuld.

(…).’

6.8.

Getuige [medewerker ABP 1] heeft het volgende verklaard:

‘(…). In het elektronisch klantdossier heb ik gezien dat ik in 2011/2012 de fiscale ruimte voor mevrouw [appellante] heb berekend. Het ging specifiek om een berekening in oktober 2011.

(…).

(…). Ik heb geen herinnering aan mevrouw [appellante] en haar casus. Naar aanleiding van wat ik in het arrest in deze zaak heb gelezen, heb ik voorafgaand aan deze zitting in het systeem bij ABP waarin de klantcontacten worden geregistreerd, gekeken of ik vanaf 16 december 2011 tot begin januari 2012 contact heb gehad met mevrouw [appellante] . Uit het systeem blijkt dat ik in die periode geen contact met mevrouw [appellante] heb gehad. Ik was toen met vakantie. Volgens mij heb ik alleen door middel van een brief in oktober 2011 contact gehad met mevrouw [appellante] . In die brief heb ik voor mevrouw [appellante] de fiscale ruimte voor haar berekend. Het zou kunnen zijn dat ik op enig ander moment telefonisch met mevrouw [appellante] heb gesproken, maar dat weet ik niet meer. ABP heeft een systeem waarin klantcontacten worden geregistreerd. Dat zijn alleen die klantcontacten waarvoor je specifieke gegevens van de klant moet invoeren of bekijken. Klantcontacten waarvoor je dergelijke specifieke gegevens van de klant niet moet invoeren of bekijken worden niet geregistreerd binnen ABP. Wat betreft de geregistreerde klantcontacten heb ik volgens mij ook na begin januari 2012 geen contacten gehad met mevrouw [appellante] . Ik heb, zoals gezegd, specifiek gezocht vanaf 16 december 2011 tot ergens begin januari 2012 en toen heb ik geen contacten tussen mevrouw [appellante] en mij gevonden. Ik weet het niet helemaal zeker, maar volgens mij heb ik ook daarna geen contact met haar gehad.

Voor een inleg in het ABP Extra pensioen en wat die inleg oplevert, hoeft voor het geven van een indicatie wat die inleg oplevert, niet het systeem te worden geopend. Het gaat hier om een opzichzelfstaande berekening, waarvoor je niet iets over het keuze pensioen van de deelnemer behoeft te weten. Je kunt heel eenvoudig een indicatie geven wat het ABP Extra pensioen op bijvoorbeeld 65-jarige leeftijd zal inhouden. Deze informatie werd telefonisch verstrekt aan de klant. Als de klant verzocht om een indicatie op bijvoorbeeld 62-jarige leeftijd dan werd door ons heel vlug verwezen naar de rekenmodule.

Als een klant kwam met een vraag over een maximaal pensioenbedrag vanaf 65-jarige leeftijd en die een zo laag mogelijk pensioenbedrag vanaf 62 tot 65, dan kon deze vraag absoluut niet aan de telefoon worden beantwoord. Het gaat hier om een zogenoemde laag/hoog-constructie. Voor het beantwoorden van deze vraag zijn fiscale grenzen en actuariële factoren relevant. Bij een dergelijke vraag zou worden geadviseerd een berekening te laten maken.

Een vraag betreffende een inleg in het ABP Extra pensioen en een vraag over een laag/hoog-constructie kun je absoluut niet met elkaar vergelijken. De vraag over de inleg in ABP Extra pensioen zou ik dan willen kwalificeren als ‘de peer’ en de vraag naar de laag/hoog-constructie als ‘de appel’. Wat je dan gaat doen is peren met appels vergelijken en dat kan niet. Om in de beeldspraak te blijven: van de peer, de vraag over het ABP Extra pensioen, moet je eerst een appel maken. Daarvoor is veel nadere informatie nodig en moet een berekening worden gemaakt die in elk geval destijds niet automatisch in het systeem kon worden gemaakt. Bij mijn weten geven we ook nu geen telefonische antwoorden op vragen over laag/hoog-constructies. Ik zelf doe dat in ieder geval niet.

