Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:442

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-02-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
200.166.621/01 en 200.166.621/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet bescherming Persoonsgegevens/ Opname in incidenten register en EVR / voldoende zware verdenking valsheid in geschrift en niet ambtelijke omkoping/ overige feiten onvoldoende gebleken/ duur opname maximale termijn proportioneel?/ automatisch gebruik maximale termijn zonder weging niet proportioneel/ vier jaar opname wel proportioneel/ compensatie van proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 4 februari 2016

Zaaknummers: HR 200.166.621/01 en HR 200.166.621/02

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/274058/EX RK 14-58

in de zaak van:

SNS Reaal N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoekster,

verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de bank,

advocaten: mr. A.J. Haasjes en mr. R.L. Ubels,

tegen

[verweerster] , v.h.o.d.n. The Office Managementondersteuning,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

verzoekster in incidenteel appel,

hierna te noemen: [verweerster] ,

advocaat : mr. E.L. Pasma.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

[verweerster] heeft in eerste aanleg – kort en zakelijk weergegeven – (na wijziging van het verzoek) verzocht om op grond van artikel 46 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) de bank (en SNSPF B.V.) te gebieden over te gaan tot verwijdering van de persoonsgegevens van [verweerster] uit het Incidentenregister en Externe Verwijzingsregister, althans over te gaan tot vermindering van de looptijd van opname van die persoonsgegevens in die registers, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de bank in de proceskosten.

De bank (en SNSPF B.V.) hebben verweer gevoerd.

1.2.

De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft – kort en zakelijk weergegeven – na tussenbeschikking van 2 juni 2014 bij eindbeschikking van 7 januari 2014 (het hof leest: 2015), onder afwijzing van het primaire verzoek, bevolen dat de bank de registratie van [verweerster] in het Incidentenregister en Externe Verwijzingsregister uiterlijk 14 maart 2015 zal verwijderen en verwijderd zal houden, zulks onder toezending van een bewijsstuk daarvan aan [verweerster] en haar advocaat , een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag.

1.3.

De bank kan zich niet met deze beschikkingen verenigen en heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift (met bijlagen en met de stukken van eerste aanleg -in mappen 1 en 2 met bijlagen) is ingekomen ter griffie op 13 maart 2015.

1.4.

Op 30 april 2015 is namens [verweerster] een verweerschrift (met producties 25 t/m 39), tevens incidenteel beroepschrift en incidenteel verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad, ingekomen ter griffie.

1.5.

De bank heeft een verweerschrift inzake het incidenteel verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad ex artikel 360 lid 2 Rv ingediend (met productie 55), ingekomen ter griffie op 16 juni 2015.

De bank heeft voorts een verweerschrift in incidenteel appel ingediend (met producties 55 tot en met 63), ingekomen 14 juli 2015.

1.6.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2015. Daarbij zijn gehoord:

- mevrouw [medewerker van de bank 1] , werkzaam bij de bank;

- mrs. Haasjes en Ubels, advocaten van de bank;

- [verweerster] ;

- mr. Pasma, advocaat van [verweerster] .

1.6.

Het hof beschikt daarnaast nog over de volgende stukken:

- producties 40 en 41, ingestuurd door mr. Pasma bij brieven van respectievelijk 6 en 13 augustus 2015;

- de door mr. Ubels ter zitting in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen;

- de door mr. Pasma ter zitting in hoger beroep overgelegde pleitnota.

2 De grieven in hoger beroep en het incidenteel appel

Voor de grieven in hoger beroep en die in het incidenteel appel verwijst het hof naar het beroepschrift respectievelijk het verweerschrift houdende incidenteel appel.

3 De beoordeling

Aanleiding procedure

3.1.1.

[verweerster] , geboren [geboortedatum] 1974, heeft Atheneum en HEAO gedaan en fiscale economie gestudeerd. Hierna heeft zij gewerkt voor de Rabobank, eerst lokaal, later voor Rabo Nederland. Vervolgens is zij op 1 juli 2009 voor zichzelf begonnen met haar bedrijf The Office Managementondersteuning.

[verweerster] is met ingang van juli 2010 als externe werkzaam geweest bij SNS Property, later Propertize B.V. (hierna te noemen SNSPF).

Naar aanleiding van een intern onderzoek bij de bank (naar onder anderen [verweerster] ) is [verweerster] per 29 januari 2013 op non-actief gesteld. Naar aanleiding van het onderzoek is uiteindelijk de overeenkomst van opdracht tussen SNSPF en [verweerster] , welke namens SNSPF was aangegaan door de heer [medewerker van SNSPF] (hierna: [medewerker van SNSPF] ), vernietigd, althans opgezegd bij brief van 19 juli 2013.

Op 8 februari 2013 heeft SNSPF aangifte gedaan van vermoedelijk door [medewerker van SNSPF] gepleegde strafbare feiten, waarna de FIOD-ECD een onderzoek is gestart. Onder anderen [medewerker van SNSPF] en [verweerster] zijn als verdachten aangemerkt en zij zijn enige tijd in voorlopige hechtenis genomen.

Bij brief van 14 maart 2013 heeft de bank aan [verweerster] meegedeeld dat zij was opgenomen in het Incidenten- en Extern Verwijzingsregister omdat volgens de bank voldoende aannemelijk was geworden dat [verweerster] bij een incident betrokken is of is geweest. Tevens heeft de bank aan [verweerster] bericht dat zij heeft vastgesteld dat voldaan is aan de opnamecriteria voor registratie in het Extern Verwijzingsregister.

Na vergeefs verzoek van [verweerster] aan de bank tot verwijdering uit de registers heeft [verweerster] (kort gezegd) verwijdering uit de registers aan de rechtbank verzocht op grond van de artikel 46 Wpr.

3.1.2.

Aan haar verzoek tot verwijdering uit de registers (althans tot vermindering van de looptijd van de opname in die registers) heeft [verweerster] (in eerste aanleg) het volgende -ingekort weergegeven- ten grondslag gelegd.

[medewerker van SNSPF] was per juli 2009 bij SNSPF aangesteld als Chief Restructuring Officer van SNSPF en formeerde in de loop van 2009-2010 een team van medewerkers om zich heen. Met de meeste medewerkers had [medewerker van SNSPF] eerder samengewerkt of deed werkte hij nog steeds samen. Dit was -ook in het geval van [verweerster] - volgens [verweerster] bij de bank ook bekend.

In maart en april 2010 heeft [verweerster] incidenteel opdrachten uitgevoerd voor SNSPF.

Op 28 mei 2010 heeft [verweerster] , toen nog handelend onder de naam “The Office Managementondersteuning” met SNSPF een overeenkomst van opdracht gesloten om behulpzaam te zijn bij het in kaart brengen van de risico’s van de vastgoedportefeuille die de bank van Bouwfonds had overgenomen. De overeenkomst (met ingang van 1 juli 2010) werd voor onbepaalde tijd aangegaan met de mogelijkheid van opzegging met inachtneming van een termijn van vier weken. Het tarief werd vastgesteld op € 137,50 per uur. Het tarief werd per 1 september 2010 verhoogd naar € 187,50 per uur (onder verlenging van de respectieve opzegtermijnen) en per 1 september 2011 naar € 200,-- per uur (onder vastlegging van 31 december 2012 als vaste einddatum). Voorts is de einddatum nader gefixeerd op 31 december 2014 onder matiging van het tarief tot € 180,00 per uur (enkel opzegbaar voor SNSPF en enkel op grond van bijzondere omstandigheden aan de zijde van [verweerster] ). [verweerster] stelt dat de verschillende tarieven steeds aan haar zijn voorgesteld en dat daarover niet is onderhandeld. Volgens [verweerster] zijn de tarieven in lijn met de tariefstructuur die door SNSPF voor externe medewerkers was vastgesteld. Bij alle overeenkomsten werd SNSPF vertegenwoordigd door [medewerker van SNSPF] en verder afwisselend door de heren [medewerker van de bank 2] en [medewerker van de bank 3] . De direct leidinggevenden van [verweerster] waren [medewerker van SNSPF] en de heer [landenmanager Spanje] , landenmanager Spanje.

Binnen SNSPF was bekend dat [verweerster] en [medewerker van SNSPF] eerder met elkaar hadden samengewerkt.

[medewerker van SNSPF] vervulde naar [verweerster] toe ook de rol van adviseur en coach. Zij ontving ter zake deze diensten van [medewerker van SNSPF] aan haar, facturen van de privé onderneming van [medewerker van SNSPF] , [privé-onderneming van medewerker van SNSPF] genaamd. Aanvankelijk € 37,50 per voor SNSPF door [verweerster] gewerkt uur. Later werd dit bedrag verhoogd. Vanaf het tweede kwartaal van 2012 is door [privé-onderneming van medewerker van SNSPF] geen factuur meer gestuurd en is door [verweerster] ook geen betaling meer aan [privé-onderneming van medewerker van SNSPF] verricht.

[verweerster] heeft altijd correct uitvoering gegeven aan de overeenkomsten van opdracht met SNSPF.

Oordeel rechtbank in eerste aanleg

3.2.1.

In eerste aanleg waren de bank en SNSPF verweersters. De rechtbank heeft vastgesteld dat de bank de rechtspersoon is die gekwalificeerd kan worden als verantwoordelijke in de zin van de Wbp en op grond daarvan heeft de rechtbank [verweerster] alleen ontvankelijk geacht in haar verzoek tegen de bank. Tegen de niet-ontvankelijk verklaring van [verweerster] in haar verzoek tegen SNSPF is door geen van partijen een grief gericht zodat dit onderwerp in hoger beroep niet aan de orde is.

3.2.2.

