Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4447

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
06-10-2016
Zaaknummer
20-001028-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 6 WVW aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen. Botsing tussen personenauto en scootmobiel. Het ‘spookrijden’ door aangeefster neemt niet weg dat verdachte haar, als bestuurster van een voor hem van rechts komend invalidenvoertuig, doorgang had behoren te verlenen op het gelijkwaardige kruispunt (artikel 15, eerste lid, RVV). Een (gelijkwaardige) T-kruising en bijbehorende fietspaden dienen te allen tijde met de nodige voorzichtigheid te worden benaderd. Verdachte was bovendien enkel in het bezit van een internationaal rijbewijs en voldeed niet aan de rijbewijsplicht van artikel 107 WVW.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 175
Wegenverkeerswet 1994 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2016/67

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001028-15

Uitspraak : 5 oktober 2016

TEGENSPRAAK

PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2015 in de strafzaak met parketnummer 01-821511-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde – en wel in zoverre dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg – zal veroordelen tot een taakstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke rijontzegging van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Door de verdediging is primair integrale vrijspraak bepleit en is subsidiair, in het geval van een veroordeling, betoogd dat met het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf dient te worden volstaan.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 augustus 2013 te Nistelrode, gemeente Bernheze, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Brandsestraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

terwijl hij, verdachte, niet in het bezit was van een geldig Nederlands rijbewijs,

gekomen ter hoogte van de kruising van deze weg met de Udenseweg en/of De Rondweg, de Udenseweg en/of de Rondweg op te rijden, althans doende is geweest de Udenseweg en/of de Rondweg op te rijden, zonder zich ervan te vergewissen dat deze Udenseweg en/of de Rondweg en/of het bijbehorende fietspad vrij was, en/of daarbij geen voorrang te verlenen aan een zich op het fietspad behorende bij die Udenseweg en/of de Rondweg bevindende bestuurder van een scootmobiel (gehandicaptenvoertuig),

waardoor een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en voornoemde bestuurder van een scootmobiel, waardoor die bestuurder van die scootmobiel (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een bekkenbreuk, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling kocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 03 augustus 2013 te Nistelrode, gemeente Bernheze, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Brandsestraat,

terwijl hij, verdachte, niet in het bezit was van een geldig Nederlands rijbewijs,

gekomen ter hoogte van de kruising van deze weg met de Udenseweg en/of de Rondweg, de Udenseweg en/of de Rondweg is opgereden, althans doende is geweest de Udenseweg en/of de Rondweg op te rijden, zonder zich ervan te vergewissen dat deze Udenseweg en/of de Rondweg en/of het bijbehorende fietspad vrij was, en/of daarbij geen voorrang heeft verleend aan een zich op het fietspad behorende bij die Udenseweg en/of de Rondweg bevindende bestuurder van een scootmobiel (gehandicaptenvoertuig),

waardoor een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en voornoemde bestuurder van een scootmobiel,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 augustus 2013 te Nistelrode, gemeente Bernheze, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de Brandsestraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,

terwijl hij, verdachte, niet in het bezit was van een geldig Nederlands rijbewijs,

gekomen ter hoogte van de kruising van deze weg met de Udenseweg en de Rondweg, doende is geweest de Rondweg op te rijden, zonder zich ervan te vergewissen dat het bij deze Rondweg behorende fietspad vrij was en daarbij geen doorgang heeft verleend aan een zich op dat fietspad bevindende scootmobiel (gehandicaptenvoertuig),

waardoor een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en die scootmobiel (gehandicaptenvoertuig), waardoor de bestuurster van die scootmobiel (genaamd [slachtoffer] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen 1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierna opgenomen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

1. [verbalisant 1] heeft – zakelijk weergegeven – bevonden (p. 2-5):

Wij kregen kennis van een verkeersongeval.

