Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4077

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-09-2016
Datum publicatie
30-12-2016
Zaaknummer
14/00600
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:5018, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, wonende in Nederland, is op 22 januari 2012 met een personenauto VW Golf met Duits kenteken door de Belastingdienst op de openbare weg aangehouden. Voor de auto is geen aangifte BPM gedaan, geen BPM voldaan en is geen vrijstelling aangevraagd. Bij de controle is aangegeven dat tussen 1 november 2011 en 18 januari 2012 ook in Nederland met de auto is gereden. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat belanghebbende als bestuurder meerdere malen in de auto is gesignaleerd eind maart en begin april 2012. De inspecteur heeft belanghebbende een vragenlijst toegestuurd, waarna belanghebbende heeft verzocht om een informatiebeschikking. Tegen de gegeven beschikking is bezwaar gemaakt. Het bezwaar is, omdat de gevraagde informatie niet werd verstrekt, niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend. Vervolgens is een naheffingsaanslag BPM en een boete opgelegd van respectievelijk € 7.677 en € 3.838.

In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Hof. Voor wat betreft de onvoldoende motivering van de uitspraak van de inspecteur en het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen de informatiebeschikking is het Hof van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Niet gesteld of gebleken is dat ter zake sprake zou zijn van overmacht of een andere oorzaak buiten de macht van belanghebbende die motivering van het bezwaar verhinderde. Nu belanghebbende, vertegenwoordigd door een professioneel gemachtigde, tegen die uitspraak geen rechtsmiddel heeft aangewend, staat die uitspraak onherroepelijk vast. Die uitspraak kan dan ook in het hoger beroep niet meer aan de orde komen.

Het Hof gaat in op de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake de belasting op motorrijtuigen en besluit met de overweging dat in dit geval alleen bij duurzaam gebruik zonder restricties aan volledige heffing van BPM kan worden toegekomen. Het Hof oordeelt verder dat het buiten redelijke twijfel is dat bij het door het Hof van Justitie gebezigde criterium van (duurzaam) gebruik uitgangspunt is het gebruik dat normaliter van een auto wordt gemaakt. Daarbij moet er van worden uitgegaan dat een auto slechts een deel van de tijd daadwerkelijk als zodanig wordt gebruikt en ook in het buitenland wordt gebruikt. Vervolgens gaat het Hof nader in op de verplichting om in het kader van de heffing van BPM gegevens en inlichtingen te verstrekken. Het Hof besluit met het oordeel dat een uitsluiting van de zogenoemde omkering van de bewijslast, zijnde het sluitstuk van het mogen vragen van inlichtingen en het daadwerkelijk kunnen verkrijgen van die inlichtingen, niet aan de orde kan zijn. Het Hof oordeelt vervolgens dat het aan belanghebbende is om overtuigend aan te tonen dat en in hoeverre de naheffingsaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is opgelegd. Met de overgelegde stukken is belanghebbende niet geslaagd in het van hem te verlangen bewijs.

Het Hof is van oordeel dat de inspecteur, lettende op alle feiten en omstandigheden, de naheffingsaanslag in redelijkheid heeft vastgesteld en opgelegd en dat de inspecteur bij zijn vragen en het vragenformulier geen misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid. Van discriminatie is geen sprake. In situaties als aan de orde kan niet anders dan aan de hand van controle en/of het verzamelen van inlichtingen worden bezien of en zo ja in hoeverre heffing van BPM aan de orde komt.

Voor wat betreft de boete verenigt het Hof zich met het oordeel van de Rechtbank en voegt daaraan toe dat nakoming van de inlichtingenplicht van artikel 47, van de AWR niet leidt tot een door artikel 6 van het EVRM verboden plicht tot zelfincriminatie.

