Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:464

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-02-2016
Datum publicatie
01-04-2016
Zaaknummer
200.182.592/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 285 lid 1 aanhef en onder f Fw en artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw.

Geen minnelijk traject doorlopen. Bekrachtiging weigering toelating. niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 285
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 4 februari 2016

Zaaknummer : 200.182.592/01

Zaaknummer eerste aanleg : 297987/FT RK 15-1124

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. M.J. de Jongh te Leiden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 14 december 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 december 2015, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en [appellant] alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 januari 2016. Bij die gelegenheid is gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. de Jongh.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 16 november 2015;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 18 januari 2016;

- het ter zitting door de advocaat van [appellant] overgelegde overzicht openstaande zaken van het CJIB met als peildatum 22 januari 2016.

3 De beoordeling

3.1.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 61.580,92.

Daaronder bevinden zich onder meer twee schulden aan het CJIB van € 5.583,00 en

€ 6.172,88.

Uit genoemde verklaring blijkt niet van het doorlopen van een minnelijk traject.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank heeft in het bijzonder gewezen op de CJIB-schulden en de belastingschulden.

3.3.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

[appellant] stelt dat in het licht van de omstandigheden wat hem betreft tenminste sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij het ontstaan van de schulden.

[appellant] stelt voorts dat hij de ontbrekende aangiften inkomstenbelasting onlangs alsnog heeft ingediend; naar verwachting zal de vordering van de belastingdienst naar beneden kunnen worden bijgesteld of zelfs geheel komen te vervallen.

[appellant] verzoekt, voor zover er ten tijde van de beoordeling van het hoger beroep nog CJIB-vorderingen openstaan, deze buiten de regeling te laten en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

3.4.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

Minnelijk traject

3.4.1.

Uit artikel 285 lid 1 aanhef en onder f Fw moet worden afgeleid dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de schuldenaar een poging doet om aan zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling aan te bieden. Indien de schuldenaar niet tot een buitengerechtelijke schuldregeling is gekomen, dient het verzoekschrift een met redenen omklede verklaring te bevatten dat daartoe geen reële mogelijkheden bestaan.

3.4.2.

Uit de memorie van toelichting van de Wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (kamerstukken 29 942 nr. 3 vergaderjaar 2004-2005) valt op te maken dat dit wetsvoorstel onder andere ertoe strekt de regeling van de sanering van schulden van natuurlijke personen te vereenvoudigen en de toegang tot de schuldsaneringsregeling beter te beheersen.

De wetgever heeft bij deze wijziging onder meer voor ogen gestaan dat het bij economische tegenwind juist klemt dat het sociaal-maatschappelijke belang dat de schuldsaneringsregeling daadwerkelijk bereikbaar blijft voor wie te goeder trouw is en voor wie oprecht en actief (maar tevergeefs) heeft geprobeerd om met zijn schuldeisers tot een schikking te komen en voor wie aldus in een benarde schuldenpositie geen andere keuze overblijft dan een beroep op de rechter te doen. Voor deze groep schuldenaren is de schuldsaneringsregeling oorspronkelijk bedoeld en voor die groep wordt de toegang tot die regeling ook in het nieuwe stelsel niet belemmerd. Strenge toelatingscondities zijn een manier om de schuldenaar tot het uiterste te laten gaan bij zijn poging om een minnelijke regeling te bereiken.

3.4.3.

[appellant] heeft bij zijn verzoekschrift ex 284 Fw bij de door hem overgelegde 285-verklaring een (verkorte)crediteurenlijst overgelegd (eerste pagina bijlage B ‘Crediteurenlijst bij Verzoekschrift WSNP ex art. 284 Fw), waarin afkoopbedragen op basis van een bepaald percentage (het hof begrijpt 38,68% voor preferente crediteuren en 19,34% voor concurrente crediteuren) van de hoofdsom staan vermeld. Verder staat in de ‘Crediteurenlijst bij Verzoekschrift Wsnp ex art. 284 Fw’(vervolg bijlage B) per schuldeiser vermeld of deze ‘ja’ dan wel ‘nee’ heeft ‘ingestemd met voorstel’.

3.4.4.

