Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4495

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-10-2016
Datum publicatie
12-10-2016
Zaaknummer
200.195.217/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wsnp-zaak.

Gebreken in informatie-, sollicitatie- en afdrachtverplichting, alsmede in de verplichting om geen nieuwe schulden te laten ontstaan.

Geen concreet plan van aanpak t.a.v. de boedelachterstand.

Tijdens zitting in hoger beroep bekent saniet verzwegen casinobezoek. Hof heeft geen vertrouwen in een verlenging van de reguliere looptijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 6 oktober 2016

Zaaknummer : 200.195.217/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02/14/761 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. H.J. Meuwese te Waalwijk.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 29 juni 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 juli 2016, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en het verzoek tot tussentijdse beëindiging af te wijzen. Bij brief van 9 september 2016 (bijlage bij indieningsformulier van 9 september 2016) heeft [appellant] de gronden daartoe aangevuld.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 september 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Meuwese.

  • -

    mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.

  • -

    mr. P.E. Butterman, curator in het faillissement van [appellant] .

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 8 september 2016, waaronder de processen-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 14 januari 2016 en 14 maart 2016 ;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 15 juni 2016 (toegezonden door de bewindvoerder bij brief van 20 september 2016);

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 9 september 2016;

- het door mevrouw [bewindvoerder] ter zitting in hoger beroep overgelegde stuk (mailbericht van 31 augustus 2016 van Holland Casino met onder meer een overzicht van de bezoeken van [appellant] aan Holland Casino te [vestigingsplaats] );

- de ter zitting door [appellant] overgelegde stukken (sollicitatiebewijzen/verzoek tot herkeuring).

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 3 september 2014 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en sub d Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 26 november 2015 tussentijds beëindigd, nu [appellant] een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert en bovenmatige schulden doet of laat ontstaan.

Aangezien er baten zijn voor uitdeling verkeert [appellant] van rechtswege in staat van faillissement zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

3.3.

De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd. Met hetgeen door de bewindvoerder is aangevoerd en door [appellant] is erkend, althans onvoldoende is bestreden, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [appellant] (toerekenbaar) tekort is geschoten in de nakoming van de informatie-, sollicitatie- en afdrachtverplichting, alsmede in de verplichting om geen nieuwe schulden te lasten ontstaan gedurende de schuldsaneringsregeling.

Voor wat betreft de informatieverplichting is [appellant] naar het oordeel van de rechtbank voldoende gelegenheid geboden om het gebrek in de nakoming aan te zuiveren. [appellant] is ter zitting van 14 januari 2016 gewezen op de gebreken. Daarna is [appellant] bij brief van 21 januari 2016, alsmede telefonisch op 30 maart 2016 gewezen op de gebreken. Ondanks dit alles heeft [appellant] de gebreken niet aangezuiverd dan wel hiertoe een poging gedaan.

Na afloop van de ontheffing van de sollicitatieplicht, te weten sedert april 2016, is [appellant] zijn sollicitatieplicht niet nagekomen. Kennelijk heeft [appellant] vóór zijn ontheffing van september 2014 tot en met december 2014 en van februari 2015 tot en met april 2015 ook niet voldaan aan zijn sollicitatieplicht. Na maart 2016 heeft [appellant] geen stukken overgelegd waaruit enige vorm van arbeidsongeschiktheid blijkt.

Voor wat betreft het gebrek in de nakoming van de afdrachtverplichting en het niet mogen laten ontstaan van nieuwe schulden is de rechtbank van oordeel dat deze aan [appellant] zijn toe te rekenen. De boedelachterstand is dan wel door [appellant] tussen de zitting van 14 januari 2016 en 15 juni 2016 voor een gedeelte ingelopen, maar de nieuwe schulden zijn daarentegen opgelopen.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank voortzetting dan wel een verlenging van de schuldsaneringsregeling niet gerechtvaardigd, aldus de rechtbank.

3.4.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift en de aanvulling van de gronden bij brief van 9 september 2016 (bijlage bij indieningsformulier van 9 september 2016) - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Aan de informatieplicht is inmiddels voldaan met behulp van mr. Meuwese en de dochter van [appellant] . [appellant] kan geen verwijt worden gemaakt dat hij voorheen in gebreke was ten aanzien van de informatieplicht, omdat [appellant] moeite heeft om overzicht te houden op zijn eigen administratie. [appellant] is geadviseerd om beschermingsbewind aan te vragen. Hij is hier nu mee bezig.