Het Hof ziet, hoewel de behandeltermijn van 2 jaar bij het Hof zelve is overschreden, geen aanleiding voor vergoeding van immateriële schade.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/3
V-N 2017/6.14.1
FutD 2017-0028
NTFR 2017/414 met annotatie van mr. P.A.M. Breekpot
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/00600

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 24 april 2014, nummer AWB 13/3967, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag en boetebeschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 7.677. Tegelijkertijd is, in één geschrift verenigd met de naheffingsaanslag, bij voor bezwaar vatbare beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 3.838.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken van 24 juni 2013 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 160.

De Rechtbank heeft het beroep voor zover het de boetebeschikking betreft gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar voor zover het de boetebeschikking betreft vernietigd, de boete verminderd tot € 2.000 en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 246.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 25 juni 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord namens de Inspecteur, de heer [A] . De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 8 juni 2015 het Hof bericht dat belanghebbende en hij niet ter zitting aanwezig zullen zijn.

1.5.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten en medegedeeld dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan op 13 augustus 2015..

1.6.

De griffier heeft partijen bij brief van 4 augustus 2015 meegedeeld dat het Hof aanleiding heeft gezien het onderzoek te heropenen. Het Hof heeft de Inspecteur verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en heeft de wederpartij daarvan in kennis gesteld. De Inspecteur heeft aan dat verzoek om inlichtingen voldaan. Deze inlichtingen zijn vervolgens aan (gemachtigde van) belanghebbende verstrekt, die daarop heeft gereageerd. De reactie van belanghebbende is aan de Inspecteur verstrekt.

Beide partijen hebben aangegeven toestemming te verlenen om zonder een nadere zitting uitspraak te doen.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende woont in Nederland en is op 22 januari 2012 op de openbare weg aangehouden. Tijdens de controle is geconstateerd dat belanghebbende toen een personenauto van het merk [automerk] met een Duits kenteken (hierna: de auto) bestuurde. Voor de auto heeft belanghebbende geen aangifte BPM gedaan, noch heeft hij BPM voldaan. Verder was en is er geen vergunning voor een vrijstelling aangevraagd noch is verzocht om van heffing af te zien. Belanghebbende heeft bij de controle aangegeven tussen 1 november 2011 en 18 januari 2012 ook in Nederland met de auto te hebben gereden. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat belanghebbende als bestuurder meerdere malen in de auto is gesignaleerd eind maart en begin april 2012.

2.2.

De auto, met chassisnummer [chassisnummer] , is blijkens de met de brief van 12 december 2012 van de toenmalige gemachtigde van belanghebbende aan de Inspecteur verstrekte afdruk van de Zulassungsbescheinigung Teil II op 24 mei 2011 in Duitsland toegelaten op de openbare weg en de auto was gesteld op naam van [B] te [C] .

2.3.

De Inspecteur heeft bij brief van 14 februari 2012 belanghebbende verzocht een vragenformulier in te vullen ten behoeve van de vaststelling van de eventuele verschuldigde BPM. Belanghebbende is gewezen op het bepaalde in artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna AWR). Daarbij is tevens gemeld dat de in het formulier gevraagde bewijsstukken moeten worden overgelegd.

Een (niet-ingevuld) exemplaar van het vragenformulier met de naam van belanghebbende behoort tot de stukken van het geding. In de kop van het vragenformulier is bij de rubriek ‘Waarom dit formulier’ het volgende aangegeven: ‘U hebt in Nederland gebruik gemaakt van de openbare weg met een motorrijtuig met buitenlands kenteken.’ Verder is op het formulier enige informatie verstrekt over een vrijstellingsvergunning en over de heffing van belasting. In het formulier worden enkele vragen gesteld over de positie van de auto en degene die de auto ter beschikking heeft. Zo wordt gevraagd of de auto eigendom is of wordt gehuurd dan wel geleased.

De Inspecteur heeft als bijlage bij zijn verweerschrift bij de Rechtbank een afdruk overgelegd van het ingevulde formulier Melding Controle autoheffingen voor een motorrijtuig [automerk en type] met chassisnummer [chassisnummer] , land van afgifte kenteken Duitsland en controledatum
22-01-2012. Op dat formulier is verder onder meer belanghebbende als bestuurder van de [automerk] opgenomen en zijn zijn BSN-nummer en het nummer van zijn identiteitsbewijs opgenomen.

