Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4499

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-10-2016
Datum publicatie
17-11-2016
Zaaknummer
200.196.048/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef en sub b nu schuldenares ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaar voorafgaande aan het toelatingsverzoek niet te goeder trouw is geweest alsmede ex artikel 288 lid 1 aanhef sub c nu onvoldoende aannemelijk is dat de schuldenares de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Het beroep van schuldenares op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw is hierbij niet gehonoreerd.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288, geldigheid: 2008-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 6 oktober 2016

Zaaknummer : 200.196.048/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/01/304591 / FT RK 16/157

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. J.M. Tason Avila te Leiden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juli 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 11 juli 2016, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog te bepalen dat haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt toegewezen.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 september 2016. Bij die gelegenheid is [appellante] , bijgestaan door mr. Tason Avila, gehoord.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 21 juni 2016;

  • -

    het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 26 augustus 2016;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 20 september 2016;

- de ter zitting in hoger beroep door de advocaat van [appellante] overgelegde pleitnotities.

3 De beoordeling

3.1.

[appellante] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellante] blijkt een totale schuldenlast van € 49.700,05. Daaronder bevinden zich een schuld aan de Belastingdienst van € 30.516,00 alsmede een clusterschuld aan het CJIB van € 5.357,00. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b en c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan dan wel onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest en dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“Met betrekking tot het ontstaan en onbetaald laten van de schuld aan de belastingdienst heeft verzoekster onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij te goeder trouw is geweest. De rechtbank is van oordeel dat verzoekster zelf verantwoordelijk is voor het niet naar behoren verrichten van de jaarlijkse belastingaangiften. Nu verzoekster jarenlang heeft nagelaten om naar behoren belastingaangiften te doen en de hieruit voortvloeiende inkomstenbelasting te betalen is de rechtbank van oordeel dat verzoekster haar goede trouw, ten aanzien van het ontstaan dan wel onbetaald laten van de schulden vijf jaar voorafgaand aan haar verzoekschrift, niet aannemelijk heeft gemaakt. (…)

Ten aanzien van de schuld aan het CJIB oordeelt de rechtbank als volgt. Uit punt 5.4.4. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken volgt dat bij (substantiële) geldboetes die zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen in beginsel geen sprake is van schulden waarvan aannemelijk is dat zij te goeder trouw zijn ontstaan. Verzoekster heeft ook geen omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. (…)

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van verzoekster had gelegen om, op het moment dat zij haar schulden niet meer kon betalen, alles te doen wat redelijkerwijs mogelijk is om haar inkomen te vergroten. Derhalve had zij haar volwassen inwonende zoon een vergoeding voor het gebruik van haar woning moeten vragen. Verzoekster heeft dit nagelaten.”