Het hof is echter desalniettemin van oordeel dat [appellant] niet ontvankelijk is in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, nu geen sprake is van ‘een voldoende met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen’ als bedoeld in artikel 285 lid 1 aanhef onder f Fw. In de door [appellant] overgelegde 285-verklaring is hierover niets vermeld.

Het hof acht hetgeen onder 3.4.3. is weergegeven niet op een lijn te stellen met de op grond van artikel 285 Fw vereiste met redenen omklede verklaring, mede omdat niet althans onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarop het aanbod van [appellant] was gebaseerd, of dit het uiterste bod was en met welke middelen, bij aanvaarding van de schuldregeling, bevrediging van de schuldeisers zou kunnen plaatsvinden (vgl. artikel 285 lid 1 aanhef en sub h Fw).

Het hof overweegt dat de schuldsaneringsregeling niet van toepassing kan worden verklaard zonder een met redenen omklede verklaring dat de schuldenaar tevergeefs pogingen heeft ondernomen om met zijn schuldeisers tot een minnelijk vergelijk te komen.

Artikel 285 lid 1 sub f Fw betreft nu eenmaal een dwingendrechtelijke bepaling, welke bepaling niet zonder meer buiten toepassing kan worden gelaten.

Ter zitting heeft [appellant] verklaard ‘ervan uit te gaan’ dat de kredietbank het vereiste minnelijke traject heeft gevolgd. Reeds in het licht van hetgeen hiervoor werd overwogen, is dit onvoldoende.

Het hof merkt voorts nog het volgende op.

Goede trouw.

3.5.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.5.1.

Met betrekking tot de CJIB-schulden ter zake van de door [appellant] begane overtredingen met betrekking tot zijn auto verwijst het hof naar het ter zitting in hoger beroep overlegde Overzicht openstaande zaken d.d. 22 januari 2016, waaruit valt op te maken dat het CJIB over een bepaalde periode aan [appellant] dertien maal boetes heeft opgelegd wegens het in bezit hebben van een niet-verzekerde auto, het niet betalen van motorrijtuigenbelasting en te hard rijden, zoals door hem ter zitting in eerste aanleg is verklaard, en waarvan het totaalbedrag per laatst vermelde datum thans € 8.221,50 bedraagt.

Het hof verwijst in dat verband naar bijlage IV (artikel 5.4.4. van het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken), welk artikel een codificatie is van bestaande jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat schulden, “die betrekking hebben op een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen van afdracht van (omzet)belasting” alsmede substantiële geldboetes die zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen in beginsel gelden als een schuld die niet te goeder trouw is ontstaan.

Voor het geval een inhoudelijke beoordeling aan de orde zou zijn, is het hof met de rechtbank van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de hierboven vermelde CJIB-schulden te goeder trouw is geweest. Het hof acht de hiervoor vermelde omstandigheden voldoende ernstig om afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen.

Daarbij merkt het hof nog op dat ingevolge het systeem van de Faillissementswet, meer in het bijzonder dat van Titel III, ook de ten tijde van het toelatingsverzoek bestaande en, normaliter op de zogenoemde 285-verklaring vermelde, schulden aan het CJIB door de rechter ex nunc moeten worden getoetst aan het bepaalde in onder meer artikel 288 lid 1 Fw (vgl. in verband met deze bepaling ook Bijlage IV Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken). Voor de door [appellant] in hoger beroep bepleite uitzondering bestaat rechtens dan ook geen grond.

3.5.2.

Ook ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de belastingschuld heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt te goeder trouw te zijn geweest. In het geding is gebracht een aangifte inkomstenbelasting 2014, maar de in het beroepschrift aangekondigde ontbrekende aangiften (2012/2013) zijn niet overgelegd. Doordat zelfs nu bepaalde belastingaangiften nog steeds niet zijn overgelegd acht het hof op dit moment evenmin voldoende aannemelijk gemaakt dat, doordat hij zijn aangifteverplichtingen enige tijd niet (tijdig) is nagekomen, [appellant] thans de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen kan nakomen, waaronder de algemene en spontane inlichtingenplicht.

3.6.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, L.Th.L.G. Pellis en H.E. Goedegebuur en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2016.