2.4.

Belanghebbende heeft bij brieven van 24 maart 2012 en 6 april 2012 op de voormelde brief van 14 februari 2012 gereageerd. In de brief van 24 maart 2012 wordt verwezen naar eerdere uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch met de nrs. 10/00580 en 10/00581. Kennelijk is daarmee gedoeld op de zaken van het Hof met de nrs. 10/00579 en 10/00580. In de brief van 24 maart 2012 is onder meer opgenomen “Opgemerkt wordt, dat zich hier een identieke mijzelf betreffende casus voordeden.”. Belanghebbende heeft het vragenformulier niet teruggezonden. Met de brief van 6 april 2012 werd de eerdere brief van 24 maart 2012 nogmaals aan de Inspecteur toegezonden.

2.5.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij zijn brief van 20 april 2012 bericht op 14 februari 2012 een vragenlijst te hebben toegestuurd met het verzoek deze binnen drie weken na dagtekening van die brief te beantwoorden. Verder geeft hij aan dat hij de beantwoorde vragenlijst tot op heden niet retour heeft ontvangen. De Inspecteur heeft bij de brief van 20 april 2012 belanghebbende nog eenmaal in de gelegenheid gesteld om zijn vragen te beantwoorden. Hij geeft aan de vragenlijst opnieuw bij te hebben gevoegd en dat beantwoording van de vragenlijst moet plaatsvinden binnen twee weken na dagtekening van de brief. Hij meldt dat belanghebbende op grond van het bepaalde in artikel 47 van de AWR verplicht is de vragen te beantwoorden en kopieën van bewijsstukken te verstrekken. Dit omdat de gegevens van belang zijn voor de juiste belastingheffing.

2.6.

Belanghebbende heeft met de brief van 2 mei 2012 een reactie gegeven op de voormelde brief van de Inspecteur van 20 april 2012 van de Inspecteur. Met betrekking tot de vragenlijst heeft belanghebbende het volgende opgenomen: “(…) 2. Echter is uw conclusie , zoals vervat in dit schrijven van 20 april 2012, derhalve slechts in zoverre juist, dat u de vragenlijst niet retour heeft ontvangen. 3. Evenwel acht ik een conclusie van non-reactie desondanks te kort door de bocht. 4. Immers, aan mijn eerste reactie (…) zou u de reden van het non-retourneren hebben kunnen ontlenen.”.

In zijn brief van 2 mei 2012 verwijst belanghebbende verder naar de arresten van het Hof van Justitie EG nrs. C-578/10 jo. en C-580/10 van 26 april 2012.

Onder verwijzing naar “de Wijzigingswet Algemene wet inzake rijksbelastingen, enz. (rechtsbescherming m.b.t. administratieplicht en controlehandelingen fiscus)” wordt ten slotte verzocht tot afgifte van een voor bezwaar en beroep vatbare informatiebeschikking.

In zijn verweerschrift bij de Rechtbank geeft de Inspecteur aan dat hij met zijn brief van 25 mei 2012 op voornoemde brief van 2 mei 2012 heeft gereageerd.

2.7.

In de brief van de Inspecteur aan belanghebbende van 25 september 2012, de kennisgeving naheffingsaanslag BPM en vergrijpboete, is gesteld dat door de Politie is vastgesteld dat door de belanghebbende met het motorrijtuig van het merk [automerk] met chassisnummer [chassisnummer] op 22 januari 2012 gebruik is gemaakt van de openbare weg in Nederland. Verder is in de brief gemeld dat voor dit motorrijtuig door een derde reeds aangifte BPM werd gedaan. Het motorrijtuig is ingevoerd op 25 mei 2012. De op die aangifte afgedragen BPM is door de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag op de door belanghebbende verschuldigde BPM in mindering gebracht.

2.8.

