Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:467

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
18-02-2016
Zaaknummer
200.141.712_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:7331, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Actief wordt onttrokken aan vennootschap waardoor werknemer loonvordering niet meer kan verhalen. Onrechtmatige daad directe en indirecte bestuurders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2016/88
AR 2016/466
JONDR 2016/354
AR-Updates.nl 2016-0165
OR-Updates.nl 2016-0059
INS-Updates.nl 2016-0096
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.141.712/01

arrest van 16 februari 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A.J. ter Wee te Zwolle,

tegen

1 Special Investments B.V.,

2. DRM Holding B.V.,

3. Stichting Administratiekantoor DRM Holding,

alle gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. De gezamenlijke erven van wijlen [erflater] ,

die laatstelijk woonde te [woonplaats 2] (België),

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk aan te duiden als Special Investments c.s., en afzonderlijk als Special Investments, DRM, STAK en de erven van [erflater] ,

advocaat: mr. J.F.E. Kikken te Hoensbroek ,

op het bij exploot van dagvaarding van 17 december 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Limburg van 18 september 2013, gewezen tussen [appellant] als eiser en Special Investments c.s. als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/03/174542/HA ZA 12-362)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties 1 t/m 3;

- de memorie van antwoord met één productie;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

- de door mr. Ter Wee bij het pleidooi bij akte in het geding gebrachte producties

4 t/m 7; deze producties zijn op voorhand naar het hof en de wederpartij gestuurd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende, relevante feiten.

  1. Special Investments is bestuurder van [Dakbedekkingen] Dakbedekkingen [woonplaats 1] B.V. (hierna: [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] ), een dakdekkersbedrijf. DRM is de bestuurder van Special Investments en STAK is de bestuurder van DRM. Tot 15 februari 2012 waren [erflater] (hierna: [erflater] ) en zijn echtgenote [echtgenote erflater] (hierna: [echtgenote erflater] ) de bestuurders van STAK. Op 15 februari 2012 is [erflater] overleden. Sindsdien is [echtgenote erflater] enig bestuurder van STAK.

  2. [appellant] is van 1 januari 2006 tot 1 september 2007 in dienst geweest van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] . In deze periode is [appellant] door [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] gedetacheerd geweest bij Koi Company B.V. (hierna: Koi Company). Op 1 september 2007 is [appellant] in dienst getreden bij Koi Company.

  3. Op enig moment heeft [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] haar voorraden in eigendom overgedragen aan Special Investments. Daarmee voldeed [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] een vordering van Special Investments op [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] (inbetalinggeving).

  4. In de gepubliceerde jaarrekening van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] over 2006 staat een post voorraden van € 260.000,- per 31 december 2006 vermeld. De gepubliceerde jaarrekeningen van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] over 2007 t/m 2010 bevatten geen post voorraden (prod. 8 inl. dagv).

  5. In de gepubliceerde jaarrekening van Special Investments over 2007 staat een post voorraden van € 260.000,- per 31 december 2007 vermeld (prod. 9 inl. dagv).

  6. Bij brief van 23 juni 2008 heeft de advocaat van [appellant] [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] gesommeerd tot betaling van onder meer achterstallig salaris en vakantiegeld (prod. 2 mvg).

  7. Op 17 september 2008 heeft [appellant] [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] gedagvaard voor de kantonrechter. Daarbij vorderde [appellant] onder meer betaling van achterstallig salaris en vakantiegeld over de periode van 1 januari 2006 tot 1 september 2007, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW, en voorts te vermeerderen met de wettelijke rente. Bij vonnis van 22 april 2009 (prod. 6 inl. dagv) heeft de kantonrechter het gevorderde achterstallige salaris en vakantiegeld over genoemde periode toegewezen. Daarnaast heeft de kantonrechter de wettelijke verhoging over het achterstallig salaris en vakantiegeld toegewezen, maar de kantonrechter heeft die verhoging billijkheidshalve beperkt tot 15%. Verder heeft de kantonrechter de wettelijke rente toegewezen over het achterstallige salaris en vakantiegeld en over de wettelijke verhoging. Tot slot heeft de kantonrechter [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] veroordeeld in de proceskosten.