Dat [appellant] eerder niet in staat was te voldoen aan de informatieplicht ligt ook aan de computer van [appellant] : deze is oud en functioneert niet naar behoren. [appellant] heeft geen geld voor een nieuwe computer. Het gebruik van de computer in de bibliotheek kost geld. Ook het laten toezenden van niet-digitale bankafschriften kost geld.

Er wordt thans niet meer gegokt. Eenmalig heeft [appellant] met gokken een bedrag van

€ 800,- gewonnen. Hij heeft dit bedrag aangewend om en leesbril te kopen. Een bril behoort te worden betaald door middel van aanwending van geld uit de boedel.

[appellant] is bezig met solliciteren. [appellant] heeft zijn wijze van solliciteren aangepast naar aanleiding van opmerkingen van de bewindvoerder. Desondanks is [appellant] van mening dat hij niet in staat is om te werken wegens last van moeheid en krampen in de benen, alsmede een chronische nierinsufficiëntie.

De hoogte van de door de bewindvoerder genoemde nieuwe schulden is niet juist; de huurschuld aan Thuisvester bestaat niet meer. Er zijn nog wel schulden bij de Belastingdiensst, bij Eneco en bij VGZ. Op alle drie deze schulden wordt afgelost. [appellant] heeft echter geen afbetalingsplan overgelegd, omdat hij niet wist hoe hij een dergelijk plan moet opstellen.

Op de boedelachterstand wordt maandelijks afgelost door middel van de schade-uitkering van BNP Cardif.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. Aan de informatieplicht in de vorm van het overleggen van bankafschriften is inmiddels voldaan.

[appellant] heeft verzocht om een herkeuring. In eerste instantie leidde dit niet tot een andere beslissing, daar [appellant] zijn stelling niet had onderbouwd door het overleggen van nieuwe medische stukken. Inmiddels heeft [appellant] door middel van een handgeschreven brief gereageerd, welke brief aan het hof ter zitting in hoger beroep is overgelegd. Anders dan in hoger beroep, is de originele handgeschreven brief wel voorzien van nieuwe medische stukken. [appellant] hoopt alsnog te worden afgekeurd.

Hangende de beslissing met betrekking tot de herkeuring, is [appellant] begonnen met solliciteren. [appellant] heeft zich ook ingeschreven bij een uitzendbureau.

De nieuw ontstane huurschuld is inmiddels betaald.

Er is een nieuwe schuld aan VGZ. Dit heeft te maken met hoge medische kosten.

Er is ook een nieuwe schuld van € 500,- aan Eneco ontstaan. Dit hangt samen met een hoog uitgevallen jaarrekening; kennelijk heeft [appellant] het afgelopen jaar meer energie gebruikt dan het jaar ervoor. Op dit bedrag is inmiddels afgelost: er staat nog ongeveer € 185,- open.

De schuld aan de Belastingdienst wordt met € 30,- per maand ingelopen.

3.6.

De bewindvoerder heeft in haar brief - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant] is voortdurend in gebreke ten aanzien van de informatieplicht; met name bankafschriften ontbreken.

[appellant] is meermaals gewezen op de sollicitatieplicht. Voor zover er is gesolliciteerd, ontbreken hiertoe de schriftelijke bewijzen. Vanaf mei 2015 en tot en met maart 2016 heeft [appellant] een vrijstelling van de sollicitatieplicht gekregen in verband met het moeten ondergaan van een aantal operaties. Voor het eind van de termijn is [appellant] er nog op gewezen dat hij vanaf 1 april 2016 weer moest solliciteren. Er zijn echter geen sollicitaties meer ontvangen vanaf 1 april 2016. Er is ook geen medische verklaring overgelegd waaruit kan blijken dat [appellant] arbeidsongeschikt is. Na het vonnis waarvan beroep zijn wel enkele meldingen van sollicitaties ontvangen; deze voldoen echter niet aan de criteria.

Ten tijde van de zitting van 14 januari 2016 stond een bedrag van € 3.552,- aan nieuwe schulden open. Dit bedrag is opgelopen naar € 8.099,- in juni 2016. Er is geen plan van aanpak overgelegd ten aanzien van het aflossen van die nieuwe schulden.

