Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:426

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
25-04-2016
Zaaknummer
15/00023
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:8402, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:341, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Handelswaarde ingevoerde auto.

Belanghebbende heeft aangifte van registratie van een ingevoerde auto en is daarbij uitgegaan van de koerslijst Autotelex Pro. Daarbij is uitgegaan van een onjuiste CO2-uitstoot. Naheffingsaanslag wordt door het Hof verminderd in verband met lagere tussentijdse bruto BPM en een extra leeftijdskorting in verband met verstreken periode tussen tijdstip aangifte en tijdstip registratie. Vergoeding van rente op grond van artikel 28c Inv. Wet voor zover teruggaaf voortvloeit uit toepassing van het gunstigere tussenliggende tarief. Proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 28c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/966
V-N 2016/27.1.3
NTFR 2016/1464 met annotatie van Mr. M.W.C. Soltysik
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00023

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] v.o.f.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 27 november 2014, nummer AWB 13/4203, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft met dagtekening 29 juni 2012 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een motorrijtuig van het merk [automerk] type [type] met identificatienummer [nummer] . De verschuldigde belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: de BPM) ten bedrage van € 9.635 is met valutadatum 4 juli 2012 voldaan. De Inspecteur heeft met dagtekening 1 februari 2013 een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 1.266. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 318.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 497.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 23 november 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, ter bijstand vergezeld van mevrouw [B] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [C] en [D] .

1.5.

Beide partijen hebben voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota’s worden geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.6.

De Inspecteur heeft ter zitting een aanvullende pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en de wederpartij.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende heeft met dagtekening 29 juni 2012 aangifte BPM gedaan ter zake van de registratie van een ingevoerde, gebruikte personenauto van het merk [automerk] type [type] met identificatienummer [nummer] (hierna: de auto). De BPM ten bedrage van € 9.635 is met valutadatum 4 juli 2012 voldaan. De datum van eerste toelating van de auto in het buitenland is 29 december 2011.

2.2.

Voor de berekening van de verschuldigde BPM heeft belanghebbende de handelswaarde berekend aan de hand van de koerslijstwaarde van Autotelex Pro met dagtekening 5 juli 2012. Belanghebbende heeft de verschuldigde BPM van € 9.635 als volgt berekend:

Historische nieuwprijs

€ 79.158

Inkoopwaarde volgens koerslijst

€ 52.398

Kilometercorrectie

€ 150

Inkoopwaarde

€ 52.248

Afschrijving

€ 26.910

Afschrijvingspercentage

34,0 %

Historische BPM

€ 14.599

Afschrijving

€ 4.964

Verschuldigde BPM

€ 9.635

Volgens de gegevens van Autotelex Pro is de historische nieuwprijs opgebouwd uit de consumentenprijs van € 69.900 en opties van € 9.258. De handelswaarde (inkoopwaarde per 5 juli 2012) bestaat uit een basis handelswaarde van € 48.017, opties van € 4.381 en een correctie wegens de kilometerstand van € 150 (negatief).

2.3.

Bij brief van 7 september 2012 heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag aangekondigd, omdat belanghebbende bij de aangifte is uitgegaan van den CO2-uitstoot van 158 g/km, terwijl de werkelijke CO2-uitstoot 170 g/km bedraagt. De Inspecteur berekent de historische BPM op € 17.023 en de verschuldigde BPM op € 10.901.

2.4.

Belanghebbende heeft op de vooraankondiging van de naheffingsaanslag, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet gereageerd. De Inspecteur heeft vervolgens de naheffingsaanslag opgelegd met dagtekening 1 februari 2013.

2.5.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar aangetekend en daarbij gesteld dat het belastbaar feit (registratie) heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2012 en niet op 29 juni 2012. Voorts heeft zij een nieuwe koerslijst overgelegd van XRAY, waaruit een handelswaarde volgt van € 45.192. De historische nieuwprijs is vastgesteld op € 69.300, te verhogen met € 12.280 ter zake van opties.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is de Rechtbank buiten de rechtsstrijd getreden?

