Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4547

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
13-10-2016
Zaaknummer
200.158.102_01
Rechtsgebieden
Europees civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uitlatingen (ex) werknemer in dagblad onrechtmatig? Belangenafweging tussen recht op eerbiediging privé leven en goede naam (artikel 8 EVRM) en recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM).

Wetsverwijzingen
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 8, geldigheid: 1998-11-01
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 10, geldigheid: 1998-11-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1152
AR 2016/2960
RAR 2017/20

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200 158 102/01

arrest van 11 oktober 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A.P. van Knippenbergh,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. D. Duivelshoff,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 oktober 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 9 juli 2014, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 2796156 CV EXPL 14-1302)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Productie 6 bij inleidende dagvaarding (het hierna onder 3.1.i genoemde krantenartikel) ontbrak in het overgelegde procesdossier. Het hof heeft deze productie bij de advocaat van [appellant] doen opvragen en één pagina ontvangen, te weten de pagina waarop het onder 3.1.i vermelde citaat is vermeld.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

a. a) [geïntimeerde] is van 16 augustus 2010 tot en met 15 maart 2012 in dienst geweest van Rinette Zorg B.V., aanvankelijk als zorgmanager en met ingang van 1 januari 2011 als operationeel directeur. Rinette Zorg B.V. is gericht op het verschaffen van thuiszorg.

b) [appellant] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van Rinette Holding B.V., welke vennootschap op haar beurt enig bestuurder en enig aandeelhouder is van Rinette Zorg B.V.

c) De bedoeling van Rinette Zorg B.V. en [geïntimeerde] was dat [geïntimeerde] op termijn [appellant] als bestuurder zou vervangen. In het najaar van 2011 ontstonden problemen in de arbeidsrelatie en medio januari 2012 is [geïntimeerde] door Rinette Zorg B.V. op non-actief gesteld. Bij beschikking van de kantonrechter te Tilburg van 28 februari 2012 is de arbeidsovereenkomst ontbonden, onder toekenning aan [geïntimeerde] van een vergoeding van

€ 25.000,--. In de beschikking is onder meer overwogen:
“(…) Rinette heeft (…) naar het oordeel van de kantonrechter bewust aangekoerst op een vertrouwensbreuk. Echter, ook [geïntimeerde] gaat voor wat betreft de ontstane vertrouwensbreuk niet vrijuit. Het mag volstrekt duidelijk zijn dat het geven door [geïntimeerde] van weinig flatteuze bijnamen aan zijn directeur [appellant] en aan de directeur Zorg in e-mails aan zijn echtgenote, enkele misprijzende opmerkingen daarin over hen en het doorsturen van bedrijfsgegevens naar zijn echtgenote het vertrouwen in de samenwerking met hem (verder) hebben aangetast.(…)”

d) In de zomer van 2011 had [geïntimeerde] zijn LinkedIn account gekoppeld aan zijn e-mailadres op zijn werk te weten: [e-mailadres] . Op 20 februari 2012 merkte [geïntimeerde] dat hij zijn LinkedIn account niet meer kon benaderen vanaf zijn privé e-mailadres. LinkedIn deelde mee dat het wachtwoord was gewijzigd. [geïntimeerde] had dit wachtwoord niet zelf gewijzigd. Hij heeft vervolgens een nieuw LinkedIn account aangemaakt.

e) [appellant] was systeembeheerder c.q. netbeheerder van Rinette Zorg B.V.

f) Op 16 april 2012 merkte [geïntimeerde] dat zijn oorspronkelijke aan zijn werkmail gekoppelde LinkedIn account op twee punten was aangepast: onder de naam van [geïntimeerde] was het woord “Nonvaleur” geplaatst en onder het kopje “Ervaring” was toegevoegd de ontslagdatum van [geïntimeerde] bij Rinette Zorg B.V. en een reden voor het ontslag “but i was fired due to incompetence at Rinette Zorg”.

