Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4432

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
07-10-2016
Zaaknummer
200.183.378_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strekking dwangsom op oplevering bedrijfsruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.183.378/01

arrest van 4 oktober 2016

in de zaak van

[bedrijf] [plaats] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

verder: [appellante] ,

advocaat: mr. B. Martens te ’s-Hertogenbosch,

tegen:

Beleggingsmij. [beleggingsmaatschappij] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

verder: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. F.J.M. Kobossen te Apeldoorn,

op het bij exploot van dagvaarding van 25 september 2015 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 1 juli 2015 tussen appellante - [appellante] - als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C\01\274350/HA ZA 14-91)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het incidentele vonnis van 16 juli 2014 en het tussenvonnis van 24 december 2014.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep 25 september 2015;

- de memorie van grieven van [appellante] van 23 februari 2016 met producties;

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 3 mei 2016.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

Zowel in het incidentele vonnis van 16 juli 2014 als in het eindvonnis van 1 juli 2015 heeft de rechtbank een aantal feiten vastgesteld. In hoger beroep zijn deze vaststellingen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

De vaststelling van de feiten in r.o. 2. van het eindvonnis van 1 juli 2015 luidt als volgt (met een door het hof aangebrachte letteraanduiding en met een door de rechtbank aangegeven correctie van drie maal het jaartal 2014 in 2013 in het laatste citaat):

  1. [geïntimeerde] is eigenaar van de winkelruimte aan [het adres] te [plaats] (hierna: het pand). [geïntimeerde] heeft een huurovereenkomst gesloten met Zaanlandse Vastgoed & Exploitatie B.V. (hierna te noemen: Zaanlandse) en aan die onderneming het pand verhuurd met ingang van 31 juli 2008.

  2. Nadat Zaanlandse bij vonnis van deze rechtbank van 31 oktober 2012 in staat van faillissement was verklaard, heeft [geïntimeerde] op grond van art. 39 Fw de huurovereenkomst opgezegd.

  3. Bij huurovereenkomst van 22 januari 2013 (hierna: de huurovereenkomst) heeft [geïntimeerde] het pand opnieuw verhuurd, nu aan [appellante] . In artikel 1.2 van de huurovereenkomst is bepaald dat het gehuurde als casco wordt verhuurd. De ingangsdatum van de huur is blijkens het bepaalde onder 1.3 van de huurovereenkomst 1 februari 2013.

  4. De curator in het faillissement van Zaanlandse, mr. [curator] , heeft bij dagvaarding in kort geding van 15 februari 2013 een vordering tegen [geïntimeerde] ingesteld en onder meer gevorderd hem te machtigen om met ingang van 1 februari 2013 Helioform Quality Shoes B.V. (hierna te noemen: Helioform) in de plaats te stellen als huurder. Helioform heeft in die procedure als gevoegde en tussenkomende partij gevorderd dat [geïntimeerde] zou worden veroordeeld tot nakoming van de gedane toezegging dat zij in de plaats van de failliete huurder zou worden gesteld. [appellante] heeft op haar beurt in die procedure als gevoegde en tussenkomende partij gevorderd dat [geïntimeerde] zou worden veroordeeld om de winkelruimte leeg en in de contractueel overeengekomen staat aan haar ter vrije beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom. In reconventie heeft [geïntimeerde] gevorderd dat [curator] en/of Helioform worden veroordeeld om de winkelruimte leeg en in de oorspronkelijke staat ter vrije beschikking aan [appellante] te doen stellen, op straffe van een dwangsom.