  8. Tegen dit vonnis hebben zowel [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] als [appellant] hoger beroep ingesteld. Bij eindarrest van 24 juli 2012 (prod. 14 bij akte [appellant] van 12 september 2012) heeft het hof het vonnis van de kantonrechter gedeeltelijk vernietigd, namelijk voor zover dat vonnis betrekking heeft op de wettelijke verhoging. Vervolgens heeft het hof alsnog de gevorderde wettelijke verhoging van 50% over het achterstallig salaris en vakantiegeld toegewezen. Voor het overige heeft het hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

  9. Op 15 januari 2010 heeft [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] haar activiteiten gestaakt.

  10. Op 6 juni 2012 heeft [appellant] ten laste van de erven van [erflater] conservatoir beslag laten leggen op een onroerende zaak gelegen aan [adres] te [plaats] , gemeente [woonplaats 1] .

3.2.1.

Bij inleidende dagvaarding heeft [appellant] , samengevat, gevorderd:

I. een verklaring voor recht dat de directe en indirecte bestuurders van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] aansprakelijk zijn voor de door [appellant] geleden schade, bestaande uit het niet meer kunnen incasseren van zijn vordering op [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] zoals vastgesteld bij voormeld vonnis van de kantonrechter;

II. een verklaring voor recht dat de in 2007 verrichte rechtshandeling strekkende tot overdracht van de voorraden van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] aan Special Investments ex artikel 3:45 BW is vernietigd, dan wel deze rechtshandeling te vernietigen;

III. hoofdelijke veroordeling van Special Investments c.s. tot betaling van al hetgeen [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] op grond van genoemd vonnis van de kantonrechter aan [appellant] is verschuldigd,

een en ander met hoofdelijke veroordeling van Special Investments c.s. in de proceskosten inclusief de beslagkosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.2.2.

[appellant] heeft – naar het hof begrijpt en voor zover in hoger beroep van belang – aan zijn vorderingen onder I en III samengevat het volgende ten grondslag gelegd. Special Investments, DRM, STAK en [erflater] (hof: [appellant] duidt abusievelijk de erven in plaats van [erflater] aan als bestuurder) hebben als (directe respectievelijk indirecte) bestuurders van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld. Dit onrechtmatige handelen bestaat onder meer uit het uiterlijk eind 2007 onttrekken van voorraden aan [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] zonder dat daar een concrete betaling tegenover stond. Daardoor kreeg Special Investments voldoening van haar vordering op [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] , terwijl [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] als een lege huls achter bleef en geen verhaal meer bood voor derden, waaronder [appellant] . Genoemde bestuurders kan van deze benadeling van [appellant] persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt, nu zij moedwillig een situatie hebben laten ontstaan en bevorderd waarin [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] geen verhaal meer bood voor derden, waaronder [appellant] . In dit verband heeft [appellant] onder meer gesteld dat [erflater] destijds de enige (indirecte) bestuurder en (indirecte) aandeelhouder van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] was die allesbepalende zeggenschap had. Verder stelt [appellant] dat genoemde bestuurders wisten dat er een gerede kans bestond dat de kantonrechter de door [appellant] op 17 september 2008 ingestelde loonvordering zou toewijzen en dat zij daarmee rekening hadden moeten houden. Dat zij rekening moesten houden met de loonvordering van [appellant] gold volgens hem ook al tijdens de onttrekking van de voorraden per ultimo 2007.

Verder stelt [appellant] dat indien Special Investments als direct bestuurder van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die [appellant] lijdt doordat hij zijn vordering op [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] niet kan verhalen, de indirecte bestuurders DRM, STAK en [erflater] hiervoor op grond van artikel 2:11 BW ook persoonlijk aansprakelijk zijn. Tot slot stelt [appellant] dat hij de erven kan aanspreken voor zijn vordering op [erflater] , omdat deze vordering in het vermogen van [erflater] valt en dit vermogen krachtens algemene of bijzondere titel is overgegaan op de erven.

3.2.3.

Special Investments c.s. hebben verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten. Zeer kort samengevat overwoog de rechtbank dat de verwijten die [appellant] Special Investments c.s. maakt onvoldoende zijn om te kunnen concluderen tot bestuurdersaansprakelijkheid. Verder overwoog de rechtbank dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld voor een geslaagd beroep op artikel 3:45 BW.

3.3.

[appellant] heeft zes grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis (de vijfde en zesde grief zijn abusievelijk beide met nummer 5 aangeduid). [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van dit vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen. Daarnaast heeft hij gevorderd Special Investments te veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep en in de nakosten, vermeerderd met wettelijke handelsrente.

3.4.1.

Geen grief is gericht de afwijzing door de rechtbank van de hierboven in rov. 3.2.1 onder II genoemde vordering en de daaraan ten grondslag liggende rechtsoverwegingen. Deze vordering is daarom in hoger beroep niet meer aan de orde.