II. Is de naheffingsaanslag op het juiste bedrag vastgesteld?

III. Belet artikel 10, zevende lid, Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) dat belanghebbende in bezwaar een beroep doet op een andere koerslijst dan waarvan zij is uitgegaan bij het doen van aangifte?

IV. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van rente met toepassing van artikel 28c van de Invorderingswet 1990?

V. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van werkelijke proceskosten?

Belanghebbende is van mening dat de vragen I, IV en V bevestigend beantwoord dienen te worden en de vragen II en III ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben partijen hieraan het volgende toegevoegd.

Belanghebbende:

De bruto BPM volgens het laagste tussentijdse tarief bedraagt € 16.761.

Indien het Hof de inkoopwaarde per 5 juli 2012 van de Inspecteur volgt, kan voor de extra leeftijdskorting worden uitgegaan van de forfaitaire tabel (2,25%).

Het bedrag aan accessoires is op pragmatische wijze berekend om op een totaalbedrag van € 81.580 te komen. Het bedrag van € 69.300 kan ik niet veranderen, dus ik kan alleen maar aan het bedrag van de opties sleutelen. De juiste CO2-uitstoot is verwerkt, aangezien er uitgegaan wordt van een totale historische nieuwprijs van € 81.580.

De Inspecteur:

Ik ben akkoord met de bruto BPM van € 16.761.

De registratiedatum is inderdaad 4 augustus 2012, zoals belanghebbende stelt, en dan zou nog recht bestaan op een extra leeftijdskorting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak van de Inspecteur en van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert – naar het Hof begrijpt – alsnog tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de naheffingsaanslag rekening houdend met een bruto BPM van € 16.761 en een extra leeftijdskorting.

4 Gronden

Voorafgaande opmerkingen

4.1.

Belanghebbende refereert in diverse stukken naar een naheffingsaanslag tot een bedrag van € 1.629. Uit bijlage 4 bij het verweerschrift van de Inspecteur voor de Rechtbank blijkt dat de naheffingsaanslag € 1.266 bedraagt, zoals belanghebbende ook heeft vermeld in de pleitnota voor de Rechtbank. Het Hof is niet bekend met een naheffingsaanslag tot een bedrag van € 1.629. Het Hof veronderstelt dat vermelding van dit bedrag op een vergissing van belanghebbende berust en gaat uit van een naheffingsaanslag ten bedrage van € 1.266.

4.2.

Belanghebbende heeft in de motivering van het hoger beroep een opmerking gemaakt over heffingsrente, naar aanleiding van een passage uit de brief waarin het voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag wordt aangekondigd. In die brief staat dat wanneer heffingsrente in rekening wordt gebracht, dit apart wordt vermeld. Aangezien op de naheffingsaanslag van 1 februari 2013 geen heffingsrente wordt vermeld, is er geen sprake van een beschikking heffingsrente, zodat dit ook geen onderdeel van het geschil vormt.

Ten aanzien van het geschil

Vraag I: Rechtsstrijd

4.3.

Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de Rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden door een oordeel te vellen over de toepassing van artikel 10, zevende lid, Wet BPM. Het Hof kan belanghebbende hierin niet volgen. Tussen partijen is de naheffingsaanslag in geschil en in het bijzonder de daaraan ten grondslag liggende vraag naar de handelswaarde van de auto ten tijde van de registratie. De Inspecteur heeft in dat kader voor de Rechtbank verdedigd, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting, dat belanghebbende geen beroep kan doen op de in bezwaar overgelegde koerslijst XRAY, aangezien artikel 10, zevende lid, Wet BPM dat niet toestaat. Belanghebbende heeft dit standpunt ter zitting bestreden. De Rechtbank is dan ook niet buiten de rechtsstrijd getreden.

Vragen II en III: Hoogte naheffingsaanslag en toepassing artikel 10, zevende lid, Wet BPM

4.4.