  5. Bij vonnis van 8 mei 2013 heeft de kantonrechter van deze rechtbank in het hiervoor onder 2.1.4 bedoelde kort geding - onder meer - als volgt beslist:

‘in conventie:

wijst de vorderingen van [curator] q.q. af;

wijst de vorderingen van Helioform af;

(…);

veroordeelt [geïntimeerde] (op vordering van [appellante] ) om de bedrijfsruimte aan [het adres] te [plaats] binnen zes weken na betekening van dit vonnis leeg en in de contractueel overeengekomen staat aan [appellante] ter vrije beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,= per dag, met een maximum van € 250.000,= voor elke kalenderdag of deel daarvan dat Helioform met terbeschikkingstelling in gebreke blijft;

(…)

in reconventie:

veroordeelt Helioform om de bedrijfsruimte aan [het adres] te [plaats] binnen zes weken na betekening van dit vonnis leeg en in de contractueel overeengekomen staat aan [geïntimeerde] ter vrije beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,= per dag, met een maximum van € 250.000,= voor elke kalenderdag of deel daarvan dat Helioform met terbeschikkingstelling in gebreke blijft; (…)’

Helioform en [geïntimeerde] hebben tegen het vonnis van 8 mei 2013 appel ingesteld. [geïntimeerde] heeft bovendien voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld.

[appellante] heeft het vonnis van 8 mei 2013 aan [geïntimeerde] doen betekenen op 13 mei 2013.

[geïntimeerde] heeft het vonnis van 8 mei 2013 op 15 mei 2013 aan Helioform doen betekenen.

Op 7 juni 2013 heeft [appellante] het vonnis van 8 mei 2013 nogmaals aan [geïntimeerde] doen betekenen.

Bij arrest van 25 juni 2013 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in het hoger beroep van voormeld vonnis van 8 mei 2013 als volgt overwogen en beslist:

‘4.9. De staat waarin Helioform dient op te leveren (grief 8 in het principaal appel)

(…)

4.9.3.

Opgeleverd dient te worden in de staat waarin de bedrijfsruimte bij het einde van de exploitatie door Helioform zich bevindt, na medeneming door Helioform van haar eigendommen. Het hof merkt hierbij dat de staat waarin opgeleverd moet worden zich niet leent voor een beoordeling in dit kort geding. De opgelegde dwangsom heeft, zo begrijpt het hof de voorzieningenrechter, aldus enkel betrekking op de ‘lege’ ontruiming, niet op de staat waarin wordt opgeleverd. Geschillen over de wijze waarop door Helioform wordt opgeleverd dienen in een bodemprocedure aan de orde te komen.

(…)

5. De uitspraak

(…)

vernietigt het vonnis waarvan beroep maar alleen voor zover in conventie [geïntimeerde] en in reconventie Helioform is veroordeeld tot oplevering binnen zes weken

alsmede

Helioform in reconventie is veroordeeld om de bedrijfsruimte na ontruiming ‘in de contractueel overeengekomen staat’ aan [geïntimeerde] ter beschikking te stellen;

en in zoverre opnieuw recht doende:

wijzigt de opleveringstermijn van zes weken in zeven weken;

en

bepaalt dat Helioform de bedrijfsruimte ter beschikking moet stellen in de staat waarin die ruimte zich aan het einde van exploitatie door Helioform bevindt, na medeneming door Helioform van haar eigendommen en verstaat dat de opgelegde dwangsom geen betrekking heeft op de staat waarin de bedrijfsruimte wordt opgeleverd;

en verklaart deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige; (…)’

Op 1 juli 2013 heeft [appellante] het arrest van 25 juni 2013 aan [geïntimeerde] doen betekenen.

Helioform heeft de winkelruimte op 3 juli 2013 ontruimd. Oplevering van de winkelruimte door [geïntimeerde] aan [appellante] heeft diezelfde dag plaatsgevonden. Bij de oplevering is vastgesteld dat een trap naar een splitlevel ontbrak (hierna: de trap). In opdracht van [geïntimeerde] heeft makelaar [makelaar] , [makelaarskantoor] Makelaardij B.V., de oplevering begeleid en hiervan een inspectierapport opgesteld, dat mede namens [appellante] is ondertekend. In het rapport is onder meer vermeld: ‘trap verdieping wordt aangeleverd/overleg huurder/verhuurder’.

Medio september 2013 heeft [geïntimeerde] de trap retour ontvangen van Helioform en is de trap ter beschikking van [appellante] gesteld.