Locatie ongeval

Datum: 3 augustus 2013

Omstreeks: 14.33 uur

Adres: Udenseweg

Plaats: Nistelrode

Gemeente: Bernheze

op de kruising met: Brandsestraat

en op de kruising met: Rondweg

Bebouwde kom: Buiten

Weersgesteldheid: Droog

Toestand van het wegdek: Droog

Wegsituatie: T-kruising

Betrokkene 1 reed over de Brandsestraat.

Betrokken 1 (voertuig)

Personenauto (het hof begrijpt: met kenteken) [kenteken]

Bestuurder

[verdachte]

Rijbewijs

Bij controle in het rijbewijsregister bleek de bestuurder niet bevoegd te zijn een motorvoertuig te besturen. Bij deze controle bleek ons het volgende: aan de bestuurder was nooit een (het hof begrijpt: Nederlands) rijbewijs afgegeven voor de categorie motorrijtuigen waartoe het door de bestuurder bestuurde voertuig behoorde.

Betrokken 2 (voertuig)

Scootmobiel

Bestuurder

Achternaam: [slachtoffer]

Voornamen: [slachtoffer]

2. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 september 2016 op de foto die als bijlage 1 bij het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] is gevoegd (p. 6b), alsmede op Google Streetview (beeldopname van 2016), waargenomen dat vanaf een afstand van 7-8 meter tot de T-kruising sprake is van vrij zicht wanneer men vanuit de Brandsestraat naar rechts kijkt in de richting van het fietspad dat parallel aan de Rondweg is gelegen.

3. Aangeefster [slachtoffer] heeft op 9 augustus 2013 bij de politie – zakelijk weergeven – verklaard (p. 22):

Ik reed op 3 augustus 2013 met mijn invalidenvoertuig over het fietspad aan de Udenseweg (het hof begrijpt: de Rondweg). Het invalidenvoertuig waar ik mee rijd kan maximaal 15 kilometer per uur. Zo hard reed ik echter niet.

Ter hoogte van een kruising kwam een personenauto uit de straat. Hij is niet voor mij gestopt. Er is een aanrijding ontstaan. Mijn ribben zijn gekneusd. Ik had daarvoor pijnstilling gekregen.

4. Aangeefster [slachtoffer] heeft op 5 oktober 2013 bij de politie – zakelijk weergeven – verklaard (p. 23b):

Ik heb echt heel erg lang met veel pijn gelopen. Ik heb nu nog wel pijn als ik mezelf omdraai. Deze week ga ik weer beginnen met mijn oude dingen op te pakken. Aanstaande maandag wil ik weer gaan eten bij ‘Het Eigen Hert’. Zij hebben de afgelopen acht weken het eten naar mij toe gebracht.

Twee weken na het ongeval bleef ik erg veel last van pijn houden, terwijl ik pijnstillers had zoals morfine. Ik ben toen wederom naar het ziekenhuis gegaan. Toen bleek dat er een scheur in mijn bekken zat.

Ik heb drie weken onder behandeling gestaan van een fysiotherapeut. Ik wil nu weer dingen gaan ondernemen. De thuiszorg komt nu ook bij mij langs om mij te helpen met wassen. Vóór de aanrijding kon ik dit zelf nog, maar ik kan nu niet meer zo lang staan.

5. De verdachte heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – verklaard (p. 20-21):

V: Wat kunt u verklaren met betrekking tot het ongeval?

A: Ik reed in de personenauto voorzien van [kenteken] . Ik kwam uit de richting van de Brandsestraat te Nistelrode. Ik zag dat ik een fietspad naderde. Ik keek alleen naar links, omdat ik van rechts geen verkeer verwachtte. Ik zag niemand aankomen en reed verder. Toen hoorde ik ineens boem.

6. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – verklaard2:

Ik wilde op de kruising rechtsaf slaan.

7. Uit de geneeskundige verklaring van [huisarts] d.d. 8 oktober 2013 blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende (p. 19b):

Medische informatie betreffende:

Achternaam: [slachtoffer]

Voornamen: [slachtoffer]

Omschrijving van het letsel.

