Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4282

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-09-2016
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
200.144.380_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:6704
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2346
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:1685
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:4028
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deskundigenbericht.

Vermogensrelatie. Perpetuals en steepeners

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.144.380/01

arrest van 27 september 2016

in de zaak van

1 [beheer] Beheer B.V.,

2. Semax B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. J.G. Molenaar te Amsterdam,

tegen

F. van Lanschot Bankiers N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 14 juni 2016 in het hoger beroep van de door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch (thans: rechtbank Oost-Brabant) respectievelijk de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch onder zaaknummer C/01/202943/HA ZA 09-2705 gewezen vonnissen van 16 mei 2012 en 27 november 2013.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 14 juni 2016;

  • -

    de akte uitlating benoeming deskundige van [directeur beheer] ;

  • -

    de akte uitlating benoeming deskundige van Van Lanschot met één productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij genoemd tussenarrest zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten omtrent de in rov. 3.14.5 en 3.19.1 vermelde doeleinden, en is iedere verdere beslissing aangehouden.

6.2.

Partijen zijn het er over eens dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige. Van Lanschot heeft ingestemd met de door [directeur beheer] voorgedragen persoon prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen; deze persoon zal daarom tot deskundige worden benoemd.

6.3.

[directeur beheer] heeft ingestemd met de vraagstelling van het hof in rov. 3.14.4 van het tussenarrest. [directeur beheer] heeft verzocht de onderzoeksopdracht aan de deskundige uit te breiden met de in rov. 3.14.6. van het tussenarrest aan [directeur beheer] gegeven instructie om na het deskundigenbericht (in de memorie na deskundigenbericht) aan te geven of en zo ja wanneer en op welk(e) tijdstip(pen) de door de deskundige vast te stellen percentages in de obligatieportefeuilles zijn overschreden en om welk percentage perpetuals en/of steepeners het hierbij gaat. [directeur beheer] heeft voorts verzocht de deskundige reeds opdracht te geven voor de begroting van de door [directeur beheer] geleden schade.

Het hof zal de onderzoeksopdracht aan de deskundige niet uitbreiden. De deskundige dient zich alleen te buigen over de vragen welk(e) percentage(s) aan perpetuals en steepeners in de betreffende periodes in het algemeen respectievelijk bij de onderhavige obligatieportefeuilles met een defensief profiel aanvaardbaar was. Pas daarna is de in het tussenarrest in rov. 3.14.6 en 3.17.4 aan [directeur beheer] gegeven instructie aan de orde; een deskundigenbericht is daarvoor ook niet nodig. De begroting van de schade is pas aan de orde als vaststaat dat op tijdstippen in de betreffende periode als gevolg van adviezen van Van Lanschot de door de deskundige vast te stellen percentages zijn overschreden.

6.4.

Van Lanschot vraagt zich af of de deskundige wel in algemene zin een oordeel kan geven over de aanvaardbaarheid van een zeker percentage aan perpetuals en steepeners in een obligatieportefeuille met een bepaald risicoprofiel.

Of de deskundige al dan niet in algemene zin een oordeel kan geven over deze kwestie zal blijken uit het antwoord van de deskundige.

Volgens Van Lanschot dient de deskundige in zijn onderzoek mede te betrekken dat [directeur beheer] bij een defensief profiel een rendement wenste van 5% tot 6% gemiddeld per jaar

In rov. 3.16.4 van het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat het streven van [directeur beheer] om een rendement te halen van 5% tot 6% gemiddeld per jaar destijds, in 2002, volgens Van Lanschot paste bij een defensief risicoprofiel en dat het feit dat [directeur beheer] , zoals Van Lanschot stelt, wilde vasthouden aan een rendement van 5% tot 6% gemiddeld per jaar niet betekent dat [directeur beheer] van het vastgestelde risicoprofiel defensief wilde afwijken of dat hij met een hoger risicoprofiel instemde. Voor de door Van Lanschot gestelde uitbreiding van de vraagstelling, waarbij Van Lanschot kennelijk ervan uitgaat dat gedurende de gehele onderzoeksperiode (2002 tot en met 2007) een dergelijk streefrendement haalbaar was bij een defensieve portefeuille, ziet het hof dan ook geen aanleiding.

Volgens Van Lanschot houdt de vraagstelling van het hof geen rekening met de in de loop der tijd gewijzigde inzichten of veranderde marktomstandigheden in de periode na 2002.

Het hof zal dit in de vraagstelling nadrukkelijker naar voren brengen.

6.5.

Het hof bepaalt dat de deskundige ter beantwoording van de vraag of de obligatieportefeuilles van [beheer] Beheer (met nummer [obligatieportefeuille 1] ) en Semax (met nummer [obligatieportefeuille 3] ) op tijdstippen in de periode van oktober 2002 respectievelijk begin 2003 tot ultimo 2007 volgens de toen geldende inzichten binnen het risicoprofiel defensief zijn gebleven, gemotiveerd en zo nauwkeurig mogelijk antwoord dient te geven op de volgende vragen:

1. welk(e) percentage(s) aan perpetuals en steepeners (tezamen en afzonderlijk) in de betreffende periodes was in het algemeen aanvaardbaar bij obligatieportefeuilles behorende bij een defensief risicoprofiel?

2. welk(e) percentage(s) aan perpetuals en steepeners (tezamen en afzonderlijk) in de betreffende periodes was aanvaardbaar bij de onderhavige obligatieportefeuilles met een afgesproken defensief risicoprofiel? Daarbij dient de deskundige in aanmerking te nemen dat bij deze defensieve risicoprofielen (destijds) een bandbreedte hoorde van 60-80% voor vastrentende waarden en liquiditeiten en 20-40% voor zakelijke waarden.

De deskundige dient bij de beantwoording van de vragen 1. en 2. ermee rekening te houden dat in de periode van oktober 2002 respectievelijk begin 2003 tot ultimo 2007 de inzichten kunnen zijn gewijzigd.

3. Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?

6.6.

De kosten van de deskundige zullen voorshands ten laste van [directeur beheer] worden gebracht, zijnde de eisende partij als bedoeld in artikel 195 Rv.

7 De uitspraak

Het hof:

7.1.

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 6.5. van dit arrest geformuleerde vraag/vragen;

7.2.

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vraag/vragen:

prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen,

Financial Bridge B.V.,

[adres] ,

[postcode] [kantoorplaats] ,

tel.: [telefoonnummer] ,

[e-mailadres]

7.3.

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

7.4.

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

7.5.

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van in totaal € 18.513,- inclusief 21% btw, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat partij [directeur beheer] laatstgenoemd bedrag zal overmaken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

7.6.

benoemt mr. S. Riemens tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

7.7.

verwijst de zaak naar de rol van 24 januari 2016 in afwachting van het deskundigenbericht;

Verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [directeur beheer] ;

7.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, S. Riemens en D.A.E.M. Hulskes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 september 2016.

griffier rolraadsheer