Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4599

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
15/00592
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:991, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 8:7, lid 2 AWB. Art. 8:61, lid 4 en lid 5 Awb. Art. 8:67, lid 3 en lid 4 Awb. Art. 8:77, lid

1, aanhef, onderdeel d Awb . Art. 8:117 Awb. Art. 8:114 Awb.

Belanghebbende klaagt er over dat de Rechtbank niet bevoegd was. Bij het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige Kamer zijn er twee rechters. Verder klaagt belanghebbende over het feit dat het proces-verbaal van de zitting maar één rechter vermeldt. Het Hof oordeelt dat de Rechtbank niet bevoegd is en, ondanks dat het bevoegde Hof ’s-Gravenhage hierover eigenlijk moet oordelen, verklaart het Hof deze onbevoegdheid niet voor gedekt. Dit mede omdat het Hof begrip heeft voor de bij belanghebbende door de gang van zaken opgeroepen verwarring en twijfel omtrent een juiste behandeling van de zaak. De uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt na onherroepelijk worden van de uitspraak doorgestuurd naar de bevoegde Rechtbank.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:61, geldigheid: 2013-01-01
Algemene wet bestuursrecht 8:7, geldigheid: 2016-04-30
Algemene wet bestuursrecht 8:67, geldigheid: 2013-01-01
Algemene wet bestuursrecht 8:117, geldigheid: 2013-01-01
Algemene wet bestuursrecht 8:114, geldigheid: 2013-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0517
V-N Vandaag 2017/434
V-N 2017/15.8
De redactie annotatie in NTFR 2017/629

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00592

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 10 februari 2015, nummer AWB 14/4 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2003 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), aanslagnummer [aanslagnummer] H.36, en de daarbij gegeven beschikking heffingsrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 bovenvermelde aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil, onder verrekening van de eerder aan belanghebbende verleende voorlopige teruggaaf van € 1.757. Tevens is, in één geschrift verenigd met de aanslag, bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij in één geschrift verenigde uitspraken de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken bij brief van 31 december 2013, ingekomen op 2 januari 2014, in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44.

1.3.

De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 10 februari 2015 ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 123,00. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.6.

Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende was in het jaar 2003 samen met haar echtgenoot woonachtig in België.

2.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 op haar verzoek een voorlopige teruggaaf verleend van € 1.757. Door middel hiervan is de algemene heffingskorting als bedoeld in artikel 8.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001 aan haar uitbetaald.

2.3.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag IB/PVV 2003 opgelegd, waarbij de aan haar verleende voorlopige teruggaaf is verrekend.

2.4.

De aanslag en de beschikking heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift verenigde uitspraken van de Inspecteur van 13 december 2013 gehandhaafd. Met betrekking tot de mogelijkheid in beroep te gaan staat in de uitspraken op bezwaar het volgende vermeld:

‘U kunt tegen de uitspraak in beroep gaan bij de Rechtbank Zeeland – West-Brabant

Sector bestuursrecht, team belastingrecht

Postbus 3332

4800 DH BREDA’

2.5.

Belanghebbende heeft op 2 januari 2014 beroep ingesteld bij de Rechtbank. Belanghebbende was ten tijde van het instellen van beroep woonachtig in ’s-Gravenhage.

2.6.

Het onderzoek ter zitting bij de Rechtbank heeft plaatsgevonden op 27 januari 2015. In de uitnodiging vóór de zitting is aan partijen medegedeeld dat het beroep zou worden behandeld door mr. drs. M.M. de Werd als rechter. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal is vastgelegd dat zitting hadden mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en mr. M.J. van Balkom, griffier en dat voorts aanwezig waren, namens belanghebbende, [A] , en namens de Inspecteur, [B] en [C] .

2.7.

De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 10 februari 2015 ongegrond verklaard. De uitspraak is gedaan door mr. M.R.T. Pauwels.

2.8.

In het hoger beroepschrift schrijft belanghebbende onder meer het volgende:

‘De verschillende onderdelen van de Belastingdienst zijn overeengekomen dat

de inspecteur Buitenland en niet de (..) inspecteur Den Haag deze zaak ter zitting van

de rechtbank zou behandelen. Zodoende heeft de Rechtbank Zeeland-Westbrabant

deze zaak op de rol gekregen. Deze rechtbank is hiertoe relatief onbevoegd. Daarom

maak ik bezwaar dat mijn reiskosten niet worden vergoed nu de rechtbank heeft

nagelaten de zaak te verwijzen naar de rechtbank Den Haag.

