Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4673

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
200.125.277_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2012:3866
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:5359
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldlening. Vaststellingsovereenkomst. Handtekeningonderzoek. Ook als moet worden aangenomen dat de handtekening onder de schuldbekentenis echt is, dan nog is de vordering nog onvoldoende onderbouwd. Vervolg op hof ’s-Hertogenbosch 16 december 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:5359.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.125.277/01

arrest van 18 oktober 2016

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] , Slovenië,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. R.P. Heeren te Leiden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. B. Ramaekers te Maastricht,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 16 december 2014 en 15 september 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer 167873/HA ZA 12-5 gewezen vonnis van 21 november 2012.

8 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 15 september 2015;

  • -

    het deskundigenbericht van 23 maart 2016;

  • -

    de memorie na deskundigenbericht van [appellante] van 31 mei 2016 met één productie;

  • -

    de antwoordmemorie na deskundigenbericht van [geïntimeerde] van 26 juli 2016.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

9 De verdere beoordeling

9.1.

Bij genoemd tussenarrest is een deskundigenonderzoek gelast en is [appellante] in de gelegenheid gesteld haar stellingen nader te onderbouwen (rov. 6.4.3 en 6.5.2).

Het deskundigenbericht is door het hof ontvangen. Partijen hebben memories genomen.

9.2.

Het hof volhardt bij hetgeen werd overwogen en beslist in de tussenarresten.

9.3.

Is [appellante] erfgename van [erflater] ?

9.3.1.

In rov. 4.2 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] tijdens de comparitie na antwoord heeft gesteld dat zij als erfgename van [erflater] in diens rechten is getreden en dat deze stelling door [geïntimeerde] niet is betwist.

In de memorie van antwoord (nummer 51) heeft [geïntimeerde] , in navolging op haar stelling in punt 37 van de conclusie van antwoord, gesteld dat [appellante] dient aan te tonen dat zij in de rechten van haar overleden echtgenoot is getreden. Deze stelling dient te worden aangemerkt als een betwisting.

9.3.2.

In rechtsoverweging 3.6.1 van het eerste tussenarrest is overwogen dat [appellante] zich zal dienen uit te laten en aannemelijk te maken dat zij rechtsopvolgster is.

Daaraan heeft zij toen niet voldaan. Wel heeft zij opgemerkt (punt 3 akte van 10 februari 2015, dat naar Sloveens erfrecht de erfenis gelijkelijk wordt verdeeld tussen de echtgenoot en de kinderen. Waarom Sloveens recht van toepassing zou zijn wordt niet uiteengezet (is [erflater] daar overleden?). Maar zelfs als dat zo zou zijn (en er geen testament is) dan nog heeft [appellante] naar haar eigen stelling hooguit recht op éénderde deel (tenzij tussen de erven anders is overeen gekomen).

9.3.3.

In rechtsoverweging 6.4.2 van het tweede tussenarrest overwoog het hof:

Bewijs van haar huwelijk met [erflater] wordt niet bijgebracht, terwijl evenmin blijkt dat dat huwelijk nog bestond ten tijde van het overlijden van [erflater] .

[geïntimeerde] heeft doen opmerken dat [erflater] twee zonen uit een eerdere relatie had. [appellante] zwijgt over hun bestaan. Evenmin is duidelijk of zij erfgenaam zijn, en bovendien in hoeverre zij tot de nalatenschap gerechtigd zijn. Ten slotte blijkt niet dat de nalatenschap is verdeeld.

[appellante] legt geen verklaring van erfrecht over waaruit haar rechtsopvolging, geheel of gedeelte[lijk] blijkt. Evenmin rept zij over een eventueel testament en wat de gevolgen daarvan dan zijn. Ook ligt nog open de vraag of [appellante] de nalatenschap heeft aanvaard of mogelijk verworpen.

Ten slotte ontbreekt een successieaangifte waaruit de gerechtigheid uit hoofde van het Debt Certificate zou kunnen blijken, alsmede stukken waaruit zou kunnen blijken dat op de nalatenschap Sloveens recht van toepassing is (wellicht dat Duits of Belgisch recht van toepassing is).

Naar aanleiding hiervan is [appellante] nogmaals in staat gesteld haar stellingen nader te onderbouwen. In de memorie na deskundigenbericht heeft zij evenwel alleen een stuk overgelegd waaruit blijkt dat zij op 16 november 1998 met [partner] is gehuwd. Dit stuk wordt door [geïntimeerde] gemotiveerd betwist.

Verdere informatie ontbreekt. In de memorie wordt (punt 9) nog wel opgemerkt dat een verklaring van erfrecht aan [appellante] is afgegeven, maar dat deze in het ongerede is geraakt. De betreffende notaris heeft geen archief meer uit 2001 ( [erflater] overleed op 10 juni 2001), zo wordt gesteld.

9.3.4.

Uit het ontbreken van de relevante stukken leidt het hof de gegrondheid van de betwisting van [geïntimeerde] met betrekking tot de gerechtigdheid van [appellante] op enige vordering van [erflater] op de voormalige echtgenoot van [geïntimeerde] af. Het hof kan mitsdien niet vaststellen dat [appellante] krachtens erfrecht gerechtigde is (geworden) tot de gehele of tot een deel van de vordering die zij stelt.

