Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4284

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-09-2016
Datum publicatie
30-09-2016
Zaaknummer
200.149.752_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:10208
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huwelijksvermogensrecht; verknochtheid letselschadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0282
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.149.752/01

arrest van 27 september 2016

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. E.B. van den Ouden te Oude-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. I. Vorbach te Venlo ,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 29 september 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda onder zaaknummer C/02/262008/HA ZA 13-231 gewezen vonnis van 30 december 2013.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 29 september 2015 waarbij het hof een meervoudige comparitie heeft gelast;

  • -

    het H12-formulier van de advocaat van [geïntimeerde] van 26 november 2015, met de producties 7 en 8.

  • -

    het proces-verbaal van de meervoudige comparitie op 10 december 2015.

Bij gelegenheid van de meervoudige comparitie is gehoord:

- [geïntimeerde] , bijgestaan door haar advocaat.

[appellante] en haar advocaat zijn, hoewel daartoe opgeroepen, niet verschenen.

Het hof heeft bij de comparitie een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de stukken vermeld in het tussenarrest van 29 september 2015 en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten:

  1. partijen zijn op 29 juni 2007 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.

  2. [geïntimeerde] heeft op 9 september 2010 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Roermond.

  3. bij beschikking van 16 maart 2011 is daarop de echtscheiding uitgesproken;

  4. bij die beschikking is partijen bevolen over te gaan tot verdeling van hun huwelijksgemeenschap;

  5. de echtscheidingsbeschikking is op 18 april 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

  6. partijen zijn het erover eens dat als peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap uitgegaan dient te worden van de datum van ontbinding van het huwelijk (18 april 2011).

6.2.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, gevorderd dat de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen wordt vastgesteld op de door haar aangegeven wijze. De rechtbank heeft daarop die verdeling vastgesteld zoals weergeven in rov. 3.3 tot en met 3.7 van het bestreden vonnis.

6.3.

Partijen kunnen zich, op onderdelen, met die beslissing niet verenigen. [appellante] heeft in principaal appel tien grieven geformuleerd, [geïntimeerde] in incidenteel appel twee.

De grieven zien op de volgende onderwerpen:

- de woning (grieven 1 en 2 in principaal appel);

- de letselschade-uitkering (grief 3 in principaal appel);

- terugbetaling door [appellante] van het door haar van haar ouders geleende geld (grief 4 in principaal appel);

- de aanslag zorgtoeslag 2009 (grief 1 in incidenteel appel);

- de vordering van [crediteur] (grief 2 in incidenteel appel)

De grieven 5 tot en met 10 in principaal appel hebben naast de grieven 1 tot en met 4 in principaal appel geen zelfstandige betekenis, zodat deze niet afzonderlijk zullen worden besproken.

De woning (grieven 1 en 2 in principaal appel)

6.4.1.

De rechtbank heeft de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats 1] (hierna: de woning) toegedeeld aan [appellante] , op voorwaarde dat zij de financiering daarvoor rond zou krijgen op uiterlijk 1 maart 2014. Indien [appellante] daarin niet zou slagen, diende de woning te worden verkocht aan een derde (rov. 2.9 en 3.6).

6.4.2.

De grieven 1 en 2 van [appellante] keren zich tegen de termijn waarop [appellante] de woning mét financiering diende over te nemen.

6.4.3.

[geïntimeerde] heeft bij H12-formulier, prod. 7 stukken overgelegd, waaruit blijkt dat de woning op 28 augustus 2015 is overgedragen aan een derde. Daardoor heeft verdeling reeds plaatsgevonden, waardoor [appellante] geen belang meer heeft bij haar grieven.

De letselschade-uitkering (grief 3 in principaal appel)

6.5.1.

Grief 3 betreft de beslissing van de rechtbank over de letselschade-uitkering. De rechtbank heeft de (toekomstige) letselschade-uitkering aan [appellante] toegedeeld (rov. 3.3) en [appellante] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van:

“[3.4] een bedrag ter grootte van de helft van de aan [appellante] toegekende cq nog toe te kennen vergoeding uit hoofde van het aan haar overkomen ongeval, voor zover de vergoeding ziet op materiële schade die kan worden teruggevoerd op de huwelijkse periode, een en ander wegens overbedeling uit hoofde van de verdeling van de gemeenschap van goederen;”

De grief keert zich tegen rov. 2.21 van het bestreden vonnis, die als volgt luidt:

2.21.