Voor wat betreft de door de bank (in het kader van haar verweer) gestelde door [verweerster] gepleegde strafbare feiten heeft de rechtbank bij de tussenbeschikking van 2 juni 2014 geoordeeld dat er onvoldoende relevante elementen ter zake zware verdenking met betrekking tot witwassen, niet-ambtelijke omkoping en oplichting waren gesteld. De rechtbank heeft voorts haar oordeel toegespitst op het eventueel door [verweerster] gepleegde strafbare feit van artikel 225 Wetboek van strafrecht, valsheid in geschrift, en de bank toegelaten tot bewijs van door haar gestelde feiten -weergegeven in de tussenbeschikking d.d. 2 juni 2014 onder 4.7.-, welke feiten volgens de rechtbank gezamenlijk als valsheid in geschrift zijn te kwalificeren.

Bij eindvonnis heeft de rechtbank het bewijs geleverd geacht en op grond daarvan de conclusie getrokken dat er voor de bank voldoende feitelijke grond bestond om [verweerster] in het Incidentenregister en in het Externe Verwijzingsregister te registreren, zij het -mede in aanmerking genomen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit- voor een periode van niet langer dan twee jaar.

Het hoger beroep

3.2.1.

De kwestie waar het in dit hoger beroep feitelijk primair om gaat, is of de vermelding van de naam van [verweerster] in het Incidentenregister en in het Externe Verwijzingsregister wegens verdenking van strafbare feiten terecht was (en nog is).

3.2.2.

Voorop staat dat voor verwerking van persoonsgegevens in het Incidentenregister en in het Externe Verwijzingsregister geen strafrechtelijke veroordeling vereist is. Anderzijds is de enkele verdenking van betrokkenheid bij een strafbaar feit in de zin van een vermoeden van schuld niet voldoende. Er dient sprake te zijn van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als een strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van artikel 350 Sv kunnen dragen. Als maatstaf geldt daarvoor dat de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld moeten opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vaststaan (Zie Hoge Raad 29 mei 2009 ECLI:NL:HR:2009:BH 4720).

3.2.3.

Het hof zal derhalve allereerst dienen te bezien of op basis van onder meer gedragingen van [verweerster] in de tijd dat zij als externe werkzaam was voor SNSPF ten aanzien van haar in voldoende mate kan worden aangenomen dat sprake is van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld ter zake strafbare feiten.

Bij bevestigende beantwoording (ten aanzien van één of meer van die strafbare feiten) dient voorts te worden geoordeeld of op grond van een en ander opneming in het Incidentenregister en in het Externe Verwijzingsregister gerechtvaardigd was en nog altijd is en voor welke duur.

3.3.

Het hoger beroep van de bank tegen de beschikkingen van de rechtbank richt zich in de eerste plaats tegen het oordeel van de rechtbank in haar tussenbeschikking van 2 juni 2014 dat in het betoog van de bank onvoldoende relevante elementen kunnen worden gelezen ter zake zware verdenking met betrekking tot de strafbare feiten van witwassen, niet-ambtelijke omkoping en oplichting (grief 1). Voorts keert de bank zich tegen de beperking van de registratie tot twee jaar (grief 2).

In incidenteel appel bestrijdt [verweerster] met de eerste twee grieven dat de bank geslaagd zou zijn in het haar opgedragen bewijs en het oordeel van de rechtbank dat op grond van de stukken (jegens [verweerster] ) een zware verdenking van valsheid in geschrift bestaat. Een derde grief betreft de proceskosten.

Op grond van de inhoud van de verschillende grieven van partijen zijn derhalve in hoger beroep alle door de bank gestelde (vier) strafbare feiten opnieuw onderwerp van beoordeling.

3.4.

Het staat ingevolge Hoge Raad 19 december 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BG1682) de rechter in het algemeen vrij de geschilpunten die hem worden voorgelegd, te behandelen in de volgorde die hem het meest aangewezen lijkt.

Het hof zal allereerst de eerste twee grieven van het incidenteel appel behandelen en ingaan op de kwestie van de valsheid in geschrift.

In incidenteel appel/valsheid in geschrift

3.5.

De bank heeft gesteld dat [verweerster] geen belang heeft bij het incidenteel appel inzake de kwestie van valsheid in geschrift. Ook als uitgegaan wordt van de eigen stellingen van [verweerster] kwalificeert het door haar omschreven handelen in ieder geval als niet-ambtelijke omkoping in de zin van artikel 328ter Sr, hetgeen (ook) een inschrijving in het Externe Verwijzingsregister rechtvaardigt, aldus de bank.

3.5.1.

Het hof oordeelt hierover als volgt. Nog daargelaten de vraag of mogelijk sprake is van zware verdenking van niet-ambtelijke omkoping (daarover hierna onder 3.14. meer), is het hof van oordeel dat [verweerster] reeds voldoende belang heeft bij een beoordeling van de vraag of al dan niet sprake is van een (zware) verdenking van valsheid in geschrift, nu de bevindingen op dat terrein mede bepalend zullen zijn voor de in hoger beroep -in bredere zin- aan de orde zijnde vragen inzake al dan niet terechte vermelding in de registers en de eventueel toegestane duur daarvan.

3.6.

De bank stelt dat [verweerster] zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift en beschrijft de, volgens de bank ook uit het strafrechtelijk onderzoek gebleken, gang van zaken als volgt.

[medewerker van SNSPF] sloot namens SNSPF overeenkomsten van opdracht met opdrachtnemers, onder wie ook [verweerster] . De opdrachtnemers betaalden in ruil daarvoor een gedeelte van de door hen van SNSPF te ontvangen vergoedingen door aan vennootschappen van [medewerker van SNSPF] (hof: waaronder [privé-onderneming van medewerker van SNSPF] B.V. -hierna: [privé-onderneming van medewerker van SNSPF] -) onder de noemer: “advieswerkzaamheden”, “coaching”, “bedrijfskundig advies” of een soortgelijke omschrijving. De bank voert aan dat -in de situatie van [verweerster] - ten onrechte de indruk is gewekt dat de gefactureerde bedragen zijn gebaseerd op door [medewerker van SNSPF] verrichte werkzaamheden voor [verweerster] , terwijl het in werkelijkheid een detacheringsfee of zogenaamde kickbackbetaling betrof. [medewerker van SNSPF] heeft dit ook zo verklaard en aan de FIOD-ECD uitgelegd dat hij met detacheringsfee bedoelt dat het een vergoeding is die hij krijgt voor de activiteiten die zij ( [verweerster] ) verricht voor SNSPF. Uit de door [medewerker van SNSPF] verzonden en door [verweerster] betaalde facturen blijkt (ten onrechte) niet dat de door [verweerster] aan [medewerker van SNSPF] afgedragen bedragen zijn gebaseerd op de uren die [verweerster] heeft gewerkt bij SNSPF. Dat de betalingen door [verweerster] aan [medewerker van SNSPF] niet zien op door [medewerker van SNSPF] aan [verweerster] gegeven adviezen blijkt volgens de bank onder meer uit het feit dat de hoogte van de vergoeding meesteeg met het door [verweerster] aan SNSPF in rekening gebrachte uurtarief.

[verweerster] maakte zelf de kickbackfacturen aan “The Office Managementondersteuning” op voor [medewerker van SNSPF] en zijn vennootschappen. Bovendien maakte zij ook de kickbackfacturen van [medewerker van SNSPF] aan de andere opdrachtnemers van SNSPF op, verzorgde zij de gehele administratie van [medewerker van SNSPF] en hield zo het totaaloverzicht van de kickbackbedragen bij.

Volgens de bank speelde [verweerster] bij de gehele kickbackadministratie van [medewerker van SNSPF] een centrale en faciliterende rol. De bank verwijst op dit punt naar verklaringen van [medewerker van SNSPF] dat [verweerster] inhoudelijk was betrokken bij het bedenken van de onjuiste omschrijvingen van de facturen. [verweerster] heeft voorts, aldus nog steeds de bank, willens en wetens meegewerkt aan de manipulatie van de uurtarieven. De kickbackvergoedingen zijn volgens de bank buitensporig en niet marktconform. Bovendien zijn ze ten onrechte verborgen gebleven voor de bank. Ze zijn niet gemeld en door het gebruik van facturen met een valse omschrijving verhuld gebleven. De bank stelt dat [verweerster] wist dat [medewerker van SNSPF] de kickbacks verzweeg voor de bank.

Volgens de bank heeft [medewerker van SNSPF] ervoor gezorgd dat [verweerster] in een periode van twee jaar

€ 915.000,-- aan SNSPF heeft kunnen factureren. Door het toekennen van dit hoge bedrag heeft [medewerker van SNSPF] kunnen bedingen dat [verweerster] kickbacks aan hem zou betalen en hem tevens zou helpen bij het incasseren van kickbacks van vele anderen. [verweerster] heeft volgens de bank haar eigen belangen laten prevaleren boven het belang van de bank.

3.7.

[verweerster] bestrijdt een en ander en heeft daarbij onder meer het volgende aangevoerd.

[verweerster] stelt zich op het standpunt dat in haar geval [medewerker van SNSPF] haar daadwerkelijk coachte en van adviezen voorzag, zodat de betaling van haar aan [medewerker van SNSPF] daarop zag. Zij acht de bank niet geslaagd in het bewijs dat de door [verweerster] opgemaakte facturen in strijd met de waarheid waren opgemaakt, dat het in werkelijkheid ging om kickbackfees en dat de facturen waren bedoeld om de werkelijke aard van de facturen te verbergen.

Zij stelt er altijd op vertrouwd te hebben dat [medewerker van SNSPF] tegenover de bank openheid betrachtte over deze werkzaamheden van [medewerker van SNSPF] ten behoeve van haar. Dat het qua vergoeding voor die activiteiten ging om een vast gedeelte van door SNSPF aan haar te betalen bedragen was op verzoek van [medewerker van SNSPF] die het anders te lastig vond.