9.3.5.

[appellante] stelt dat het Debt Certificate naar Nederlands recht dwingend bewijs oplevert en dus ook van haar positie als weduwe (‘widow’). De rechtbank heeft die stelling afgewezen omdat een handgeschreven goedschrift ontbreekt. Daartegen voert [appellante] aan (in grief 8) dat lid 2 van artikel 158 Rv van toepassing is. Dat is niet het geval ten aanzien van [geïntimeerde] , want gesteld noch gebleken is dat zij een onderneming dreef. Dat kan het hof ook niet vaststellen ten aanzien van haar echtgenoot omdat het bestaan van een onderneming nergens anders uit blijkt dan uit het Debt Certificate, namelijk ‘for the need of my business venture’ (en eventueel de niet-onderbouwde verklaring van [appellante] ). Nota bene: er staat ‘my’, niet ‘our business venture’. Wel heeft [appellante] gesteld dat de echtgenoot van [geïntimeerde] in 2005 juwelen financierde (ook goud?), maar het geld zou vóór 2000 ter beschikking zijn gesteld en niet duidelijk wordt of [echtgenoot van geintimeerde] toen ook al een onderneming dreef.

9.3.6.

Maar zelfs als sprake is van dwingend bewijs, dan staat tegenbewijs open tegen de in het Debt Certificate genoemde terugbetalingsverplichting aan [appellante] als erfgename (het woord ‘widow’ is ontoereikend). Voor dit tegenbewijs, dat op [geïntimeerde] drukt, dient [appellante] (de in de vorige rechtsoverweging genoemde) toereikende informatie te verschaffen. Dat heeft zij niet gedaan, zodat het ervoor moet worden dat een eventuele gerechtigheid tot de vordering van [erflater] op [geïntimeerde] is ontzenuwd.

9.3.7.

Het hof merkt daarbij op dat het Debt Certificate alleen is ondertekend door [appellante] , en dus niet door bijvoorbeeld de zonen van [erflater] of eventuele andere erfgenamen of de Sloveense notaris die betrokken was bij de verklaring van erfrecht, zodat de stelling van [appellante] dat zij alleen gerechtigd is geworden tot de vordering enkel steunt op haar eigen verklaring. Die gerechtigdheid kan niet worden afgeleid uit de ondertekening door [geïntimeerde] en haar echtgenoot. Zij kunnen niet uit eigen wetenschap over de erfopvolging verklaren omdat zij bij de verdeling van de nalatenschap niet zijn betrokken geweest.

9.3.8.

[appellante] heeft nog gesteld dat het Debt Certificate als vaststellingsovereenkomst een eigen, zelfstandig recht voor haar jegens [geïntimeerde] heeft doen ontstaan. Het hof kan haar hierin niet volgen. Uit de tekst van het Debt Certificate blijkt dat de schulderkenning wordt gedaan uit hoofde van een verplichting tot terugbetaling van een geldlening (althans terbeschikking-stelling van geld) die door [erflater] aan de echtgenoot van [geïntimeerde] in het jaar 2000 zou zijn verstrekt en dat het dus niet gaat om een vordering uit andere hoofde (of zelfs zonder titel).

9.3.9.

Reeds hierom is de vordering niet toewijsbaar en dient het vonnis te worden bekrachtigd.

9.4.

Bestaat er een geldvordering?

9.4.1.

Hetzelfde geldt voor de geldlening, de hoogte van het geleende bedrag en het ter beschikking stellen van de bedragen. Uit werkelijk niets, elke informatie ontbreekt, blijkt dat [erflater] vóór of in 2000 over € 5.000.000,- (indertijd DM 9.779.150,-) heeft beschikt, dat hij een zodanig bedrag ineens of in porties aan de echtgenoot van [geïntimeerde] ter beschikking heeft gesteld, dat haar echtgenoot dit geld heeft ontvangen en geïnvesteerd in zijn zaak, noch dat [echtgenoot van geintimeerde] toentertijd een zaak had. Overigens wordt door [appellante] niet gesteld hoe het geld ter beschikking is gesteld. In punt 3 van de inleidende dagvaarding wordt slechts genoemd ‘overhandiging/betaling’. Er zijn geen bankafschriften zijn overgelegd.

9.4.2.

Ook is niet gebleken dat [erflater] een onderneming dreef, en als er al een onderneming was, welke dat was (ook daarvan wordt zelfs de naam niet genoemd) en wat de omvang van die onderneming was en wat uit de boekhouding blijkt; de meeste ondernemingen zullen niet € 5.000,000,- kunnen uitlenen. [appellante] volstaat met mee te delen (punt 6 akte van 10 februari 2015) dat het om een bouwfirma gaat, en om Kasino (of is bedoeld Casino?), of de financiële branche en om goudinkoop en –verkoop. Ook wordt gerept van een transactie in Zuid-Afrika. Op de comparitie in eerste aanleg noemt zij ook nog een café in [plaats] . Dat alles is veel te weinig concreet. Bovendien is het hoogst onaannemelijk dat ter zake van de lening (de door [appellante] gestelde titel, punt 3 inl. dagv.) geen contract is opgesteld, noch dat zekerheden zijn bedongen, noch dat rente-afspraken zijn gemaakt. Een toereikende verklaring wordt niet gegeven. De door [appellante] gestelde maar door [geïntimeerde] betwiste goede vriendschap is onvoldoende, gelet op de hoogte van het bedrag.