g) Op 18 april 2012 heeft [geïntimeerde] bij de politie te [woonplaats 2] aangifte gedaan van belediging, smaadschrift en computerbreuk. De aangifte is wegens capaciteitsgebrek door de politie niet verder in behandeling genomen.

h) [geïntimeerde] heeft tegen de beslissing van de politie op grond van artikel 12 Sv. beklag gedaan bij dit hof. Het klaagschrift is op 20 november 2012 in raadkamer van het hof in aanwezigheid van [geïntimeerde] en zijn advocaat behandeld. Bij tussenbeschikking van 18 december 2012 heeft het hof bepaald dat [appellant] werd opgeroepen om op het beklag te worden gehoord, hetgeen op 5 februari 2013 is gebeurd. Bij beschikking van 5 maart 2013 heeft het hof het beklag afgewezen omdat, kort samengevat, een succesvolle strafvervolging niet te verwachten was.

i. i) In een artikel over Rinette Zorg B.V. in het Eindhovens Dagblad van 8 februari 2013 is onder meer opgenomen:
(…) Een zorgmanager was de manier waarop het bedrijf met hem en het personeel omging beu. Dat leidde tot een conflict, uitmondend in een aantal rechtszaken. De man haalde zijn recht door achterstallige betalingen op te eisen. Ook probeert hij via de rechtbank een directeur vervolgd te krijgen omdat die zijn zakelijke LinkedIn- account ‘aangepast’ zou hebben. “De directeur had toegang tot het hele mailsysteem, las én beantwoordde mails van zijn medewerkers. Aan mijn LinkedIn-account heeft hij toegevoegd dat ik een ‘non-valeur’, een nietsnut, ben.” ”Kortom,, zo verwoordt een van de betrokkenen de situatie bij Rinette Zorg, “geen baas waar je graag voor werkt.(…)”

j) De in voormeld krantenartikel geciteerde persoon is [geïntimeerde] . Noch de naam van [geïntimeerde] , noch de naam van [appellant] wordt in het artikel genoemd.

3.2.

[appellant] heeft [geïntimeerde] in rechte betrokken en gevorderd:

1) te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] jegens (het hof leest:) hem onrechtmatig heeft gehandeld;
2) [geïntimeerde] te veroordelen tot betalen van schadevergoeding van primair € 5.000,-- en subsidiair schadevergoeding nader op te maken bij staat en
3) [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.1.

[appellant] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij door de onder 3.1.i genoemde uitlatingen van [geïntimeerde] , die onrechtmatig zijn jegens [appellant] , immateriële schade heeft geleden. [appellant] is ernstig aangetast in zijn functie als bestuurder en enig aandeelhouder van Rinette Zorg B.V., en heeft qua operationele taken afstand moeten nemen van Rinette Zorg B.V. Zijn functioneren is door de onterechte verdachtmakingen van [geïntimeerde] onhoudbaar geworden.

3.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Onder meer heeft hij aangevoerd dat hij het onder 3.1.i. weergegeven citaat tegen de journalist van het Eindhovens Dagblad heeft geuit als vermoeden en dat hij niet verantwoordelijk is voor de woordkeuze van de journalist in het artikel.

3.4.

De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep vordering 1) toegewezen. De rechtbank overwoog daartoe dat op het tijdstip van de publicatie geenszins vast stond dat [appellant] zich had gedragen overeenkomstig de vermoedens van [geïntimeerde] , dat zulks ook niet later is komen vast te staan en dat [geïntimeerde] zich bewust had dienen te zijn van de mogelijke gevolgen van het publiceren van dergelijke vermoedens. Voorts overwoog de rechtbank dat het onrechtmatig handelen aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend. Vordering 2) wees de rechtbank af omdat niet was komen vast te staan dat eventuele schade van [appellant] veroorzaakt was door de uitlatingen van [geïntimeerde] . De proceskosten heeft de rechtbank gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten diende te dragen.

3.5.

[appellant] heeft in hoger beroep zijn vordering 2) gewijzigd in die zin dat hij thans primair een bedrag van € 5.000,-- aan schadevergoeding wegens immateriële schade vordert en subsidiair een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag.

