Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4603

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
15/00753 en 15/00754
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:1981, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

X exploiteert een B&B in de woning van haar en haar echtgenoot, bestaande uit de verhuur van een kamer op de eerste verdieping (incl. eigen badkamer) en een appartement op de tweede verdieping (incl. keuken en badkamer). De onroerende zaak behoort tot het keuzevermogen en wordt gerekend tot het privévermogen. Het Hof is van oordeel dat de voor de B&B gebruikte ruimtes geen werkruimten zijn ten behoeve van de belastingplichtige zelf; de aftrekuitsluiting van art. 3.16 Wet IB 2001 is niet van toepassing. De ruimtes vormen ook geen onderdeel meer van de eigen woning, maar zijn een bezitting in box 3. De aftrekbeperking van art. 3.17 Wet IB 2001 is daarom van toepassing.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.16, geldigheid: 2015-09-01
Wet inkomstenbelasting 2001 3.17, geldigheid: 2009-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/0534 met annotatie van Almer de Beer
V-N Vandaag 2017/430
V-N 2017/17.5
mr. J. de Haan annotatie in NTFR 2017/841

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00753 en 15/00754

Uitspraak op het hoger beroep van

[X] ,

wonende te [plaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 26 maart 2015, nummers AWB 14/5636 en 14/5637, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde aanslagen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.281, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.181.

1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 21.025, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag berekend naar een bijdrage-inkomen van € 10.925.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraken bij één geschrift in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gesplitst in twee afzonderlijke beroepen. Ter zake van het beroep in de zaak met kenmerk 14/5636 heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen deze uitspraken heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende uitsluitend in de zaak met kenmerk 15/00753 een griffierecht geheven van € 123.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 1 september 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende, haar gemachtigde, de heer [A] , alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw [B] en de heer [C] .

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is samen met haar echtgenoot eigenaar van de woning [a-straat] 41 te [plaats] (hierna: de onroerende zaak). Belanghebbende is onder huwelijkse voorwaarden gehuwd. De onroerende zaak valt in een beperkte huwelijksgoederengemeenschap.

2.2.

Belanghebbende is in 2011 gestart met de exploitatie van een Bed & Breakfast-onderneming, genaamd “ [D] ” (hierna: B&B). De onderneming bestaat uit de verhuur van een slaapkamer met badkamer en separaat toilet op de eerste verdieping van de onroerende zaak. De gasten van deze slaapkamer kunnen ’s ochtends ontbijten in de grote keuken samen met belanghebbende en haar gezin. Op de tweede verdieping van de onroerende zaak wordt een compleet ingericht ‘appartement’ verhuurd. Dit ‘appartement’ heeft een eigen keuken, badkamer, woon- en slaapkamer en slaapzolder. Ook de gasten die in dit ‘appartement’ verblijven kunnen gebruik maken van een gezamenlijk ontbijt in de grote keuken, maar kunnen ook kiezen voor een ontbijt in het ‘appartement’. Alle ruimtes in de onroerende zaak zijn bereikbaar via een gezamenlijke voordeur en een gezamenlijk trappenhuis.

2.3.

De inkomsten uit de exploitatie van de B&B vormen winst uit onderneming. De onroerende zaak behoort tot het keuzevermogen en is aangemerkt als privévermogen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Kan ten laste van de winst een gebruiksvergoeding worden gebracht ter zake van het gebruik van de voor de onderneming aangewende ruimtes?

II. Kan belanghebbende aan de afhandeling van de aangiften IB/PVV over de jaren 2012 en 2013 het vertrouwen ontlenen dat recht bestaat op aftrek van een gebruiksvergoeding?

3.2.

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. Belanghebbende heeft ter zitting haar standpunt dat recht bestaat op vergoeding van werkelijke proceskosten laten varen en heeft verzocht om vergoeding van proceskosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur en vermindering van de aanslag IB/PVV tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 715. Voorts concludeert belanghebbende tot het vaststellen van het verlies uit werk en woning op € 2.002. Ten aanzien van de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw concludeert belanghebbende tot vermindering van de aanslag naar nihil. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Wettelijke bepalingen

4.1.

