Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4409

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
31-01-2018
Zaaknummer
200.149.213_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:634
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2806
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:325
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

benoeming andere deskundige

deskundigenbericht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.149.213/01

arrest van 4 oktober 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. B.R. Kleij te Spijkenisse,

tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.S. de Haas te Raamsdonksveer,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 23 februari 2016 en 12 juli 2016 in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom onder zaaknummer 2171340 CV EXPL 13-3702 gewezen vonnissen van 28 augustus 2013 en 12 februari 2014.

8 Het verloop van de procedure

8.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 12 juli 2016;

  • -

    de akte uitlaten van [appellant] van 23 augustus 2016;

  • -

    de akte uitlaten van [de vennootschap] van 23 augustus 2016 met producties A tot en met C (de eerder door [de vennootschap] , aan de griffie verzonden aktes van 3 mei 2016, 19 juli 2016 en 27 juli 2016).

8.2.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

9 De verdere beoordeling

9.1.

Bij laatstgenoemd tussenarrest heeft het hof bepaald dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in r.o. 6.9 van dat arrest geformuleerde vragen en tot deskundige, ter beantwoording van deze vragen, benoemd: de heer mr. P. Bosma van Lengkeek Expertises.

9.2.

Bosma heeft het hof in een e-mail van 14 juli 2016 geschreven:

“(…) binnen Lengkeek ben ik verantwoordelijk voor het uitbrengen van offertes, maar functioneer ik op het gebied van bouwkunde (waaronder deze zaak valt) niet zelf als deskundige. Dat berust wellicht op een misverstand. In onze offerte was mijn naam ook niet als deskundige genoemd.

Ons voorstel is dat deze zaak door onze gerechtelijk deskundige de heer Ing. Hans Smeets NIVRE-re wordt behandeld. Graag zien wij dat e.e.a. wordt aangepast in het vonnis. (…)”.

9.3.

Het hof heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren.

9.4.

[de vennootschap] heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

Zij heeft uit het tussenarrest van 12 juli 2016 afgeleid dat het hof kennelijk geen kennis heeft kunnen nemen van haar akte van 3 mei 2016 (productie A). In die akte had zij de benoeming van de door [appellant] voorgestelde deskundigen, waaronder Lengkeek Expertises, afgewezen. Kennelijk heeft deze akte het hof niet bereikt, terwijl deze akte wel (tijdig) was ingediend. [de vennootschap] heeft daarom bij aktes van 19 en 27 juli 2016 (producties B en C) het hof verzocht de beslissing in dit tussenarrest te heroverwegen en alsnog te beslissen met inachtneming van de inhoud van haar akte van 3 mei 2016. Dit is nog steeds haar standpunt. [de vennootschap] heeft in haar akte van 23 augustus 2016, waarbij voornoemde aktes als producties in het geding zijn gebracht, het hof dan ook verzocht om:

  • -

    de benoeming van (Bosma) van Lengkeek Expertises ongedaan te maken;

  • -

    zelf een deskundige te benoemen met inachtneming van het door [de vennootschap] gestelde in de akte van 3 mei 2016, dat wil zeggen een deskundige met in ieder geval de kennis van en de ervaring met HR++ glas ten tijde van het plaatsen ervan in de periode 2007-2008, zowel in technische zin als voor wat betreft de ten tijde vigerende toepasselijke regelingen;

  • -

    de vraagstelling aan de deskundige zoals vervat in r.o. 6.9 van het tussenarrest te heroverwegen en opnieuw vast te stellen met inachtneming van de opmerkingen van [de vennootschap] in haar akte van 3 mei 2016 (punten 4 tot en met 10) bij de aanvullende vragen van [appellant] in zijn akte van 5 april 2016.

9.5.

[appellant] heeft in zijn akte van 23 augustus 2016, kort gezegd, het volgende aangegeven. Hij heeft kennis genomen van de akte van [de vennootschap] van 3 mei 2016. Hij refereert zich aan het oordeel van het hof over het al dan niet accepteren van deze akte.

[appellant] heeft geen band met Lengkeek Expertises of personen die daar werkzaam zijn. Benoeming van een andere deskundige is derhalve niet noodzakelijk en leidt uitsluitend tot een vertraging in de procedure. Hij verzoekt de benoeming van Lengkeek Expertises ongewijzigd te laten, met aanwijzing van de heer H. Smeets als deskundige. Verder persisteert [appellant] bij de noodzaak en het belang van de zes aanvullende vragen die in zijn akte van 5 april 2016 zijn geformuleerd.

9.6.

Het hof overweegt als volgt.

Anders dan in r.o. 6.5 van het laatste tussenarrest is overwogen, heeft [de vennootschap] bij akte van 3 mei 2016 bezwaren geuit tegen de door [appellant] voorgestelde deskundigen. Hoewel deze akte blijkens een stempel op een brief van [de vennootschap] op 3 mei 2016 om 08:44 uur bij de griffie van het hof is binnengekomen, is deze akte vervolgens niet (juist) administratief verwerkt, zodat de akte toen geen onderdeel is gaan uitmaken van de processtukken.

Nu [de vennootschap] deze akte op de rolzitting van 23 augustus 2016 als productie in het geding heeft gebracht en als zodanig door de griffie van het hof administratief is verwerkt, maakt de akte thans als productie onderdeel uit van de processtukken. [appellant] heeft aangegeven kennis te hebben genomen van deze akte en hij heeft hierop inhoudelijk gereageerd. Gesteld noch gebleken is dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad.