Vervolgens wijs ik erop dat ter zitting van 27 januari 2015 twee rechters aanwezig

waren en dat de tweede rechter, degene die in het proces-verbaal van de uitspraak niet

vermeld wordt, mij heeft gevraagd hoe de aanvragen of beschikkingen mijn inziens

hadden moeten zijn (zie de derde regel waarop je bij het instellen van beroep moet

letten). Deze ‘tweede rechter’ heeft daardoor aan de zitting deelgenomen. Er was een

Tweevoudige Kamer. Waarom wordt dit niet vermeld in de uitspraak?’.

2.9.

In de conclusie van repliek schrijft belanghebbende onder meer het volgende:

‘Op de uitspraak op bezwaar stond dat belanghebbende een beroepschrift bij de rechtbank in Breda kon indienen. Dat heb ik gedaan. Pas na de indiening realiseerde ik me dat de rechtbank in Den Haag en niet die in Breda bevoegd was. Ik vraag me af waarom de Belastingdienst/kantoor Buitenland me naar Breda ipv Den Haag heeft verwezen, vooral omdat de inspecteur me op 27 januari 2015, vlak voor de zitting, vertelde dat hij in heel Nederland zittingen heeft. Verder vraag ik me af waarom de rechtbank Breda het beroepschrift niet aan de rechtbank Den Haag heeft doorgezonden (art. 6:15 Awb).

Dan de zitting in Breda zelf. Ik kreeg een oproep voor een zitting van de kamer van mr. drs. De Werdt. Ter zitting was hij aanwezig, evenals mr. dr. Pauwels. Laatstgenoemde was destijds rechter in opleiding en hij is ook degene die uitspraak heeft gedaan. Is het mogelijk en toegestaan dat mr. dr. Pauwels uitspraak deed hoewel ik voor de zitting van mr. drs. De Werdt was opgeroepen. Het was ook niet duidelijk of mr. drs. De Werdt daar als opleider, als rechter of in beide functies aanwezig was.’.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Was de Rechtbank bevoegd om van het beroep kennis te nemen?

II. Is de Rechtbank buiten de rechtsstrijd getreden door niet alleen te oordelen over de vraag of de aanslag aan belanghebbende kon worden opgelegd, maar ook of de aanslag de werking toekomt van een beschikking op grond van artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en als zodanige beschikking (hierna: artikel 15 AWR‑beschikking) in stand kan blijven?

III. Zo vraag II ontkennend moet worden beantwoord: Kan aan de aanslag de werking toekomen van een artikel 15 AWR-beschikking?

IV. Dient de aanslag te worden vernietigd, omdat de Inspecteur niet (tijdig) is overgegaan tot conversie van de aanslag in een artikel 15 AWR-beschikking?

V. Had aan belanghebbende door de Rechtbank een vergoeding moeten worden toegekend van gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting door haar echtgenoot, omdat de zitting niet in ’s-Gravenhage, maar in Breda heeft plaatsgevonden?

Belanghebbende is van mening dat de vragen II, IV en V bevestigend moeten worden beantwoord en de vragen I en III ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur heeft zich ten aanzien van de vragen I en V gerefereerd aan het oordeel van het Hof. Ten aanzien van de overige vragen is de Inspecteur de tegenovergestelde opvatting als belanghebbende toegedaan.

Niet in geschil is dat de verrekening van de voorlopige teruggaaf niet kan worden bewerkstelligd door het opleggen van een aanslag.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, alsmede van de uitspraken van de Inspecteur, de aanslag en de beschikking heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1.

Artikel 8:7, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), bepaalt, voor zover hier van belang, dat, indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een ander bestuursorgaan dan bedoeld in het eerste lid van dat artikel, de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft bevoegd is. Aangezien belanghebbende ten tijde van het door haar – op 2 januari 2014 – ingestelde beroep woonachtig was in [woonplaats] , is de Rechtbank ’s-Gravenhage aan te merken als de rechtbank, die bevoegd was om het beroep inhoudelijk te behandelen. De in hoger beroep bestreden uitspraak met betrekking tot belanghebbende is gedaan door een andere rechtbank (Zeeland-West-Brabant) dan de bevoegde (’s-Gravenhage).

4.2.

Gelet op vorenoverwogene moet vraag I ontkennend worden beantwoord.

Ambtshalve

4.3.

Gelet op de ontkennende beantwoording van vraag I ziet het Hof zich ambtshalve gesteld voor het volgende.