Bij exploot van 15 oktober 2013 heeft [appellante] bevel gedaan tot betaling van € 250.094,78 aan verbeurde dwangsommen, vermeerderd met explootkosten.

In de bodemprocedure tussen [appellante] en [geïntimeerde] is door de kantonrechter op 9 januari 2014 vonnis gewezen. De kantonrechter heeft op vordering van [appellante] voor recht verklaard dat er tussen [geïntimeerde] en [appellante] een huurovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de winkelruimte op basis waarvan [geïntimeerde] de winkelruimte per 1 februari 2013 aan [appellante] ter beschikking had dienen te stellen.

[geïntimeerde] heeft in kort geding onder meer gevorderd, primair, dat [appellante] wordt verboden tot invordering van dwangsommen over te gaan tot dat de bodemrechter over de verschuldigdheid daarvan geoordeeld zal hebben en, subsidiair, dat [appellante] tot zekerheid voor de terugbetaling van eventueel onrechtmatig geïnde dwangsommen een bankgarantie zal stellen. Bij vonnis van 21 januari 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen.

Bij arrest van 25 november 2014 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voormeld vonnis van 21 januari 2014 vernietigd en [appellante] verboden tot invordering van dwangsommen over te gaan totdat de bodemrechter over de verschuldigdheid daarvan geoordeeld zal hebben. Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

‘7.4.2. (…)

Uit het exploot van betekening van het vonnis van [appellante] aan [geïntimeerde] van maandag 13 mei 2013 blijkt dat [geïntimeerde] eerst zes weken later, namelijk op dinsdag 25 juni 2013, het pand ter vrije beschikking aan [appellante] diende te stellen, bij gebreke waarvan dwangsommen zouden worden verbeurd.

Omdat het vonnis aan de curator/Helioform twee dagen later is betekend (woensdag 15 mei 2013) gold voor Helioform als laatste dag voor de ontruiming woensdag 26 juni 2013. Ter zitting van het hof van 14 juni 2013 is met partijen deze situatie besproken in verband met de uitspraakdatum. Uitspraak op de eerstvolgende roldatum, dinsdag 18 juni was te kort dag. Uitspraak een week later, op dinsdag 25 juni 2013, was wel mogelijk en deze datum is ook gehaald. Om Helioform de gelegenheid te geven om op adequate wijze te ontruimen (en zonder dwangsommen te verbeuren) is de ontruimingstermijn met een week verlengd (zie rov. 4.11 van het arrest van 25 juni 2013). Helioform diende derhalve uiterlijk woensdag 3 juli 2013 te ontruimen. Bijgevolg kon [geïntimeerde] eerst op dezelfde dag na de ontruiming, althans volgende dag het pand ter vrije beschikking stellen van [appellante] .

[appellante] heeft met deze gang van zake op de zitting van 14 juni 2013 ingestemd. Door de ter beschikkingstelling van het pand aan [appellante] op 3 juli 2013 verbeurt [geïntimeerde] bijgevolg geen dwangsommen. Het vonnis kan mitsdien in zoverre niet in stand blijven.’

Bij dagvaarding van 29 januari 2014 heeft [geïntimeerde] de onderhavige procedure tegen [appellante] aanhangig gemaakt.

4.2

In deze procedure stelt [geïntimeerde] dat zij tijdig en volledig heeft voldaan aan de inhoud van het tussen partijen gewezen vonnis van 8 mei 2013 respectievelijk het arrest van 25 juni 2013 zodat zij geen dwangsommen heeft verbeurd vanwege een termijnoverschrijding en/of de oplevering aan [appellante] . Zij vordert dienaangaande in conventie een verklaring voor recht, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

[appellante] heeft deze vordering bestreden. In reconventie vordert zij, kort gezegd, op grond van misbruik van procesrecht aan de zijde van [geïntimeerde] veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag € 7.332,03 aan werkelijk gemaakte proceskosten, vermeerderd met rente en kosten.