3-8-2013: Hoog energetisch trauma (aangereden door auto). Aanvankelijke diagnose: kneuzing linkerborstzijde. Röntgenfoto’s wervelkolom: geen afwijkingen veroorzaakt door ongeval. Eind augustus 2013 bleek er toch een bekkenbreuk te bestaan.

22-8-2013: herbeoordeling röntgenfoto’s: alsnog fractuur.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Bewijsverweer

Door de raadsvrouwe is betoogd dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Hiertoe is aangevoerd dat:

  • -

    de verdachte – in tegenstelling tot bij de politie – bij de rechtbank en het hof heeft verklaard dat hij wèl naar rechts heeft gekeken maar de scootmobiel niet heeft gezien;

  • -

    niet verdachte maar de bestuurster van de scootmobiel zich dusdanig heeft gedragen dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 of 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (verder: WVW). Zij reed aan de verkeerde zijde van de weg over het fietspad, tegen de verplichte rijrichting in, en vanwege dit spookrijden had zij van rechts geen voorrang;

  • -

    verdachte in Turkije is opgeleid om een auto te kunnen besturen en dat derhalve niet gezegd kan worden dat hij door het niet in het bezit zijn van een geldig Nederlands rijbewijs niet bekwaam was om een motorrijtuig te besturen.

Het hof overweegt als volgt.

Verklaring verdachte

Anders dan de raadsvrouwe heeft betoogd, heeft het hof verdachtes verklaring bij de politie voor het bewijs gebezigd (p. 20-21), inhoudende dat hij alleen naar links heeft gekeken toen hij de T-kruising naderde, omdat hij van rechts geen verkeer verwachtte. Het hof acht deze verklaring geloofwaardig en vermag niet in te zien dat die verkeerd zou zijn opgetekend door de politie of dat verdachte het anders heeft bedoeld te zeggen dan in het proces-verbaal terecht is gekomen, met name nu deze verklaring specifieke details behelst omtrent verdachtes rijgedrag en gedachtegang. Dat verdachte later anders heeft verklaard, doet hieraan voor het hof niet af. Het hof houdt verdachte aan zijn eerst afgelegde verklaring. Het verweer behoeft in zoverre dan ook geen nadere bespreking.

Schuld

Het hof is met de verdediging van oordeel dat aangeefster [slachtoffer] in tegengestelde richting over het fietspad reed, hetgeen een bewuste keuze van haar was (p. 22), en zij zich aldus niet heeft gehouden aan het ter plekke geldende gebod om van het fietspad aan de overkant van de weg gebruik te maken.

Echter, het hof is – anders dan de verdediging, doch met de advocaat-generaal – van oordeel dat in zijn algemeenheid de eventuele aanwezigheid van medeschuld aan de zijde van het slachtoffer, schuld aan de zijde van verdachte niet opheft. In extreme gevallen kan dit anders zijn, maar het hof is van oordeel dat een dergelijke situatie zich in de onderhavige zaak niet voordoet.

Het ‘spookrijden’ door aangeefster [slachtoffer] neemt niet weg dat verdachte haar, als bestuurster van een voor hem van rechts komend invalidenvoertuig, doorgang had behoren te verlenen op het gelijkwaardige kruispunt (artikel 15, eerste lid, RVV) teneinde haar in staat te stellen ongehinderd haar weg te vervolgen.

Het hof overweegt bovendien dat een (gelijkwaardige) T-kruising en bijbehorende fietspaden te allen tijde met de nodige voorzichtigheid dienen te worden benaderd.

Het hof is van oordeel dat verdachte de scootmobiel aan had kunnen en moeten zien komen. Het verkeersongeval is gebeurd op een droge, zomerse zaterdagmiddag. Het wegdek was eveneens droog. Het hof heeft waargenomen dat vanuit de Brandsestraat vanaf een afstand van 7-8 meter tot de T-splitsing sprake was van vrij zicht naar rechts in de richting van (het fietspad aan) de Rondweg.