Artikel 3.16 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) (tekst 2011), voor zover hier van belang luidt:

“1. Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met een werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, ten behoeve van de belastingplichtige zelf in zijn niet tot zijn ondernemingsvermogen behorende woning, tenzij de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt, en:

(...)

b. ingeval hij niet tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft.”

4.2.

Artikel 3.17 van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang:

“1. Bij het bepalen van de winst komen, onverminderd de artikelen (...) 3.16, kosten en lasten die verband houden met de volgende posten, tot het bij die posten aangegeven gedeelte in aftrek:

(...)

c. tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorende (...) bezittingen (...):

1º. indien de bezittingen tot het privé-vermogen behoren: een gebruiksvergoeding van ten hoogste het voordeel uit sparen en beleggen dat ter zake van deze bezittingen in aanmerking wordt genomen (...) dat kan worden toegerekend aan de periode van het gebruik van de bezitting in de onderneming (...).”

4.3.

Artikel 3.111 van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang:

“1. In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder eigen woning: een gebouw (...), voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat (...).

(...)

10. Onder eigen woning wordt niet begrepen een naar verkeeropvatting zelfstandig gedeelte van een gebouw (...) dat wordt gebruikt:

1º in een onderneming van de belastingplichtige of persoon die tot zijn huishouden behoort en bij de bepaling van de winst van die onderneming ter zake van dat gebruik een bedrag ten laste van de winst kan worden gebracht;”

Aftrek gebruiksvergoeding

4.4.

Als hoofdregel geldt dat indien een belastingplichtige binnen zijn onderneming een tot het privévermogen behorende bezitting aanwendt, een zakelijke gebruiksvergoeding ten laste van de winst kan worden gebracht. Zou dit niet het geval zijn, dan zou een voordeel tot de winst uit onderneming worden gerekend dat niet in de uitoefening van de onderneming is ontstaan.

Artikel 3.16 van de Wet IB 2001 bevat een uitzondering op de aftrek ten laste van de winst van kosten voor een werkruimte in de woning van de belastingplichtige. Aanvankelijk zag de beperking op kantoorruimtes. Met ingang van 1997 is de beperking in het toenmalige artikel 8b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 uitgebreid naar de ‘werkruimte’. Uit de parlementaire toelichting op laatstbedoeld artikel volgt dat het begrip ‘werkruimte’ ruim moet worden uitgelegd en dat daaronder bijvoorbeeld ook vallen de behandelruimte van een fysiotherapeut of het atelier van een kunstenaar. Niet iedere ruimte in de tot het privévermogen behorende woning die in gebruik is bij de onderneming valt echter onder deze aftrekuitsluiting. De aftrekuitsluiting ziet op ‘de werkruimte ten behoeve van de belastingplichtige zelf’. Zo valt een ruimte die door een personeelslid van de belastingplichtige wordt gebruikt niet onder deze beperking. Dit is als volgt toegelicht:

“Ten slotte zij nog opgemerkt dat de zinsnede ‘ten behoeve van de ondernemer zelf’ in de aanhef van onderdeel a voor de onderhavige post inhoudt dat ingeval hij bij voorbeeld in zijn tot zijn privé-vermogen behorende woning een kantoorruimte voor een secretaresse heeft ingeruimd, deze kantoorruimte niet door de onderhavige post wordt bestreken. De daaraan verbonden kosten en lasten kunnen zonder de beperking van artikel 8b ten laste van de winst worden gebracht.” (MvT, Kamerstukken II 1988/89, 20 874, nr. 3, p. 12).

De tekst van deze aftrekuitsluiting is, voor zover het de zinsnede ‘ten behoeve van de belastingplichtige zelf’ betreft, niet gewijzigd, noch bij de introductie van het begrip ‘werkruimte’ met ingang van 1997, noch bij de invoering van de Wet IB 2001, noch bij de wetswijzigingen met ingang van 2005. Laatstgenoemde wetswijzigingen betreffen de wijzingen voortvloeiend uit de Wet van 18 december 2003, tot wijziging van belastingwetten c.a. (Technische herstelwet 2003), Stb. 2003, 528. Het Hof is van oordeel dat deze inperking van de aftrekuitsluiting dan ook nog steeds geldt. In de wetsgeschiedenis van de Technische herstelwet 2003 zijn naar het oordeel van het Hof ook geen aangrijpingspunten te vinden voor een van de tekst van de wet afwijkende uitleg.

