Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4433

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
05-12-2016
Zaaknummer
200.185.301_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:10002
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Huur bedrijfsruimte.

Kort geding.

Wie is huurder, dga of BV?

Gedaagde stelt dat BV huurder is.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de dga huurder is en veroordeelt hem achterstallige huur te betalen.

Na het vonnis wordt door de BV betaald.

De dga heeft dan geen vordering uit onverschuldigde betaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3659

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.185.301/01

arrest van 4 oktober 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. R.J.H.M. Crombaghs te Heerlen,

tegen

1 Pensioenmaatschappij Familie [pensioenmaatschappij familie] BV,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] , België,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna afzonderlijk aan te duiden als [pensioenmaatschappij familie] resp. [geïntimeerde 2] ,

advocaat: mr. D.E.M.P.J. Reijnart te Weert,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 december 2015 ingeleide hoger beroep van het in kort geding vonnis van 2 december 2015, door de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] en [metaalrecycling] Metaalrecycling B.V. (verder: de vennootschap) als gedaagden en [pensioenmaatschappij familie] en [geïntimeerde 2] als eisers.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4360708\CV EXPL 15-7913)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met één grief en met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met twee grieven en met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met één productie;

  • -

    de akte van [pensioenmaatschappij familie] en [geïntimeerde 2] met één productie;

  • -

    de antwoordakte van [appellant] met één productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis vastgestelde feiten. De grief in principaal appel richt zich (mede) tegen de eerste zin van rechtsoverweging 2.2 en tegen rechtsoverweging 2.4. De andere feiten zijn niet betwist.

2.2.

Bij schriftelijke huurovereenkomst d.d. 8 juni 2005 heeft Pensioenmaatschappij [pensioenmaatschappij familie] aan [metaalrecycling] Metaalrecycling (opmerking kantonrechter: niet aan de B.V.) verhuurd de bedrijfsruimten met bedrijfsterreinen gelegen aan de [adres 1] te [vestigingsplaats] en aan de [adres 2] te [vestigingsplaats] . De huur is ingegaan op 28 juli 2005 voor een periode van 5 jaar met telkens stilzwijgende verlenging voor een periode van 5 jaar. Met betrekking tot de locatie [adres 1] is een huurprijs van € 78.000,- per jaar en met betrekking tot de locatie [adres 2] is een huurprijs van € 24.000,- per jaar overeengekomen, derhalve een totaalprijs van € 102.000,- te betalen in 12 maandtermijnen van elk € 8.500,-. Partijen zijn verder overeengekomen dat Pensioenmaatschappij [pensioenmaatschappij familie] omzetbelasting over de huur in rekening mag brengen van in totaal € 1.615,- per maand. De totale huurprijs bedraagt derhalve € 10.115,- per maand. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW van toepassing.

2.3.

Op 31 oktober 2005 is in het handelsregister van de Kamer van Koophandel Limburg ingeschreven de besloten vennootschap [metaalrecycling] Metaalrecycling B.V., die bij akte van 27 oktober 2005 is opgericht.

2.4.

In september 2007 zijn Pensioenmaatschappij [pensioenmaatschappij familie] en [metaalrecycling] Metaalrecycling (opmerking kantonrechter: niet de B.V.) een wijziging en aanvulling op de huurovereenkomst overeengekomen inhoudende dat:

a. [metaalrecycling] Metaalrecycling zich akkoord verklaarde met de eigendomsoverdracht van de locatie [adres 2] te [vestigingsplaats] aan [pensioenmaatschappij familie] ;

b. de huurpenningen met betrekking tot de locatie [adres 2] vanaf de eigendomsoverdracht door [metaalrecycling] Metaalrecycling overgemaakt zullen worden op een door [pensioenmaatschappij familie] nader op te geven bankrekening;

c. alle bepalingen van de huurovereenkomst, financiële en andere, zonder uitzondering van toepassing zullen blijven op de locatie [adres 2] , maar dat uitzondering zullen vormen bepalingen of delen daarvan welke, uitsluitend tekstueel, door de verkoop van de [adres 2] geen reële betekenis meer hebben.

2.5.

Omdat vanaf augustus 2012 de huurpenningen met betrekking tot zowel de locatie [adres 1] als de locatie [adres 2] met enige regelmaat te laat werden betaald en vanaf oktober 2014 een aantal maanden geen huurpenningen werden betaald, had Pensioenmaatschappij [pensioenmaatschappij familie] en [geïntimeerde 2] Metaalrecycling [metaalrecycling] en [appellant] gedagvaard voor deze rechtbank en naast huurachterstand, boetes op grond van de algemene huurvoorwaarden gevorderd.