Ten aanzien van haar werkzaamheden voor [privé-onderneming van medewerker van SNSPF] stelt [verweerster] dat deze van strikt uitvoerende aard waren. [medewerker van SNSPF] gaf op aan wie voor welk bedrag facturen dienden te worden gezonden en met welke omschrijving. Zij voerde de instructies administratief uit. De facturen zijn door haar te goeder trouw opgemaakt. [verweerster] wist niet van het bestaan van afspraken over kickbackfees, laat staan dat zij een centrale rol had bij deze constructie. Zij was er geenszins mee bekend dat [medewerker van SNSPF] aan andere (externe) medewerkers van SNSPF facturen stuurde/door haar liet sturen zonder dat daar enige dienst van zijn kant tegenover stond.

Dat de aan haar door SNSPF te betalen tarieven telkens verhoogd werden, verklaart [verweerster] door te wijzen op de aard van de door haar verrichte werkzaamheden (van juniormedewerker naar medior medewerker en vervolgens werk met toegenomen verantwoordelijkheden in Spanje). Voor de bank bestond een noodzaak om de externe medewerkers aan zich te binden en hen (minimaal) een marktconform tarief te betalen. [verweerster] wijst erop dat alle overeenkomsten met haar (en de bijbehorende verhogingen van de tarieven) rechtsgeldig tot stand zijn gekomen. Inzake de hoogte van de door SNSPF te betalen tarieven heeft een benchmarkonderzoek plaatsgevonden. De stelling van de bank dat de tarieven al waren bepaald en dat de benchmark er alleen nog bij gefabriceerd moest worden wordt uitdrukkelijk betwist.

Op het door [verweerster] (ook overigens) in hoger beroep uitdrukkelijk gevoerde verweer tegen de aantijgingen van de bank zal hierna worden ingegaan.

Beoordeling hof van de gestelde (zware) verdenking van [verweerster] van het plegen van valsheid in geschrift

3.8.

Op grond van hetgeen hierna onder 3.8.1 tot en met 3.8.16. wordt weergegeven is het hof van oordeel dat de hierna vastgestelde gedragingen van [verweerster] , bezien in samenhang met de hierna ook vastgestelde overige omstandigheden, mede op grond van de bevindingen/beoordelingen daaromtrent van het hof ten aanzien van [verweerster] een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van valsheid in geschrift.

Naar het oordeel van het hof staat op grond van hetgeen onder 3.8.1. tot en met 3.8.16. wordt vermeld in voldoende mate vast dat sprake is van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als door [verweerster] gepleegde (vorm van) valsheid in geschrift (artikel 225 leden 1 en/of 2 Sr) te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van artikel 350 Sv kunnen dragen.

Daarmee heeft het hof op basis van 3.8.1. tot en met 3.8.16. uiteindelijk geoordeeld dat de vermelding van de naam van [verweerster] in het Incidentenregister en in het Externe Verwijzingsregister wegens verdenking van de strafbare feiten gerechtvaardigd is geweest.

3.8.1.

Over de introductie van [verweerster] bij SNSPF door [medewerker van SNSPF] en haar werkzaamheden voor SNSPF heeft [medewerker van SNSPF] onder meer als volgt verklaard:

Proces-verbaal verhoor [medewerker van SNSPF] d.d. 13 februari 2013, Belastingdienst/FIOD, dossiernummer [dossiernummer] , codenummer [codenummer 1] (productie 2 bij verweerschrift SNS in eerste aanleg, zijnde productie 3 bij het beroepschrift, pag 4 van 8 e.v.): “(…) De overeenkomst tussen [verweerster] en SNSPF heb ik zelf ondertekend, de te hanteren tarieven heb ikzelf bepaald, met inachtneming van salarisschalen zoals dat in memo’s vastgelegd was door het bestuur van SNSPF (…) Het aantal te werken uren heb ik ook zelf bepaald, in samenspraak met [verweerster] , ik heb zelfstandig de beslissing genomen. Hiervoor heb ik vooraf niet afgestemd met bestuursleden van SNSPF, want dit werd nooit gedaan als het ging om een medior medewerker. De overeenkomst was opgemaakt door een interne jurist van SNSPF. Vervolgens is dat contract mede ondertekend door [medewerker van de bank 2] , de jurist die ik net noemde. (…) U laat mij een overeenkomst zien ( [overeenkomst] ) en ik herken dit contract als het contract waarover ik net verklaarde. Ik zie nu dat [verweerster] niet als medior is begonnen, maar als junior. (…) Ze werkt ook voor mij. (…) Ze doet de administratie voor alle 3 mijn bv’s onder andere facturen, kilometerstaten en urenstaten op mijn input. (…) [op de vraag van verbalisanten wie de administratie van [privé-onderneming van medewerker van SNSPF] deed]: dit deed zoals eerder verklaard mevr [verweerster] op aangeven en met input van mij. [op de vraag van verbalisanten wie de debiteuren van [privé-onderneming van medewerker van SNSPF] waren:] mevr [verweerster] , dhr [landenmanager Spanje] , dhr [debiteur] en een BV op de Antillen genaamd Buccaneer Bay Capital. (…)”.

3.8.2.

Als productie 12 bij de akte uitlating van 9 juli 2014 door de bank, zijnde productie 7 bij het beroepschrift zijn door SNS acht facturen van [privé-onderneming van medewerker van SNSPF] / [medewerker van SNSPF] aan The Office Managementondersteuning of The Office Management B.V. (namen van de bv van [verweerster] ) ‘met betrekking inzake bedrijfskundig advies en coaching’ overgelegd. Onbetwist staat vast dat deze facturen van [privé-onderneming van medewerker van SNSPF] door [verweerster] zijn opgesteld in het kader van haar voor [medewerker van SNSPF] in privé (en dus los van haar werkzaamheden voor SNSPF) verrichte diensten. [verweerster] maakte zelf de kickbackfacturen aan “The Office Managementondersteuning” op voor [medewerker van SNSPF] en zijn vennootschappen.

De eerste factuur van [medewerker van SNSPF] inzake zijn ‘bedrijfskundig advies en coaching’ dateert van 30 november 2010.

3.8.3.

Tegenover de verschillende verklaringen van [verweerster] dat [medewerker van SNSPF] haar daadwerkelijk coachte en adviseerde hoe met haar bedrijf om te gaan alsmede op persoonlijk vlak en dat de door haar opgemaakte facturen van [privé-onderneming van medewerker van SNSPF] aan haar bv steeds de betaling voor dergelijke adviezen betrof, staan onder meer de navolgende verklaringen van [medewerker van SNSPF] :

-Proces-verbaal verhoor [medewerker van SNSPF] d.d. 13 februari 2013, Belastingdienst/FIOD, dossiernummer [dossiernummer] , codenummer [codenummer 1] , pag 6 van 8 e.v. (productie 2 bij beroepschriftberoepschrift SNS): “(…) [op de vraag van verbalisanten wat voor werkzaamheden [medewerker van SNSPF] voor mevr [verweerster] heeft verricht:] Ik adviseer haar en zij betaald mij een stukje aanbrengfee voor het werk dat zij doet voor SNSPF. Opmerking [landenmanager Spanje] (hof: van [medewerker van SNSPF] ): dat wordt door sommige mensen kick backs genoemd hetgeen ik begrepen heb uit hetgeen SMNS stelt. [op de vraag van verbalisanten of de aanbrengfee eenmalig is:] nee dat is een continu proces, hiermee bedoel ik dat ik, via mijn bv [privé-onderneming van medewerker van SNSPF] , een aantal maal per jaar namelijk per kwartaal een detacheringsfee in rekening breng aan mevr [verweerster] . Ik ben deze fee overeengekomen met mevr [verweerster] . Zij betaald mij als ik het goed heb € 50,- per uur dat zij gewerkt heeft voor SNSPF. Zij brengt zelf iets van € 200 per gewerkt uur in rekening bij SNSPF. Ik krijg daar dus een deel van. [op de vraag van verbalisanten wat [medewerker van SNSPF] bedoelt met detacheringsfee:] dit is een vergoeding die ik krijg voor de activiteiten die zij verricht voor SNSPF. [gevraagd naar de reden:] Ik zou het een gunfactor noemen. (…) [op de vraag van verbalisanten wat de reden is dat [medewerker van SNSPF] dan neerzet dat dit coaching en of advies betreft en dit niet wordt vermeld als aanbrengfee:] dit leek mij subtieler. (…)[op de vraag of SNS op de hoogte is van deze constructie:] Nee. [op de vraag van verbalisanten of de afspraak voor het betalen van de aanbrengfee is gemaakt op het moment dat de overeenkomst zoals wij hiervoor besproken hebben (hof: contract [verweerster] /SNSPF) aangegaan en opgemaakt:] Nee dat is in een later stadium gebeurd.”

-Proces-verbaal verhoor [medewerker van SNSPF] d.d. 14 februari 2013, Belastingdienst/FIOD, dossiernummer [dossiernummer] , codenummer [codenummer 2] , pag 5 (Productie 14 bij de akte uitlating van 9 juli 2014 door de bank, zijnde productie 7 bij het beroepschrift ):”[gevraagd of de vergoedingen die [medewerker van SNSPF] in rekening bracht aan S, A, [verweerster] en W voor een deel gebaseerd waren op door het verrichte werkzaamheden waarvan hij een urenspecificatie bijhield:] Alle vergoedingen die op hoofdlijn vermeld staan in de facturen die aan S. A, [verweerster] en W heb verstuurd via [privé-onderneming van medewerker van SNSPF] , daar zijn dus geen urenspecificaties van, want zoals ik al gisteren verklaarde de vergoedingen betreffen detacheringsfee’s.(…) Ook als het gaat om de tijd die ik besteed heb aan het coachen van [verweerster] , heb ik geen vastleggingen van gemaakt.”