3.4.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] stelt op de eerste plaats dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door aan haar onvoldoende gelegenheid te geven zich uit te laten tijdens de gehouden mondelinge behandeling. Met betrekking tot de schuld aan de Belastingdienst stelt [appellante] dat zij niet op de hoogte was van het feit dat zij over de alimentatie die zij ontving belasting diende te betalen. Had zij dit wel geweten dan had zij dit naar eigen zeggen natuurlijk wel gedaan. Bovendien is zij door ziekte ook enige tijd niet in staat geweest om haar eigen administratie te voeren waarbij zij ook niemand bereid kon vinden om de administratie (tijdelijk) van haar over te nemen. Het treffen van een regeling met de Belastingdienst is niet gelukt omdat de Belastingdienst alleen een regeling wilde treffen indien [appellante] per maand hoge bedragen zou gaan betalen. Aangaande de schuld aan het CJIB stelt [appellante] dat deze is ontstaan doordat er ten onrechte een scooter op haar naam is geregistreerd. Tot op de dag van vandaag blijft het volgens [appellante] de vraag hoe het kan zijn dat zij allerlei vorderingen heeft ontvangen omtrent een scooter die zij nimmer heeft gehad. Ten aanzien van het niet vragen van kostgeld aan haar volwassen inwonende zoon stelt [appellante] dat een en ander akkoord zou zijn bevonden door de Kredietbank. Daarnaast werkt [appellante] 15 a 16 uur per week terwijl zij, in het kader van haar arbeidsongeschiktheid, een sollicitatieplicht van 8 uur per week heeft en bekijkt zij thans, ondanks haar arbeidsongeschiktheid, de mogelijkheden om wellicht meer te gaan werken. Tot slot doet [appellante] een nadrukkelijk beroep op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. Met betrekking tot de kwestie van schending hoor en wederhoor acht [appellante] het voldoende dat er bij het hof een nieuwe herbeoordeling zal plaatsvinden. [appellante] stelt dat zij de Belastingdienst recent om een nieuw en actueel schuldenoverzicht heeft verzocht, maar dat zij dat tot op heden nog niet heeft ontvangen. Daarnaast geeft zij aan dat zij met haar inwonende zoon inmiddels heeft gesproken over betaling van kostgeld, maar dat daarbij nog geen bedrag is afgesproken en dat er ook nog geen kostgeldbetaling heeft plaatsgevonden. Volgens [appellante] komt dit omdat zij haar zoon, vanwege het feit dat hij in de nachtdienst werkt, ook maar weinig ziet en spreekt. Desgevraagd geeft [appellante] aan dat haar zoon inmiddels twee maanden in nachtdienst werkt. Een en ander is ook nog niet afgestemd met de nieuwe budgetcoach. Voorts geeft [appellante] desgevraagd aan dat zij niet beschikt over een medische verklaring waaruit kan worden herleid dat zij medio 2011 inderdaad te ziek was om, zoals door haar is gesteld, zelfstandig haar administratie te voeren. Met betrekking tot de clusterschuld aan het CJIB merkt [appellante] op niet precies te weten hoe deze heeft kunnen ontstaan. Een deel van deze schuld heeft volgens haar betrekking op een scooter die door een onbekende zonder haar medeweten of instemming op haar naam is gezet terwijl het overige deel ziet op schulden welke samenhangen met verkeersovertredingen welke met haar vorige auto zijn begaan. Welke overtredingen dat precies zijn geweest weet zij echter niet. Voorts geeft [appellante] aan dat zij op dit moment op oproepbasis een drietal arbeidsbetrekkingen zou hebben, een in de kinderopvang en twee in de horeca. De inkomsten die zij hieruit heeft worden gekort op haar werkeloosheidsuitkering en alimentatiegelden. [appellante] stelt daarbij ook aanvullend te solliciteren, ongeveer vier maal per maand, maar kan daar desgevraagd geen bewijzen van overleggen. Tot slot herhaalt [appellante] haar beroep op de hardheidsclausule, mede door te stellen dat haar financiële zaken thans door de kredietbank worden beheerd en er mede daardoor ook geen nieuwe schulden zijn ontstaan.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.6.2.

Vast staat dat er sprake is van een aanzienlijke belastingschuld welke ruim 60% van de totale schuldenlast bedraagt. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. Temeer nu [appellante] verzuimt haar stelling met betrekking tot de belastingschuld ex artikel 3.1.2.6. sub g van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken middels verificatoire bescheiden dan wel anderszins te onderbouwen, acht het hof het onvoldoende

aannemelijk dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Belastingdienst te goeder trouw is geweest. Een en ander klemt des temeer nu uit een door [appellante] zelf overgelegd fiscaal schuldenoverzicht, op 27 november 2015 opgesteld door de Belastingdienst, blijkt dat er sprake is van een drietal soorten belastingschuld, te weten inkomensheffing, motorrijtuigenbelasting en zorgverzekeringswetbelasting. [appellante] heeft in haar beroepschrift echter uitsluitend haar schuld uit hoofde van de inkomensheffing heeft geadresseerd door deze schuld te erkennen en te stellen dat zij niet wist dat zij over de door haar ontvangen alimentatiegelden inkomstenbelasting diende te betalen.

3.6.3.

Met betrekking tot de clusterschuld aan het CJIB overweegt het hof als volgt. Uit punt 5.4.4. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken volgt dat bij (substantiële) geldboetes die zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen in beginsel geen sprake is van schulden waarvan aannemelijk is dat zij te goeder trouw zijn ontstaan. Daarbij zijn door [appellante] geen omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Het hof gaat voorbij aan het verweer van [appellante] dat er door (een) onbekende(n) zonder haar medeweten of instemming een scooter op haar naam zou zijn geregistreerd waaruit blijkens het door het CJIB op 6 mei 2014 opgestelde schuldenoverzicht een drietal schulden van in totaal

€ 2.922,00 zou zijn ontstaan. Verificatoire bescheiden waaruit een en ander zou kunnen worden herleid zijn door [appellante] niet overgelegd. Daarbij komt dat zij haar stelling dat de RDW haar zou hebben bericht dat de scooter inmiddels van haar naam zou zijn afgehaald evenmin middels onderliggende bescheiden voldoende aannemelijk heeft weten te maken. Bovendien is [appellante] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook niet in staat gebleken om de achtergronden van de bekeuringen met betrekking tot haar vorige auto nader te duiden.

