Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4604

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
15/00816 tot en met 15/00818
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:1990, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1036
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gecorrigeerde bedragen zijn afkomstig uit een belaste bron van inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0502
V-N Vandaag 2017/437

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Kenmerken 15/00816 tot en met 15/00818

13 oktober 2016

uitspraak van de meervoudige belastingkamer

op de hogere beroepen van

[belanghebbende] , wonende te [plaats 1] , belanghebbende,

(gemachtigde: [A] ),

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken AWB 14/5745, 14/5746 en 14/5747 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

( [B] ).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd:

- met dagtekening 7 december 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2008, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.717 en een premie-inkomen van € 31.589, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 22.743;

- met dagtekening 7 december 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2009, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 110.977, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 23.482; en

- met dagtekening 30 november 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2010, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.495, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 2.366.

1.2.

Na tegen de hiervoor vermelde navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij (afzonderlijke) uitspraken op bezwaar, gedagtekend 11 augustus 2014 en 26 augustus 2014, de navorderingsaanslagen gehandhaafd, de boetebeschikking gegeven bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2008 verminderd tot € 20.857 en de overige boetebeschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is in beroep gekomen tegen voormelde uitspraken op bezwaar bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Bij uitspraak van 9 april 2015 heeft de rechtbank als volgt beslist:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de navorderingsaanslag 2008, beschikking heffingsrente 2008 en boetebeschikkingen 2008, 2009 en 2010 gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de

navorderingsaanslag 2008, beschikking heffingsrente 2008 en boetebeschikkingen 2008, 2009 en 2010;

- vermindert de navorderingsaanslag 2008 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 90.886 en een premie-inkomen van € 21.758 en vermindert de beschikking heffingsrente 2008 dienovereenkomstig;

- verlaagt de boetebeschikkingen ter zake van de jaren 2008, 2009 en 2010 tot elk

€ 500:

- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 26;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.”

1.4.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hogere beroep is bij het Hof ingekomen op 22 mei 2015, aangevuld bij brief van 14 juni 2015. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Van belanghebbende zijn op 1 augustus 2016 nadere stukken ingekomen, waarvan een afschrift aan de inspecteur is gezonden.

1.6.

Van de inspecteur zijn op 15 en 18 augustus 2016 nadere stukken ingekomen, waarvan een afschrift aan de gemachtigde van belanghebbende is gezonden.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2016. Daarbij zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde, vergezeld van de echtgenote van belanghebbende en namens de inspecteur [B] voornoemd, vergezeld van [C] . Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld:

“2.1. Belanghebbende is ingenieur (Ir.) en gespecialiseerd in het ontwikkelen van software. Belanghebbende was werkzaam bij [bedrijf 1] en is rond het jaar 2001 in contact gekomen met [D] (hierna: de heer [D] ).

2.2.

Belanghebbende is de directeur/grootaandeelhouder van [bedrijf 2] B.V., opgericht op 15 december 2003 en gevestigd te [plaats 1] . Belanghebbende was de directeur/ grootaandeelhouder van [bedrijf 3] B.V., opgericht op 15 december 2003 en ontbonden op 1 oktober 2009. Deze vennootschap was eveneens gevestigd te [plaats 1] . Op 14 mei 2008 is een contract gesloten met [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ) voor het ontwikkelen van software, voor een totaalbedrag van € 390.000, exclusief BTW. Alle facturen aan [bedrijf 4] stonden op naam van [bedrijf 3] B.V. De bedragen van de uitgeschreven facturen zijn, behoudens de factuur van 27 mei 2008, overgemaakt naar het rekeningnummer van “ [Stichting D] te [plaats 2] ”. Het bedrag van de factuur van 27 mei 2008 is met valutadatum 30 mei 2008 op de rekening van belanghebbende bijgeschreven en vervolgens in twee termijnen overgemaakt naar het bankrekeningnummer van “ [Stichting D] te [plaats 2] ”.

2.3.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2008 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. Hierbij is onder meer twee maal aftrek eigen woning aangegeven betreffende de eigen woning van belanghebbende gelegen te [a-straat] 12 te [postcode] [plaats 1] . Met dagtekening 18 november 2011 is de definitieve aanslag conform de aangifte vastgesteld.

2.4.