4.5.

Uitgaande van de hiervoor vermelde tekst van artikel 3.16 van de Wet IB 2001, komt de vraag op of de ruimtes van de onroerende zaak die bestemd zijn voor gebruik door de gasten van de B&B zijn aan te merken als werkruimtes ten behoeve van de belastingplichtige zelf. Naar het oordeel van het Hof moet die vraag ontkennend worden beantwoord. De ruimtes zijn weliswaar bestemd om te worden gebruikt binnen de onderneming van belanghebbende, maar zijn bestemd om feitelijk gebruikt te worden door gasten die de kamer of het ‘appartement’ huren en zijn niet bestemd voor feitelijk gebruik door belanghebbende.

4.6.

Het vorenstaande betekent dat in dit geval de aftrek van een gebruiksvergoeding voor het gebruik binnen de onderneming van de ruimtes van de tot het privévermogen behorende onroerende zaak, niet wordt uitgesloten door het bepaalde in artikel 3.16 van de Wet IB 2001.

4.7.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of de aftrek van de gebruiksvergoeding wordt beperkt op grond van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c, onder 1º, van de Wet IB 2001. Op grond van deze bepaling wordt ter zake van het gebruik binnen een onderneming van een tot het privévermogen behorende bezitting, de aftrek van een gebruiksvergoeding beperkt tot ten hoogste het voordeel uit sparen en beleggen dat ter zake van deze bezitting in aanmerking wordt genomen. De strekking van deze bepaling is om evenwicht te bereiken tussen de aftrek van de fictieve gebruiksvergoeding bij de winst uit onderneming en belastingheffing in box 3 vanwege het in gebruik geven van de bezitting aan de onderneming (vgl. Hoge Raad 29 mei 2009, nr. 43 602, ECLI:NL:HR:2009:BB3475, BNB 2009/217). Deze bepaling is dus slechts van toepassing indien de bezitting tot de rendementsgrondslag van box 3 behoort en geldt niet indien een voordeel ter zake van deze bezitting in box 1 in aanmerking wordt genomen. Het Hof zal daarom onderzoeken of de binnen de B&B gebruikte ruimtes onder de terbeschikkingstellingsregeling of de eigenwoningregeling vallen dan wel tot de bezittingen van box 3 behoren.

4.8.

Aangezien de onroerende zaak in een beperkte huwelijksgoederengemeenschap valt, is het Hof van oordeel dat ten aanzien van het aandeel van belanghebbendes partner in de onroerende zaak de terbeschikkingstellingsregeling niet van toepassing is (vgl. Hoge Raad 1 april 2005, nr. 40 083, ECLI:NL:HR:2005:AT3030, BNB 2005/244).

4.9.

In artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 is bepaald dat onder een eigen woning wordt verstaan, een gebouw of een gedeelte van een gebouw, voor zover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. Tot en met het jaar 2004 stond in deze bepaling de tekst ‘anders dan ten behoeve van een onderneming’. Met ingang van 2005 is die passage vervallen, maar geldt nog steeds de ‘voor zover’-passage. Naar het oordeel van het Hof is dit als volgt te verklaren. In de eerste plaats is het denkbaar dat een deel van de onroerende zaak niet als hoofdverblijf ter beschikking staat en in de tweede plaats is het denkbaar dat binnen het hoofdverblijf een ruimte (deels) wordt gebruikt voor de onderneming. In het kader van de wetswijziging met ingang van 2005 ter zake van de fiscale behandeling van werkruimtes heeft de wetgever voor die laatste categorie een wijziging aangebracht. Voor de eerste categorie geldt nog steeds dat het deel van de onroerende zaak dat niet als hoofdverblijf ter beschikking staat buiten de eigenwoningregeling valt.

4.10.

Het Hof is van oordeel dat de ruimtes die in gebruik zijn voor de B&B belanghebbende of personen die behoren tot haar huishouden niet langer als hoofdverblijf ter beschikking staan. Deze ruimtes zijn ingericht en bestemd voor de verhuur aan gasten. Zij zijn ook afsluitbaar. De Inspecteur heeft niet gesteld dat deze ruimtes in de periodes dat zij niet worden verhuurd, door belanghebbende en/of haar gezinsleden worden gebruikt. Het Hof acht dit overigens ook niet aannemelijk. Het vorenstaande betekent dat de binnen de onderneming gebruikte ruimtes geen onderdeel vormen van de eigen woning.