Bij vonnis d.d. 1 juli 2015 heeft de kantonrechter van deze rechtbank geoordeeld – kort gezegd en voor zover van belang in deze procedure – dat:

- alleen [metaalrecycling] Metaalrecycling BV als huurder dient te worden aangemerkt;

- [pensioenmaatschappij familie] heeft te gelden als verhuurder van de locatie [adres 2] en

- sprake is van twee afzonderlijke huurovereenkomsten en op grond daarvan geoordeeld dat [metaalrecycling] Metaalrecycling BV twee maal de boetes is verschuldigd.

3.2.

In de inleidende dagvaarding vorderden [pensioenmaatschappij familie] en/of [pensioenmaatschappij familie] van [appellant] , althans de vennootschap, kort gezegd,

1. betaling van huurachterstand betreffende het pand aan het [adres 1] over de maanden juli tot en met oktober 2015 ad € 37.469,44 , te vermeerderen met handelsrente,

2. betaling van huurachterstand betreffende het pand aan de [adres 2] over de maand oktober 2015 ad € 2.882,26, te vermeerderen met handelsrente,

3. twee maal verbeurde boetes van elk € 1.500,- wegens te late betaling, te vermeerderen met handelsrente,

4. buitengerechtelijke incassokosten,

5. proceskosten.

Ter gelegenheid van het pleidooi (punt 5 pleitnota) hebben [pensioenmaatschappij familie] en [pensioenmaatschappij familie] de eis onder 1. aldus gewijzigd, dat zij vorderden:

1. betaling van huurachterstand betreffende het pand aan het [adres 1] over de maanden oktober en november 2015 ad € 18.734,72, te vermeerderen met handelsrente,

3. een aantal maal € 1.800,- ter zake van verbeurde boetes van zowel [appellant] als van de vennootschap (punt 7 pleitnota), kennelijk is bedoeld tweemaal (punt 16 mva/inc. appel).

De vordering onder 2 werd ingetrokken. De huur betreffende de [adres 2] is aldus niet meer aan de orde, maar wel de boete. Partijen zijn het erover eens dat [pensioenmaatschappij familie] , en niet [pensioenmaatschappij familie] , dient te worden aangemerkt als verhuurster van de locatie [adres 1] .

3.3.

Na gevoerd verweer - de huurachterstand wordt niet betwist en evenmin de hoogte van de huur (petitum pleitnota); wel worden de boetes en de buitengerechtelijke kosten betwist - heeft de voorzieningenrechter, kort gezegd:

1. [pensioenmaatschappij familie] en [pensioenmaatschappij familie] niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering tegen Metaalrecycling [metaalrecycling] B.V.,

2. [appellant] veroordeeld om aan [pensioenmaatschappij familie] en [pensioenmaatschappij familie] te betalen € 18.734,72 ter zake van huurachterstand en eenmaal € 1.800,- aan verbeurde boetes, onder afwijzing van hetgeen meer werd gevorderd,

3. de vordering ter zake van de buitengerechtelijke kosten afgewezen,

4. [appellant] veroordeeld tot betaling van de proceskosten, begroot op € 1.633,96 en in de nakosten.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof merkt op dat er geen proceskostenveroordeling is uitgesproken ten gunste van de vennootschap. Nu de vennootschap niet in hoger beroep is betrokken, valt dit aspect buiten de rechtsstrijd in hoger beroep.

3.4.

[appellant] is tegen deze veroordelingen onder 2 en 4 in hoger beroep gekomen, kort gezegd stellende dat niet hij huurder is, maar dat de vennootschap huurster is. Hij vordert vernietiging van het vonnis met veroordeling van [pensioenmaatschappij familie] en [pensioenmaatschappij familie] in de kosten. Aan het vonnis is uitvoering gegeven en [appellant] vordert in hoger beroep tevens terugbetaling van hetgeen door hem onverschuldigd werd betaald, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.5.

