Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4493

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-10-2016
Datum publicatie
12-10-2016
Zaaknummer
200.195.205/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:4492
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wsnp-zaak.

De bij de artikel 285 Fw-verklaring gevoegde ‘schuldenlijst’ vertoont zoveel gebreken en is zo onvolledig en onjuist (waaronder ontstaansdata van 1 januari 1900), dat het hof aan de hand van deze lijst niet kan toetsen of de schulden daadwerkelijk bestaan, wanneer deze zijn ontstaan, waarom ze zijn ontstaan, of er op is afgelost en wie de feitelijke schuldeisers zijn. Het had op de weg van de kredietbank gelegen om hetzij zelf de ontbrekende gegevens op te vragen, hetzij aanvragers in de gelegenheid te stellen de ontbrekende gegevens en daaraan ten grondslag liggende stukken aan te vullen alvorens de aanvraag naar de rechtbank te sturen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 285, geldigheid: 2008-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 6 oktober 2016

Zaaknummer : 200.195.205/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/01/303847/FT-RK 16.84

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. G.J.B.C. Maton te 's-Hertogenbosch.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 23 juni 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 juli 2016, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en – zo begrijpt het hof bij gebrek aan een petitum – het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling alsnog te honoreren.

2.2.

Gelet op de onderlinge samenhang van deze zaak met die van [echtgenote van appellant] , echtgenote van [appellant] , onder nummer 200.195.189/01, heeft het hof de beide zaken gevoegd behandeld.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 september 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] en [echtgenote van appellant] , bijgestaan door mr. Maton.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlage 4 van de advocaat van [appellant] d.d. 1 juli 2016.

3 De beoordeling

3.1.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 75.233,87, te weten een bedrag van € 4.319,- aan preferente schulden en een bedrag van € 70.914,87 aan concurrente schulden. Daaronder bevinden zich schulden aan de Belastingdienst van € 2.108,-, € 2.211,-, € 2.902,-, € 77,-, € 563,-, € 2.209,- € 315,- en € 2.994,-, een schuld aan het CJIB van € 46,-, schulden van € 2.523,43 en € 2.341,35 aan/via Vesting Finance, een schuld van € 1.041,08 aan Rabobank, en een schuld van € 52.223,74 aan Interbank N.V.

Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat 11 crediteuren hiermee niet instemden.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

3.3.

De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd. Uit de crediteurenlijst blijken negen vorderingen van de Belastingdienst ad € 13.419,-. [appellant] heeft ten aanzien van deze schulden verklaard dat deze zien op terugvorderingen van heffingskortingen die hij ten onrechte heeft ontvangen. [appellant] stelt dat hij zijn tweede baan niet bij de Belastingdienst heeft gemeld en daardoor forse terugvorderingen door de Belastingdienst heeft gekregen. Daarnaast heeft [appellant] ter zitting aangegeven dat hij weliswaar in 9 jaar tijd 46 auto’s op zijn naam had, maar geen autohandel heeft gehad.

Schulden aan de Belastingdienst zijn in beginsel niet te goeder trouw ontstaan (vlg. ook artikel 5.4.4. Bijlage IV Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken). [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de schulden aan de Belastingdienst niet zien op een eventuele autohandel van [appellant] , die in negen jaar tijd 46 auto’s op zijn naam had staan. De rechtbank is van oordeel dat deze schulden, ongeacht of deze zien op terugvorderingen van heffingskorting of op belastingschulden die voortvloeien uit een mogelijke autohandel van [appellant] , in beginsel niet te goeder trouw zijn ontstaan. [appellant] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van deze schulden te goeder trouw is geweest. [appellant] heeft onvoldoende gesteld om tot een ander oordeel te komen, aldus de rechtbank.

3.4.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Hij is sinds 1994 fulltime werkzaam bij verffabriek SPS B.V. te [vestigingsplaats] . Daarnaast werkt hij sinds 2010 in de avond als schoonmaker voor 2,5 uur per dag (12,5 uur per week). Bij het invullen van de loonbelastingverklaring bij de tweede werkgever heeft [appellant] uit onwetendheid deze verkeerd ingevuld waardoor geen loonheffing is ingehouden. Hierdoor zijn de belastingschulden grotendeels ontstaan. Ook de werkgever heeft hier niet bij stilgestaan. [appellant] had geen opzet bij het foutief invullen van de loonbelastingverklaring van de werkgever.

Er is geen sprake (geweest) van een autohandel. Indien [appellant] een autohandel zou hebben gehad dan zou hij de voertuigen niet op zijn eigen naam maar op de bedrijfsvoorraad hebben gezet waardoor hij geen houderschapsbelasting en verzekering behoefte te betalen. Ook zouden de voertuigen dan geen apk-verplichtingen hebben. Hij heeft echter nimmer bij de Kamer van Koophandel of de RDW ingeschreven gestaan als autohandelaar, aldus [appellant] .

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. Er is geen sprake van autohandel. [appellant] heeft een auto nodig voor zijn werk. [appellant] heeft pech gehad met de auto’s die hij voor weinig geld heeft gekocht: bijna altijd was er wel iets mis waardoor de auto ingeruild of verkocht moest worden omdat [appellant] de kosten voor de reparatie niet wilde betalen.

