Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4300

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-09-2016
Datum publicatie
26-02-2018
Zaaknummer
200.174.412_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:3529
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huur bedrijfsruimte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2018/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.174.412/01

arrest van 27 september 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. R.B.J.M. van der Linden,,

tegen:

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] (Zwitserland),

2. [geïntimeerde 2] ,

wonende gevestigd te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. H.J. Heynen te Venlo,

op het bij exploot van dagvaarding van 21 juli 2015 ingeleide hoger beroep van de door de kantonrechter te Roermond van de rechtbank Limburg gewezen vonnissen van 26 maart 2014 en 22 april 2015 tussen appellant - [appellant] - als gedaagde partij en geïntimeerden - [geïntimeerden] - als eisende partij.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 2634515\CV EXPL 13-13695)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 21 juli 2015;

- de memorie van grieven van [appellant] van 13 oktober 2015;

- de memorie van antwoord van [geïntimeerden] van 8 december 2015.

Daarna is uitspraak bepaald op heden. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

Tegen het incidenteel vonnis van 26 maart 2014 zijn geen grieven gericht, zodat [appellant] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn hoger beroep tegen dat vonnis.

4.2

De vaststelling van de feiten in het vonnis van 22 april 2015 onder 2. is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling luidt als volgt (met een door het hof aangebrachte letteraanduiding en aangepaste partijbenaming):

  1. Tussen [geïntimeerden] als verhuurders en Stadskappers en Shop BV respectievelijk [appellant] is op 23 maart 2012 een huurovereenkomst met betrekking tot de winkelruimte op de begane grond en bovengelegen verdieping, alsmede een kelder laatstelijk bekend als [adres] te [vestigingsplaats] gesloten. De huurovereenkomst is ingegaan op 1 februari 2012 voor een periode van vijf jaar, derhalve tot 31 januari 2017. Partijen zijn verder overeengekomen dat de huurovereenkomst tegen het einde van een huurperiode met inachtneming van een termijn van ten minste één jaar kan worden opgezegd. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW uit 2003 van toepassing (hierna A.B.).

  2. De huurprijs bedraagt vanaf 1 februari 2013 € 4.793,60 per maand en dient telkens voor of op de eerste van iedere periode te worden voldaan. Vanaf 1 maart 2013 is geen huur meer betaald.

  3. Op 3 april 2013 is door de rechtbank Oost-Brabant aan Stadskappers en Shop BV uitstel van betaling verleend. Op 8 april 2013 is Stadskappers en Shop BV in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. drs. D.D. Dielissen-Breukers tot curator.

  4. Na het faillissement is het gehuurde niet meer geëxploiteerd. Bij aangetekende brief van 25 april 2013 heeft de curator op grond van artikel 39 Fw namens Stadskappers en Shop BV de huurovereenkomst opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden.

  5. Bij brief van 22 april 2013 heeft de gemachtigde van [geïntimeerden] [appellant] er op gewezen dat het faillissement van de vennootschap zijn verplichtingen als medehuurder onverlet laat. Bij brief van 15 mei 2013 is [appellant] nogmaals verzocht c.q. gesommeerd zijn betalingsverplichtingen na te komen, alsmede de exploitatieverplichting deugdelijk na te komen. In die brief zijn de boetes van artikel 7 respectievelijk artikel 18 lid 2 A.B. aangezegd.

  6. Artikel 7 A.B. luidt:

“Indien huurder zich, na door verhuurder behoorlijk in gebreke te zijn gesteld, niet houdt aan de in de huurovereenkomst en de in deze algemene bepalingen opgenomen voorschriften, verbeurt huurder aan verhuurder, voor zover geen specifieke boete is overeengekomen, een direct opeisbare boete van € 250,= per dag voor elke dag dat huurder in verzuim is. Het vorenstaande laat onverlet het recht van verhuurder op volledige schadevergoeding, voor zover de geleden schade de verbeurde boete overtreft.”

Artikel 18 lid 2 A.B. luidt:

“Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300,= per maand.”

Bij dagvaarding van 10 december 2013 heeft [geïntimeerden] de onderhavige procedure tegen [appellant] aanhangig gemaakt.