[pensioenmaatschappij familie] en [pensioenmaatschappij familie] zijn niet zelfstandig in hoger beroep gekomen ten einde de vennootschap in geding te roepen, maar zij hebben wel incidenteel geappelleerd, naar het hof begrijpt tegen de afwijzing van een deel van de verbeurde boetes (maar dan alleen voor zover [appellant] betreffende) en tegen de afwijzing van de buitengerechtelijke kosten die in hoger beroep evenals in eerste aanleg worden gesteld op € 1.426,- (petitum punt 5 inl. dagv. en punt 103 mva/mvg), te vermeerderen met rente.

3.6.

[appellant] heeft bij pleitnota in eerste aanleg bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat de huur voor het [adres 1] over de maanden juli, augustus en september 2015 door de vennootschap werden betaald op resp. 1 en 9 oktober 2015 en 10 november 2015.

3.7.

Als productie 17 bij memorie van antwoord, tevens incidenteel appel (toegelicht in punt 69) hebben [pensioenmaatschappij familie] en [pensioenmaatschappij familie] bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat op 19 november 2015 € 9.367,36 door de vennootschap is betaald voor de huur [adres 1] over de maand oktober 2015 en op 21 december 2015 eenzelfde bedrag voor de huur over de maand november 2015. Voorts is op 22 december 2015 € 3.546,18 betaald voor boete, rente en proceskosten.

Dat de huur voor de maand oktober 2015 is betaald ter voldoening aan het vonnis blijkt niet uit de omschrijvingen, terwijl dat niet het geval kan zijn omdat die plaatsvond nog vóór de uitspraak. Uit het feit dat de huur over november 2015 werd gestort onder vermelding van de naam van het advocatenkantoor van [pensioenmaatschappij familie] en [pensioenmaatschappij familie] valt niet zonder meer af te leiden dat de vennootschap voor [appellant] heeft betaald (wel dat zij dit deed - mede - ter uitvoering van het vonnis). Niet valt uit te sluiten dat de vennootschap (mede) heeft beoogd daarmee haar schuld te delgen, waarmee [appellant] uiteraard bevrijd is uit zijn verplichtingen uit hoofde van het vonnis. Het hof wijst erop dat in de omschrijving op het bankafschrift niet staat dat de vennootschap voor [appellant] betaalde, maar alleen ‘huur november’. [pensioenmaatschappij familie] en [pensioenmaatschappij familie] mochten daaruit afleiden dat de vennootschap haar eigen schuld betaalde.

Op deze stellingen en producties heeft [appellant] niet gereageerd bij akte.

Het hof gaat mitsdien er vooralsnog – dat wil zeggen behoudens een eventueel andere beslissing in een bodemgeding - vanuit dat de vennootschap haar eigen huurschuld (volgens de stellingen van de vennootschap en [appellant] is de vennootschap huurster) over de maanden oktober en november 2015 heeft gedelgd.

3.8.

Naar het hof begrijpt, stellen [pensioenmaatschappij familie] en [pensioenmaatschappij familie] dat met deze betalingen de huurvordering van [pensioenmaatschappij familie] , die inzet van het kort geding was, is voldaan, zodat de voorziening, voor wat hun betreft, zal zijn uitgewerkt. Met de betaling door de vennootschap bestaat er voor [appellant] in zoverre geen belang meer bij vernietiging van de voorziening, temeer niet omdat de veroordeling onder 2 in zoverre (de huurachterstand) niet meer executeerbaar is.

Bovendien geldt dat [appellant] in dit hoger beroep geen terugbetaling kan vorderen van hetgeen de vennootschap heeft betaald (nog daargelaten dat de vennootschap haar eigen schuld voldeed). De vennootschap is niet in hoger beroep betrokken, zodat ook zij de terugbetaling niet kan vorderen. Bovendien is het [appellant] die stelt dat de vennootschap schuldenaar is zodat de betaling door de vennootschap niet zonder meer als onverschuldigd kan worden aangemerkt.

3.9.

Vorenstaande neemt niet weg dat [appellant] bij zijn vorderingen in hoger beroep toereikend belang heeft voor zover hij zich keert tegen de veroordelingen om boetes, rente en proceskosten te betalen. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

3.9.1.

De vennootschap heeft ter zake een bedrag van € 3.546,18 overgemaakt. Naar het voorlopig oordeel van het hof is de rentecomponent door de vennootschap verschuldigd betaald. De vennootschap en [appellant] hebben de verschuldigdheid van de handelsrente door de vennootschap niet betwist. Er bestaat dan ook geen aanleiding om het bestreden vonnis in zoverre te vernietigen. Ook het (eenmalig) bedrag van € 1.800,- aan boete wordt door [appellant] (en kennelijk ook door de vennootschap) niet betwist (22 mva in inc. appel). Daarvoor geldt dan hetzelfde. De vennootschap heeft, naar het voorlopig oordeel van het hof, dit bedrag verschuldigd betaald.