Belanghebbende heeft voor de jaren 2009 en 2010 niet tijdig aangifte gedaan. Met dagtekening 8 februari 2012 en 27 juni 2012 zijn de definitieve aanslagen ambtshalve vastgesteld, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk

€ 40.000 en € 41.001. Belanghebbende heeft nadien de aangiften 2009 en 2010 ingediend, gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk nihil en

-/- € 19.305. De aangiften zijn door de inspecteur als bezwaarschriften aangemerkt.

2.5.

De inspecteur heeft vervolgens de definitieve aanslagen 2009 en 2010 met respectievelijk dagtekening 23 januari 2013 en 12 februari 2013 verminderd naar belastbare inkomens uit werk en woning van respectievelijk nihil.

2.6.

De inspecteur heeft in december 2012 en januari 2013 boekenonderzoeken ingesteld bij:

- belanghebbende, over de jaren 2008 tot en met 2011 naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV;

- [bedrijf 3] B.V., over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2009 naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting en over de jaren 2008 tot en met 2009 naar het ondernemerschap en de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting;

- [bedrijf 2] B.V., over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012 naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting, en over de jaren 2008 tot en met 2010 naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting.

2.7.

In het jaar 2008:

- is in totaal € 71.850 op de privé rekening van belanghebbende gestort;

- is in totaal € 11.000 aan voorschotten van [bedrijf 2] B.V. ontvangen;

- is een bedrag van € 500 van [Stichting D] ontvangen.

In het jaar 2009:

- is in totaal € 20.200 op de privé rekening van belanghebbende gestort;

- is in totaal € 82.500 ontvangen van [Stichting D] met omschrijving “lening”;

- is een bedrag van € 3000 ontvangen van [bedrijf 2] B.V. met omschrijving “Management Fee 2007”;

- is een bedrag van € 3000 ontvangen van [bedrijf 2] B.V. met omschrijving “Management Fee 2008”;

- is een bedrag van € 3000 ontvangen van [bedrijf 2] B.V. met omschrijving “onkosten 2007”

- is een bedrag van € 3000 ontvangen van [bedrijf 2] B.V. met omschrijving “onkosten 2008”

- is een bedrag van € 500 ontvangen van [bedrijf 2] B.V. met omschrijving “voorschot”.

In het jaar 2010:

- is € 3.000 ontvangen van [Stichting D] met omschrijving

“lening”;

- is € 3000 ontvangen van [bedrijf 2] B.V. met omschrijving “Management Fee 2009”;

- is € 3000 ontvangen van [bedrijf 2] B.V. met omschrijving “onkosten 2009”;

- is € 34.800 ontvangen van [bedrijf 2] B.V. met omschrijving “voorschot”.

2.8.

In het rapport van het boekenonderzoek bij belanghebbende, met dagtekening 30 juli 2013, zijn in verband hiermee de volgende passages opgenomen:

“Voor de stortingen van € 71.850 gaf belastingplichtige als verklaring dat hij dit geld heeft ontvangen van vrienden/bekenden. Belastingplichtige wenst de namen van deze vrienden/bekenden niet te noemen. Hij zou dit geld hebben ontvangen voor bewezen diensten in het verleden. De stortingen dienen als resultaat overige werkzaamheid te worden aangemerkt.

De ontvangsten van [bedrijf 2] B.V. dienen als loon zonder inhouding te worden aangemerkt. Belastingplichtige is directeur grootaandeelhouder van [bedrijf 2] B.V.

De ontvangsten van [Stichting D] dient als resultaat overige werkzaamheid te worden aangemerkt. Op het bankrekeningnummer van deze stichting wordt geld overgemaakt dat betrekking heeft op facturen van [bedrijf 3] B.V. Van deze vennootschap was belastingplichtige directeur grootaandeelhouder. [bedrijf 3] B.V. factureerde aan de opdrachtgever voor verrichte werkzaamheden. De betalingen werden overgemaakt op het bankrekeningnummer van [Stichting D] . De bedragen die vervolgens vanuit de stichting aan de heer Van [belanghebbende] werden betaald zijn gedaan wegens bewezen diensten aan de heer [D] in het verleden. Volgens belastingplichtige hoeven de ontvangen bedragen niet terugbetaald te worden.”