-Proces-verbaal verhoor [medewerker van SNSPF] d.d. 20 februari 2013, Belastingdienst/FIOD, dossiernummer [dossiernummer] , codenummer [codenummer 3] (productie 5 bij verweerschrift SNS in eerste aanleg, zijnde productie 3 bij het beroepschrift SNS): “[ waar het in het verhoor gaat over met externen werkzaam voor SNSPF en met hen overeengekomen ‘gentlemens agreements’ -waar niets schriftelijk van is vastgelegd- dat [medewerker van SNSPF] een ‘detacheringsfee’ van hen zou ontvangen, op de vraag hoe de afspraak met [verweerster] tot stand is gekomen:] Op mijn initiatief. In de vergoeding van mevr [verweerster] zit ook een adviescomponent verwerkt. Naar aanleiding van het feit dat iedereen zeer tevreden was over de werkzaamheden van mevr [verweerster] en zij op basis hiervan in de mediorsalarislijn wordt ingedeeld. Toen is de discussie verlopen, mevr [verweerster] en ik hebben in het verleden ook op basis van fee’s gewerkt. Ik heb geholpen met het opzetten van haar onderneming en haar netwerkrelaties geholpen. Uiteindelijk zijn we tot een afspraak gekomen dat zij mij een ‘detacheringsfee’ zou vergoeden. (…) [op de vraag van verbalisanten naar de reactie van [verweerster] :] Die vond dat volstrekt normaal er is geen discussie over geweest het wasvolledig vrije wil. Als wij er niet uitgekomen waren dan was er ook niets gebeurd. (…)

[inzake een vraag over het initiatief om de facturen als advisering/coaching te omschrijven:] Dat is in gezamenlijk overleg gebeurd mede omdat zij ook door mij op weg geholpen is bij klanten uit mijn netwerk. Ik weet mij niet exact meer te herinneren wiens idee het was om te factureren met de term advies/coachingskosten. Mevr [verweerster] maakte al mijn facturen.”

-Proces-verbaal verhoor [medewerker van SNSPF] d.d. 21 februari 2013, Belastingdienst/FIOD, dossiernummer [dossiernummer] , codenummer [codenummer 4] (productie 4 bij verweerschrift SNS in eerste aanleg, zijnde productie 3 bij het beroepschrift): “De ‘detacheringsfee’ van [verweerster] , ik denk dat ik die afspraak heb gemaakt op het moment dat [verweerster] in dienst kwam bij SNSPF, ik denk dat deze vergoeding vanaf Q4 2010 is ingegaan. Het ging om een ‘detacheringsfee’ van € 37,50. Later is deze fee verhoogd naar € 50,00. (…)”.

-Proces-verbaal verhoor [medewerker van SNSPF] d.d. 19 maart 2013, Belastingdienst/FIOD, dossiernummer [dossiernummer] , codenummer [codenummer 5] (productie 20 bij de akte uitlating van 9 juli 2014 door de bank, zijnde productie 7 bij het beroepschrift SNS): (…) Ik blijf nog steeds van mening dat ik ook advies heb verstrekt aan een aantal mensen (…) [op de vraag van verbalisanten of dit dan alle in rekening gebrachte bedragen dekte:] Niet overal natuurlijk (…). Bij [verweerster] zit er een adviescomponent in. (…) De andere component bestaat uit bemiddelingsfee, plaatsingsfee (…) U noemt het kick back fee (…). Ik wil wel verklaren dat het overgrote deel, laat het drie kwart zijn, van de vergoeding (hof: op dit punt van de verklaring niet concreet geëxpliciteerd tot de vergoeding van [verweerster] ) betrekking heeft op de aangehaalde, en door mij in rekening gebrachte, retourprovisie. (…).”

-Proces-verbaal verhoor [medewerker van SNSPF] d.d. 21 maart 2013, Belastingdienst/FIOD, dossiernummer [dossiernummer] , [FIOD Gefisnummer 1] (productie 21 bij akte uitlating bij de akte uitlating van 9 juli 2014 door de bank, zijnde productie 7 bij het beroepschrift ):”(…) Met [verweerster] en W zijn bijzondere afspraken gemaakt ten tijde van de aanname. Die afspraken hielden bij [verweerster] in dat zij € 37,50 per uur aan mij zou betalen, althans zo meen ik mij dat te kunnen herinneren. Toen de tarieven werden verhoogd, is die afdracht bij [verweerster] beperkt verhoogd tot € 50,- per uur. Ook in dit geval werden facturen met een adviesvermelding daarop verzonden. [verweerster] stelde die facturen voor mij op. Die facturen belichaamden een kick back, in combinatie met een stukje advisering dat ik ten behoeve van haar deed. (…) Ik heb geen concrete afspraken met haar gemaakt over de prijs die zij zou moeten betalen voor mijn adviezen. (…) [verweerster] wist dat zij zogezegd om twee redenen aan mij betaalde: kick back en advies. (…)”

3.8.4.

Uit deze verschillende verklaringen van [medewerker van SNSPF] komt naar voren dat de door [verweerster] te betalen vergoedingen kick back fees betroffen en hooguit slechts voor een relatief gering deel betrekking zouden hebben gehad op daadwerkelijk door hem gegeven advies dan wel coaching en voor een substantieel ander deel op een detacheringsfee.

Op grond van de inhoud van een door [medewerker van SNSPF] in een kortgeding procedure uitgebrachte dagvaarding onder 37 (zie productie 13 bij de akte uitlating van 9 juli 2014 door de bank, zijnde productie 7 bij het beroepschrift ) zou zelfs kunnen worden afgeleid dat van alle aan [verweerster] in rekening gebrachte facturen (voor een totaalbedrag van € 159.601,33) slechts van een deel van één daarvan, te weten de factuur d.d. 30 november 2010, voor het bedrag van € 22.343,75 niet van doen heeft met een aanbrengvergoeding en gestuurd is in verband met daadwerkelijk geleverde (advies)diensten door [medewerker van SNSPF] .

3.8.5.

Dat [medewerker van SNSPF] op 1 september 2014 (productie 24 bij akte uitlating producties, tevens houdende overlegging producties van [verweerster] van 3 september 2014, zijnde productie 8 bij het beroepschrift) een verklaring met een van de hiervoor vermelde verklaringen afwijkende inhoud heeft afgelegd, maakt niet dat het hof met de eerdere verklaringen geen (laat staan in het geheel geen) rekening houdt.

Voorts plaatst het hof bij de verklaring van [medewerker van SNSPF] van 1 september 2014 in ieder geval de volgende kanttekeningen. Allereerst betreft het een op verzoek van [verweerster] afgelegde verklaring. Hierin verklaart [medewerker van SNSPF] voor het eerst dat de betaling(en) door [verweerster] aan zijn bv ook voor werkzaamheden van [medewerker van SNSPF] ten behoeve van [verweerster] over de periode 2007 tot en met 2010 zouden zijn. Het hof is dit in zijn eerdere verklaringen nergens zo tegen gekomen. Wel in de variant dat door [medewerker van SNSPF] in het verleden onbetaald ten behoeve van [verweerster] verrichte werkzaamheden voor hem mede aanleiding waren tot de in rekening te brengen kick back fees. Voorts valt voor het hof ook niet in te zien waarom [verweerster] voor in het verleden door [medewerker van SNSPF] ‘gratis’ verrichte werkzaamheden jaren later met terugwerkende kracht (flink) zou gaan betalen. Het verklaarde over ‘betaling voor werkzaamheden over de periode 2007 tot en met 2010’ komt bovendien niet overeen met de in de acht facturen (productie 12 bij de akte uitlating van 9 juli 2014 door de bank, zijnde productie 7 bij het beroepschrift ) vermelde perioden. Ook het door [verweerster] als productie 23 bij akte uitlating producties, tevens houdende overlegging producties van [verweerster] van 3 september 2014, zijnde productie 8 bij het beroepschrift overgelegde schema inzake advisering en coaching waarvoor aan haar/haar bv gefactureerd werd, betreft slechts de periode Q3 2010 tot en met Q1 2013. In de verklaringen van [verweerster] heeft het hof ook niet gelezen over een expliciete afspraak met [medewerker van SNSPF] dat hij ook nog zou factureren voor werkzaamheden vanaf 2007.

Op grond van een en ander zal het hof -anders dan door [verweerster] is betoogd- de verklaring van [medewerker van SNSPF] d.d. 1 september 2014 niet laten prevaleren boven de andere verklaringen van [medewerker van SNSPF] .

Door [verweerster] is niet uitdrukkelijk voorgesteld om [medewerker van SNSPF] te doen horen over de onjuistheid van zijn eerdere verklaringen. Het hof ziet in de gegeven omstandigheden evenmin aanleiding hiertoe op de voet van artikel 284 lid 2 Rv ambtshalve over te gaan.

Het hof merkt hierbij nog op dat [medewerker van SNSPF] bij het afleggen van verklaringen tegenover de verbalisanten telkens is bijgestaan door zijn advocaat .

3.8.6.

In het kader van het onderzoek van de FIOD zijn stukken in beslag genomen, maar daarbij is niets aangetroffen dat zou kunnen wijzen op daadwerkelijk door [medewerker van SNSPF] ten behoeve van [verweerster] uitgevoerde (advies)werkzaamheden. [medewerker van SNSPF] en [verweerster] zijn ook heel summier over de concrete inhoud van deze gestelde werkzaamheden. Dit terwijl [verweerster] toch -uitgaande van de factuurbedragen (productie 12 bij de akte uitlating van 9 juli 2014 door de bank, zijnde productie 7 bij het beroepschrift )- voor ongeveer

€ 159.000 ,= aan [medewerker van SNSPF] heeft betaald. [medewerker van SNSPF] heeft slechts in algemene termen gesproken over advisering die varieerde van marketing tot juridische aangelegenheden, commercieel, ideeën voor de toekomst (opzetten van een Family Office) en doorverwijzingen van cliënten vanuit zijn netwerk (productie 21 bij de akte uitlating van 9 juli 2014 door de bank, zijnde productie 7 bij het beroepschrift ).