3.4.2.

De hierboven in rov. 3.2.1 onder I en III weergegeven vorderingen waren mede gegrond op kennelijk onbehoorlijk bestuur ex artikel 2:9 BW. De rechtbank heeft deze grondslag impliciet verworpen. [appellant] heeft daartegen geen grief gericht, zodat deze grondslag in hoger beroep niet meer aan de orde is.

3.4.3.

Gezien het voorgaande zijn in hoger beroep alleen nog de vorderingen I en III aan de orde voor zover daaraan ten grondslag ligt, kort gezegd, dat Special Investments, DRM, STAK en [erflater] als directe of indirecte bestuurders van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld.

Rechtsmacht

3.5.1.

De geschillen tussen [appellant] en STAK en tussen [appellant] en de erven van [erflater] hebben internationale aspecten. Ten tijde van de betekening van de inleidende dagvaarding was STAK in België gevestigd. Verder woonde [erflater] laatstelijk in België. Conform artikel 53 onder a Rv is het exploot van de inleidende dagvaarding aan de gezamenlijke erfgenamen van [erflater] betekend aan zijn laatste woonadres in België waar zijn overlevende echtgenote ten tijde van de betekening woonde.

3.5.2.

Gelet op deze internationale aspecten moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de in hoger beroep nog aan de orde zijnde geschillen tussen [appellant] en STAK en tussen [appellant] en de erven van [erflater] . Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht (impliciet) aangenomen dat zij rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vorderingen I en III van [appellant] tegen STAK en de erven van [erflater] , voor zover deze vorderingen zijn gegrond op onrechtmatige daden die STAK en [erflater] als indirecte bestuurders van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] hebben gepleegd. Daartoe overweegt het hof als volgt.

3.5.3.

Het hof gaat ervan uit dat deze gestelde onrechtmatige daden in Nederland zijn gepleegd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de overdracht van de voorraden van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] aan Special Investments heeft plaatsgevonden tussen twee in Nederland gevestigde vennootschappen die kennelijk in Nederland hun bedrijfsactiviteiten uitoefenden. Verder neemt het hof in ogenschouw dat in de ongedateerde overeenkomst (prod. 11 inl. dagv) en de overeenkomst d.d. 15 januari 2010 (prod. 12 inl. dagv), ter zake waarvan [appellant] ook onrechtmatig handelen verwijt aan onder meer STAK en [erflater] , staat vermeld dat deze overeenkomsten zijn getekend in [plaats] , Nederland.

3.5.4.

Nu ervan wordt uitgegaan dat de aan STAK en [erflater] verweten onrechtmatige daden in Nederland zijn gepleegd, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 5 lid 3 EEX-Verordening rechtsmacht toe om kennis te nemen van de vorderingen onder I en III tussen [appellant] en STAK en tussen [appellant] en de erven van [erflater] .

Toepasselijk recht

3.6.

Partijen gaan er kennelijk van uit dat de rechtsverhoudingen tussen [appellant] en STAK en tussen [appellant] en (de erven van) [erflater] worden beheerst door Nederlands recht, gezien hun verwijzingen naar Nederlandse wetsartikelen (door [appellant] ) en Nederlandse jurisprudentie (door [appellant] en door Special Investments c.s.). Het hof gaat er daarom ook van uit dat deze rechtsverhoudingen worden beheerst door Nederlands recht. Overigens volgt de toepasselijkheid van Nederlands recht ook uit artikel 3 lid 1 van de (inmiddels vervallen) Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (Stb. 2001, 190). Deze wet was van kracht ten tijde van het plegen van de gestelde onrechtmatige daden door STAK en [erflater] .

3.7.1.

Met grief 3 stelt [appellant] in de kern de vraag aan de orde of Special Investments als directe bestuurder van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] en DRM, STAK en [erflater] als indirecte bestuurders van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld door de voorraden van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] in eigendom over te dragen aan Special Investments ter voldoening van een schuld van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] aan Special Investments (inbetalinggeving).

3.7.2.

Bij de beantwoording van deze vraag zal het hof veronderstellenderwijze uitgaan van de juistheid van de stelling van Special Investments c.s. dat de overdracht van de voorraden begin 2007 heeft plaatsgevonden.

3.7.3.