(…)

“Overzicht correcties

Inkomstenbelasting/Premie volksverzekeringen

Naam: [belanghebbende]

Jaar 2010 2009 2008

Box 1

Loon en ziektewetuitkeringen 0 0 33.844

Correctie 40.800 12.500 11.000

Eigen woning -19.305 0 -14.053

Overige inkomsten 0 0 0

Correctie 3.000 102.700 72.350

Negatieve persoonsgebonden aftrek 0 -4.223 -9.960

Correctie 0 0 7.537

Gecorrigeerd totaal Box 1 inkomen uit werk en woning 24.495 110.977 100.718

Recapitulatie inkomsten per Box en persoonsgebonden aftrekposten

Box 1: Inkomen uit werk en woning, aangifte -19.305 -4.223 9.831

Totaalbedrag correctie(s) Box 1 43.800 115.200 90.887

Box 1: Inkomen uit werk en woning, na correcties 24.495 110.977 100.718”

2.9.

In het rapport is tevens aangekondigd dat over de jaren 2008 tot en met 2010 navorderingsaanslagen worden opgelegd, met een vergrijpboete van 50% van de verschuldigde belasting.

2.10.

Tot de gedingstukken behoren brieven met dagtekeningen 11 augustus 2013 en 29 september 2013, gericht aan de inspecteur. In de brief van 11 augustus 2013 is onder meer vermeld dat de heer [D] expliciet verklaart dat alle betalingen aan belanghebbende leningen waren. Dit staat ook in de ter zitting overgelegde afdruk van een email met dagtekening 3 november 2014. In de brief van 29 september 2013 is onder meer vermeld dat de heer [D] verklaart dat hij en niet belanghebbende altijd de feitelijke leiding over [bedrijf 3] B.V. heeft gehad.

2.11.

Bij brief met dagtekening 14 november 2013 heeft de inspecteur de onderhavige navorderingsaanslagen aangekondigd. Met dagtekening 30 november 2013 en

7 december 2013 zijn de navorderingsaanslagen opgelegd. Belanghebbende heeft tijdig bezwaar ingesteld tegen de navorderingsaanslagen. Belanghebbende is op 4 maart 2014 door de inspecteur gehoord. De inspecteur heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 11 en 28 augustus 2014 de navorderingsaanslagen 2008, 2009 en 2010 en de boetebeschikkingen 2009 en 2010 gehandhaafd. De boetebeschikking 2008 is verminderd tot € 20.857, omdat bij de berekening van de boetegrondslag geen rekening was gehouden met de heffingskorting van € 3.771.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is uitsluitend in geschil of de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Tegen de beslissing van de rechtbank inzake de boetebeschikkingen zijn geen grieven gericht.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil in haar uitspraak het volgende overwogen:

4. Beoordeling van het geschil

(…)

De navorderingsaanslagen

4.3.

Artikel 25, derde lid, van de AWR bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien niet de vereiste aangifte is gedaan, bij de uitspraak op bezwaar de belastingaanslag wordt gehandhaafd, tenzij gebleken is dat en in hoeverre de belastingaanslag onjuist is, de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast. Een soortgelijke bepaling is voor de beroepsfase neergelegd in artikel 27e van de AWR. Hierin is bepaald dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan, de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. De inspecteur heeft gesteld dat nu voor elk van de jaren 2008 tot en met 2010 de vereiste aangifte niet door belanghebbende is gedaan de bewijslast voor belanghebbende moet worden omgekeerd. Een belastingplichtige heeft niet de vereiste aangifte gedaan indien zowel absoluut als relatief sprake is van een aanzienlijk te lage aangifte of indien niet (tijdig) aangifte is gedaan.

4.4.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2008 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. Niet in geschil is dat de aftrek eigen woning daarbij ten onrechte dubbel is geclaimd, dat in de aangifte voorts ten onrechte rekening is gehouden met een persoonsgebonden aftrek en dat de ontvangen voorschotten van [bedrijf 2] B.V. van € 11.000 ten onrechte niet als belastbaar inkomen in de aangifte zijn verantwoord. Gelet hierop is sprake van een zowel absoluut als relatief aanzienlijk te lage aangifte voor het jaar 2008, zodat belanghebbende over dat jaar niet de vereiste aangifte IB/PVV heeft gedaan.

4.5.

Belanghebbende heeft voor de jaren 2009 en 2010 de aan hem uitgereikte aangiften niet bij de inspecteur ingediend binnen de daartoe gestelde termijn. De inspecteur heeft hieraan terecht de gevolgtrekking verbonden dat belanghebbende voor de jaren 2009 en 2010 niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Dat belanghebbende in de bezwaarfase alsnog ingevulde aangiften voor die jaren heeft ingeleverd, leidt niet tot een ander oordeel; deze aangiften zijn niet aan te merken als de vereiste aangifte in voormelde zin (vergelijk onder meer Hoge Raad 12 maart 1997, nr. 31 703, ECLI:NL:HR:1997:AA2126).