4.4.

Op grond van het bepaalde in artikel 60, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie is het Hof bevoegd om te oordelen over, onder meer, de daarvoor vatbare uitspraken in belastingzaken van de rechtbanken in zijn ressort. Aangezien de Rechtbank uitspraak heeft gedaan in een belastingzaak en de Rechtbank in het ressort is gelegen, is het Hof bevoegd over die uitspraak te oordelen. Echter, omdat de Rechtbank op grond van artikel 8:7, lid 2, van de Awb onbevoegd was, dient allereerst (ambtshalve) de vraag te worden beantwoord of het Hof, ondanks de hier aan de orde komende onbevoegdheid, de zaak ook inhoudelijk in hoger beroep mag behandelen. Immers, omdat de bevoegde rechtbank de Rechtbank ’s‑Gravenhage is, is het Gerechtshof ’s-Gravenhage bevoegd in hoger beroep (inhoudelijk) te oordelen.

4.5.

Artikel 8:117 van de Awb geeft een gerechtshof in hoger beroep de bevoegdheid om, indien het meent dat de uitspraak is gedaan door een andere rechtbank dan de bevoegde, die onbevoegdheid voor gedekt te verklaren en de uitspraak aan te merken als bevoegdelijk gedaan.

4.6.

Uit het vorenstaande volgt, dat het Hof bevoegd is te oordelen over de uitspraak van de Rechtbank. Deze bevoegdheid is evenwel beperkt tot het oordeel dat het Hof onbevoegd is om de zaak inhoudelijk te beoordelen, zodat de zaak naar het bevoegde hof - het Gerechtshof ’s-Gravenhage – dient te worden doorgestuurd. In dit geval behoort het dan ook in beginsel tot de bevoegdheid van het Gerechtshof ’s‑Gravenhage om te beslissen omtrent het al dan niet gedekt verklaren van de onbevoegdheid van de Rechtbank. Indien het Gerechtshof ’s‑Gravenhage de onbevoegdheid van de Rechtbank niet voor gedekt zou verklaren, zou de zaak alsnog door het Gerechtshof ’s‑Gravenhage moeten worden doorgezonden naar de Rechtbank ’s‑Gravenhage.

4.7.

Vanwege proceseconomische redenen en met het oog op een effectieve beslechting van het geschil, zal het Hof echter niet overgaan tot doorzending van het beroepschrift aan het Gerechtshof ’s-Gravenhage, maar zal het Hof zelf oordelen dat geen aanleiding bestaat om de onbevoegdheid van de Rechtbank voor gedekt te verklaren en zal het de uitspraak van de Rechtbank vernietigen.

4.8.

Hiertoe overweegt het Hof dat belanghebbende heeft geklaagd over de behandeling van de zaak bij de Rechtbank (Zeeland-West-Brabant). Belanghebbende heeft aangevoerd dat haar echtgenoot voor haar hogere reiskosten heeft gemaakt, omdat hij de zitting niet heeft kunnen bijwonen in ’s-Gravenhage, maar voor de zitting naar Breda heeft moeten reizen. Voorts heeft zij erover geklaagd, dat in de uitnodiging een andere rechter was vermeld dan de rechter die het onderzoek ter zitting heeft geleid en de uitspraak heeft gedaan, dat meer rechters ter zitting aanwezig waren dan uit het proces-verbaal van de zitting blijkt en dat uit dit proces-verbaal ook niet blijkt dat deze onvermeld gebleven rechter een vraag heeft gesteld, waardoor feitelijk sprake was van een behandeling van het beroep door twee rechters.

4.9.