Door de verbalisanten gevraagd naar specifieke voorbeelden heeft [verweerster] verklaard dat [medewerker van SNSPF] en zij hebben gekeken naar de omzetting van de eenmanszaak en de bv, welke is opgericht in mei 2011 en dat daarvoor een en ander speelde in de relationele sfeer. Ook op de mondelinge behandeling in hoger beroep kon [verweerster] tegenover het hof niet veel concreter worden in haar beschrijving van de werkzaamheden waarvoor zij betaald zou hebben. Het overzicht als door [verweerster] overgelegd met een tijdbalk met nauwkeurige weergave van aard van door [medewerker van SNSPF] ten behoeve van haar verrichte werkzaamheden vormt een ongeloofwaardig contrast met het voorgaande.

3.8.7.

In het FIOD zaaksproces-verbaal (zaaksproces-verbaal oplichting p. 62 (productie 49 bij het beroepschrift) staat als bemerking opgenomen het plotselinge stoppen van de facturering (van naar het oordeel van het hof kick back fees) na het eerste kwartaal 2012 terwijl de opdrachtnemers nog altijd bij SNSPF werkzaam waren en zonder dat in het dossier ter zake enige vastlegging of correspondentie over beëindiging van de advies/coachingswerkzaamheden is aangetroffen.

3.8.8.

[verweerster] heeft weliswaar gesteld nooit de intentie te hebben gehad om welbewust onjuiste en misleidende omschrijvingen op de facturen te zetten, maar feit is naar het oordeel van het hof dat zij dit ten aanzien van de aan haar eigen bv gestuurde facturen heeft gedaan door daarop te vermelden dat het om adviezen en coaching ging terwijl zij wist dat het overgrote deel van de factuursommen kick back fees betrof. [verweerster] heeft met het opmaken van de facturen aan haar bv ten onrechte de indruk gewekt dat de gefactureerde bedragen zijn gebaseerd op door [medewerker van SNSPF] verrichte werkzaamheden voor [verweerster] , terwijl het in werkelijkheid een detacheringsfee of kickbackbetaling betrof. De onjuiste beschrijving voor de facturen is gehanteerd om de waarheid (van de kickbacks) te verhullen.

3.8.9.

Tot het oordeel dat sprake is van door [verweerster] vermelde omschrijvingen in de facturen welke in strijd met de waarheid zijn en dat zij daarvan op de hoogte was, draagt ook bij de vaststelling van het verband tussen enerzijds de hoogte van de door [verweerster] van SNSPF ontvangen vergoeding per uur en anderzijds het door haar/haar bv aan [medewerker van SNSPF] / [privé-onderneming van medewerker van SNSPF] te betalen bedrag. [verweerster] zelf verklaart hierover tegenover de FIOD (productie 3 bij verweerschrift SNS in eerste aanleg, zijnde productie 3 bij het beroepschrif, p 6): “(…) maar vrijwel vanaf het begin heb ik dus bruto 137 euro verdiend bij SNSPF waarbij ik 37 betaalde aan [medewerker van SNSPF] en hield ik netto 100 over. [medewerker van SNSPF] noemde dat een constructie dat hij betaald kreeg voor zijn diensten om mij persoonlijk te begeleiden.” … “Toen mijn uurtarief bij SNSPF omhoog ging, langzaam naar 200, ging het aandeel van [medewerker van SNSPF] ook omhoog.”

In zijn schriftelijke verklaring d.d. 21 maart 2013 (FIOD Gefisnummer [FIOD Gefisnummer 1] ) (Productie 21 bij de akte uitlating van 9 juli 2014 door de bank, zijnde productie 7 bij het beroepschrift) heeft ook [medewerker van SNSPF] onder meer verklaard dat hij met [verweerster] ten tijde van de aanname een afspraak heeft gemaakt die inhield dat zij € 37,50 per uur aan [medewerker van SNSPF] zou betalen en dat dit bedrag verhoogd is tot € 50,00 per uur toen de tarieven waartegen [verweerster] voor SNSPF werkte verhoogd werden.

In dit verband verwijst het hof ook naar productie 17 bij de akte uitlating van 9 juli 2014 door de bank, zijnde productie 7 bij het beroepschrift ( [FIOD Gefisnummer 2] ), SNS. Dit is een door [verweerster] opgemaakte handgeschreven notitie, inhoudende ‘Berekening facturen [privé-onderneming van medewerker van SNSPF] (2010)’ inzake [debiteur] , [landenmanager Spanje] en [verweerster] , waarin telkens op basis van een aantal uren tegen een bepaald tarief (respectievelijk van voor de maanden okt t/m dec € 35,--, okt t/m dec € 50 en voor – voor zover het [verweerster] betreft - de maanden juli en aug € 37,50/voor de maanden sept t/m nov € 50,--) een totaalsom ex btw staat vermeld. Hierin worden de maandelijks door onder anderen [verweerster] bij SNSPF gedeclareerde uren vermenigvuldigd met een vast tarief. Voor wat betreft [verweerster] komen de verschillende vaste tarieven overeen met hetgeen zij heeft gesteld over de door haar te betalen vergoedingen aan [medewerker van SNSPF] . In de door [verweerster] opgemaakte facturen stond dit alles ten onrechte niet aangegeven. De opschriften ervan deden anders vermoeden.

Uit de door [medewerker van SNSPF] verzonden en door [verweerster] betaalde facturen blijkt niet dat de door [verweerster] afgedragen bedragen aan [medewerker van SNSPF] zijn gebaseerd op de uren die [verweerster] heeft gewerkt bij SNSPF.

Ook uit een email van [medewerker van SNSPF] aan [verweerster] d.d. 3 oktober 2010 (productie 38 bij beroepschrift) “(…) Tevens een nota maken voor the office (titel overleggen we) voor 3e kwartaal uitgaande van 187,50/50,00 vanaf 1-9-2010” komt de koppeling naar voren. Uit deze mail blijkt niet dat toen al duidelijk was waarvoor de nota was, althans van welke titel deze zou worden voorzien;

De door [verweerster] beschreven, tussen partijen gecreëerde, situatie waarbij enerzijds een vast bedrag diende te worden betaald voor -in haar visie- adviezen terwijl anderzijds niet duidelijk was van welke intensiteit of kwaliteit die eventuele adviezen zouden zijn, komt het hof uiterst ongeloofwaardig voor. [verweerster] heeft hierover opgemerkt dat de reden, dat het qua vergoeding voor die activiteiten ging om een vast gedeelte van door SNSPF aan haar te betalen bedragen, was gelegen in het verzoek daartoe van [medewerker van SNSPF] die het anders te lastig vond. Het hof acht dit echter volstrekt onvoldoende redengevend voor het feit dat [verweerster] met de vermelde wijze van factureren een reële verhouding tussen (gestelde) werkzaamheden door [medewerker van SNSPF] enerzijds en daarvoor door [verweerster] (in beginsel ongelimiteerd) te betalen vergoedingen anderzijds volstrekt uit handen gaf. Dat het [medewerker van SNSPF] en [verweerster] op zich (in beginsel) vrijstond – zoals door [verweerster] betoogd -“ een bijzonder prijsbepalingsmechanisme (…) voor coaching en advies ” overeen te komen, laat het voorgaande onverlet.

[verweerster] heeft op de mondelinge behandeling in hoger beroep hierover nog als volgt verklaard:

“De reden dat door [medewerker van SNSPF] aan mij verstrekte adviezen pas in rekening werden gebracht toen ik via hem bij SNSPF ging werken, heeft te maken met een voorstel van [medewerker van SNSPF] daartoe. Het hof houdt mij voor dat het maandelijks overmaken van een vast bedrag iets onbeperkts in zich heeft, alsof ik [medewerker van SNSPF] een blanco cheque verschafte. Ik heb het voorstel van [medewerker van SNSPF] geaccepteerd en vertrouwde hem volledig. [medewerker van SNSPF] zei dat het bijhouden van uren lastig is en tijd kost. We hebben dus toen een ‘forfaitaire afspraak’ gemaakt dat ik hem een bepaald percentage van mijn uurloon zou afstaan. Ik wist toen nog niet hoeveel uren ik voor SNS Property Finance zou werken en dus ook niet hoeveel geld ik aan [medewerker van SNSPF] moest afstaan. U houdt mij voor dat daarmee van te voren in het geheel niet zou zijn vast te stellen, hoeveel ik [medewerker van SNSPF] zou gaan betalen. Achteraf kun je wel van alles vinden van die regeling. U houdt mij voor dat het vreemd is dat ik eerst kennelijk gratis adviezen van [medewerker van SNSPF] kreeg, en vervolgens moest gaan betalen toen ik via hem aan het werk ging bij SNS Property Finance.”

Naar het oordeel van het hof heeft [verweerster] er ook geen plausibele verklaring voor kunnen geven waarom, als het al (voor een gering gedeelte) om betaling voor adviezen ging, de adviezen van [medewerker van SNSPF] zo in feite duurder werden naar mate de door SNSPF aan haar te betalen vergoeding hoger werd. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat het om adviezen van een andere orde ging. Voor het verschil tussen beide tarieven voor -volgens [verweerster] - dezelfde soort dienstverlening bestaat naar het oordeel van het hof dan ook geen plausibele reden.

Het hof stelt vast dat [verweerster] zich door [medewerker van SNSPF] liet factureren voor een bedrag dat gekoppeld was aan de door haar op basis van het aantal gewerkte uren aan SNSPF in rekening te brengen kosten. Dit brengt mee dat [medewerker van SNSPF] er een belang bij had [verweerster] zoveel mogelijk in te zetten, waar [verweerster] dan harerzijds weer baat bij had. Deze belangenverstrengeling, althans dit gevolg van het tussen haar en [medewerker van SNSPF] overeengekomene kan [verweerster] niet ontgaan zijn. Het hof verwijst hierbij nogmaals naar het opleidingsniveau van [verweerster] .