Uit het voorgaande volgt dat de enkele stelling dat sprake is van een letselschade uitkering niet voldoende is voor de gevolgtrekking dat sprake is van verknochtheid. Het ligt op de weg van de gelaedeerde echtgenoot, [appellante] , om voldoende gemotiveerd te stellen en zonodig te bewijzen dat sprake is van toekomstige schade als bedoeld in r.o. 2.20. hiervoor. De rechtbank is van oordeel dat zij zulks niet heeft gedaan. Zij heeft onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat (een deel van) de letselschadevergoeding aan haar verknocht zou zijn. Zij heeft geen enkel stuk ingebracht met betrekking tot de uitkering, noch met betrekking tot het in België daarover gevoerde proces dan wel onderhandelingen. De rechtbank zal derhalve het standpunt van [geïntimeerde] volgen.

Ter toelichting op haar grief voert [appellante] het volgende aan.

Op 14 oktober 2003 is zij betrokken geweest bij een verkeersongeval waarbij zij ernstige verwondingen heeft opgelopen. In het kader van haar financiële genoegdoening heeft zij “voor al haar gemaakte (medische) kosten” in de voorhuwelijkse periode een voorschot ontvangen van € 45.000,- (mvg, pt. 5 en 12). Dit bedrag is toen ook aangewend om (medische) kosten te vergoeden. In de huwelijkse periode (29 juni 2007-18 april 2011) is nog een bedrag van € 5.000,- als voorschot ontvangen “naar aanleiding van de letselschade en gemaakte kosten in die periode” (mvg, pt. 6). Ook dat bedrag is aangewend om materiële schade te vergoeden en is “derhalve reeds geconsumeerd tijdens de periode huwelijk” (mvg, pt. 12).

“Het nog resterende deel van de letselschadevergoeding” is bestemd voor vergoeding van toekomstige schade zoals omschreven door de rechtbank in rov. 2.10 (mvg, pt. 12).

6.5.2.

[geïntimeerde] voert hiertegen het volgende aan. [appellante] heeft op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt uit welke schadeposten de door haar als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade bestaat. De brief van haar raadsman die zij in hoger beroep heeft overgelegd is in dat verband ontoereikend. Uit die brief wordt veeleer duidelijk dat de reeds betaalde bedragen “voorschotten onder algemene titel” zijn. Het eerste voorschot van € 45.000,- was overigens al opgesoupeerd tijdens het eerste huwelijk van [appellante] . Het nog resterende deel van de letselschadevergoeding is niet bestemd voor vergoeding van toekomstige schade.

6.5.3.

Het hof oordeelt als volgt.

In zijn beschikking van 24 juni 2016 heeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld:

“[3.3.3] Volgens vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vragen of een goed op de voet van art. 1:94 lid 3 BW op enigerlei bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.” (HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293.)

Voor de jurisprudentie over de verknochtheid van vergoedingen aan ongevalsslachtoffers (zoals [appellante] ) vervolgens, verwijst het hof kortheidshalve naar de conclusie van AG Langemeijer voor de zojuist genoemde beschikking van de Hoge Raad:

“[2.7] Op 3 november 2006, herhaald op 7 december 2012, overwoog de Hoge Raad (…) [HR 3 november 2006, ECLI:NL:HR:2008:AX7805; HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, hof] omtrent een vergoeding van schade, door een echtgenoot geleden als gevolg van een ongeval (uitgekeerd in de vorm van een bedrag ineens), dat deze niet reeds op basis van het feit dat de vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon verbonden nadelige gevolgen van het ongeval, buiten de huwelijksgoederengemeenschap valt. Steeds behoren de omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Daarbij achtte de Hoge Raad met name van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokkene als gevolg van het ongeval in de toekomst in de periode na de ontbinding van de gemeenschap zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen. (voetnoten weggelaten.)