Het enige wat ik mij kan voorstellen is dat als mevrouw [appellante] tot aan haar 65e ongewijzigd zou hebben doorgewerkt dat er dan samen met een werkgeversstorting van € 90.000,- een ouderdomspensioen van €2500,- bruto per maand zou ontstaan. Dat kan ik mij voorstellen, gelet op het uniform pensioenoverzicht van mevrouw [appellante] over 2011.

(…)

In het klantcontactsysteem van ABP dat ik heb geraadpleegd voorafgaand aan deze zitting heb ik gezien dat mevrouw [appellante] in januari 2012 en ook daarna telefonische contacten met andere ABP medewerkers heeft gehad.

(…)’

6.9.

Getuige [getuige 2] heeft ten slotte het volgende verklaard:

(…).

Ik heb met mevrouw [appellante] gesprekken gehad in de winter van 2011/2012. In december 2011 hebben wij elkaar gesproken en dat zal ook nog wel in januari 2012 zijn gebeurd. (…).

In al deze gesprekken ging het erover dat mevrouw [appellante] een regeling zou kunnen treffen met de HU waarbij door de HU een bepaald bedrag zou worden gestort bij ABP als een soort genoegdoening voor wat mevrouw [appellante] had meegemaakt. Daar stond dan een bepaald pensioen tegenover. Er zijn meerdere bedragen door mevrouw [appellante] in de gesprekken die wij hadden, genoemd. Ik herinner mij een bedrag van 90 000 euro, maar ook andere bedragen. Mevrouw [appellante] was in onderhandeling met de HU. Ik weet dat de onderhandelingen zijn afgemaakt op het bedrag van 90 000 euro. (…). De HU zou dit bedrag bij ABP storten.

Mevrouw [appellante] en ik hebben meerdere keren gesproken over de consequenties van ontslag nemen voor haar pensioen. Het ging er dan over wat ontslag nemen voor haar pensioen zou betekenen. Verder hebben we gesproken over een laag/hoog pensioen. Een dergelijk pensioen houdt in dat tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd met een lager pensioen genoegen wordt genomen. Wat je dan niet hebt opgemaakt, heb je over voor na je AOW-gerechtigde leeftijd. Dat wordt dan daaraan toegevoegd.

(…).

Wat ik nog weet is dat mevrouw [appellante] vanaf het moment dat zij ontslag zou nemen voor een laag pensioen zou kiezen. Vanaf de AOW-leeftijd betekende dat voor haar een ABP-pensioen van circa 30 000 euro per jaar, exclusief het AOW-bedrag. We hebben er over gesproken wat dat netto voor haar betekende. Dat kon zij niet goed berekenen, omdat ‘Mijn ABP’ voor haar niet voldoende toegankelijk was. De netto bedragen voor mevrouw [appellante] weet ik niet exact. In elk geval was het ruim 2500 euro netto per maand vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd. U mag mij daar echter niet op vastpinnen. Het bruto bedrag weet ik nog wel goed. Dat was het bedrag van circa 30 000 euro per jaar. Het bedrag van ruim 2500 euro netto per maand, dat ik zojuist noemde, is inclusief de AOW. Nogmaals, ik weet de bedragen niet meer precies. Dit zijn de bedragen die mevrouw [appellante] mij heeft genoemd. Zij had deze bedragen doorgekregen tijdens gesprekken met het ABP. Het bedrag van 90 000 euro kwam vanzelfsprekend niet van het ABP af, maar van de HU. De andere bedragen had mevrouw [appellante] dus van het ABP. Het ‘Mijn ABP’ van mevrouw [appellante] gaf haar niet de juiste informatie in verband met een overleden ex-echtgenoot. Dat was 1 van de oorzaken, maar dit is de oorzaak die ik mij herinner. De bedragen die mevrouw [appellante] van het ABP had gekregen, waren haar telefonisch verstrekt. Zij heeft mij verteld dat zij in die tijd een aantal keren telefonisch contact heeft gehad met ABP. Er zal ook wel met ABP zijn gecorrespondeerd, maar de finesses daarvan weet ik niet.

(…).