Ten aanzien van het verweer van [verweerster] dat het hiervoor aan de orde zijnde bijzondere prijsbepalingsmechanisme niet maakt dat sprake is van valse facturen, merkt het hof op dat het feit dat [verweerster] wist dat het, in ieder geval voor het overgrote deel, om kick back fees ging en dat zij desalniettemin ‘advies en coaching werkzaamheden e.d.’ als omschrijving hanteerde die omschrijving wel vals maakt.

3.8.10.

Naar het oordeel van het hof was [verweerster] niet alleen op de hoogte van de onjuistheid van de omschrijvingen van de facturen van [privé-onderneming van medewerker van SNSPF] aan haarzelf, maar ook van de onjuistheid van dergelijke door haar opgemaakte en aan andere externen van SNSPF verstuurde facturen van [medewerker van SNSPF] , althans zijn bv’s. Het hof verwerpt de stelling van [verweerster] dat zij er geenszins mee bekend was dat [medewerker van SNSPF] aan andere (externe) medewerkers van SNSPF facturen stuurde zonder dat daar enige dienst van zijn kant tegenover stond.

Door haar eigen situatie waarin –zoals het hof hierboven oordeelt- sprake was van kick back fees, diende zij er zonder meer op bedacht te zijn en behoorde zij te beseffen dat ten aanzien van de andere door haar opgemaakte facturen, waarvan zij ook wist dat ook die betreffende factuurbedragen werden afgeleid van de door de betrokkenen bij SNSPF in rekening gebrachte vergoeding op basis van gewerkte uren, het eveneens om kick backs zou gaan. Daarbij komt dat [verweerster] , die zelf alle facturen voor [medewerker van SNSPF] steeds opmaakte, wist om welke enorme factuurbedragen dit (in totaal) ging, zodat zij heeft moeten begrijpen dat [medewerker van SNSPF] onmogelijk een daarmee overeenkomend aantal uren aan (kortgezegd) advieswerkzaamheden heeft kunnen besteden naast zijn (meer dan) fulltime functie voor SNSPF.

Het hof verwijst hiervoor ook naar de rapportage van de FIOD waarin is becijferd dat als het in de facturen van [medewerker van SNSPF] aan de opdrachtnemers niet ging om kick backs, hij voor een bedrag van € 468.000,00 zou hebben geadviseerd, hetgeen bij een uurtarief van 375,-- per uur neerkomen op minimaal 1248 uur advieswerk. Naast een (meer dan) fulltimebaan komt dit zeer ongeloofwaardig over.

In geen van de door [verweerster] opgemaakte facturen staat vermeld dat kick backs werden geïncasseerd. Integendeel, de facturen doen door de daarin vermelde omschrijvingen (“corporate finance advisering”, “algemene advisering assetmanagement”, “Advisering Q3 2011” en “ coaching/advisering”) vermoeden dat tegenover de gevraagde betaling werkzaamheden staan die door [medewerker van SNSPF] zouden zijn verricht. In strijd met de waarheid werd voorgewend dat het om reguliere facturen voor daadwerkelijk verrichte dienstverlening ging. Naar het oordeel van het hof heeft [verweerster] daarmee ook bedoelde facturen aan andere externen niet te goeder trouw opgemaakt.

Voor zover [verweerster] heeft aangevoerd dat haar werkzaamheden voor [privé-onderneming van medewerker van SNSPF] van strikt uitvoerende aard waren en dat zij slechts de instructies van [medewerker van SNSPF] -waarbij hij steeds zou hebben opgegeven aan wie voor welk bedrag facturen dienden te worden gezonden en met welke omschrijving- administratief uitvoerde, merkt het hof op dat [verweerster] niet, althans niet altijd zo lijdelijk functioneerde als zij wil doen voorkomen.

Een door [medewerker van SNSPF] aan [verweerster] doorgestuurde mailconversatie tussen [medewerker van SNSPF] en [mailcorrespondent] -6 februari 2011(productie 56 bij verweerschrift in incidenteel appel) - houdt in: [medewerker van SNSPF] aan [mailcorrespondent] : “wil mij nog eens opgeven wat de financiële stand van zaken is inzake het project BBC (hof: het oprichten van BuccanneerBay Capital N.V., een vennootschap naar Antilliaans recht waarmee [medewerker van SNSPF] en [mailcorrespondent] een deel van de uit kickbacks voortkomende geldstromen hebben verplaatst naar het buitenland) en onze “understanding” en hoe je het wil hebben? Ik wil graag 2010 afsluiten.”

Reactie [mailcorrespondent] : houdt in dat [medewerker van SNSPF] “€ 36.103,11” mag declareren aan de ene vennootschap en “€ 19.635,=” aan de andere vennootschap met de vermelding”BBC vanaf 1e kwartaal”.

[verweerster] is in staat gebleken om op grond van deze doorgestuurde gegevens te komen tot de facturen als overgelegd door de bank als productie 57 bij verweerschrift in incidenteel appel [opmerking hof: de inhoud van die productie gaat naar het oordeel van het hof niet het bestek van de door [verweerster] in incidenteel appel ingediende grieven te buiten, zodat het door [verweerster] gemaakte bezwaar tegen bedoeld verweerschrift -pleitnota [verweerster] pag 3- hierop niet ziet], waarin als omschrijving is opgenomen: nota inzake advisering 4e kwartaal 2010” zonder dat [medewerker van SNSPF] een tot een dergelijke omschrijving strekkende instructie had gegeven. Het hof neemt aan dat zij die omschrijving op eigen initiatief heeft toegevoegd -een concrete instructie daartoe van [medewerker van SNSPF] ontbrak immers- terwijl zij behoorde te weten (zoals hiervoor door het hof aangenomen) dat dat niet klopte en in ieder geval zij niet wist of werkelijk advisering had plaatsgevonden.

[verweerster] heeft weliswaar aangevoerd dat zij, als zij aan de verstrekte informatie niet voldoende had, ook nog mondeling uitleg vroeg, maar het hof stelt vast dat [medewerker van SNSPF] er toch kennelijk in beginsel van uit ging dat het enkele doorsturen van deze berichten voldoende was en door [verweerster] begrepen zouden worden.

Het hof wijst hierbij ook nog op een mail van [medewerker van SNSPF] aan [verweerster] d.d. 2 juli 2011 (productie 39 bij het beroepschrift) waarin, naast meer specifieke instructies ten behoeve van nota’s, in de laatste alinea vermeld staat: “En als uitsmijter zal er natuurlijk gefactureerd moeten worden naar de kudde schaapjes van [privé-onderneming van medewerker van SNSPF] . Ik heb maar besloten mijzelf als Herder te zien, uiteraard niet “DE HERDER”. Laten we de BTW technisch in KW 3 vallen? Want alle gegevens hebben we nog niet denk ik!”

3.8.11.

Voor zover [verweerster] zich op dit punt en overigens ook in algemene zin erop heeft beroepen dat zij steeds blind heeft vertrouwd op de integriteit en statuur van [medewerker van SNSPF] en op zijn kennis, kunde en ervaring, acht het hof (zoals ook al hierboven overwogen) deze enkele stelling volstrekt onvoldoende om aan de verschillende geconstateerde omstandigheden in deze zaak af te doen. Dat zij zich wel degelijk heeft gerealiseerd dat sprake was van ontoelaatbare situaties leidt het hof voorts nog af uit onder meer het telefoongesprek van [verweerster] met [medewerker van SNSPF] , althans het citaat uit het tapverslag van dit gesprek d.d. 11 februari 2013 om 12.32 uur (productie 28 bij de akte uitlating van 9 juli 2014 door de bank, zijnde productie 7 bij het beroepschrift): [verweerster] : “Okay, ik heb [roepnaam 1] [ [landenmanager Spanje] ] gesproken, (…) er wordt hem verteld dat hij tijdelijk op non actief is gesteld. En de reden is betaalstroom van zijn management BV naar andere partijen. En waar ik nu bang voor en ja en dat weet jij ook, want ik ben het, [roepnaam 1] [Hof: [landenmanager Spanje] ] is het, [roepnaam 2] [Hof: [debiteur] ] is het en [roepnaam 3] [Hof: [mailcorrespondent] ] is het (mmmmm). Waar ik bang voor ben is dat het die regeling is die jij getroffen hebt met ons ja. Ik kan het niet hard maken en ik snap het ook niet als het zo is, hoe zij aan die informatie kunnen komen, dat snap ik echt niet. Althans dat beteken dat zou betekenen dat ze aan bankgegevens eh eh kunnen komen.” [medewerker van SNSPF] : “ [verweerster] , je moet nu even niet doorgaan met praten.”

Hieruit spreekt een zekere angst van [verweerster] dat ‘ze’ achter ‘de regeling’ zouden komen die zij met [medewerker van SNSPF] getroffen heeft en waarvan naar het oordeel van het hof voldoende is komen vast te staan dat dit, in ieder geval in subtantiële mate, kick back fees heeft betroffen.

3.8.12.

Er is naar het oordeel van het hof onvoldoende gebleken dat [verweerster] mocht aannemen dat [medewerker van SNSPF] de gang van zaken op correcte wijze aan de bank meldde.