De Inspecteur heeft belanghebbende met dagtekening 4 juni 2012 een informatiebeschikking gegeven. In die informatiebeschikking is het volgende opgenomen: “(…) Uw cliënt (…) heeft in Nederland gebruik gemaakt van de openbare weg met een motorrijtuig met het buitenlands kenteken (…). Naar aanleiding van deze constatering heb ik hem op 14 februari 2012 verzocht het ‘Vragenformulier BPM/MRB’ in te vullen en deze met kopieën van bewijsstukken binnen drie weken na dagtekening van die brief naar mij te sturen. (…) Aangezien ik van hem geen enkele reactie heb ontvangen, heb ik hem op 2 april 2012 een herhaald verzoek gezonden (…). Ook hierop heeft hij niet gereageerd. Op 20 april 2012 heb ik u naar aanleiding van uw brieven van 24 maart 2012 en 6 april 2012 verzocht het ‘Vragenformulier BPM/MRB’ in te vullen en naar mij te sturen. Hierop hebt u niet gereageerd.” Onder verwijzing naar de wettelijke bepalingen inzake de informatiebeschikking is verder nog het volgende opgenomen:

“Ik stel u nog éénmaal in de gelegenheid om het ingevulde en ondertekende vragenformulier met eventuele bewijsstukken aan mij te retourneren. Hiermee wordt bedoeld, de bewijsstukken zoals vermeld in het vragenformulier.

U moet dit uiterlijk voor 18 juni 2012 doen. (…) Als u niet aan uw informatieverplichtingen voldoet en niet of niet tijdig bezwaar hebt gemaakt tegen deze informatiebeschikking, wordt deze informatiebeschikking onherroepelijk.”.

Bij de informatiebeschikking was een informatieformulier op naam van belanghebbende gevoegd.

2.9.

Bij brief van 25 juni 2012, ontvangen door de Inspecteur op 27 juni 2012, is bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij zijn brief van 10 juli 2012 in de gelegenheid gesteld om voor 7 augustus 2012 het bezwaar te motiveren. De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 21 augustus 2012 nogmaals in de gelegenheid gesteld het bezwaar te motiveren binnen 14 dagen na dagtekening van zijn brief. Hij heeft belanghebbende gewezen op de niet-ontvankelijkverklaring als een motivering uitblijft.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 september 2012 het bezwaar van belanghebbende tegen de informatiebeschikking niet-ontvankelijk verklaard en heeft hem gewezen op de mogelijkheid om tegen de uitspraak in beroep te gaan bij de rechtbank. Belanghebbende, vertegenwoordigd door een professionele gemachtigde, heeft tegen de niet-ontvankelijkverklaring geen rechtsmiddel aangewend.

2.10.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij de in 2.7 vermelde brief van 25 september 2012 gemeld dat BPM is verschuldigd en hem in kennis gesteld van het voornemen een naheffingsaanslag BPM op te leggen alsmede een vergrijpboete wegens opzet van 50%. In die brief is vermeld waarom een boete zal worden opgelegd en is een motivering gegeven voor het bedrag van de op te leggen boete.

Voor de boete wordt verwezen naar artikel 67f van de AWR en paragraaf 25 en 28 van het Besluit bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. Het niet (geheel) of niet tijdig betalen van de BPM in verband met het gebruik op 22 januari 2012 met de auto met Duits kenteken van de Nederlandse openbare weg is aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende te wijten.

2.11.

Met dagtekening 12 november 2012 is de naheffingsaanslag BPM opgelegd en is tegelijk bij beschikking een boete opgelegd. In de naheffingsaanslag en de beschikking vergrijpboete wordt verwezen naar de kennisgeving naheffingsaanslag van 25 september 2012.