Het hof stelt voorop dat blijkens het vonnis van de kantonrechter van 22 april 2009 en het onherroepelijke arrest van dit hof van 24 juli 2012, waarin het vonnis van de kantonrechter gedeeltelijk is bekrachtigd, vaststaat dat [appellant] een vordering van € 25.000,- netto op [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] heeft ter zake loon over de periode van 1 januari 2006 tot

1 september 2007, te vermeerderen met vakantietoeslag, wettelijke verhoging, wettelijke rente en proceskosten. Tussen partijen is niet in geschil dat [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] deze vordering niet heeft voldaan en dat die vordering niet meer op [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] kan worden verhaald. Er is dus sprake van benadeling van een schuldeiser ( [appellant] ) van een vennootschap ( [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] ) door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering op de vennootschap.

3.7.4.

Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (zie o.a. HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:246).

3.7.5.

Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval (zie o.a. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627). Indien de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en de vordering van de schuldeiser op de vennootschap onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen als de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen (zie o.a. HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758).

3.7.6.

Ten tijde van de overdracht van de voorraden begin 2007 had [appellant] al ruim een jaar geen salaris van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] ontvangen. Vaststaat dat Special Investments, DRM, STAK en [erflater] dat toen ook wisten; [appellant] heeft immers onweersproken gesteld dat zij vanaf 1 januari 2006 iedere maand wisten dat [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] geen salaris aan [appellant] betaalde.

3.7.7.

Special Investments c.s. voeren echter aan dat de (naar het hof begrijpt: directe en indirecte) bestuurders van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] ten tijde van de overdracht van de voorraden geen rekening hoefden te houden met een loonvordering van [appellant] op [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] . Daartoe stellen Special Investments c.s., samengevat, dat [appellant] feitelijk werkzaamheden verrichtte voor Koi Company B.V. (hierna: Koi Company) en ook door die vennootschap werd betaald, terwijl [appellant] zich pas bij brief van 23 juni 2008 bij [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] meldde met zijn loonvordering, dus na de overdracht van de voorraden.

Het hof verwerpt dit verweer, omdat het onvoldoende feitelijk is onderbouwd in het licht van het vaststaande feit dat [appellant] een arbeidsovereenkomst had met [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] , ingaande 1 januari 2006 en eindigende 1 september 2007 (toen hij bij Koi Company in dienst trad) en [appellant] over díe periode geen salaris heeft ontvangen (dus ook niet van Koi Company). Dit, terwijl genoemde directe en indirecte bestuurders van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] wisten dat [appellant] geen salaris ontving (zie rov. 3.7.6). Special Investments c.s. hebben in het kader van hun betwisting dat zij onrechtmatig hebben gehandeld, onvoldoende gemotiveerd gesteld dat Special Investments als directe bestuurder van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] en DRM, STAK en [erflater] als haar indirecte bestuurders begin 2007 goede grond hadden om aan te kunnen nemen dat [appellant] desondanks geen loonvordering op [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] maar op Koi Company had. Het enkele feit dat [appellant] in genoemde periode feitelijk werkzaamheden verrichtte voor Koi Company maakt immers niet dat de verplichting van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] als werkgever van [appellant] om salaris aan hem te betalen, was komen te vervallen. Dit geldt eens temeer, nu [appellant] tijdens het pleidooi onbetwist heeft gesteld dat [erflater] destijds wilde dat [appellant] een arbeidsovereenkomst zou sluiten met [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] , omdat [erflater] geen aparte salarisadministratie wilde gaan voeren voor Koi Company. (Naar het hof de stellingen van [appellant] begrijpt, was de reden hiervan volgens hem dat Koi Company een onderneming op het gebied van koikarpers voerde en dit slechts een hobby van [erflater] was). Ten overvloede overweegt het hof dat bij het voorgaande ook nog komt dat [appellant] in zijn memorie van grieven heeft gesteld dat hij tijdens zijn dienstverband met [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] veelvuldig aan [erflater] heeft verzocht zijn salaris te voldoen. Tijdens het pleidooi heeft [appellant] deze stelling nader uitgewerkt en gesteld dat hij destijds (onder meer) aan [erflater] heeft gevraagd om betaling van zijn salaris door [Dakbedekkingen] [woonplaats 1]. Special Investments c.s. betwisten in feite niet dat [appellant] destijds meerdere keren aan [erflater] om betaling van zijn salaris heeft gevraagd, maar zij voeren aan dat zij ervan uitgaan dat [appellant] daarbij om betaling door Koi Company heeft verzocht. De enkele stelling dat zij daarvan uitgaan, vormt echter geen voldoende gemotiveerde betwisting van de stelling van [appellant] dat hij om betaling van zijn salaris door [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] heeft verzocht. Het hof houdt het er dan ook voor dat [appellant] al vóór de overdracht van de voorraden om betaling van zijn salaris door [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] heeft verzocht aan [erflater] .