Er is sprake van een boedelachterstand. Deze is ontstaan doordat [appellant] te weinig afdroeg aan de boedel in het eerste half jaar van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Op enig moment is de schade-uitkering van Bnp Cardif aangewend om de boedelachterstand in te lopen.

De bewindvoerder heeft aanwijzingen dat [appellant] in plaats van digitaal te gokken, het casino in [vestigingsplaats] heeft bezocht. Uit de bankafschriften leidt de bewindvoerder af dat er mogelijk nog steeds sprake is van gokken. In de wsnp mag niet worden gegokt. Als deze omstandigheid bekend was ten tijde van de toelatingszitting, dan was [appellant] niet toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Een nieuwe bril kan worden voldaan uit de boedel, maar dan moet de bewindvoerder hier wel van weten.

De bewindvoerder blijft bij haar standpunt dat de wettelijke schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd dient te worden.

3.7.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd.

Er wordt elke maand € 125,- ingelopen op de boedelachterstand: de boedelachterstand bedraagt op dit moment nog ruim € 800,- euro.

De stukken zijn inmiddels aangeleverd maar ik heb hier op de zitting van 14 februari 2016 al naar gevraagd. Inmiddels is meer dan een half jaar verstreken voordat de stukken uiteindelijk werden aangeleverd. Meneer is al tijdens het huisbezoek gewezen op zijn sollicitatieverplichting; desondanks solliciteert [appellant] niet of onvoldoende.

De verwachting is dat [appellant] binnen de reguliere looptijd niet in staat zal zijn de nieuwe schulden en de boedelschuld te betalen.

Voor zover de nieuwe schulden zouden zijn betaald, is dit niet aangetoond door middel van het overleggen van bankafschriften of andere stukken.

Ik vraag mij af of [appellant] gokverslaafd is.

3.8

Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft [appellant] op vragen van het hof verklaard dat hij niet meer online gokt en ook dat hij helemaal niet meer gokt, dus ook niet op andere wijze.

Ter zitting geconfronteerd met een overschrijving van € 1 op 12 juli 2016 van de bankrekening van [appellant] naar de bankrekening van “Envoy Services Limited” (bijlage 12 van de door de bewindvoerder op 8 september 2016 aan het hof toegezonden stukken) erkende hij dat dit een gokbedrijf betreft en dat dit met gokken te maken heeft. Ter zitting overlegde de bewindvoerder voorts een mailbericht van 31 augustus 2016 van Holland Casino waarin onder meer melding wordt gemaakt van vijftien bezoeken van [appellant] aan Holland Casino te [vestigingsplaats] in 2016. Na een korte schorsing van de zitting erkende [appellant] dat hij die bezoeken heeft afgelegd en ook dat hij bij die gelegenheden heeft gegokt. Ook erkende [appellant] dat hij eerder tijdens de mondelinge behandeling had gelogen bij de beantwoording van de vragen van het hof naar het gokgedrag van [appellant] .

3.9.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.9.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en d Fw, te beoordelen of er bij [appellant] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door zijn doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling en het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden.

3.9.2.

Met de rechtbank en op grond van de in het dossier aanwezige verslagen van de bewindvoerder en haar toelichting hierop is het hof van oordeel dat voldoende vast dat [appellant] is tekort geschoten in de nakoming van de informatie-, sollicitatie- en afdrachtverplichting, alsmede in de verplichting om geen nieuwe schulden te laten ontstaan gedurende de schuldsaneringsregeling. Deze tekortkomingen zijn naar het oordeel van het hof verwijtbaar en toerekenbaar. De stelling van [appellant] dat dit tekortschieten hem niet althans verminderd zou moeten worden aangerekend omdat hij niet in staat is om het overzicht te houden op zijn administratie, wordt niet onderbouwd door overlegging van enig (medisch) stuk waaruit dit zou kunnen blijken. De enkele omstandigheid dat [appellant] thans op zoek zou zijn naar een meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder, maakt dit niet anders. Dit verweer wordt dan ook verworpen.

3.9.3.

Ten aanzien van de informatieplicht merkt het hof in het bijzonder op dat [appellant] inmiddels de gevraagde stukken heeft aangeleverd, maar dat inmiddels meer dan een half jaar is verstreken sinds deze kwestie aan de orde kwam op de zitting in eerste aanleg op 14 februari 2016. Met de bewindvoerder vermag het hof niet inzien waarom het zo lang moest duren alvorens de gevraagde stukken zijn ingeleverd.