Het hof betrekt de akte van [de vennootschap] van 3 mei 2016 daarom thans, als productie, bij de beoordeling in de onderhavige zaak.

9.7.

Nu [de vennootschap] in de akte van 3 mei 2016 bezwaar heeft gemaakt tegen de door [appellant] voorgestelde deskundige en zij het hof heeft verzocht zelf een deskundige aan te wijzen, ziet het hof aanleiding om, overeenkomstig artikel 194 Rv, een andere deskundige benoemen.

9.8.

Het hof zal de benoeming van Lengkeek Expertises ongedaan maken en overgaan tot benoeming van TechnoConsult B.V. uit [kantoorplaats] als deskundige ( [website] ).

De enkele omstandigheid dat dit volgens [appellant] leidt tot een vertraging in de procedure leidt niet tot een ander oordeel, omdat de vertraging al een feit is. Een eventuele verdere vertraging is niet aannemelijk.

9.9.

Het hof ziet in hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd geen aanleiding om de hierna te noemen vragen aan de deskundige, die ook zijn vermeld in het tussenarrest van 12 juli 2016, te wijzigen of aan te passen. Het hof wijst erop dat de deskundige de beschikking krijgt over het volledige dossier en daarmee kennis draagt van de nadere vragen die partijen gesteld wensen te zien. Voor zover de deskundige die vragen relevant acht, kunnen zij in het kader van vraag 4 beantwoord worden. Het hof bepaalt dan ook dat de deskundige gemotiveerd en zo nauwkeurig mogelijk antwoord dient te geven op de volgende vragen:

1a) was het door [de vennootschap] in 2007-2008 geplaatste HR++ glas destijds geschikt om te worden aangebracht in de woning van [appellant] ? Wilt u bij beantwoording van deze vraag de kwaliteit van het geplaatste HR++ glas en de plaatsing daarvan, alsmede de toepasselijke veiligheidsnormen bij HR++ glas betrekken.

1b) zo nee, wat is hiervoor een verklaring?

2a) vormde thermische breuk als gevolg van slagschaduwwerking in 2007-2008 een risico ten aanzien van het door [de vennootschap] aangebrachte HR++ glas?

2b) zo ja, wat is hiervoor een verklaring? en

2c) in welke mate was het risico op thermische breukvorming destijds aanwezig, op welke termijn kon dat risico zich verwezenlijken en was dit te voorzien?

2d) in welke mate is het risico op thermische breukvorming nu nog, in welke mate en in welke kozijnen aanwezig?

3a) dient herstel of vervanging van het aanwezige HR++ glas plaats te vinden?

3b) zo ja, in welke kozijnen, wat is de reden daarvoor, op welke wijze dient dit plaats te vinden en wat zijn de daarmee gemoeide kosten?

3c) zo nee, wat is de eventuele schade in geval van het bestaan van het risico op thermische breukvorming?

4) heeft u voor het overige nog opmerkingen die met oog op bovenstaande vragen van belang zijn?

9.10.

De deskundige heeft zijn kosten begroot op € 2.950,00 inclusief btw. De deskundige heeft daarbij aangegeven ermee bekend te zijn dat het hof geen algemene voorwaarden overneemt en aanvaardt dat. De algemene voorwaarden die de deskundige wenst te hanteren zullen door de deskundige ter kennis worden gebracht bij partijen na ontvangst van dit tussenarrest. Het hof gaat ervan uit dat partijen die voorwaarden zullen aanvaarden (eventueel na overleg met de raadsheer-commissaris), bij gebreke waarvan de deskundige zijn opdracht niet behoeft te aanvaarden en het hof uit een weigering de gevolgtrekkingen zal trekken die het gerade acht.

9.11.

In navolging van hetgeen het hof in het tussenarrest van 12 juli 2016 heeft overwogen, komt het voorschot op de kosten van de deskundige ten laste van [appellant] .

9.12.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

10 De uitspraak

Het hof:

10.1.

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in r.o. 9.9 van dit arrest geformuleerde vragen;

10.2.

maakt de benoeming van Lengkeek Expertises ongedaan en benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:

TechnoConsult B.V.,

in de persoon of onder verantwoordelijkheid van de heer ir. C.A. van der Steen
[adres] ( [postcode] ), [kantoorplaats]
postbus 24 ( [postcode] ), [kantoorplaats]
telefoon [netnummer + telefoonnummer] , fax [netnummer + faximilenummer]
e-mail: [e-mailadres] ,

[website]

10.3.

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige en aan partijen toezendt en dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

10.4.

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

10.5.

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

10.6.

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

10.7.

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

10.8.

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van in totaal € 2.950,00 inclusief btw, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

10.9.

bepaalt dat [appellant] laatstgenoemd bedrag zal overmaken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

10.10.

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

10.11.

benoemt mr. M.E. Smorenburg tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

10.12.

verwijst de zaak naar de rol van 3 januari 2017 in afwachting van het deskundigenbericht;

10.13.

verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [appellant] ;

10.14.

bepaalt dat de datum en tijd waarop de deskundige ter plaatse onderzoek zal verrichten, door de deskundige zal worden vastgesteld in overleg met de advocaten van partijen; partijen en hun eventuele adviseurs dienen in de gelegenheid te worden gesteld bij het onderzoek aanwezig te zijn;

10.15.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, M. van Ham en M.E. Smorenburg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 oktober 2016.

griffier rolraadsheer