3.6.

[appellant] voert in principaal hoger beroep drie grieven aan tegen de afwijzing van zijn vordering 2) en tegen de compensatie van de proceskosten. In incidenteel hoger beroep voert [geïntimeerde] twee grieven aan tegen de toewijzing van vordering 1).

3.7.

Het hof zal allereerst de grieven in incidenteel hoger beroep behandelen. In de toelichting betoogt [geïntimeerde] dat de door hem gedane uitlatingen niet onrechtmatig zijn jegens [appellant] . Voorts betoogt [geïntimeerde] dat [appellant] de gestelde immateriële schade niet voldoende heeft onderbouwd.

3.7.1.

Ter beantwoording van de vraag of de uitlatingen van [geïntimeerde] een onrechtmatige daad jegens [appellant] opleveren dienen de belangen van partijen afgewogen te worden. Het gaat daarbij enerzijds om het door artikel 8 EVRM beschermde recht van [appellant] op eerbiediging van (zijn privéleven en) zijn goede naam. Anderzijds heeft [geïntimeerde] krachtens artikel 10 EVRM het recht op vrije meningsuiting, dat wil zeggen het recht om gedachten en gevoelens te uiten van welke inhoud ook. In de jurisprudentie is een aantal (niet limitatieve) omstandigheden genoemd die bij deze afweging een rol (kunnen) spelen. Het gaat voor zover in dit geval relevant om de navolgende omstandigheden:

a. a) de aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben;

b) de ernst, bezien vanuit het algemeen belang, van de misstand die de publicatie aan de kaak beoogt te stellen;

c) de mate waarin ten tijde van de publicatie de (negatieve) uitlatingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;

d) de inkleding van de (negatieve) uitlatingen, gezien in verhouding tot de sub a tot en met c genoemde factoren;

3.7.2.

Allereerst constateert het hof dat [appellant] in het artikel in het Eindhovens Dagblad, dat in de procedure is overgelegd, (slechts) beschuldigd wordt van (het manipuleren van na te melden account door) het toevoegen van het woord “nonvaleur” aan het LinkedIn account van [geïntimeerde] .
Vervolgens constateert het hof dat [appellant] noch in eerste aanleg noch in hoger beroep stellig heeft ontkend dat hij dat feit waarvan [geïntimeerde] hem in het krantenartikel beschuldigt, heeft gepleegd. [appellant] was onweersproken systeembeheerder bij Rinette Zorg B.V. , beschikte over het oorspronkelijk (werk) mailadres van [geïntimeerde] en was, eveneens onweersproken, ICT-technisch gezien als enige binnen Rinette Zorg B.V. in staat de wijziging van de informatie op het LinkedIn account van [geïntimeerde] door te voeren.Gelet op dit een en ander had het naar het oordeel van het hof op de weg van [appellant] gelegen zijn ontkenning dat hij aan het LinkedIn account van [geïntimeerde] het woord “nonvaleur” heeft toegevoegd, te motiveren, door op zijn minst een mogelijke verklaring aan te dragen voor de wijze waarop die toevoeging tot stand kan zijn gekomen. Het hof gaat daarom uit van de juistheid van de uitlating van [geïntimeerde] in het Eindhovens Dagblad als weergegeven onder 3.1.i. Voor zover het standpunt van [appellant] zo begrepen moet worden dat hij de juistheid van de gewraakte uitlating van [geïntimeerde] betwist, is het hof van oordeel dat hij die betwisting op grond van het voorgaande onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.7.3.