4.6.

Gelet op hetgeen in 4.4 en 4.5 is overwogen rust op belanghebbende de last te bewijzen dat de navorderingsaanslagen onjuist zijn. Belanghebbende heeft gesteld dat de stortingen op zijn privé rekening schenkingen en de verkoopopbrengst van zijn auto betreffen, en dat de van de stichting ontvangen bedragen leningen zijn, daartoe wijzende op de onder 2.10 vermelde brieven. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende de onjuistheid van de uitspraken op bezwaar en de navorderingsaanslagen daarmee niet overtuigend heeft aangetoond.

4.7.

Ook bij omkering en verzwaring van de bewijslast moeten de navorderingsaanslagen berusten op een redelijke schatting. Naar het oordeel van de rechtbank is de schatting van de inspecteur redelijk. De inspecteur is uitgegaan van de feitelijk door belanghebbende ontvangen bedragen en heeft deze in redelijkheid kunnen aanmerken als belastbare inkomsten van belanghebbende. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende in de onderhavige jaren directeur/enig aandeelhouder van [bedrijf 3] B.V. was en hij, zoals hij ter zitting heeft verklaard, af en toe een uurtje voor [bedrijf 3] B.V. werkte door een vergadering bij te wonen en slideshows te presenteren. Dat is voldoende. Ter voorlichting van belanghebbende merkt de rechtbank nog op dat voor de belastbaarheid van zijn ontvangsten niet vereist is dat [bedrijf 4] betalingen heeft verricht voor door belanghebbende verrichte arbeid. Ter zake van de stelling van belanghebbende dat hij de ontvangsten van [Stichting D] te [plaats 2] heeft verkregen uit hoofde van een door de heer [D] aan hem verstrekte lening is naar het oordeel van de rechtbank voldoende twijfel gewekt, zodat de inspecteur daaraan in redelijkheid voorbij mag gaan.

4.8.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep voor wat betreft de navorderingsaanslag 2008 gegrond en voor de navorderingsaanslagen 2009 en 2010 ongegrond te worden verklaard.

Heffingsrente

4.9.

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie Hoge Raad 27 november 2009, nr. 07/13621, ECLI:NL:HR:2009:BJ7907). Belanghebbende heeft tegen de heffingsrente geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het is de rechtbank ook overigens niet gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de heffingsrente over de jaren 2009 en 2010 tot een juist bedrag aan belanghebbende in rekening is gebracht. De heffingsrente over het jaar 2008 dient overeenkomstig de vermindering van de navorderingsaanslag 2008 te worden verminderd.

Boetes

4.10.

De inspecteur heeft met toepassing van artikel 67e van de AWR vergrijpboetes opgelegd van 50% van de bedragen van de navorderingsaanslagen. In artikel 67e, eerste lid, van de AWR is bepaald dat indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, dit een vergrijp vormt ter zake waarvan de inspecteur hem een boete kan opleggen van ten hoogste 100 procent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.

4.11.

Nu sprake is van verzwegen inkomsten en de rechtbank aannemelijk acht dat belanghebbende deze inkomsten niet heeft aangegeven om daarover geen belasting te betalen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van (voorwaardelijk) opzet. De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat vanwege belanghebbendes financiële omstandigheden de boetes verminderd dienen te worden tot € 500 per navorderingsaanslag. De rechtbank zal overeenkomstig dit standpunt de boetes verlagen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de boetes tot een bedrag lager dan € 500 elk te matigen.

Slotoverweging

4.12.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep tegen de navorderingsaanslag 2008, de beschikking heffingsrente 2008 en de boetebeschikkingen 2008, 2009 en 2010 gegrond, en het beroep tegen de navorderingsaanslagen 2009 en 2010 en de beschikkingen heffingsrente 2009 en 2010 ongegrond te worden verklaard.”

5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1.

Belanghebbende heeft gesteld zich niet geheel te kunnen verenigen met de rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.8 en 4.12 van de rechtbank. Naar het oordeel van belanghebbende is afdoende het bewijs geleverd dat het bij de van de [Stichting D] (hierna: de stichting) ontvangen bedragen om leningen gaat en dat het op 28 april 2008 op zijn privérekening gestorte bedrag van € 20.000 de contant ontvangen verkoopopbrengst van zijn [auto] betreft. De inspecteur heeft een en ander betwist en is van oordeel dat de rechtbank, uitgaande van de omkering en verzwaring van de bewijslast, de desbetreffende bedragen terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning heeft gerekend.