3.7.8.

Gelet op het voorgaande houdt het hof het ervoor dat Special Investments als directe bestuurder van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] en DRM, STAK en [erflater] als haar indirecte bestuurders, ten tijde van de overdracht van de voorraden begin 2007 rekening hadden moeten houden met de loonvordering van [appellant] op [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] . Desondanks hebben zij bewerkstelligd dan wel toegelaten dat begin 2007 bij wege van inbetalinggeving alle voorraden van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] aan haar directe bestuurder (en enig aandeelhouder, zie

prod. 1 inl. dagv) Special Investments werden overgedragen, zonder daarbij een voorziening op de balans te treffen of anderszins geld te reserveren voor de voldoening van de loonvordering van [appellant] . Voorts staat tussen partijen als onbetwist vast dat door de overdracht van de voorraden (die eind 2006 nog voor € 260.000,- op de balans van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] stonden en eind 2007 voor hetzelfde bedrag op de balans van Special Investments stonden) de enige ‘harde’ bezittingen aan [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] werden onttrokken. Hierdoor – zo staat eveneens als onbetwist vast – bleef [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] als ‘een lege huls’ achter en werd enig verhaal door derden op het vermogen van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] onmogelijk gemaakt. Gelet op dit een en ander concludeert het hof dat Special Investments, DRM, STAK en [erflater] hebben bewerkstelligd dan wel hebben toegelaten dat [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] haar contractuele betalingsverplichtingen jegens [appellant] niet nakomt. Het hof neemt hierbij nog in ogenschouw dat Special Investments c.s. niet hebben aangevoerd dat de vordering van [appellant] al voor de overdracht van de voorraden onverhaalbaar was. Verder moet in het licht van al het voorgaande worden aangenomen dat genoemde directe en indirecte bestuurders van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] wisten of redelijkerwijze hadden behoren te begrijpen dat de door hen bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] tot gevolg zou hebben dat deze haar betalingsverplichtingen jegens [appellant] niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

3.7.9.

Op grond van al het bovenstaande is het hof van oordeel dat Special Investments, DRM, STAK en [erflater] een ernstig verwijt kan worden gemaakt ter zake van de door hen bewerkstelligde dan wel toegelaten handelwijze inzake de overdracht van de voorraden. Special Investments, DRM, STAK en [erflater] zijn als directe dan wel indirecte bestuurders van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] dan ook persoonlijk aansprakelijk voor de schade die [appellant] lijdt doordat hij zijn loonvordering (vermeerderd met vakantietoeslag, wettelijke verhoging, wettelijke rente en proceskosten) niet meer kan verhalen op [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] . Hierbij heeft het hof met betrekking tot de indirecte bestuurders DRM, STAK en [erflater] nog het volgende in aanmerking genomen. Als onbetwist staat vast dat: (i) [erflater] ‘alleenheerser’ was van het ‘ [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] -imperium’ (akte na comparitie van [appellant] , nr. 5), (ii) [erflater] uiteindelijk (en als enige) zeggenschap had aan de zijde van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] , Special Investments, DRM en STAK en (iii) [erflater] de onderneming van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] dreef (inl. dagv. nr. 6, mvg nr. 3.7 en pleitnota [appellant] , p. 2, vijfde alinea). Voorts is van belang dat de enige andere natuurlijke persoon die indirect bestuurder was (en is) van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] , te weten [echtgenote erflater] (echtgenote van wijlen [erflater] ), zich nooit heeft bezig gehouden met de bedrijfsactiviteiten, zoals mr. Kikken tijdens het pleidooi heeft verklaard. Gelet op dit een en ander is het hof van oordeel dat in dit geval alle aangesproken indirecte bestuurders van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] persoonlijk aansprakelijk zijn. Dit oordeel is in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1204.

3.7.10.

Bij het voorgaande passeert het hof het algemene bewijsaanbod van Special Investments c.s. Zij hebben geen specifiek bewijs aangeboden van feiten die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.

3.7.11.