Uitgaande van die juistheid is het hof van oordeel dat de beschuldiging van [appellant] door [geïntimeerde] geen onrechtmatige daad van laatstgenoemde oplevert. Deze juiste uitlating heeft [geïntimeerde] immers gedaan in het kader van een artikel over Rinette Zorg B.V. Het artikel beoogde, zoals ook [appellant] stelt (memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep bladzijde 3) de zorg over de bedrijfsvoering bij die organisatie duidelijk te maken. Aan de onvrede bij het personeel van Rinette Zorg B.V. is in diverse perspublicaties aandacht geschonken. Andere personeelsleden dan [geïntimeerde] hebben, onweersproken door [appellant] , ook met de betreffende journalist gesproken en wel over een CAO- conflict en achterstallig salaris. In het kader van het artikel was de uitlating van [geïntimeerde] relevant. Bovendien heeft [geïntimeerde] bij de politie aangifte gedaan van het strafbare feit waarvan hij [appellant] in het artikel beschuldigt. Dat aan die aangifte geen gevolg is gegeven valt, mede gelet op de reden daarvoor, [geïntimeerde] niet aan te rekenen. Evenmin is in dit verband relevant dat het Openbaar Ministerie in de door [geïntimeerde] aangespannen beklagzaak bij dit hof tot verwerping van het beklag had geconcludeerd. [geïntimeerde] heeft in verband met zijn verdenking de juiste weg gevolgd en hem kan niet verweten worden dat die verdenking niet tot een bewezenverklaring van een strafbaar feit door de strafrechter heeft geleid. Van een lichtvaardige verdachtmaking is, gelet op de onder 3.7.2. weergegeven positie van [appellant] bij Rinette Zorg B.V., evenmin sprake. Voorts betrekt het hof bij zijn oordeel dat in het krantenartikel geen namen worden genoemd van de betrokkenen. Dat [geïntimeerde] bewust [appellant] “in een kwaad daglicht” wilde stellen acht het hof daarom niet aannemelijk.
Wat betreft de ernst van de voor [appellant] te verwachten gevolgen van de uitlating van [geïntimeerde] overweegt het hof nog dat deze door [appellant] onvoldoende onderbouwd is. Het hof oordeelt niet aannemelijk dat te verwachten was dat [appellant] door de (enkele) beschuldiging van [geïntimeerde] als bestuurder van Rinette Zorg B.V. zou moeten terugtreden. Dat [appellant] reputatieschade zou lijden door de (juiste) uitlating van [geïntimeerde] moge juist zijn, maar deze schade acht het hof, bij gebreke van onderbouwing ervan door [appellant] en gelet op de onvrede van andere personeelsleden dan [geïntimeerde] , niet dusdanig dat [geïntimeerde] zich daardoor van die uitlating hadden dienen te onthouden.

3.7.4.

Aan het bewijsaanbod van [appellant] gaat het hof voorbij nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.

3.7.5.

Grief 1 in incidenteel hoger beroep slaagt. De eerste rechter heeft ten onrechte geoordeeld dat [geïntimeerde] jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld. Vordering 1) van [appellant] dient alsnog afgewezen te worden. [appellant] dient, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld te worden in de proceskosten in eerste aanleg en in het incidenteel hoger beroep.

3.8.

Gelet op hetgeen in incidenteel hoger beroep is overwogen en beslist falen de grieven van [appellant] in principaal hoger beroep. Uit het voorgaande blijkt dat de vordering van [appellant] tot betaling van schadevergoeding terecht door de rechtbank is afgewezen. Ook het in hoger beroep bij wege van wijziging van de eis door [appellant] gevorderde zal worden afgewezen. [appellant] is ook in principaal appel de in het ongelijk gestelde partij. Hij zal in de proceskosten worden veroordeeld.

3.9.

Op verzoek van [geïntimeerde] zal dit arrest uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4 De uitspraak

Het hof:

op het incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan hoger beroep en, opnieuw recht doende,

wijst de vorderingen van [appellant] af;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van de eerste aanleg en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 400,-- aan salaris advocaat;


op het principaal hoger beroep

wijst het door [appellant] in hoger beroep gevorderde af;

op het principaal en het incidenteel hoger beroep

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 308,--aan griffierecht en op € 948,-- aan salaris advocaat;


verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.W.T. Vriezen, E.K. Veldhuijzen van Zanten en G.A.M. Peper en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 oktober 2016.

griffier rolraadsheer