5.2.

Belanghebbende heeft in hoger beroep niet betwist dat hij voor het jaar 2008 niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd geantwoord te hebben onderkend dat het tweemaal in aftrek brengen van dezelfde aftrekpost – zoals hij in zijn aangifte voor het jaar 2008 heeft gedaan – niet een juiste aangifte kan zijn. Op grond daarvan oordeelt het Hof, in aanvulling op hetgeen de rechtbank in haar rechtsoverwegingen 4.4 tot en met 4.6 heeft overwogen, dat belanghebbende zich er bij het doen van de aangifte (minst genomen) redelijkerwijs van bewust moet zijn geweest dat hij geen juiste aangifte deed. Het Hof komt dan ook evenals de rechtbank tot de slotsom dat (niet alleen voor de jaren 2009 en 2010 doch) ook voor het jaar 2008 de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is.

5.3.

In dit bewijskader heeft de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gecorrigeerde bedragen – waarvan niet in geschil is dat ze door belanghebbende in de onderhavige jaren ontvangen zijn – afkomstig zijn uit een belaste bron van inkomsten. Het Hof sluit zich wat dit betreft geheel aan bij hetgeen de rechtbank onderdeel 4.7 vanaf “Ook bij omkering (…)” tot en met “Dat is voldoende.” heeft overwogen. In hoger beroep is niets nieuws of anders aangevoerd met betrekking tot de feiten die de rechtbank aan het daarin gegeven oordeel ten grondslag heeft gelegd. Anders dan belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, behoefde de inspecteur daarbij niet eenduidig aan te geven uit welke bron de belaste inkomsten afkomstig zijn en dus evenmin eenduidig aan te geven of het daarbij zou gaan om resultaat uit overige werkzaamheden dan wel om – al dan niet fictief – loon uit dienstbetrekking.

5.4.1.

Op belanghebbende rust dan de last te doen blijken, dat wil zeggen: overtuigend aan te tonen dat en in hoeverre de gecorrigeerde bedragen (toch) niet als belaste inkomsten kunnen worden aangemerkt. Daartoe heeft belanghebbende in hoger beroep nogmaals aangevoerd dat de door de stichting op de bankrekening van belanghebbende ontvangen bedragen en de contante gelden die belanghebbende op die rekening heeft gestort – kennelijk: met uitzondering van een op 28 april 2008 gedane storting van € 20.000 – door belanghebbende zijn ontvangen ten titel van een hem door [D] verstrekte lening. Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende met het in eerste aanleg aangevoerde bewijsmateriaal de juistheid van zijn stelling niet overtuigend heeft aangetoond. In hoger beroep heeft belanghebbende geen nader bewijs aangevoerd.

5.4.2.

Belanghebbende heeft in hoger beroep nog betoogd dat de verklaring van [D] van 3 november 2014 moet worden aangemerkt als een schriftelijke overeenkomst tot geldlening als bedoeld in artikel 7A:1791 e.v. van het Burgerlijk Wetboek en dat deze civielrechtelijke werkelijkheid ook fiscaal dient te worden gevolgd. Het Hof kan belanghebbende in dit betoog niet volgen. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de schriftelijke verklaring van [D] waaruit zou volgen dat hij in totaal € 160.000 aan belanghebbende heeft geleend, dateert van 3 november 2014, enkele jaren na de periode waarin de geldovermakingen hebben plaatsgevonden en ook nog na het tijdstip waarop belanghebbende beroep bij de rechtbank heeft aangetekend tegen de uitspraken op bezwaar, dat belanghebbende voor het eerst in beroep het standpunt is gaan innemen dat niet alleen de overmakingen door de stichting, maar ook (het overgrote deel van) de contante stortingen zouden zien op leningen van [D] , dat in de bezwaarfase door belanghebbende melding is gemaakt van een lening van [D] van € 82.500, dat geen rente is overeengekomen, dat nimmer enige aflossing heeft plaatsgevonden, dat volgens de verklaring van [D] geen termijn is afgesproken waarbinnen de lening moet worden terugbetaald, dat volgens diezelfde verklaring wel bedongen zou zijn dat zodra belanghebbende in staat is de lening terug te betalen, dat ook direct gebeurt, maar dat dit (gestelde) beding niet met enig schriftelijk bewijs uit de tijd dat de lening zou zijn overeengekomen is onderbouwd. Het Hof laat in het midden of de civiele rechter onder deze omstandigheden tot het bestaan van een lening door [D] aan belanghebbende zou concluderen. Naar ’s Hofs oordeel kan in ieder geval niet worden gezegd dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur de realiteit van de gestelde lening – tot welk bedrag dan ook – overtuigend heeft aangetoond.