De Inspecteur heeft in dit kader – naar het Hof begrijpt – nog gesteld dat het tiende lid van artikel 3.111 van de Wet IB 2001 een inbreuk vormt op het eerste lid van dit artikel, en dat daaruit a contrario kan worden afgeleid dat een niet-zelfstandig gedeelte van een gebouw, wel onder de eigenwoningregeling valt. Het Hof verwerpt dit standpunt. Het tiende lid van artikel 3.111 van de Wet IB 2001 vormt weliswaar een inbreuk op het eerste lid van dit artikel, in die zin dat een bepaald gedeelte dat tot de eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 behoort op grond van het tiende lid van dit artikel, toch niet tot de eigen woning wordt gerekend. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat iets dat op grond van het eerste lid niet tot de eigen woning behoort, als gevolg van de toepassing van het tiende lid, alsnog tot de eigen woning wordt gerekend. De tekst van het tiende lid biedt daarvoor geen steun. De parlementaire toelichting op deze bepaling biedt ook onvoldoende steun voor de door Inspecteur voorgestane uitleg.

4.11.

Het vorenstaande betekent dat de in de B&B gebruikte ruimtes van de onroerende zaak niet onder box 1 vallen en bezittingen vormen die tot de rendementsgrondslag van box 3 moeten worden gerekend. Op grond van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c, onder 1º, van de Wet IB 2001, is de aftrek van de gebruiksvergoeding ten laste van de winst uit onderneming beperkt tot het voordeel uit sparen en beleggen ter zake van deze bezitting. De waarde van de in de B&B gebruikte ruimtes van de onroerende zaak bedraagt volgens belanghebbende € 319.060. Het voordeel uit sparen en beleggen ter zake van deze bezitting bedraagt (4% x € 319.060 =) € 12.762. Partijen zijn het er over eens dat indien ter zake van de in de B&B gebruikte ruimtes van de onroerende zaak sprake is van een box 3-bezitting, ten laste van de winst een gebruiksvergoeding kan worden gebracht van € 12.762.

Partijen zijn het voorts erover eens dat in dat geval het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 715 bedraagt.

Vertrouwensbeginsel

4.12.

Gelet op het oordeel van het Hof over de eerste in geschil zijnde vraag, behoeft de tweede vraag geen beantwoording.

Slotsom

4.13.

De slotsom is dat de hoger beroepen gegrond zijn. De uitspraken van de Rechtbank dienen te worden vernietigd. Het Hof verklaart de beroepen gegrond, vernietigt de uitspraken van de Inspecteur en vermindert de aanslag IB/PVV naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 715. Voorts zal het Hof het verlies uit werk en woning vaststellen op € 2.002.

De aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw dient te worden verminderd naar nihil.

Ten aanzien van het griffierecht

4.14.

Nu de uitspraken van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur worden vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van de beroepen bij de Rechtbank en de hoger beroepen bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 respectievelijk € 123 te vergoeden.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar

4.15.

Belanghebbende heeft niet, zoals is bepaald in artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist, verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar. Reeds hierom dient het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de kosten van het bezwaar te worden afgewezen.

Ten aanzien van de proceskosten

4.16.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroepen gegrond zijn, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen bij de Rechtbank en de hoger beroepen bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.17.

Daarbij wordt uitgegaan van twee samenhangende zaken waarin belanghebbende in het gelijk is gesteld.

4.18.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming voor zowel de beroepen bij de Rechtbank als de hoger beroepen bij het Hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2 (punten) x € 496 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 992 per fase.

4.19.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart de hoger beroepen gegrond

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Rechtbank

  • -

    verklaart de tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroepen gegrond

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Inspecteur

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 715

  • -

    stelt het verlies uit werk en woning vast op € 2.002

  • -

    vermindert de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw naar nihil

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van de beroepen bij de Rechtbank en de hoger beroepen bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 168 vergoedt, en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.984.

Aldus gedaan op 13 oktober 2016 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en P.C. van der Vegt, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.