Partijen verschillen van mening over de handelswaarde van de auto. De bewijslast ter zake rust op de Inspecteur. De Inspecteur heeft ter onderbouwing van de door hem verdedigde handelswaarde verwezen naar de door belanghebbende zelf aangedragen gegevens, waaronder de koerslijstwaarde van Autotelex Pro. De koerslijst van Autotelex Pro is een algemeen aanvaarde koerslijst binnen de autobranche. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat de auto op 5 juli 2012 een handelswaarde van € 52.248 had. Tussen partijen staat echter vast dat de registratiedatum van de auto 4 augustus 2012 is. Ter zitting zijn partijen het erover eens geworden, dat wanneer het Hof de door de Inspecteur verdedigde waarde per 5 juli 2012 aannemelijk acht, in dat geval voor het bepalen van de waarde per registratiedatum 4 augustus 2012 een correctie mag worden toegepast aan de hand van de tabel van artikel 8, zesde lid, Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. In dit geval betekent dit een extra afschrijving van 2,25%.

4.5.

Belanghebbende verdedigt bij nader inzien een handelsinkoopwaarde van € 45.192 en baseert deze waarde op een uitdraai van de koerslijst XRAY. De Inspecteur heeft gesteld dat op grond van artikel 10, zevende lid, Wet BPM geen beroep kan worden gedaan op andere gegevens (waaronder een andere koerslijst) dan die bij de aangifte zijn gebruikt.

Voorts stelt de Inspecteur dat de in de bezwaarfase ingebrachte koerslijstuitdraai is gebaseerd op een andere auto, althans een auto met andere kenmerken, dan de ingevoerde auto.

Het in de koerslijst XRAY vermelde bedrag aan accessoires wijkt aanmerkelijk af van het bedrag, dat belanghebbende zelf aanvankelijk in de aangifte heeft vermeld en dat gebaseerd is op de gegevens van Autotelex Pro.
Belanghebbende heeft erkend dat het bedrag aan accessoires in de door haar overgelegde koerslijst XRAY zodanig is aangepast dat een historische nieuwprijs van € 81.580 zou worden bereikt, uitgaande van een consumentenprijs exclusief accessoires van € 69.300. Het Hof begrijpt dit zo, dat het aldus vermelde bedrag aan accessoires niet op de werkelijkheid berust. Het Hof is dan ook van oordeel dat in de door belanghebbende aangedragen koerslijst XRAY gegevens van een auto zijn ingevuld, die niet overeenstemmen met de werkelijkheid. Daarmee is de door XRAY vastgestelde handelswaarde niet controleerbaar, mede nu het tempo van afschrijving van ‘de basisauto’ en de accessoires in de tijd niet gelijk zal zijn. Het Hof is dan ook van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de handelswaarde van de auto op het tijdstip van registratie lager is dan de door de Inspecteur verdedigde waarde na correctie van één maand extra afschrijving. De vraag of artikel 10, zevende lid, Wet BPM belet om in bezwaar een andere koerslijst in te brengen, behoeft alsdan geen behandeling.

4.6.

Tussen partijen staat vast dat de CO2-uitstoot 170 g/km bedraagt en niet 158 g/kg, waarvan Autotelex Pro is uitgegaan. Dit betekent dat de historische nieuwprijs alsmede de bruto BPM moeten worden aangepast ten opzichte van de in de aangifte vermelde gegevens. Partijen zijn in dat geval eensluidend van mening dat de bruto BPM - mede gelet op artikel 10b Wet BPM (laagste tussentijdse tarief) - € 16.761 bedraagt. De historische nieuwprijs bedraagt in dat geval:

- netto catalogusprijs € 54.252

- btw 19% € 10.307

- bpm € 16.761

Historische nieuwprijs € 81.320.

Het Hof berekent de handelswaarde – gelet op het onder 4.5 overwogene – op € 52.248 -/- (2,25% x € 81.320) = € 50.418.

4.7.

Gelet op het voorgaande dient de afschrijving te worden bepaald op € 81.320 -/- € 50.418 = € 30.902. Het afschrijvingspercentage bedraagt dan 38%. De verschuldigde BPM kan dan worden vastgesteld op (1 -/- 38%) x € 16.761 = € 10.391. De naheffingsaanslag moet worden verminderd naar een bedrag van € 10.391 -/- € 9.635 = € 756.

Vraag IV: Vergoeding van rente

4.8.