3.6.4.

Voorts rekent het hof het [appellante] zwaar aan dat zij nog immer geen afspraken heeft gemaakt met haar zoon inzake de betaling van kostgeld. Reeds ten tijde van de toelatingszitting op 21 juni 2016 is deze kwestie [appellante] immers al nadrukkelijk voorgehouden en aansluitend door de rechtbank ook in het vonnis waarvan beroep overwogen. Daarbij valt naar het oordeel van het hof niet in te zien dat [appellante] , zoals door haar bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is gesteld, vanwege de nachtdienst van haar zoon nog steeds niet in staat is geweest om hierover met hem afspraken te maken. Niet alleen had [appellante] dienen te onderkennen dat deze kwestie, mede in het licht van het door haar ingestelde hoger beroep, dermate prangend was dat een en ander met de hoogste prioriteit had dienen te worden geregeld, maar ook heeft [appellante] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep aangegeven dat haar zoon al twee maanden (in nachtdienst) werkt. Het hof is dan ook van oordeel dat [appellante] ruimschoots in de gelegenheid is geweest om met haar zoon kostgeldafspraken te maken en dat betaling van deze kostgelden ook al lang gerealiseerd had moeten zijn. Dat haar zoon in nachtdiensten heeft gewerkt is onvoldoende redengevend om niet tot het maken van die afspraken te kunnen komen.

3.6.5.

Daarbij komt dat het hof van oordeel is dat [appellante] , mede gelet op de algehele indruk die zij ook gedurende de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft gemaakt, maar weinig blijk geeft van een saneringsgezinde houding en derhalve vooralsnog ook nog niet saneringsrijp moet worden geacht. Zo heeft [appellante] zich maar zeer beperkt verdiept in de aard en ontstaansgeschiedenis van haar schuldenlast en zich ten aanzien van het maken van kostgeldafspraken met haar zoon uiterst nalatig getoond. Het hof is op grond hiervan dan ook van oordeel dat (niet) voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.6.6.

Voorts is het hof van oordeel dat het beroep van [appellante] op de hardheidsclausule ex art. 288, lid 3 Fw niet kan slagen nu zij onvoldoende inzichtelijk heeft weten te maken welke omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden zij thans onder controle heeft gekregen. De door [appellante] genoemde omstandigheden, te weten het feit dat zij nu kennis heeft van de verplichting om over ontvangen alimentatiegelden belasting te moeten betalen en het niet meer in het bezit hebben van een scooter uit hoofde waarvan haar een aantal bekeuringen waren opgelegd acht het hof daarvoor onvoldoende nu deze omstandigheden geenszins genoegzaam verklarend zijn voor het onder controle krijgen van de achterliggende (gedrags)omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan van de schulden. Dat geen bekeuringen meer opgelegd kunnen worden voor overtredingen begaan met die bepaalde scooter zegt immers niets over het begaan van overtredingen in het algemeen en wetenschap van een belastingplicht is onvoldoende om aan te nemen dat in het vervolg dan ook aan die plicht zal worden voldaan. Het feit dat haar zoon thans werk heeft zodat zij hem om kostgeld kan gaan verzoeken en het gegeven dat de kredietbank haar financiën beheert betreffen geen omstandigheden die zien op art. 288, lid 1 onder b Fw, danwel art. 288, lid 2 onder c Fw, zodat de hardheidsclausule ex art. 288, lid 3 Fw hierop niet van toepassing kan zijn. Naar het oordeel van het hof zien deze omstandigheden veeleer op de c-grond van artikel 288 lid 1 Fw. Daarop is de hardheidsclausule echter niet van toepassing. Bij een en ander wijst het hof er nog(maals) op dat de belastingschulden van [appellante] niet uitsluitend betrekking hebben op niet betaalde inkomstenbelasting over de door haar ontvangen alimentatiegelden, dat de clusterschuld aan het CJIB eveneens ziet op overtredingen welke met een ander motorvoertuig dan de door [appellante] bedoelde scooter zijn begaan en dat [appellante] haar inmiddels al twee maanden werkende zoon nog steeds niet om kostgeld heeft verzocht.

3.6.7.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellante] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.

3.7.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, S.M.A.M. Venhuizen en P.J.M. Bongaarts en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2016.