De uit het tapverslag (vgl 3.8.11.) blijkende reactie van [medewerker van SNSPF] dat [verweerster] ”niet (moest) doorgaan met praten” geeft naar het oordeel van het hof aan dat niet kan worden volgehouden, hetgeen op pagina 18 van het verzoekschrift in eerste aanleg is betoogd, dat [verweerster] geen aanleiding had te denken dat [medewerker van SNSPF] de betaling voor de bank zou verzwijgen. Het komt het het hof voor dat anders [medewerker van SNSPF] een dergelijke uiting nooit zonder nadere verklaring zou hebben kunnen doen. Door dit op deze manier te uiten ging hij ervan uit dat [verweerster] deze uitlating (sec) meteen begreep. Als zij -als degene die de facturen opmaakte- er echt vanuit ging dat dat reguliere facturen waren voor daadwerkelijk door [medewerker van SNSPF] verrichte en te verrichten dienstverlening dan was er verder toch geen enkele reden voor een dergelijke onrust geweest.

De (door de bank betwiste) stelling van [verweerster] dat zij op voorhand met [medewerker van SNSPF] zou hebben gesproken over het melden bij SNSPF van de nevenactiviteiten en dat zij daarom ervan uit mocht gaan dat [medewerker van SNSPF] het gemeld had, heeft zij onvoldoende onderbouwd. [verweerster] heeft niet aangegeven waaruit dit zou blijken en het volgt in ieder geval ook niet uit enige in deze zaak overgelegde verklaring van [medewerker van SNSPF] , ook niet uit die van 1 september 2014.

3.8.13.

Het hof stipt nog aan het feit dat [verweerster] , ook nadat Van de Laar uiteindelijk [medewerker van SNSPF] heeft beschuldigd van het in rekening brengen van kickbacks, richting SNSPF nog geen melding heeft gemaakt van de kickback fees die zij zelf betaalde en evenmin van de kickback fees die [medewerker van SNSPF] bij andere opdrachtnemers in rekening bracht (en waarvoor [verweerster] facturen had opgemaakt). Indien [verweerster] tot dat moment al niet van de kickback fees geweten zou hebben dan hadden de beschuldigingen haar toch aan het denken hebben moeten zetten. [verweerster] geeft er geen goede verklaring voor waarom zij toen niets aan SNSPF gemeld heeft. Het hof acht het ongeloofwaardig dat dat toen niet het geval was terwijl dit naar aanleiding van de opmerking van [landenmanager Spanje] (vgl. hiervoor onder 3.8.11 en hierna onder 3.8.14) plotseling wel het geval was.

3.8.14.

Uit het tapverslag (van een op 11 februari 2013 getapt telefoongesprek) leidt het hof voorts af dat [verweerster] haar positie ook inderdaad gelijk stelde aan die van andere externe medewerkers die kickbackbetalingen deden. Zij heeft het immers uitdrukkelijk over ‘ons’: “…die regeling is die jij getroffen hebt met ons ja…”. Nu het hof niet mee gaat in het verweer van [verweerster] dat zij steeds betaalde aan [medewerker van SNSPF] voor werkelijk door hem verrichte werkzaamheden verhoudt deze formulering zich niet meer met de stelling van [verweerster] dat zij er van uitging dat ook anderen werkelijk adviezen zouden hebben gekregen waarvoor betaald werd. Het hof heeft hiervoor reeds geoordeeld dat [verweerster] zich ook in de periode waarin de facturen werden verzonden al bewust was, althans uitdrukkelijk behoorde te zijn, van de aard van de betalingen door haarzelf én door andere externen aan [medewerker van SNSPF] en gaat daarom voorbij aan haar suggestie dat eerst na de mededeling van [landenmanager Spanje] , dat zijn schorsing verband hield met betaalstromen die SNS waren gebleken, bij haar het kwartje was gevallen dat er misschien meer aan de hand was en dat het slechts die pas toen gerezen vrees was die uit het tapverslag van 11 februari 2013 blijkt.

3.8.15.

Voorts wijst het hof nog op het sms-bericht over de laptops en de “administratie’ en het opschonen ervan.

Een sms-bericht (productie 28 bij de akte uitlating van 9 juli 2014 door de bank, zijnde productie 7 bij het ) van 11 februari 2013 te 20.25 uur van [medewerker van SNSPF] aan [verweerster] houdt in: “Neem de “administratie” en je pc’s laptops mee en opschonen wat mogelijk is”.

Het daarop volgende telefoongesprek luidt volgens weergave in het FIOD dossier:

[ [verweerster] ]: Met [verweerster] [ [medewerker van SNSPF] ]: [verweerster] he, hoi heb je mijn boodschap gezien? [ [verweerster] ]: Hij komt net bij mij binnen hij komt net bij mij binnen maar wat mogelijk is… [ [medewerker van SNSPF] ]: Ja maar dat bespreken we morgen [ [verweerster] ]: Dat lijkt me heel handig ja, dat lijkt me heel handig [ [medewerker van SNSPF] ]: Ja, maar dan heb je het wel even bij je nodig als je snapt wat ik bedoel [ [verweerster] ]: Dan moet ik ze meenemen ja, dat bedoel je ja, dat was ook mijn bedoeling, okay dat was ook mijn bedoeling hoe is het met je [ [medewerker van SNSPF] ]: Wat zal ik zeggen, je wordt er niet vrolijk van (uit productie 28 bij akte SNS dd 9 juli 2014 in e.a. p. 3)

Een dag later is [verweerster] voor het kantoor van [medewerker van SNSPF] aangehouden waarbij zij twee laptops en een map met documenten over een vastgoedproject van SNSPF bij zich had, terwijl [verweerster] toen al enkele dagen daarvoor geschorst was door SNSPF en [medewerker van SNSPF] op dat moment al geruime tijd niet meer bij SNSbank of SNSPF werkzaam was.

De bank constateert in dit verband dat [verweerster] kennelijk aan een half woord genoeg had en dat op grond van een en ander blijkt dat [verweerster] wist dat [medewerker van SNSPF] frauduleus handelde en dat [verweerster] de administratie had waar dat uit bleek. Gewezen wordt verder door de bank op de door [medewerker van SNSPF] gehanteerde aanhalingstekens bij het woord “administratie”.

3.8.16.

Ten aanzien van het betoog van [verweerster] dat de ontvangers van de facturen van [medewerker van SNSPF] / [privé-onderneming van medewerker van SNSPF] niet zijn misleid en dat (om die reden) het gebruik van valse facturen ten aanzien van ontvangers die bekend zijn met de valsheid daarvan niet strafbaar is, geeft het hof in reactie aan dat het gaat om facturen die naar hun aard reeds in het maatschappelijk verkeer een bewijsbestemming hebben, dat de facturen zouden worden gebruikt als bewijsmiddel jegens derden en dat de in strijd met de waarheid aan de facturen gegeven omschrijvingen onduidelijkheid over de waarheid van de inhoud van de factuur bij die derden te weeg kunnen brengen.

3.9.

Zoals ook al in 3.8. aangegeven en daarom hier slechts kort herhaald leveren naar het oordeel van het hof de hiervoor besproken omstandigheden inzake het handelen van [verweerster] , in onderlinge samenhang bezien en afgewogen tegen hetgeen daar tegenin is gebracht van de zijde van [verweerster] , een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld op ter zake het strafbare feit van artikel 225 leden 1 en/of 2 Sr. (valsheid in geschrift).

Dit betekent dat grief 2 in incidenteel appel faalt. Daarmee kan ook grief 1 in incidenteel appel niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank in eerste aanleg leiden. Grief 3 in incidenteel appel zal in het kader van de proceskosten nader worden bezien.

Het incidenteel appel leidt niet tot vernietiging van de beschikking waarvan beroep.

3.10.

Bij het oordeel dat sprake is van de in deze zaak vereiste zware verdenking van valsheid in geschrift heeft het hof hetgeen door de bank –in het nadeel van [verweerster] - is aangevoerd over het benchmarkonderzoek ter zake de tarieven voor de externen voorshands buiten beschouwing gelaten. Daarbij overweegt het hof dat indien de stellingen van [verweerster] omtrent de onjuistheid van de stellingen van de bank en de onjuistheid van het door de bank gestelde antedateren voor waar zouden worden aangenomen dit nog niet zou afdoen aan het oordeel van het hof inzake meer bedoelde zware verdenking van valsheid in geschrift ter zake de facturen.

Daartoe leggen de bedoelde betwistingen van de zijde van [verweerster] tegenover al hetgeen onder 3.8.1 tot en met 3.8.16 is overwogen en beslist onvoldoende gewicht in de schaal.

In het principaal appel.

3.11.

In het principaal appel is aan de orde of ten aanzien van [verweerster] (ook) de zwaardere verdenking dan het vermoeden van schuld bestaat met betrekking tot de andere door de bank gestelde strafbare feiten, te weten niet-ambtelijke omkoping (328ter Sr.), oplichting (326 Sr.), witwassen (420bis Sr.) en deelname aan een criminele organisatie.

3.12.

Voor de beoordeling hiervan acht het hof van belang dat [verweerster] tegen het door de bank ingediende verweerschrift in incidenteel appel bezwaar heeft gemaakt voor zover de inhoud daarvan het bestek van de door [verweerster] ingediende grieven (in incidenteel appel) te buiten gaat. Het hof begrijpt dit bezwaar aldus dat bedoeld is dat van dat verweerschrift van de bank de delen met betrekking tot omkoping, oplichting en deelneming aan een criminele organisatie buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten, omdat het incidenteel appel slechts ziet op de aspecten van valsheid in geschrift.

Het hof honoreert dit bezwaar en beperkt zich ter zake de meergenoemde andere strafbare feiten tot andere onderdelen van het betoog van de bank – namelijk die in het beroepschrift zijn aangevoerd - dan die in het verweerschrift in incidenteel appel ter zake zijn aangevoerd.

3.13.

Onjuist acht het hof de algemene stelling van de bank, onder 90 van het beroepschrift, dat met de vaststelling dat jegens [verweerster] een zware verdenking bestaat dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, de zware verdenking van witwassen, niet-ambtelijke omkoping en oplichting ook reeds is gegeven.