Resteert de veroordeling tot betaling van € 1.633,96 aan proceskosten, alsmede de veroordeling in de nakosten.

3.9.2.

Naar het oordeel van het hof leent het onderhavige kort geding zich niet voor een oordeel over de onderliggende vraag wie als huurder moet worden aangemerkt, [appellant] of zijn vennootschap, nu dat in het bodemgeding (eventueel na een bewijsfase) zal moeten worden vastgesteld. In zo’n geval ligt het voor de hand de bodemrechter te volgen, ook als diens beslissing nog niet onherroepelijk is (die wees de vennootschap aan als huurster). Dat brengt mee dat [appellant] ten onrechte in de proces- en de nakosten) is veroordeeld. In zoverre dient het vonnis waarvan beroep te worden vernietigd en de vorderingen van [pensioenmaatschappij familie] alsnog te worden afgewezen.

3.9.3.

Wel dient nog opnieuw te worden geoordeeld over de proceskosten in eerste aanleg.

Gelet op de omstandigheid dat de [appellant] en de vennootschap de betalingsachterstanden in de huur hebben erkend (te betalen door de vennootschap of [appellant] ; dat is nog geen uitgemaakte zaak), en dat enkel sprake was van een geschil over wie huurder is welk geschil als onbeslist heeft te gelden, is het hof van oordeel dat de proceskosten in eerste aanleg dienen te worden gecompenseerd aldus dat elk van partijen haar eigen kosten draagt.

3.9.4.

Naar het oordeel van het hof heeft de voorzieningenrechter terecht de vordering ter zake van de buitengerechtelijke kosten afgewezen nu er niet van kan worden uitgegaan dat [appellant] huur c.a. verschuldigd is aan [pensioenmaatschappij familie] of [pensioenmaatschappij familie] . Het hof is bovendien niet gebleken van werkzaamheden die niet in de proceskostenbeslissing besloten liggen. Het versturen van aanmaningsbrieven is onvoldoende voor toewijzing. Grief 2 in incidenteel appel faalt.

3.9.5.

In incidenteel appel vorderen [pensioenmaatschappij familie] en [pensioenmaatschappij familie] van [appellant] een tweede bedrag aan boete van € 1.800,-. Deze vordering is niet toewijsbaar nu in dit kort geding er niet van kan worden uitgegaan dat [appellant] huurder is. Grief 1 in incidenteel appel faalt.

3.9.6.

De grieven en de stellingen van partijen behoeven verder geen bespreking. Dat geldt ook voor het bezwaar tegen de productie door [pensioenmaatschappij familie] en [pensioenmaatschappij familie] overgelegd bij akte. Hetzelfde geldt voor het spoedeisend belang (het hof deelt overigens het oordeel van de voorzieningenrechter). De vordering tot ongedaanmaking wordt afgewezen nu het hof niet kan vaststellen dat het [appellant] is die betaald heeft, zodat ook niet kan worden beslist dat aan hem moet worden terugbetaald. Weliswaar heeft de vennootschap teveel betaald, maar dit teveel betaalde laat zich in beginsel verrekenen met huur over toekomstige maanden.

3.9.7.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep (die in het principaal en incidenteel appel samenvoegende) eveneens compenseren.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep maar alleen voor zover daarin [appellant] is veroordeeld in de proces- en nakosten;

bekrachtigt het vonnis voor zover daarin de vordering van [pensioenmaatschappij familie] en [pensioenmaatschappij familie] tot betaling van de buitengerechtelijke kosten is afgewezen;

verstaat dat het vonnis voor het overige is uitgewerkt;

wijst af de vordering van [pensioenmaatschappij familie] en [pensioenmaatschappij familie] om [appellant] te veroordelen een tweede bedrag van € 1.800,- als verbeurde boete te betalen;

en opnieuw rechtdoende:

compenseert de proceskosten in eerste aanleg aldus dat elk van partijen haar eigen kosten draagt;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat elk van partijen haar eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, J.W. van Rijkom en M.W.C. de Jonge en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 oktober 2016.

griffier rolraadsheer