Voorts is in de tenlastelegging opgenomen ‘terwijl hij, verdachte, niet in het bezit was van een geldig Nederlands rijbewijs’. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] (p. 3) blijkt dat de verdachte ten tijde van het verkeersongeval niet in het bezit was van een geldig Nederlands rijbewijs. Het hof komt derhalve tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Het hof is – met de raadsvrouwe – van oordeel dat daaruit niet zonder meer voortvloeit dat verdachte niet bekwaam was om een personenauto te besturen, omdat uit het dossier blijkt dat hij destijds wel beschikte over een geldig internationaal/Turks rijbewijs (p. 17-19a).

Uit informatie van www.rdw.nl (openbare bron) blijkt dat een internationaal rijbewijs slechts een gelegaliseerde vertaling is van een nationaal rijbewijs en dat een internationaal rijbewijs niet kan worden omgewisseld voor een Nederlands rijbewijs. Er moet een regulier theorie- en praktijkexamen worden afgelegd bij het CBR.

Verdachte heeft kennelijk geen regulier theorie- en praktijkexamen afgelegd en hij voldeed ten tijde van het verkeersongeval – als bestuurder van een personenauto op de weg – derhalve niet aan de rijbewijsplicht van artikel 107 WVW. De directe doelstelling van dit artikel is handhaving van de rijbewijsplicht. Indirect wordt daarmee beoogd het belang van de verkeersveiligheid te beschermen door het toetsen van de kennis van de verkeersregels, de rijvaardigheid en de rijgeschiktheid van de bestuurder. Nu deze toets niet heeft plaatsgevonden, zal het hof het rijden zonder geldig Nederlands rijbewijs meewegen in het kader van de vaststelling van de schuld.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang gezien is het hof – anders dan de verdediging – van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, ten gevolge waarvan hij de overstekende scootmobiel over het hoofd heeft gezien en daarmee in botsing is gekomen.

Letsel

Anders dan de advocaat-generaal is het hof gelet op de voor het bewijs gebezigde verklaring van aangeefster en de geneeskundige verklaring van haar huisarts van oordeel dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel doch van zodanig lichamelijk dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

In het bijzonder heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met de omstandigheden dat verdachte reed zonder geldig Nederlands rijbewijs en dat het verkeersongeval dermate ernstig lichamelijk letsel teweeg heeft gebracht bij het slachtoffer dat zij geruime tijd haar normale dagelijkse bezigheden niet heeft kunnen verrichten.

Anderzijds heeft het hof bij de straftoemeting betrokken dat:

  • -

    ook aangeefster [slachtoffer] een verwijt kan worden gemaakt, omdat zij met haar scootmobiel tegen de verplichte rijrichting in over het fietspad reed;

  • -

    verdachte blijkens het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 juli 2016 niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld en dat sinds het bewezen verklaarde intussen geruime tijd is verstreken zonder dat de verdachte opnieuw met justitie in aanraking is geweest.

Alles afwegende, acht het hof – met de advocaat-generaal en de politierechter – de oplegging van een taakstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis passend en geboden. Daarnaast is het hof – anders de rechtbank, doch met de advocaat-generaal – van oordeel dat de oplegging van een voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is.

Met de oplegging van een voorwaardelijke rijontzegging (bijkomende straf) wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. P.M. Frielink en mr. J.M.G. Brughuis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.G.W.M. van der Vleuten, griffier,

en op 5 oktober 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.M.G. Brughuis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Voor zover hierna niet anders is vermeld, zijn de bewijsmiddelen afkomstig uit het dossier van de Politieregio Brabant-Noord, District Maas en Leijgraaf, dossiernummer 2013080451, sluitingsdatum 5 oktober 2013, doorgenummerde pagina’s 1- 30.

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof d.d. 21 september 2016.