Hiervoor sprak ik over een bedrag van circa van 2500 euro netto per maand. Dit bedrag heb ik berekend door uit te gaan van een bruto AOW-bedrag van 10 000 euro en een bruto ABP- pensioen van 30 000 euro. Samen maakt dit 40 000 euro bruto en dat levert dan een maandelijks bedrag van circa 2500 euro netto. Ik wil daar echter aan toevoegen dat ik geen fiscalist ben.

In mijn schriftelijke verklaring geef ik aan dat het bedrag van circa 2500 euro bruto gerekend zonder AOW, acceptabel zou kunnen zijn. Mr. Lutjens vraagt mij wat ik onder acceptabel versta. Ik antwoord daarop dat ik dan heb gekeken naar mijn eigen referentiekader in die tijd. Mevrouw [appellante] heeft mij nooit verteld wat zij bij ABP aan pensioen had opgebouwd.

Nu mijn verklaring is opgelezen wil ik nog het volgende opmerken. Ik ben er zeker van dat het bedrag van 90 000 euro vanuit de HU is genoemd en ik ben er zeker van dat het bedrag van circa 30 000 euro door het ABP is genoemd. Al deze bedragen zijn door mevrouw [appellante] aan mij meegedeeld. Het bedrag van 2500 euro netto heb ik zelf met de natte vinger berekend.’

6.10.

Naar het oordeel van het hof is [appellante] er niet in geslaagd te bewijzen dat een medewerker van het ABP telefonisch aan haar een bedrag heeft genoemd van

€ 2.500,00 bij een werkgeversstorting door de HU van € 90.000,00. [appellante] heeft dit weliswaar als getuige verklaard, maar nu zij partij is in het geding en belast is met het leveren van bewijs, kan haar verklaring geen bewijs in haar voordeel opleveren zonder het bestaan van aanvullend overtuigend bewijs (artikel 164 Rv). Dit aanvullend bewijs kan naar het oordeel van het hof niet worden gevonden in de verklaringen van de overige getuigen.

6.10.1.

[appellante] heeft verklaard dat de betreffende mededeling moet zijn gedaan door getuige [medewerker ABP 1] of getuige [medewerker ABP 2] , omdat zij steeds met hun telefoonnummers heeft gebeld, en dat geen andere ABP backoffice-medewerkers dan getuige [medewerker ABP 1] en getuige [medewerker ABP 2] bedragen hebben genoemd. Zij heeft verklaard dat het vermoedelijk getuige [medewerker ABP 1] is geweest, omdat zij aantekeningen heeft gemaakt van het betreffende gesprek en toen heeft genoteerd dat zij had gesproken met een mevrouw van ABP.

Het voorgaande wordt niet door de getuigen [medewerker ABP 1] en [medewerker ABP 2] bevestigd.

Getuige [medewerker ABP 1] heeft verklaard dat zij in het elektronisch klantendossier heeft gezien dat zij in oktober 2011 de fiscale ruimte voor [appellante] heeft berekend en dat dat schriftelijk aan [appellante] is medegedeeld. Zij heeft daarnaast verklaard dat alleen die klantcontacten worden geregistreerd waarbij specifieke gegevens van de klant worden ingevoerd of worden bekeken, dat in het klantcontactsysteem van ABP geen klantencontacten tussen haar en [appellante] zijn geregistreerd in de periode vanaf 16 december 2011 tot ergens begin januari 2012 en dat wat betreft de geregistreerde klantcontacten zij naar haar weten ook na begin januari 2012 geen contact heeft gehad met [appellante] . Getuige [medewerker ABP 1] heeft voorts verklaard dat aan de klant telefonisch een indicatie van wat een inleg in het ABP Extra Pensioen oplevert werd verstrekt, maar dat een vraag van een klant over een maximaal pensioenbedrag vanaf 65-jarige leeftijd en een zo laag mogelijk pensioenbedrag vanaf 62 tot 65 (een zgn. laag/hoogconstructie, welke constructie [appellante] ook voor ogen had, zie ook hierna) absoluut niet aan de telefoon kon worden beantwoord, omdat daarvoor veel nadere informatie nodig was en een berekening moest worden gemaakt en dat bij haar weten ook nu geen telefonische antwoorden op vragen over hoog/laagconstructies worden gegeven. Zijzelf doet dat in ieder geval niet, aldus getuige [medewerker ABP 1] .