4.3

In deze procedure stelt [geïntimeerden] dat de huurovereenkomst ook na de opzegging ervan door de curator in het faillissement van Stadkappers en Shop BV wat [appellant] betreft in stand is gebleven , zodat [appellant] zijn verplichtingen uit die overeenkomst dient na te komen. Daarin schiet [appellant] volgens [geïntimeerden] tekort aangezien hij zowel zijn betalingsverplichtingen als zijn exploitatieverplichting niet nakomt.

4.4

Op grond daarvan vorderde [geïntimeerden] in eerste aanleg, samengevat:

ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [appellant] tot betaling van

  • -

    de huurachterstand tot 1 januari 2014 ten bedrage van € 47.396,= inclusief btw, verminderd met eventuele door de curator ten titel van huur voldane bedragen en te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • -

    de maandelijkse huurprijs van € 4.793,60 inclusief btw vanaf 1 januari 2014 tot aan de datum van de ontbinding, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • -

    de contractuele boete als bedoeld in artikel 18.2 A.B. tot 1 januari 2014 ten bedrage van € 3.000,=, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • -

    de maandelijks verschuldigde boete van € 300,= per maand als bedoeld in artikel 18.2 A.B. vanaf 1 januari 2014 tot aan datum ontbinding, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • -

    de contractuele boete als bedoeld in artikel 7 A.B. ten bedrage van € 61.500,=, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • -

    de dagelijks verschuldigde boete als bedoeld in artikel 7 A.B. vanaf 1 januari 2014 tot aan datum ontbinding, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • -

    als schadevergoeding de verschuldigde huurprijs vanaf de dag van ontbinding tot 31 januari 2017 dan wel de datum van wederverhuur, op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • -

    een bedrag van € 1.893,96 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente,

  • -

    de proceskosten met de wettelijke rente en nakosten.

[appellant] heeft de vorderingen van [geïntimeerden] bestreden.

4.5

De kantonrechter heeft bij incidenteel vonnis van 26 maart 2014 een vordering van [appellant] tot oproeping in vrijwaring toegewezen. Dit betrof de juridisch adviseur van [appellant] bij de totstandkoming van de huurovereenkomst met [geïntimeerden] . In de daarop gevolgde vrijwaringszaak is op 22 april 2015 vonnis gewezen. In het hoger beroep daarvan heeft dit hof op 2 augustus 2016 uitspraak gedaan (zaaknummer 200.174.643/01) waarbij, kort gezegd, de juridisch adviseur is veroordeeld tot betaling van de helft van hetgeen [appellant] in de onderhavige hoofdzaak eventueel aan [geïntimeerden] moet betalen.

4.6

Bij eindvonnis van 22 april 2015 heeft de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerden] toegewezen met uitzondering van de boetes op grond van artikel 7 A.B. en de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten. Wat dat betreft zijn de vorderingen van [geïntimeerden] afgewezen. Daartegen heeft hij niet (incidenteel) geappelleerd, zodat in dit hoger beroep zijn vorderingen alleen aan de orde zijn voor zover door de kantonrechter toegewezen.

4.7

De kantonrechter heeft geoordeeld dat de opzegging van de huurovereenkomst door de curator op basis van artikel 39 Fw alleen geldt ten aanzien van de gefailleerde partij (eindvonnis r.o. 4.1). Met grief I betoogt [appellant] dat de opzegging van de huurovereenkomst door de curator tot gevolg heeft dat de gehele huurovereenkomst is geëindigd en dat de opzegging ook de huurrelatie tussen [geïntimeerden] en hemzelf trof. Volgens [appellant] was [geïntimeerden] zelf ook die mening toegedaan, aangezien hij de bedrijfsruimte aan derden te huur heeft laten aanbieden. Daaruit blijkt volgens [appellant] dat [geïntimeerden] hem na de opzegging door de curator niet langer als huurder beschouwde. [geïntimeerden] heeft een en ander betwist.