[appellante] heeft aangevoerd dat de door haar al ontvangen voorschotbedragen van € 45.000,- en € 5.000,- waren bestemd voor vergoeding van reeds voor de ontbinding van de huwelijksgemeenschap (en zelfs voor het huwelijk) gemaakte medische kosten. Daarmee zijn deze voorschotbedragen geen vergoedingen die betrekking hebben op schade die [appellante] in de periode na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap lijdt (en vallen deze vergoedingen ook niet om die reden buiten die gemeenschap). De vergoedingen zijn vervolgens daadwerkelijk aangewend om die kosten te betalen (dit is niet weersproken door [geïntimeerde] ), zodat deze vergoedingen, hoe dan ook (het bedrag van € 45.000,- is zelfs voor het huwelijk uitgegeven) op de peildatum niet meer aanwezig waren, en dus ook niet verdeeld kunnen worden. In zoverre slaagt de grief van [appellante] .

Waar het betreft het nog resterende deel van de letselschadevergoeding, laat [appellante] ook in hoger beroep na haar stelling dat die vergoeding betrekking heeft op schade die zij als gevolg van het ongeval in de periode na de ontbinding van de gemeenschap zal lijden, te onderbouwen. [appellante] legt alleen een verklaring over van de raadsman/advocaat van [appellante] in België, maar niet een objectief toetsbaar stuk (van bijvoorbeeld de schadeplichtige) waaruit blijkt dat een nog resterend deel van de vergoeding betrekking heeft op schade die [appellante] als gevolg van het ongeval in de periode na de ontbinding van de gemeenschap zal lijden. In zoverre faalt de grief van [appellante] .

De slotsom van het voorgaande is dat het hof het nog resterende deel van de letselschade-uitkering aan [appellante] zal toedelen en [appellante] zal veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag ter grootte van de helft van die uitkering.

Regres ter zake van terugbetaling door [appellante] van het door haar van haar ouders geleende geld (grief 4 in principaal appel)

6.6.1.

De vierde grief van [appellante] ziet op de rov. 2.31 tot en met 2.33 waarin de rechtbank als volgt heeft geoordeeld:

“(…) niet of onvoldoende is komen vast te staan dat [appellante] het van haar ouders geleende geld heeft terugbetaald. Immers, in de stukken stelt zij zulks weliswaar, echter bij gelegenheid van de comparitie van partijen stelt zij juist dat partijen het geleende geld nimmer hebben terugbetaald. De rechtbank volgt [appellante] derhalve niet in haar stelling dat [geïntimeerde] in het kader van verrekening in dit verband een bedrag van € 750, aan haar dient te voldoen.”

Ter toelichting op haar grief voert [appellante] het volgende aan. De rechtbank had meer informatie moeten vragen om te kunnen bepalen of de lening door [appellante] is terugbetaald. Een verklaring van de ouders van [appellante] ter onderbouwing van de stelling van [appellante] zal op een later moment nog in de procedure worden gebracht.

6.6.2.

[geïntimeerde] voert hiertegen het volgende aan.

Partijen hebben het van de ouders van [appellante] geleende geld samen terugbetaald. De ouders van [appellante] wilden dat partijen het bedrag dat zij geleend hadden voor de verbouwing van de badkamer zo snel mogelijk zouden terugbetalen. Partijen hebben het geleende bedrag dan ook na ontvangst van een belastingteruggave terugbetaald aan de ouders van [appellante] .

6.6.3.

Het hof oordeelt als volgt. Aan de vordering van [appellante] ontbreekt iedere feitelijke grondslag (wanneer heeft [appellante] de lening terugbetaald? hoe heeft zij die terugbetaling gefinancierd? wat was er met de ouders afgesproken over de terugbetaling? gebeurde terugbetaling op eigen initiatief of op verzoek van de ouders? is de lening contant afgelost of is het geld overgemaakt?). Een onderbouwing met stukken, ontbreekt evenzeer (niettegenstaande de toezegging van [appellante] , heeft het hof geen verklaring van de ouders ontvangen). Met het aldus enkel innemen van de blote stelling dat zij de lening aan haar ouders heeft terugbetaald, heeft [appellante] niet voldaan aan de dienaangaande op haar rustende stelplicht. Aan bewijslevering wordt dan niet toegekomen. De rechter heeft, anders dan [appellante] meent, ook niet tot taak (en hem komt ook niet zo’n verstrekkende bevoegdheid toe) om in het algemeen “informatie op te vragen”. Grief 3 faalt mitsdien.