Belanghebbende heeft – voor het eerst in de pleitnota in hoger beroep – gesteld dat recht bestaat op vergoeding van rente, gelet op het arrest HvJ EU 18 april 2013, C 565/11, ECLI:EU:C:2013:250, Mariana Irimie. Belanghebbende merkt daarbij op dat de naheffingsaanslag op verzoek van de Inspecteur is voldaan. De Inspecteur heeft deze stelling niet weersproken, zodat het Hof uitgaat van de juistheid van deze stelling. Dit roept de vraag op of recht bestaat op vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990. Daarvoor is vereist dat de betreffende belasting in strijd met het Unierecht is geheven. De door het Hof hiervóór vastgestelde vermindering van de naheffingsaanslag vindt enerzijds zijn grond in het feit dat de bruto BPM is verminderd als gevolg van de toepassing van het gunstigere tussenliggende tarief en anderzijds in het feit dat het belastbaar feit, de registratie van de auto, op 4 augustus 2012 is, terwijl de belasting was berekend op grond van de handelswaarde van de auto op 5 juli 2012. Dat de belasting is berekend op grond van de handelswaarde van de auto op 5 juli 2012 was gelegen in het feit dat belanghebbende zelf ervoor heeft gekozen om ruim voor de registratiedatum aangifte te doen. De vermindering van de naheffingsaanslag heeft naar het oordeel van het Hof dan ook niets te maken met een verkeerde toepassing van het Unierecht, maar met de eigen handelwijze van belanghebbende als gevolg waarvan de belasting wordt berekend naar een waarde op een verkeerd tijdstip. Het Hof verwerpt dan ook de stelling van belanghebbende dat in zoverre op grond van de rechtspraak van het HvJ EU dan wel het daaruit voortvloeiende artikel 28c van de Invorderingswet 1990 recht bestaat op vergoeding van rente over de terug te betalen belasting. Ten aanzien van de eerste vermelde reden voor vermindering van de naheffingsaanslag bestaat naar het oordeel van het Hof wel recht op vergoeding van rente op de voet van artikel 28c van de Invorderingswet 1990.

4.9.

Het Hof berekent de teruggaaf als gevolg van de toepassing van het gunstigere tussenliggende tarief als volgt. Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 81.320 en een handelswaarde op 5 juli 2012 van € 52.248, zou de afschrijving worden berekend op 35,75%. De rest-BPM zou in dat geval 64,25% x € 16.761 = € 10.768 bedragen. De Inspecteur is bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgegaan van een rest-BPM van € 10.901. De vermindering zou in dat geval – dus los van de leeftijdskorting - € 133 bedragen. Over dit bedrag dient rente te worden vergoed op de voet van artikel 28c van de Invorderingswet 1990.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Het Hof zal het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de Inspecteur vernietigen, de naheffingsaanslag verminderen en gelasten dat rente wordt vergoed over een deel van de teruggaaf.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 318 respectievelijk € 497 te vergoeden.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar

4.12.

Belanghebbende heeft, voordat de Inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan, verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar. Uit het overwogene volgt, dat de Inspecteur de naheffingsaanslag naar een te hoog bedrag heeft opgelegd. Dit levert een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid op. Derhalve acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.13.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming voor wat betreft de kosten van het bezwaar, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), op 2 (punten) x € 246 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 492. Het Hof ziet geen reden tot vergoeding van werkelijk gemaakte kosten. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit, is naar het oordeel van het Hof geen sprake.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.15.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2 (punten) x € 496 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 992 voor de procedure bij de Rechtbank, en op 2 (punten) x € 496 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 992 voor de procedure bij het Hof. Ook hiervoor ziet het Hof geen reden tot vergoeding van werkelijk gemaakte kosten. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit, is naar het oordeel van het Hof geen sprake.

4.16.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 756;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende rente vergoedt overeenkomstig het bepaalde in artikel 28c van de Invorderingswet 1990 over het gedeelte van de teruggaaf ter grootte van € 133, te berekenen over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die van de betaling en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de terugbetaling;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 815 vergoedt;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 492, en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 1.984.

Aldus gedaan op 11 februari 2016 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, J. Swinkels en P.A.M. Pijnenburg, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.