4.3

Bij incidenteel vonnis van 16 juli 2014 heeft de rechtbank een vordering van [appellante] tot verwijzing naar de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch van de rechtbank Oost-Brabant en tot voeging met de daar door [geïntimeerde] aanhangige gemaakte procedure (met zaaknummer K/0101/2793508), afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het incident.

Bij tussenvonnis van 24 december 2014 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 20 mei 2015 plaatsgevonden.

Bij eindvonnis van 1 juli 2015 heeft de rechtbank in conventie voor recht verklaard dat [geïntimeerde] tijdig en volledig heeft voldaan aan de inhoud van het tussen partijen gewezen vonnis van 8 mei 2013 respectievelijk het arrest van 25 juni 2013 en in reconventie de vordering van [appellante] afgewezen. [appellante] is in conventie en in reconventie veroordeeld in de kosten.

4.4

De zaak waar [appellante] in haar incidentele vordering op doelde, is bij de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch van de rechtbank Oost-Brabant onder zaaknummer 2793508/rolnummer 14-1587 aanhangig geweest. Hierin is op 6 november 2014 eindvonnis gewezen. Tegen dat vonnis is [geïntimeerde] bij dit hof in hoger beroep gekomen en heeft [appellante] incidenteel appel ingesteld (zaaknummer 200.171.374/01). Bij arrest van heden wordt in die zaak eveneens uitspraak gedaan.

4.5

In de onderhavige zaak heeft [appellante] vier grieven aangevoerd. Grief I betreft de vraag of de winkelruimte tijdig aan [appellante] ter beschikking is gesteld, grief II de strekking van de opgelegde dwangsom, grief III de proceskostenveroordelingen in conventie en in reconventie en grief IV het gestelde misbruik van procesrecht.

4.6

Met betrekking tot de vraag op welk moment [geïntimeerde] de winkelruimte aan [appellante] ter vrije beschikking diende te stellen, heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerde] het pand tijdig aan [appellante] ter beschikking heeft gesteld nu dit op 3 juli 2013 is gebeurd en [appellante] daarmee al dan niet stilzwijgend heeft ingestemd (r.o. 4.1).

Volgens [appellante] is dat niet het geval. Doordat de betekeningen aan Helioform en [appellante] op verschillende data plaatsvonden golden ook verschillende opleveringsdata en wel zodanig dat de oplevertermijn voor Helioform later verstreek dan voor [geïntimeerde] . Met een oplevering op 3 juli 2013 heeft [appellante] niet ingestemd, ook niet stilzwijgend en [geïntimeerde] was daarvan op de hoogte, aldus [appellante] . Oplevering na 1 juli 2013 komt neer op een afstand van recht van de kant van [appellante] en daarvan is geen sprake geweest. [geïntimeerde] wist wanneer zij het vonnis van 8 mei 2013 aan Helioform en aan [appellante] had laten betekenen zodat zij wist dat zij het pand eerder aan [appellante] diende op te leveren dan Helioform aan haar. Voor die situatie had zij een voorziening kunnen vragen, maar dat heeft zij nagelaten, aldus [appellante] in haar toelichting op grief I.

[geïntimeerde] bestrijdt deze standpunten van [appellante] .