Getuige [medewerker ABP 2] heeft eveneens verklaard geen herinnering te hebben aan mevrouw [appellante] en haar casus. Hij heeft daarnaast verklaard dat hij in 2011/2012 telefonische en schriftelijke financiële vragen behandelde van klanten van ABP, dat de klant, als het om een berekening ging, schriftelijk antwoord kreeg en dat bedragen, met uitzondering van vaststaande bedragen die de klant ook via MijnABP kan inzien, niet telefonisch werden medegedeeld. Getuige [medewerker ABP 2] heeft voorts verklaard dat hij vragen over een werkgeversstorting en wat dat oplevert aan ABP Extra Pensioen, in tegenstelling tot getuige [medewerker ABP 1] , niet mocht beantwoorden, omdat daarvoor een aparte afdeling was, maar dat in het geval de door die aparte afdeling gemaakte berekeningen waren vastgelegd in een brief, hij de in die brief vermelde bedragen wel kon bevestigen.

Aan [appellante] kan worden toegegeven dat uit de verklaringen van [medewerker ABP 1] en [medewerker ABP 2] blijkt dat, anders dan ABP in haar memorie van antwoord stelt, er wel degelijk door ABP medewerkers telefonisch bedragen werden genoemd, maar uit de verklaringen blijkt tevens dat het dan ging om vaststaande bedragen die ook in MijnABP stonden, om bedragen die reeds stonden vermeld in brieven ( [medewerker ABP 2] ) en om een indicatie wat een bepaalde inleg aan extra pensioen oplevert ( [medewerker ABP 1] ) en dus niet, waar het in de onderhavige zaak om gaat, om bedragen die een klant bij een bepaalde werkgeversstorting (en een zo laag mogelijk pensioenbedrag vanaf 62 tot 65) totaal aan pensioen zou kunnen ontvangen. Maar ook al zouden getuigen [medewerker ABP 1] en [medewerker ABP 2] hebben verklaard dat ook deze laatste bedragen telefonisch aan klanten werden medegedeeld, dan nog staat daarmee niet vast dat aan [appellante] door een medewerker van ABP een bedrag van € 2.500,- bij een werkgeversstorting van

€ 90.000,00 is genoemd. Geen van beide getuigen verklaart immers een dergelijk bedrag aan [appellante] telefonisch te hebben medegedeeld en ook overigens is niet gebleken dat een andere ABP medewerker dit bedrag in een telefoongesprek met [appellante] heeft genoemd. De verklaring van getuige [medewerker ABP 1] dat zij zich, gelet op het uniform pensioenoverzicht van [appellante] over 2011, kan voorstellen dat [appellante] bij ongewijzigd doorwerken tot haar 65ste jaar en een werkgeversstorting van € 90.000,00 een bedrag van € 2.500,- bruto per maand aan ouderdomspensioen zou overhouden, kan [appellante] evenmin baten. In de eerste plaats kan ook hieruit nog niet de conclusie worden getrokken dat aan [appellante] telefonisch is medegedeeld dat zij bij een werkgeversstorting van € 90.000,00 een bedrag van € 2.500,00 bruto per maand zou ontvangen. Voorts heeft [medewerker ABP 1] verklaard zich het voorgaande te kunnen voorstellen in het geval [appellante] ongewijzigd zou hebben doorgewerkt tot haar 65ste jaar, terwijl vast staat dat het juist niet de bedoeling van [appellante] was om tot haar 65ste jaar door te gaan met werken maar om al op haar 62ste jaar te stoppen met werken en op dat moment te kiezen voor een zo laag mogelijk pensioen tot haar 65ste om vervolgens vanaf haar 65ste een zo hoog mogelijk pensioen te ontvangen (de hiervoor al genoemde laag/hoogconstructie). Volgens [appellante] was ABP, althans waren [medewerker ABP 1] en [medewerker ABP 2] ook van die bedoeling op de hoogte.

6.10.2.