De aanslag zorgtoeslag 2009 (grief 1 in incidenteel appel)

6.7.1.

De rechtbank heeft als volgt geoordeeld:

[2.17] Voor wat betreft de aanslag zorgtoeslag 2009 heeft te gelden dat deze betrekking heeft op de huwelijkse periode en dat dit een huwelijkse schuld betreft. Nu een bedrag van € 902,= al eerder is betaald/verrekend en gesteld noch gebleken is wanneer deze betaling heeft plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat [appellante] (uitsluitend) de helft van het resterende bedrag van € 406,=, dat onbetwist middels verrekening door [geïntimeerde] is of wordt voldaan, derhalve € 203,= in het kader van de afwikkeling van verrekenposten aan [geïntimeerde] dient te voldoen.”

6.7.2.

De grief van [geïntimeerde] houdt in dat [appellante] niet slechts de helft van het resterende bedrag van € 406,- (= € 203,-) aan haar moet betalen, maar de helft van de volledige aanslag van € 1.308,- (= € 654,-). De gehele terugvordering (door de Belastingdienst) is na het uiteengaan van partijen namelijk door [geïntimeerde] betaald c.q. verrekend met aan [geïntimeerde] toekomende tegemoetkomingen. Bij H12-formulier heeft [geïntimeerde] nog een productie 8 (“diverse bescheiden ten aanzien van zorgtoeslag 2009”) overgelegd.

6.7.3.

[appellante] heeft verweer gevoerd.

6.7.4.

Het hof oordeelt als volgt. De stukken die [geïntimeerde] heeft overgelegd bieden geen steun voor haar stelling dat zij de terugvordering heeft betaald ná ontbinding van de huwelijksgemeenschap (op 18 april 2011). Al deze stukken zien namelijk op de huwelijkse periode. Er zijn twee uitzonderingen. De brief van de Belastingdienst is van 3 mei 2013, maar deze houdt alleen in dat een kopie van een door [geïntimeerde] gevraagde beschikking wordt toegezonden. Verder is er nog een mededeling van de Belastingdienst van 12 november 2013, waarin weliswaar melding wordt gemaakt van een betaling van € 68,-, maar die betaling kan ook zijn begrepen in de betaling door [geïntimeerde] van het resterende bedrag van € 406,- (en met die betaling heeft de rechtbank al rekening gehouden).

De grief faalt daarom.

De vordering van [crediteur] (grief 2 in incidenteel appel)

6.8.1.

[geïntimeerde] is bij vonnis van de kantonrechter te [woonplaats 2] van 1 februari 2012 (inl. dv, bijlage 11) veroordeeld om aan [crediteur] Verwarming te betalen een bedrag van € 102,83, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 4% per jaar over € 64,08 vanaf 22 augustus 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Voorts is [geïntimeerde] daarbij veroordeeld in de kosten van de procedure van € 219,31.

[geïntimeerde] heeft niet voldaan aan de veroordeling, waarna op 28 februari 2012 het vonnis aan haar is betekend met bevel tot betaling. Nadat [geïntimeerde] hier niet aan heeft voldaan, is op 11 april 2012 executoriaal beslag gelegd op haar WIA-uitkering.

6.8.2.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat [appellante] aan haar een bedrag dient te voldoen van € 611,19 (het totaalbedrag waarvoor het beslag is gelegd (inl. dv, bijlage 12)).

6.8.3.

De rechtbank heeft als volgt geoordeeld:

“[2.27] De rechtbank acht het, alle omstandigheden in aanmerking nemende, redelijk dat de door de kantonrechter vastgestelde kosten ter grootte van € 102,83, vermeerderd met de proceskosten ad € 219,31 door beide partijen bij helfte worden gedragen en dat de overige kosten voor rekening van [geïntimeerde] dienen te blijven. Dit betekent dat [appellante] aan [geïntimeerde] dient te voldoen een bedrag van [hof: € 102,83 + € 219,31 = € 322,14 : 2 =] € 161,07.”

6.8.4.