4.8

Het hof overweegt hierover het volgende. De huurovereenkomst vermeldt in de aanhef bij de aanduiding van Stadskappers en Shop BV en [appellant] als huurders dat deze beide partijen hoofdelijk, ieder voor het geheel, aansprakelijk zijn voor alle verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeien. Daarmee is expliciet verwoord dat niet alleen de BV maar ook [appellant] zelf afzonderlijk als huurder partij was bij de huurovereenkomst. De opzegging door de curator op grond van artikel 39 Fw betrof uitsluitend de BV als gefailleerde partij en kon ook uitsluitend die partij betreffen. Daarmee is niet tevens de huurovereenkomst tussen [geïntimeerden] en [appellant] beëindigd. Enige wettelijke of contractuele bepaling waaruit dat zou kunnen worden afgeleid is door [appellant] overigens ook niet aangevoerd. Een opzegging van de huurovereenkomst door [geïntimeerden] als verhuurder of door [appellant] als huurder heeft niet plaatsgevonden, zodat de huurovereenkomst tussen hen is blijven bestaan, tot aan de ontbinding door de kantonrechter. De omstandigheid dat [geïntimeerden] op zoek is gegaan naar een nieuwe huurder leidt niet tot een ander oordeel: door [geïntimeerden] is toegelicht dat hij hiermee voldeed aan zijn verplichting tot schadebeperking, hetgeen een plausibele verklaring is voor zijn handelen. In ieder geval zijn door [appellant] geen concrete feiten of omstandigheden vermeld die de conclusie rechtvaardigen dat [geïntimeerden] na de opzegging van de huurovereenkomst door de curator de gehele huurovereenkomst, ook ten aanzien van [appellant] , als beëindigd beschouwde of met een dergelijke beëindiging op enig moment heeft ingestemd. De slotsom is dat grief I wordt verworpen.

4.9

De kantonrechter heeft vastgesteld dat de huurachterstand tot en met 31 december 2013 € 47.396,= bedroeg (r.o. 4.2). Volgens [appellant] is hierbij over het hoofd gezien dat [geïntimeerden] de bankgarantie ten bedrage van € 13.745,= kan innen en verrekenen met de huurachterstand, zodat de vordering tot en met 31 december 2013 geen € 47.396,= bedraagt maar € 33.651,= en de desbetreffende beslissing in het dictum daaraan moet worden aangepast.

4.10

[geïntimeerden] heeft niet betwist dat een bankgarantie tot een bedrag van € 13.745,= is afgegeven, maar stelt zich op het standpunt dat van een vermindering van de huurachterstand geen sprake is zolang de bankgarantie niet is ingeroepen. Daarnaast stelt [geïntimeerden] dat [appellant] geen belang heeft bij deze grief aangezien in de beslissing van de kantonrechter rekening is gehouden met eventuele door de curator ten titel van huur voldane bedragen. Voor zover nodig verzoekt [geïntimeerden] het hof het vonnis van de kantonrechter te bekrachtigen onder de aanvulling dat ook rekening gehouden dient te worden met eventuele ingeroepen bankgaranties.

4.11

Het hof overweegt hierover het volgende. De omstandigheid dat aan [geïntimeerden] een bankgarantie is verstrekt, betekent niet dat de huurachterstand per 31 december 2013 op een lager bedrag gesteld dient te worden. Overigens is niet gesteld of gebleken dat de bankgarantie uitsluitend de verplichting tot betaling van de huur betreft. Wat daar ook van zij: het is evident dat op het bedrag dat uit hoofde van de huurovereenkomst aan [geïntimeerden] verschuldigd is een ingeroepen bankgarantie in mindering strekt. Op zich is dit in het vonnis van 22 april 2015 voldoende verwoord, maar nu [geïntimeerden] geen bezwaar heeft tegen een expliciete vermelding ervan, zal het hof daartoe overgaan. In zoverre slaagt grief II.

4.12

Grief III heeft naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen afzonderlijke bespreking.

4.13

De slotsom is dat het eindvonnis van 22 april 2015 zal worden bekrachtigd, met de hiervoor onder 4.11 aangeduide aanvulling. [appellant] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het eindvonnis van 22 april 2015 waarvan beroep, met dien verstande dat onderdeel 5.2 van het dictum daarvan aldus wordt aangevuld dat tevens rekening gehouden dient te worden met eventuele ingeroepen bankgaranties;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 1.615,= aan vast recht en op € 2.632,= aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, J.Th. Begheyn en Th.J.A. Kleijngeld en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 september 2016.

griffier rolraadsheer