De verklaringen van de overige getuigen, [getuige 1] en [getuige 2] , leveren evenmin aanvullend bewijs in het voordeel van [appellante] op. [getuige 1] heeft verklaard dat zij van [appellante] begrepen heeft dat [appellante] bij ABP een vaste persoon had met wie zij telefoneerde, dat deze medewerker aangaf welke storting door HU in de pensioenpot een bepaald pensioen voor [appellante] opleverde en dat [appellante] op basis van de informatie die door ABP werd verstrekt haar beslissing heeft genomen. Zij heeft daarnaast verklaard dat [appellante] haar tijdens een afrondend gesprek in maart 2012 heeft verteld over een bedrag van € 90.000,00 of daaromtrent en dat zij graag op € 2.500,00 wilde uitkomen, dat zij iets heeft moeten toegeven maar dat de grens van € 2.500,00 is gelukt. Deze verklaring van [getuige 1] heeft te gelden als een verklaring van ‘horen zeggen’ ofwel een zogenaamde de auditu-verklaring, aangezien [getuige 1] dit niet uit eigen wetenschap heeft verklaard, maar op grond van hetgeen [appellante] haar heeft verteld. Daar komt bij dat [getuige 1] niet letterlijk verklaard heeft dat [appellante] haar verteld heeft dat een medewerker van ABP het bedrag van € 2.500,00 aan [appellante] heeft medegedeeld.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij en [appellante] in de winter van 2011/2012 gesprekken hebben gehad over de gevolgen van het nemen van ontslag voor haar pensioengerechtigde leeftijd en over een laag/hoogpensioen, dat hij zich herinnert dat tijdens die gesprekken door [appellante] verschillende bedragen zijn genoemd, te weten € 90.000,00, ruim € 2.500,00 netto per maand inclusief AOW vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd en € 30.000,00 bruto per jaar en dat het bedrag van € 90.000,00 afkomstig was van HU en de overige bedragen van ABP. Later heeft hij verklaard dat hij er zeker van is dat het bedrag van € 90.000,00 vanuit HU is genoemd en het bedrag van circa € 30.000,00 door ABP is genoemd en dat hij het bedrag van € 2.500,00 netto zelf heeft berekend.

Ook hier heeft te gelden dat hetgeen getuige [getuige 2] heeft verklaard over mededelingen van ABP aan [appellante] niet is gebaseerd op eigen waarnemingen maar op hetgeen [appellante] hem heeft verteld en dus dient te worden aangemerkt als een de auditu-verklaring. Daarnaast kan uit de door [getuige 2] afgelegde getuigenverklaring evenmin worden afgeleid dat het bedrag van € 2.500,00 door een medewerker van ABP tegenover [appellante] is genoemd, integendeel zelfs. [getuige 2] heeft immers verklaard dat hij het bedrag van € 2.500,00 (netto) zelf heeft berekend.

6.11.

Nu [appellante] er niet in is geslaagd te bewijzen dat ABP haar de door haar gestelde

informatie heeft verstrekt, kan niet worden geconcludeerd dat ABP bij [appellante] het

gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat [appellante] bij een werkgeversstorting van

€ 90.000,00 een bruto pensioen van € 2.500,00 per maand zou ontvangen en dat [appellante] ervan mocht uitgaan dat haar ouderdomspensioen € 500,- bruto per maand hoger zou zijn dan het ouderdomspensioen waarop zij uiteindelijk vanaf haar 65ste jaar recht bleek te hebben. Dit betekent dat de vorderingen van [appellante] niet voor toewijzing in aanmerking komen. Hieruit volgt dat de grieven 3 tot en met 7 eveneens falen (het hof heeft in het tussenarrest van 25 augustus 2015 al geoordeeld dat grieven 1 en 2 falen, vgl. r.o. 3.1 en 3.3.2) en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

6.12.

[appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van ABP worden vastgesteld op

€ 704,00 aan griffierecht en € 2.682,00 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (drie maal € 894,00).

7
7. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van dit hoger beroep, aan de zijde van ABP tot op heden begroot op € 704,00 aan verschotten en € 2.682,00 voor salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M.J.H.A. Venner-Lijten en A.W. Rutten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 oktober 2016.

griffier rolraadsheer