4.7

Het hof overweegt hierover het volgende. De situatie was dat Helioform in het pand zat, terwijl [appellante] daartoe gerechtigd was. Dat betekent dat Helioform er uit moest zijn voordat [appellante] er de vrije beschikking over kon verkrijgen en dat [geïntimeerde] daarvoor moest zorgen. Over deze situatie zijn verschillende procedures gevoerd waar deze drie partijen in verschillende samenstellingen bij betrokken waren. Alle partijen wisten wat er speelde en dat dit de strekking van de verschillende uitspraken was. Door het verschil van twee dagen in de betekeningsdata ontstond er gezien de gelijkluidende oplevertermijnen op zich ook een verschil van twee dagen in de opleveringsdata, waarbij de verplichting van [geïntimeerde] tot oplevering aan [appellante] twee dagen voorafging aan de verplichting van (de curator van) Helioform aan [geïntimeerde] . Dat is een onlogische volgorde en het is evident dat voor dit ook voor alle betrokken partijen duidelijk was. Dit is onder ogen gezien bij gelegenheid van de zitting van dit hof op 14 juni 2013, voorafgaand aan het arrest van 25 juni 2013, hiervoor vermeld in 4.1 onder j). In het arrest van dit hof van 25 november 2014, hiervoor vermeld in 4.1 onder q), is vermeld dat deze bespreking met partijen heeft geleid tot de vaststelling dat Helioform het pand uiterlijk 3 juli 2013 diende te ontruimen en dat [geïntimeerde] het pand eerst op die dag dan wel de daarop volgende dag aan [appellante] ter beschikking kon stelling. Aan die vaststelling is toegevoegd dat [appellante] met deze gang van zaken op de zitting van 14 juni 2013 heeft ingestemd. Ook dit betreft een vaststelling van het hof over hetgeen zich ter zitting van 14 juni 2013 heeft voorgedaan en niet een voorshands gegeven oordeel dat in een bodemprocedure terzijde kan worden gelaten. Dit brengt mee dat na de zitting van 14 juni 2013 de discrepantie tussen de opleverdata was weggenomen en dat [geïntimeerde] jegens [appellante] de voor de hand liggende volgorde in acht kon nemen. [geïntimeerde] behoefde geen verdere voorzieningen te vragen of te treffen en voor [appellante] bestond er niet langer een recht op oplevering per 1 juli 2013, zodat ook afstand van recht niet aan de orde is. Ook hetgeen [appellante] in dit verband verder naar voren heeft gebracht over de contacten tussen partijen en derden over de oplevering leidt niet tot enig ander resultaat. Voor bewijslevering als door [appellante] aangeboden bestaat bij deze stand van zaken geen aanleiding. Grief I wordt verworpen.

4.8

Met betrekking tot de strekking van de opgelegde dwangsom heeft de rechtbank geoordeeld dat de veroordeling van [geïntimeerde] om op verbeurte van een dwangsom het pand aan [appellante] ter beschikking te stellen geacht moet betrekking te hebben op de vrije terbeschikkingstelling van het pand aan [appellante] waarbij de staat van oplevering voor de verbeurte van dwangsommen enkel relevant is voor zover op grond van de staat waarin is opgeleverd zou moeten worden geconcludeerd dat van vrije terbeschikkingstelling geen sprake is. De enkele omstandigheid dat de trap bij oplevering ontbrak rechtvaardigt die conclusie niet, aldus de rechtbank (r.o. 4.2).

Met grief II betoogt [appellante] dat [geïntimeerde] haar de winkelruimte op verbeurte van een dwangsom ter beschikking diende te stellen in de contractueel overeengekomen staat, zodat de dwangsom ook betrekking had op de staat waarin de winkelruimte werd opgeleverd en het ontbreken van de trap daarin ertoe leidt dat dwangsommen zijn verbeurd.

[geïntimeerde] betwist een en ander.

4.9

De strekking van de dwangsombepaling is aan de orde geweest in het arrest van dit hof van 25 november 2014. Daarin heeft het hof onder meer het volgende overwogen (r.o. 7.5.2):