3.9.4.

Ten aanzien van de nieuwe schulden c.q. de boedelachterstand merkt het hof op dat nog immer geen concreet plan is opgesteld en overgelegd waaruit kan blijken hoe [appellant] de schulden binnen de reguliere termijn wil inlossen. Voor zover de kennelijk nieuwe huurschuld zou zijn afgelost, is hiervan geen stuk overgelegd zodat het hof dit niet kan controleren en ook niet kan controleren of en in hoeverre [appellant] deze schuld zelf heeft betaald. Ten aanzien van de andere nieuwe schulden zijn ook geen stukken overgelegd waaruit kan blijken dat deze worden ingelopen. Alleen ten aanzien van de boedelschuld wordt de stelling van [appellant] , te weten dat deze thans nog ruim € 800,- bedraagt, bevestigd door de mededeling van de bewindvoerder hieromtrent. [appellant] is derhalve op al deze punten toerekenbaar in gebreke.

Zonder een op schrift gesteld concreet plan van aanpak ten aanzien van het inlossen van de schulden ziet het hof geen grond voor een verlenging van de looptijd van de wettelijke schuldsaneringsregeling, zoals door [appellant] is verzocht. Geheel ten overvloede merkt het hof nog op dat het ontstaan van - bepaalde – bovenmatige schulden – mede – zijn oorzaak zou kunnen vinden in casinobezoek en/of gokken (zie ook hierboven, r.o. 3.8, en hieronder, r.o. 3.9.6).

3.9.5.

Ten aanzien van de sollicitatieplicht geldt dat [appellant] weliswaar ter zitting in hoger beroep een sollicitatiebewijs heeft aangeleverd, maar dit is verre van voldoende. [appellant] is herhaaldelijk gewezen op het feit dat hij tenminste vier keer per maand aantoonbaar en op de juiste wijze moet solliciteren, derhalve hadden er ten tijde van de zitting in hoger beroep op 21 september 2016 bewijzen van tenminste 20 sollicitaties aanwezig moeten zijn vanaf het aflopen van de vrijstelling van de arbeidsplicht per 1 april 2016. Nu deze sollicitatiebewijzen niet aanwezig zijn, is [appellant] ook hiermee toerekenbaar in gebreke.

De enkele omstandigheid dat [appellant] heeft verzocht om een herkeuring, maakt niet dat de sollicitatieplicht op dit moment onverkort op [appellant] van toepassing is. Bovendien merkt het hof uit de ter zitting door [appellant] overgelegde stukken op dat het eerste verzoek tot het herkeuren van [appellant] is gestrand doordat [appellant] geen nieuwe medische informatie heeft meegestuurd (zie de brief van het UWV d.d. 17 augustus 2016).

3.9.6.

Daar komt nog bij dat [appellant] , na hier door het hof uitdrukkelijk naar te zijn gevraagd en na confrontatie met het door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep overgelegde overzicht van bezoeken van [appellant] aan Holland Casino te [vestigingsplaats] , heeft toegegeven dat hij dit casino regelmatig bezoekt. Uit genoemd ter zitting in hoger beroep overgelegd overzicht blijkt het hof dat [appellant] het casino in 2014 20 keer heeft bezocht, in 2015 61 keer en tot nu toe in 2016 15 keer heeft bezocht. [appellant] heeft hierover gelogen tegenover de bewindvoerder en ter zitting in hoger beroep tegenover het hof. Het hof neemt dit [appellant] kwalijk. Niet alleen is het hof van oordeel dat [appellant] hierdoor de uitvoering van de wettelijke schuldsaneringsregeling frustreert - de bewindvoerder kan [appellant] immers niet op zijn woord geloven – maar het heeft ook tot gevolg dat het hof geen vertrouwen heeft dat [appellant] gedurende een eventuele verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling zijn verplichtingen uit hoofde van die schuldsaneringsregeling wel nakomt. Reeds hierom ziet het hof ook om deze reden geen grond om de looptijd van de wettelijke schuldsaneringsregeling te verlengen.

3.9.7.

Gelet op het bovenstaande, behoeft hetgeen voor het overige nog is aangevoerd, geen bespreking meer.

3.10.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, L.Th.L.G. Pellis en F.J.M. Walstock en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2016.