Kennelijk zijn bij het onderzoek ter zitting bij de Rechtbank twee rechters aanwezig geweest. In het proces-verbaal van de zitting, dat een weergave van de werkelijkheid moet zijn, noch in de (mondelinge) uitspraak is vermeld dat er twee rechters aanwezig waren. Dit staat op gespannen voet met het bepaalde in artikel 8:61, lid 4 en lid 5 van de Awb en artikel 8:67, lid 3 en lid 4 van de Awb (in samenhang met 8:77, lid 1, aanhef, onderdeel d van de Awb en vgl. Hoge Raad 21 maart 1923, B. nr. 3122; Hoge Raad 2 maart 1949, B. nr. 8577; Hoge Raad 15 februari 1956, 12968, BNB 1956/103; Hoge Raad 29 augustus 1997, 32622, ECLI:NL:HR:1997:AA2227; Hoge Raad 31 oktober 2014, 13/04367, ECLI:NL:HR:2014:3076; Centrale Raad van Beroep 26 april 2005, 02/4722NABW, ECLI:NL:CRVB:2005:AT5793; Centrale Raad van Beroep 23 juni 2005, 04/2872, ECLI:NL:CRVB:2005:AT8593 en Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 26 april 2001, 200002107/1, ECLI:NL:RVS:2001:AB1709). Onmiskenbaar is het doel van deze bepalingen dat partijen kunnen verifiëren dat degene die de uitspraak heeft gedaan ook diegene is die het onderzoek ter zitting heeft geleid, zodat zij ervan verzekerd zijn dat het verhandelde tijdens het onderzoek ter zitting daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van de beslissing, en dat zij kunnen nagaan of de rechter van de enkelvoudige Kamer, alleen, in onpartijdigheid en onafhankelijkheid naar het geschil heeft gekeken. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt niet, dat partijen op de hoogte zijn gebracht van de reden van de aanwezigheid van de twee rechters. Evenmin blijkt uit dit proces-verbaal dat partijen duidelijk is gemaakt welke van de twee rechters het onderzoek van de enkelvoudige Kamer ter zitting zou gaan leiden, eventueel in afwijking van de in de oproeping voor het onderzoek ter zitting genoemde rechter, en uitspraak zou gaan doen. De gang van zaken bij de Rechtbank heeft bij belanghebbende verwarring opgeroepen en twijfel omtrent een juiste behandeling van haar zaak bij de Rechtbank. Het Hof heeft begrip voor deze verwarring en het acht de twijfel van belanghebbende aan een juiste behandeling van diens zaak bij de Rechtbank, daargelaten of die behandeling al dan niet onpartijdig en onafhankelijk is geweest, objectief gerechtvaardigd. Op grond van het vorenstaande is het Hof van oordeel, dat de onbevoegdheid van de Rechtbank niet voor gedekt moet worden verklaard.

4.10.

Het Hof zal de Rechtbank alsnog onbevoegd verklaren met betrekking tot het bij de Rechtbank ingestelde beroep en het zal om proceseconomische redenen en met het oog op een effectieve beslechting van het geschil de griffier opdragen het dossier van de Rechtbank tezamen met het hoger beroepsdossier en een afschrift van deze uitspraak te zenden aan de Rechtbank ’s‑Gravenhage.

4.11.

Nu uit het vorenoverwogene volgt dat het Hof de onbevoegdheid van de Rechtbank niet voor gedekt verklaart, komt het Hof aan beantwoording van de overige vragen niet toe. Met betrekking tot vraag V inzake het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van de door haar in beroep gemaakte reiskosten naar Breda, kan door de Rechtbank ’s-Gravenhage worden beslist.

Slotsom

4.12.

De slotsom is dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof de Rechtbank onbevoegd verklaren met betrekking tot het bij de Rechtbank ingestelde beroep en de griffier opdragen na het onherroepelijk worden van deze uitspraak het dossier van de Rechtbank tezamen met het hoger beroepsdossier en een afschrift van deze uitspraak te zenden aan de Rechtbank ’s‑Gravenhage. Het Hof zal zich voor het overige onbevoegd verklaren van het hoger beroep kennis te nemen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 123 te worden vergoed.

4.14.

Omdat de Rechtbank niet heeft onderkend dat hij niet bevoegd was, zal het Hof op de voet van artikel 8:114 van de Awb bepalen dat het ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht door de griffier zal worden vergoed.

4.15.

Het Hof ziet geen aanleiding om vergoeding van het bij de Rechtbank betaalde griffierecht te gelasten, nu alsdan eenzelfde griffierecht van belanghebbende zou dienen te worden geheven bij de Rechtbank ’s-Gravenhage.

Ten aanzien van de proceskosten

4.16.

Hoewel het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een vergoeding in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Belanghebbende heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt, en het Hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat zij in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

  • -

    verklaart de Rechtbank onbevoegd,

  • -

    draagt de griffier op na het onherroepelijk worden van deze uitspraak het dossier van de Rechtbank tezamen met het hoger beroepsdossier en een afschrift van deze uitspraak te zenden aan de Rechtbank ’s‑Gravenhage,

  • -

    verklaart zich voor het overige onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen, en

  • -

    gelast dat de griffier aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 123 vergoedt.

Aldus gedaan op 13 oktober 2016 door P. Fortuin, voorzitter, G.D. van Norden en M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van S.J. Willems-Ruesink, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.