De vraag is dan of de dwangsom, die onmiskenbaar betrekking heeft op de oplevering (het ter vrije beschikking stellen), ook betrekking heeft op de wijze van oplevering (namelijk leeg en in de contractuele overeengekomen staat). Voor deze vraag van uitleg heeft te gelden dat het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer dient te worden genomen, met dien verstande dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel, HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3085. Uiteraard dient onder leeg in ieder geval te worden verstaan zonder bewoning of gebruik door een of meer derden (hier: zonder dat Helioform daarvan gebruik maakt). Dit volgt ook uit de woorden ‘ter vrije beschikking te stellen’. Inzet van het kort geding was immers om te bepalen wie een sterker recht had op de bedrijfsruimte: Helioform of [appellante] . Onder leeg zal bijvoorbeeld niet worden verstaan zonder de aanwezigheid van enkele spulletjes (bijvoorbeeld een achtergelaten vuilniszaak). Ook dan heeft [appellante] immers de vrije beschikking over het door haar gehuurde pand. Uit het vonnis van 8 mei 2013 blijkt dat het doel van de veroordelingen in de nauw samenhangende zaken is geweest de ontruiming door Helioform en de vrije terbeschikkingstelling aan [appellante] zodat zij haar winkel in de bedrijfsruimte kon gaan vestigen en inrichten zoals haar goeddunkte. Nergens blijkt uit dat het doel van de veroordeling in de relatie [geïntimeerde] / [appellante] is geweest om daarmee de - meer preciezere - wijze van oplevering (verder) te omlijnen, laat staan om te bepalen wat in dit geval onder het woord ‘casco’ (de contractueel overeengekomen wijze) in het huurcontract verstaan dient te worden. Over die wijze van oplevering is immers geen debat gevoerd. Er was bovendien niet voorzien dat bij de oplevering een trap zou ontbreken. (…) Naar het oordeel van het hof mag het vonnis - ook in de relatie tussen [geïntimeerde] en [appellante] - dan ook geen verdere strekking worden toegekend dan een lege oplevering van de bedrijfsruimte zoals in het contract verwoord, maar zonder dat de dwangsom betrekking heeft op eventuele gebreken van deze aard in de op te leveren staat.

Dit oordeel is gegeven in een executie kort geding, zodat het als een voorlopig oordeel heeft te gelden. De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep aangesloten bij dit oordeel en dit nog nader uitgewerkt aan de hand van hetgeen in deze procedure naar voren is gebracht. Het hof kan zich daarin geheel vinden. [appellante] heeft in de onderhavige procedure in eerste aanleg en/of in hoger beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel over de strekking van de dwangsombepaling leiden. Kortom: het enkele ontbreken van de trap (de enige aanmerking van [appellante] op de staat waarin het pand is opgeleverd) brengt niet mee dat [geïntimeerde] dwangsommen heeft verbeurd. Ook hetgeen [appellante] in dit verband verder naar voren heeft gebracht over de contacten tussen partijen en derden over de oplevering leidt niet tot enig ander resultaat. Voor bewijslevering als door [appellante] aangeboden bestaat bij deze stand van zaken geen aanleiding. Grief II wordt verworpen.

4.10

Volgens [appellante] lijkt [geïntimeerde] zich niet te kunnen neerleggen bij beslissingen van de rechter en blijft zij nodeloos allerlei procedures opstarten. Hierdoor maakt Ter Hosrt volgens [appellante] misbruik van procesrecht dan wel handelt zij onrechtmatig. De rechtbank heeft deze stelling van [appellante] en haar daarop gebaseerde vordering in reconventie verworpen (r.o. 4.5). Hierop ziet grief IV.

4.11

Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] zich terecht heeft verzet tegen de aanspraak van [appellante] op verbeurde dwangsommen. De processuele middelen die [geïntimeerde] daartoe heeft aangewend, stonden haar daarvoor ten dienste en waren erop gericht te voorkomen dat zij de gevorderde dwangsommen ten bedrage van € 250.000,= zou moeten voldoen. Hetgeen [appellante] in dit verband heeft aangevoerd rechtvaardigt niet de conclusie dat [geïntimeerde] tegen beter weten in procedures tegen [appellante] heeft geëntameerd met het doel [appellante] op kosten te jagen. Ook overigens kan het hof zich vinden in het oordeel van de rechtbank over de reconventionele vordering van [appellante] en sluit zich daarbij aan. Grief IV wordt verworpen.

4.12

Grief III, ten slotte, betreft de proceskostenveroordelingen in eerste aanleg en heeft naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis zodat ook deze grief wordt verworpen.

4.13

Nu alle grieven zijn verworpen, wordt het vonnis waarvan beroep bekrachtigd met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 711,= aan vast recht en op € 894,= aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en J.H.C. Schouten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 oktober 2016.

griffier rolraadsheer