9.4.3.

In genoemde akte heeft [appellante] nog stukken overgelegd waaruit zou moeten blijken dat de echtgenoot van [geïntimeerde] in 2005 over veel geld heeft moeten beschikken. Uit de stukken (productie 2 bij akte van 10 februari 2015) blijkt niet meer dan van het bestaan van een Jewel Finance Netherlands B.V., waaraan mogelijk ‘Captain [echtgenoot van geintimeerde] ’ verbonden is, maar niet wat zijn relatie is. Een uittreksel uit de kamer van koophandel is niet overgelegd. Nog daargelaten dat enige rijkdom niet uit die stukken valt op te maken, daaruit blijkt niet dat [appellante] erfgenaam is, noch dat [erflater] over veel geld beschikte en dat hij daarvan € 5.000.000,- aan de echtgenoot van [geïntimeerde] ter beschikking heeft gesteld. Ten slotte roept het bestaan van een B.V. de (niet door partijen beantwoorde) vraag op of, zo er geld ter beschikking is gesteld, dit niet aan die vennootschap is geleend en ter beschikking is gesteld. Dit gelet op de hoogte van het bedrag en omdat het Debt Certificate bepaald dat het geld bestemd is ‘for the need of my business venture’.

9.4.4.

Uit dit ontbreken van een begin van relevante informatie volgt dat de betwisting door [geïntimeerde] ook op dit punt doel treft en de inhoud van het Debt Certificate meer dan toereikend ontzenuwt.

9.5.

De handtekening van [geïntimeerde] onder het Debt Certificate

9.5.1.

De conclusie van de handschriftdeskundige luidt:

De onderzoeksresultaten zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese H1 ( [echtgenoot van geintimeerde] en [geïntimeerde] zijn de producenten van de betwiste handtekeningen op het Debt Certificate van 11.01.2007) juist is, dan wanneer hypothese H2 (de handtekeningen zijn door iemand anders op het betwiste document geplaatst) juist is.

[geïntimeerde] blijft ontkennen haar handtekening te hebben geplaatst onder het Debt Certificate. Zij oppert dat sprake is van abus de blanc sign (punt 12 antwoordmemorie na deskundigen-bericht). De handtekeningen zouden op een ander document hebben gestaan waar later de tekst van het Debt Certificate boven is geplaatst. De deskundige heeft aangegeven dat dit niet valt te onderzoeken en [geïntimeerde] heeft niet aangegeven onder welk ander document haar handtekening, en die van haar echtgenoot, geplaatst zouden zijn.

9.5.2.

Naar het oordeel van het hof leidt het onderzoeksresultaat niet tot een ander oordeel over het erfgenaamschap en over de geldvordering en derhalve ook niet tot toewijzing van de vordering van [appellante] . In deze zaak is over de achtergronden van partijen en hun rechtsverhouding zo weinig bekend, en dat wat bekend is leidt tot zoveel vragen en bedenkingen, en zoveel twijfel over de inhoud van het Debt Certificate, dat de opvatting van de deskundige over de handtekeningen onder het Debt Certificate niet meer ter zake doet, al bevreemdt de conclusie wel (zoals alles in deze zaak bevreemdt). In dit verband wijst het hof erop dat [appellante] , hoewel zij stelt dat partijen goede vrienden waren, geen enkele informatie heeft verschaft over de door haar gestelde onderneming van de echtgenoot van [geïntimeerde] (volgens [geïntimeerde] was hij kapitein) of over de welstand waarin zij leefden, waar het geld naar toe zou zijn gegaan en waar het nu is. Het hof heeft daaromtrent geen andere informatie dan dat [geïntimeerde] nu onbemiddeld is (en procedeert op basis van een toevoeging).

9.6.

Nu de vordering op voornoemde gronden niet toewijsbaar zijn (in het bijzonder het onvoldoende stellen en onderbouwen) behoeft op de afzonderlijke grieven behoeft niet te worden beslist. Dat geldt ook voor het recht van toepassing op het Debt Certificate. Het vonnis zal worden bekrachtigd en [appellante] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, de deskundigenkosten daaronder begrepen (2½ punt, tariefgroep VIII).

10 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 299,- aan griffierecht en op € 11.450,- aan salaris advocaat;

en

bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

en

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

en

bepaalt dat de deskundigenkosten ad € 3.146,- ten laste van [appellante] komen en door haar gedragen moeten worden.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, W.H.B. den Hartog Jager en M.J.H.A. Venner-Lijten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 oktober 2016.

griffier rolraadsheer