3.14.

Op grond van al hetgeen onder 3.8.1 tot en met 3.8.16 is weergegeven komt het hof tot het oordeel dat zij aan [medewerker van SNSPF] die net zoals zij optrad anders dan als ambtenaar, namelijk – net als zij - optredend als lasthebber jegens SNSPF, naar aanleiding van hetgeen hij in strijd met zijn plicht bij de uitvoering van zijn last (jegens SNSPF) heeft gedaan en/of nagelaten een dienst als door [medewerker van SNSPF] verzocht heeft gegeven, namelijk de betaling van de kick back fee ter verkrijging van de opdracht om uren als lasthebber van SNSPF te mogen werken.


In zoverre slaagt de eerste grief van de bank dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in het betoog van de bank onvoldoende relevante elementen kunnen worden gelezen ter zake zware verdenking met betrekking tot het strafbare feiten van niet-ambtelijke omkoping.

3.15.

Voor wat betreft de overige genoemde delicten oordeelt het hof hierover anders. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat onvoldoende relevante elementen ter zake zware verdenking met betrekking tot witwassen en oplichting zijn gesteld. Naar het oordeel van het hof geldt in ieder geval hetzelfde voor het in hoger beroep voor het eerst opgevoerde delict van deelname aan een criminele organisatie.

Voor wat betreft de gestelde oplichting acht het hof in het bijzonder onvoldoende specifiek gesteld welke onderdelen van de stellingen van de bank zouden kunnen en moeten leiden tot het oordeel dat sprake is van het volgens de delictsomschrijving van oplichting vereiste oogmerk. Ook voor medeplegen van oplichting tezamen en in vereniging met [medewerker van SNSPF] acht het hof de stellingen van de bank daarvoor onvoldoende specifiek en onvoldoende specifiek onderbouwd. Het door de bank gestelde inzake listige kunstgrepen acht het hof voorshands onvoldoende doorslaggevend voor het aannemen van de zware verdenking. Een en ander laat onverlet dat de strafzaak tot andere uitkomsten zal kunnen leiden.

Voor wat betreft witwassen en deelname aan een criminele organisatie overweegt het hof allereerst dat de door de bank gestelde centrale rol die [verweerster] in het geheel zou hebben uitgeoefend onvoldoende vast is komen te staan. De stellingen van de bank omtrent de kwestie van het benchmarkonderzoek acht het hof in het bijzonder bij gelegenheid van het gehouden pleidooi door [verweerster] voldoende gemotiveerd weersproken. In het bijzonder ook de stelling van de bank dat de tarieven al waren bepaald vóórdat de uitkomsten van het benchmarkonderzoek bekend waren, dat sprake is geweest van antedatering en dat de benchmark er alleen nog bij gefabriceerd moest worden zijn naar het oordeel van het hof niet voldoende komen vast te staan . Voorts is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende aanleiding geeft voor het aannemen van de in deze zaak vereiste zware verdenking met betrekking tot deze zeer specifieke strafbare feiten. Hierbij wordt nog opgemerkt dat het hof niet de beschikking heeft over het volledige strafdossier.

3.16.

Naar het oordeel van het hof is dan ook thans niet met voldoende zekerheid vast te stellen dat sprake is van een zodanig zware verdenking met betrekking tot de andere strafbare feiten (dan valsheid in geschrift en niet-ambtelijke omkoping) dat het handelen van [verweerster] ook in dat opzicht zou kunnen rechtvaardigen dat zij door de bank is opgenomen in het Incidentenregister en in het Externe Verwijzings Register (hierna ook: de registers).

Registratie en de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit

3.17.

In het principaal appel heeft de bank, uitgaande van het bestaan van een zware verdenking ten aanzien van [verweerster] ter zake alle door de bank aangevoerde strafbare feiten, een registratie voor een periode van acht jaar bepleit. [verweerster] heeft daartegen verweer gevoerd en gewezen op de nadelige gevolgen van de registratie voor haar en de daarmee samenhangende belangen die zij heeft bij (directe) verwijdering van haar persoonsgegevens uit de registers.

Nu het hof, met inachtneming van de vereiste terughoudendheid in verband met het ontbreken van concrete strafrechtelijke veroordelingen, desalniettemin heeft vastgesteld dat de vermelding van de naam van [verweerster] in het Incidentenregister en in het Externe Verwijzingsregister wegens verdenking van de strafbare feiten valsheid in geschrift en niet-ambtelijke omkoping in beginsel terecht kon zijn, is daarmee voldaan aan één van de vereisten voor opname in het EVR.

Het hof overweegt hierbij voorts dat tevens is voldaan aan een tweede op grond van het Protocol voor opname in het EVR vermelde criterium (vergelijk beroepschrift onder 76). De gedragingen van [verweerster] , in het bijzonder voor zover op grond daarvan een zware verdenking van valsheid in geschrift bestaat, vormen een bedreiging voor de (financiële) belangen van een cliënten en medewerkers van de bank, de organisatie van de bank en de integriteit van de gehele financiële sector.

Het hof dient voorts te beoordelen of een dergelijke registratie (en de duur daarvan) de belangen van [verweerster] niet onevenredig schaadt in verhouding tot het met die registratie gediende doel (beginsel van proportionaliteit) en dat dit doel in redelijkheid niet op een andere manier kan worden bereikt (beginsel van subsidiariteit).

De eventuele aanwezigheid van een wettelijke rechtvaardigingsgrond maakt een dergelijke belangenafweging aan de hand van vermelde beginselen niet overbodig (ECLI:NL:HR:2011:BQ8097).

3.18.

Naar het oordeel van het hof dient in dit geval, gelet op de bijzondere omstandigheden van deze zaak, het belang van de registratie te prevaleren boven de door [verweerster] aangevoerde specifiek haar persoon betreffende belangen. Het hof is van oordeel dat de bank terecht heeft aangevoerd dat het feit dat [verweerster] door de registratie in een maatschappelijk zeer lastige positie komt te verkeren veroorzaakt is door haar eigen, door het hof vastgestelde, normoverschrijdende gedragingen. Dit geldt in het bijzonder ook voor het door [verweerster] aangevoerde met betrekking tot haar privacy en aantasting van eer en goede naam. Voorts oordeelt het hof dat het, gelet op de ernst van de gedragingen van [verweerster] , gerechtvaardigd wordt geacht dat andere financiële instellingen door middel van het registreren van de persoonsgegevens van [verweerster] worden gewaarschuwd. Dat [verweerster] hiervan nadelige gevolgen ondervindt is evident. Van de door [verweerster] genoemde hinderingen (ook op het vlak van hypotheek en andere bancaire zaken) acht het hof meer in het bijzonder van belang dat de registratie voor [verweerster] meebrengt dat herintreding in de financiële sector van de arbeidsmarkt gedurende de periode van registratie in ieder geval min of meer uitgesloten zal zijn. Het voorkomen van te snelle terugkeer naar de financiële sector van personen die dat gelet op hun gedragingen niet waardig zijn, is naar het inzicht van het hof ter voorkoming van een herhaling van problemen echter juist ook de bedoeling van de registratie en dat doel kan naar het oordeel van het hof in feite niet op andere wijze worden bereikt. Bovendien acht het hof het niet uitgesloten dat er voor [verweerster] , gelet op haar leeftijd, opleiding en werkervaring, wel degelijk mogelijkheden op de arbeidsmarkt zijn buiten de financiële sector.

Anderzijds kan de benadering van de bank, die (zie onderdeel 75 van het beroepschrift) in feite -zeer beperkte uitzonderingen daargelaten- uitgaat van automatisch registratie voor de maximale termijn van acht jaar als ‘standaardtermijn’, evenmin onverkort worden gevolgd, nu aldus van enige weging van alle relevante omstandigheden ook aan de zijde van [verweerster] bij de door de bank gemaakte keuze voor de ‘standaardtermijn’ in het geheel niet is gebleken.

Op grond van een en ander acht het hof een registratie voor de in beginsel maximale duur van acht jaar in dit geval disproportioneel. Onder afweging van alle over en weer betrokken belangen acht het hof, anders dan de rechtbank, in dit geval, in het bijzonder gelet op de ernst van de aan [verweerster] verweten gedragingen, een opneming van [verweerster] in de registers voor de duur van vier jaar, derhalve tot 14 maart 2017, passend.

De beschikking van de rechtbank zal derhalve (voor de duidelijkheid van de uitspraak geheel) worden vernietigd en het hof zal opnieuw recht doen.

3.19.

Nu tegen de door de rechtbank aangepaste dwangsom door geen van partijen een grief is gericht en evenmin op andere wijze bezwaar is gemaakt, zal het hof het in eerste aanleg uitgesproken dwangsombedrag overnemen.

3.20.

Het door [verweerster] in hoger beroep gedane verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal tevens worden toegewezen. Hiermee komt het belang bij het door haar opgeworpen incident, namelijk uitvoerbaarverklaring van de beschikking van de rechtbank lopende het hoger beroep, te vervallen zodat verdere behandeling achterwege zal blijven.

3.21.

Gelet op de uitkomst van de zaak zullen de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep tussen partijen worden gecompenseerd, zodanig dat ieder partij de eigen kosten zal dragen. Grief 3 in het incidenteel appel faalt derhalve eveneens.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst het primaire verzoek van [verweerster] af;

beveelt SNSReaal N.V. om de registratie van [verweerster] in het Incidentenregister en het Externe Verwijzingsregister uiterlijk op 14 maart 2017 te verwijderen en verwijderd te houden, zulks onder toezending van een bewijsstuk daarvan aan [verweerster] en aan haar advocaat , een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag of dagdeel dat SNS Reaal N.V. daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 100.000,--;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep tussen partijen zodanig dat iedere partij de eigen kosten zal dragen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, R.R.M. de Moor en J.H.Th. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2016.