5.5.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep zijn stelling herhaald dat in ieder geval de storting van € 20.000 die op 28 april 2008 is gedaan, niet tot het belastbare inkomen kan worden gerekend omdat dit bedrag is ontvangen uit de verkoop van zijn [auto] met kenteken [kenteken] aan [E] (hierna: [E] ). Ter onderbouwing van die stelling heeft belanghebbende in hoger beroep nadere bewijsmiddelen aangevoerd waaruit (volgens belanghebbende) de juistheid van deze stelling onomstotelijk zou volgen, althans voldoende overtuigend zou blijken. Het betreft een emailwisseling uit april 2008 waaruit blijkt dat belanghebbende zijn [auto] via een internetsite te koop heeft aangeboden en dat daarop door een aantal belangstellenden (waaronder overigens niet [E] ) is gereageerd, een emailwisseling van 8 juli 2008 waarin [E] aan belanghebbende bevestigt “dat ik de [auto] (…) heb aangekocht voor een bedrag van 20000 EU. Zou jij svp het gevraagd document (overschrijvingsdocument) willen zoeken” waarna belanghebbende aan [E] mailt: “Ik heb een overschrijvingsbewijs gevonden. Waar moet ik het naar toesturen?”, een bankafschrift gedagtekend 28 april 2008 van een storting via de geldautomaat van een bedrag van € 20.000 op de rekening van belanghebbende en een vrachtbrief ter zake van vervoer door [F] als vervoerder van de [auto] met als afzender belanghebbende en als ontvanger [E] , welke met dagtekening 28 april 2008 te [plaats 1] is ondertekend door belanghebbende en namens de vervoerder. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd een toelichting gegeven op de vrachtbrief en verklaard – zakelijk weergegeven – dat [E] de voor de auto overeengekomen koopsom van € 20.000 aan de vervoerder heeft meegegeven, dat de vervoerder hem dat bedrag heeft overhandigd, dat de vrachtbrief voor hem voldoende bewijs was dat hij aan zijn leveringsverplichting jegens [E] had voldaan, en dat naar bedoeling van zowel belanghebbende als [E] daarmee alle risico’s met betrekking tot de [auto] volledig op [E] waren overgegaan.

5.5.2.

De inspecteur heeft een en ander betwist, daarbij onder andere aanvoerend dat de vrachtbrief onvolledig is ingevuld, dat het bankafschrift niets zegt over de herkomst van de op 28 april 2008 gedane storting en dat de door belanghebbende geschetste gang van zaken vraagtekens oproept omdat niet zonder meer geloofwaardig is dat de auto op 28 april 2008 is meegegeven voor vervoer naar [E] zonder dat belanghebbende zich op dat tijdstip door overschrijving van het kentekenbewijs zou hebben gevrijwaard van de risico’s ter zake van het (verdere) gebruik van de auto.

5.5.3.

Het Hof laat in het midden of de door belanghebbende gestelde gang van zaken, gelet op de overgelegde stukken en de daarop gegeven toelichting, in onderling verband beschouwd, aannemelijk is. Naar ’s Hofs oordeel is belanghebbende met die stukken en de daarop gegeven toelichting niet geslaagd in het op hem rustende bewijs te doen blijken dat het op 28 april 2008 gestorte bedrag de verkoopopbrengst van de [auto] betreft.

5.6.

In zijn hogerberoepschrift heeft belanghebbende nog betoogd dat hij in 2010 schenkingen van zijn vader in contanten heeft ontvangen, welke bedragen hij op zijn privérekening heeft gestort, maar deze stelling kan hem hoe dan ook niet baten nu de inspecteur er – terecht, en verder niet weersproken – op heeft gewezen dat de desbetreffende bedragen niet zijn begrepen in de correcties bij navordering.

5.7.

Ook overigens heeft belanghebbende niets aangevoerd dat kan leiden tot (verdere) vermindering van de navorderingsaanslagen.

Slotsom

5.8.

De hogere beroepen zijn ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding een partij op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet te veroordelen in de proceskosten.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. J. den Boer, voorzitter, M.J. Leijdekker en W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 13 oktober 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.