Volgens [geïntimeerde] dienen ook de overige kosten van in totaal [hof: € 611,19 minus € 322,14 =] € 289,05 door partijen bij helfte te worden gedragen. De overeenkomst met [crediteur] (onderhoud en huur van een cv-ketel) stond weliswaar op [geïntimeerde] ’ naam en de facturen dienaangaande (die zagen op de eerste twee kwartalen van 2011; rov. 2.25 bestreden vs) zijn ook gericht aan haar, maar de facturen zijn verzonden naar het adres van de voormalige echtelijke woning, waar toen alleen nog [appellante] woonde. [appellante] was dus op de hoogte van deze kosten.

Na ontvangst van de dagvaarding (voor de kantonrechter) heeft [geïntimeerde] daarvan mededeling gedaan aan [appellante] , en heeft zij [appellante] verzocht tot betaling over te gaan. Op dit betalingsverzoek heeft [appellante] niet meer gereageerd. Omdat [geïntimeerde] onvoldoende middelen had om de vordering van [crediteur] volledig te voldoen, heeft zij de bijkomende kosten niet kunnen voorkomen.

6.8.5.

[appellante] heeft verweer gevoerd.

6.8.6.

Het hof oordeelt als volgt. De kosten van € 102,83 en € 219,31 hebben nog betrekking op de huwelijkse periode. Het gaat immers om kosten die voortvloeien uit een huurovereenkomst met [crediteur] die reeds tijdens het huwelijk bestond, terwijl de niet-betaalde facturen de eerste twee kwartalen van 2011 betroffen (waarbij de huwelijksgemeenschap pas in de loop van het tweede kwartaal is ontbonden). In zoverre is sprake van een huwelijkse schuld. Daaraan doet niet af dat de huurovereenkomst op naam stond van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft voor de helft van dat bedrag regres op [appellante] , zoals de rechtbank ook heeft geoordeeld.

De overige kosten (€ 289,05) zijn echter het gevolg zijn van het niet-voldoen door [geïntimeerde] aan de tegen haar uitgesproken veroordeling door de kantonrechter en zijn niet aan te merken als huwelijkse schuld. De dagvaarding voor de kantonrechter is namelijk uitgebracht op 22 augustus 2011 en toen was de huwelijksgemeenschap (op 18 april 2011) al ontbonden. Die kosten betreffen daarmee een eigen schuld van [geïntimeerde] , die buiten de huwelijksgemeenschap valt en die zij volledig voor haar rekening zal moeten nemen. [geïntimeerde] heeft als reden voor het niet-voldoen aan de veroordeling door de kantonrechter nog aangevoerd, dat zij daarvoor onvoldoende middelen had, maar die stelling heeft zij nagelaten te onderbouwen. De grief faalt mitsdien.

6.9.

Gelet op hetgeen hiervóór is overwogen, wordt het in algemene termen geformuleerde bewijsaanbod van [appellante] gepasseerd.

6.10.

In het bestreden vonnis zijn de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

[geïntimeerde] heeft de veroordeling van [appellante] gevorderd in de proceskosten van beide instanties.

Het hof zal deze vordering afwijzen en, nu partijen gewezen echtgenoten zijn, ook de proceskosten in hoger beroep compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.11.

Op grond van het voorgaande wordt thans als volgt beslist.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 december 2013, doch alleen voor zover daarbij:

  • -

    aan [appellante] is toegedeeld “de (toekomstige) letselschade-uitkering” (rov. 3.3 van het bestreden vonnis);

  • -

    [appellante] is veroordeeld tot betaling van een bedrag ter grootte van de helft van de aan [appellante] toegekende cq nog toe te kennen vergoeding uit hoofde van het aan haar overkomen ongeval, voor zover de vergoeding ziet op materiële schade die kan worden teruggevoerd op de huwelijkse periode (rov. 3.4 van het bestreden vonnis);

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

deelt toe aan [appellante] het nog resterende deel van de letselschade-uitkering;

veroordeelt [appellante] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag ter grootte van de helft van de letselschade-uitkering;

compenseert de proceskosten van dit hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, W.Th.M. Raab en M.J. van Laarhoven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 september 2016.

griffier rolraadsheer