Op uitdrukkelijk vragen van het hof en geconfronteerd met de lijst van de RDW van op zijn naam geschreven kentekens (productie 4, bijlage bij brief van 1 juli 2016), heeft [appellant] verklaard dat hij geen auto’s heeft geëxporteerd. De vermelding “ongeldigverklaring kentekenbewijs i.v.m. export van het voertuig” heeft volgens [appellant] niets te maken met enige handeling van hem. [appellant] voert aan altijd naar het postkantoor te zijn gegaan teneinde de auto’s op naam te laten schrijven van degene die de auto van hem had gekocht. [appellant] heeft hiervoor vrijwaringsbewijzen ontvangen.

De schulden aan de Belastingdienst zijn ontstaan doordat [appellant] twee banen heeft en er in totaal te weinig loonbelasting is ingehouden; er is bij beide banen een arbeidskorting toegepast in plaats van ten aanzien van slechts één baan. Omdat te weinig belasting is geheven, is teveel zorgpremie toegekend. Deze zorgpremie moet worden terugbetaald.

Er is geen verklaring voor de omstandigheid dat de op de bij de artikel 285 Fw-verklaring behorende schuldenlijst als ontstaansdatum van diverse schulden telkens 1 januari 1900 is vermeld. Desgevraagd heeft de advocaat van [appellant] en [echtgenote van appellant] erkend dat de schuldenlijst niet voldoet aan de wettelijke vereisten.

De schuld aan Interbank zou zijn ontstaan doordat er in 2000 geld geleend is voor het inrichten van het nieuwe huis van [appellant] en [echtgenote van appellant] . Met het geld is geïnvesteerd in een badkamer en in een keuken. Bovendien werd met het geld van deze lening andere leningen afgelost.

De schulden aan Vesting Finance zijn geldleningen die oorspronkelijk zijn afgesloten met Neckermann Kredietverlening.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.6.2.

De bij de artikel 285 Fw-verklaring gevoegde ‘schuldenlijst’ vertoont de volgende gebreken:

- bijna alle schulden hebben als ontstaansdatum 1 januari 1900, een datum die niet juist kan zijn;

- de hoogte van de originele vordering staat vaak niet vermeld;

- de hoogte van de huidige vordering staat vaak niet vermeld;

- in plaats van de daadwerkelijke schuldeiser staat vaak een deurwaarderskantoor vermeld;

- een toelichting op iedere individuele schuld ontbreekt.

Daarnaast ontbreken ten aanzien van bijna alle schulden de bijbehorende verificatoire bescheiden.

De aan de rechtbank en het hof gepresenteerde ‘schuldenlijst’ is zo onvolledig en onjuist, dat het hof aan de hand van deze lijst niet kan toetsen of de schulden daadwerkelijk bestaan, wanneer deze zijn ontstaan, waarom ze zijn ontstaan, of er op is afgelost en wie de feitelijke schuldeisers zijn. De lijst voldoet derhalve niet aan de vereisten die artikel 285 Fw. Het had op de weg van de kredietbank gelegen om hetzij zelf de ontbrekende gegevens op te vragen, hetzij [appellant] en [echtgenote van appellant] in de gelegenheid te stelen de ontbrekende gegevens en daaraan ten grondslag liggende stukken aan te vullen alvorens de aanvraag naar de rechtbank te sturen. Bij de huidige lijst kan het hof niet anders dan constateren dat bij gebrek aan gegevens en onderbouwende stukken niet valt te toetsen of [appellant] en [echtgenote van appellant] te goeder trouw zijn ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van hun schulden. Nu dit niet kan, dient de onderhavige aanvraag reeds hierop te stranden.

3.6.3.

Naast bovenstaande grond, die op zichzelf reeds meer dan genoeg is om de toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te ontzeggen, wijst het hof erop dat ingevolge artikel 5.4.4 van Bijlage IV van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken schulden aan de Belastingdienst die betrekking hebben op (onder meer) het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot belastingafdracht, in beginsel niet te goeder trouw ontstaan zijn.

In de onderhavige zaak hebben [appellant] en [echtgenote van appellant] gesteld dat de schulden aan de Belastingdienst zijn ontstaan doordat zij niet in de gaten hadden dat er te weinig loonbelasting werd afgedragen door respectievelijk de twee werkgevers van [appellant] , doordat beide werkgevers heffingskortingen toepasten. Hierdoor zou ook de toegekende huurtoeslag te hoog zijn geweest, zodat ook huurtoeslag moet worden terugbetaald. Deze stelling kan het hof bij gebrek aan verificatoire bescheiden echter niet controleren. Bovendien is het de plicht van [appellant] en in het verlengde ook [echtgenote van appellant] om erop toe te zien dat voldoende belasting wordt betaald, hetzij door middel van inhoudingen door de werkgever, hetzij naar aanleiding van aangifte inkomstenbelasting waaruit een en ander had moeten blijken. Bovendien merkt het hof op dat deze gestelde oorzaak kennelijk in het jaar daarop niet door [appellant] en [echtgenote van appellant] alsnog is hersteld. Het hof is derhalve van oorzaak dat niet voldoende is aangetoond dat de schulden aan de belastingdienst te goeder trouw zijn ontstaan en onbetaald gelaten.

3.7.

Het vonnis waarvan beroep zal onder wijziging van gronden worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, S.M.A.M. Venhuizen en F.J.M. Walstock en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2016.