Op grond van het bovenstaande slaagt grief 3. Reeds daarom zijn de vorderingen I en III toewijsbaar, met dien verstande dat de onder I gevorderde verklaring voor recht dat de directe en indirecte bestuurders van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] aansprakelijk zijn alleen kan worden toegewezen voor zover deze ziet op Special Investments, DRM, STAK en [erflater] . De gevorderde verklaring voor recht kan niet worden toegewezen voor zover deze zou zien op [echtgenote erflater] , die in 2007 ook indirect bestuurder van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] was. In de onderhavige procedure is zij immers slechts als partij betrokken in haar hoedanigheid van (één van de gezamenlijke) erfgena(a)m(en) van [erflater] en niet mede als indirect bestuurder van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] . In zoverre falen de vijfde en zesde grief (beiden genummerd 5) dan ook, terwijl deze grieven voor het overige slagen.

Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat bij het oordeel dat de vorderingen I (deels) en III toewijsbaar zijn in aanmerking is genomen dat tussen partijen niet in geschil is dat de erven rechtsopvolgers onder algemene titel zijn van [erflater] en dat de vordering van [appellant] op [erflater] tot vergoeding van schade in zijn nalatenschap valt.

3.8.

De grieven 1, 2 en 4 behoeven gezien het voorgaande verder geen bespreking meer.

3.9.

De conclusie luidt dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen. Opnieuw rechtdoende zal het hof de onder I gevorderde verklaring voor recht alsnog toewijzen voor zover deze ziet op Special Investments, DRM, STAK en [erflater] .

Het hof zal ook vordering III alsnog toewijzen. De daarbij gevorderde hoofdelijke veroordeling van Special Investments c.s. is gelet op artikel 6:102 lid 1 BW toewijsbaar. Verder verdient nog opmerking dat [appellant] alleen betaling heeft gevorderd van hetgeen [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] aan hem verschuldigd is op grond van het vonnis van de kantonrechter van

22 april 2009 en niet van het meerdere dat [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] aan [appellant] verschuldigd is op grond van het arrest van het hof van 24 juli 2012.

3.10.

[appellant] heeft gevorderd om Special Investments c.s. hoofdelijk te veroordelen in de beslagkosten. Deze vordering is op grond van artikel 706 Rv alleen toewijsbaar tegen de erven van [erflater] , omdat alleen ten laste van hen beslag is gelegd. De beslagkosten worden begroot op € 442,67 voor verschotten en op € 894,- voor salaris advocaat, zijnde in totaal € 1.336,67.

De gevorderde wettelijke rente (ex artikel 6:119 BW) over de beslagkosten zal worden toegewezen vanaf veertien na betekening van deze uitspraak.

3.11.

Special Investments c.s. zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep en de nakosten. Op vordering van [appellant] zullen Special Investments c.s. hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten en de nakosten.

3.12.

In plaats van de gevorderde wettelijke handelsrente over de proceskosten en de nakosten vanaf veertien dagen na de dag van deze uitspraak zal het hof de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW toewijzen. De verplichting tot het betalen van de proces- en nakosten betreft immers geen verplichting tot betaling uit een handelsovereenkomst.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep van 18 september 2013, en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat Special Investments, DRM, STAK en [erflater] als direct respectievelijk indirect bestuurders van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] aansprakelijk zijn voor de schade die [appellant] heeft geleden als gevolg van de overdracht van de voorraden van [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] aan Special Investments, welke schade van [appellant] bestaat uit het niet (meer) kunnen verhalen van zijn vordering op [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] , zoals die vordering is vastgesteld bij het onder zaak/rolnummer 307699 CV EXPL 08-8276 tussen [appellant] als eiser en [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] als gedaagde gewezen vonnis van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie [woonplaats 1] van 22 april 2009;

veroordeelt Special Investments c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, om aan [appellant] te betalen al hetgeen [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] aan hem is verschuldigd op grond van genoemd vonnis van de kantonrechter van 22 april 2009, inclusief de rente en kosten tot betaling waarvan [Dakbedekkingen] [woonplaats 1] in dat vonnis is veroordeeld;

veroordeelt de erven van [erflater] tot betaling aan [appellant] van de beslagkosten ten bedrage van € 1.336,67; en

bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na betekening van deze uitspraak moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt Special Investments c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, in de proceskosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep en in de nakosten, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] worden begroot:

  • -

    op € 356,44 aan verschotten en op € 1.447,50 aan salaris advocaat voor de procedure in eerste aanleg;

  • -

    op € 416,47 aan verschotten en op € 3.474,- aan salaris advocaat voor de procedure in hoger beroep;

  • -

    voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op

€ 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden; en

bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, D.A.E.M. Hulskes en J. van der Steenhoven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 februari 2016.

griffier rolraadsheer