De naheffingsaanslag is op basis van een netto catalogusprijs van € 29.185 en een CO2-uitstoot van 142g/km opgelegd. Het aldus berekende bruto BPM-bedrag is verminderd met een afschrijving van 22,75% in verband met de omstandigheid dat de auto op het moment van invoer, bedoeld zal zijn het moment van aanvang van gebruik van de weg in Nederland, 7 maanden oud was. De verschuldigde BPM is zo gesteld op € 7.677. De vergrijpboete van 50% is vastgesteld op € 3.838. Ten slotte is in de toelichting op de naheffingsaanslag aangegeven dat de op aangifte afgedragen BPM van € 2.991 (zie 2.7) in mindering wordt gebracht op het verschuldigde bedrag van € 7.677 en dat het verschil van € 4.662 alsnog betaald dient te worden.

Voor de boete is nog verwezen naar de kennisgeving.

2.12.

Op 13 november 2012 heeft belanghebbende gezien het gestelde in de ‘Vooraankondiging uitspraak op bezwaar [belanghebbende] ’ van 21 november 2012 bezwaar ingediend. De Inspecteur gaat daar in zijn ‘Vooraankondiging van bezwaar [belanghebbende] ’ in op het bezwaar en geeft daar een reactie op. Hij geeft aan dat het bezwaar ontvankelijk is. Bij voormeld bezwaar is een mailbericht van een Steurerberater van [B] gevoegd. Deze verklaart dat de auto in de maand juli “nur unentgeltlich (kosteloos) genutzt wurde”.

In die vooraankondiging is vermeld dat belanghebbende bij brief van 14 februari 2012 in de gelegenheid is gesteld een vragenformulier in te vullen waarin hij onder meer kon aangeven wat de reden van het gebruik van de auto is geweest. Daaraan is toegevoegd dat bij brief van 20 april 2012 nogmaals een vragenformulier is toegezonden, dat in de informatiebeschikking van 4 juni 2012 belanghebbende is gevraagd om een ingevuld en ondertekend vragenformulier met eventuele bewijsstukken en dat geen inhoudelijke reactie of ingevuld vragenformulier is ontvangen.

Belanghebbende heeft verder een geschrift van 5 december 2012 ingediend waarin hij aangeeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar te maken. In dat geschrift gaat hij in op gebruiksduur/duurzaam gebruik, kortstondig gebruik, controledifferentiatie en non-discriminatiebeginsel, onduidelijke afschrijving en de boete. Belanghebbende heeft in de bezwaarfase een document overgelegd als zijnde een kopie factuur voor het gebruik van de auto, kenteken [kenteken] , voor de Zeitraum 19. januar – 29 januar 2012, 8 Tagen. De kopie bevat de naam van belanghebbende en de naam van [B] . De bedragen op de kopie zijn onherkenbaar gemaakt en er is 19% MwSt op vermeld.

Bij brief van 12 december 2012 heeft de gemachtigde van belanghebbende onder meer overgelegd een Zulassungsbescheinigung Teil II met vermelding van [automerk] , het chassisnummer [chassisnummer] en het kenteken [kenteken] .

2.13.

Met de brief van 14 januari 2013 van de gemachtigde van belanghebbende is de Inspecteur een afschrift van een rekening van [B] van 19 Januar 2012 toegezonden waarop onder meer is vermeld Fahrgestellnummer [chassisnummer] en het kenteken [kenteken] .

Bij brief van 8 april 2013 heeft de Inspecteur belanghebbende in verband met de behandeling van zijn bezwaar tegen de naheffingsaanslag aangegeven dat hij in het kader van de informatiebeschikking heeft gevraagd om het informatieformulier in te vullen, te retourneren en te voorzien van bewijsstukken. Een vraag in het formulier betreft, zo geeft de Inspecteur aan, het huurcontract of leaseovereenkomst. Met verwijzing naar de zwaardere bewijslast verzoekt hij om overlegging van een kopie uit de bedrijfsadministratie van de eerder door belanghebbende overlegde kopie-factuur inzake de auto. Verder verzoekt hij om overlegging van een afschrift van het huurcontract.

De gevraagde stukken zijn niet aan de Inspecteur verstrekt.

2.14.

Bij uitspraak op bezwaar van 24 juni 2013 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

II. Is de boete terecht opgelegd en zo ja, naar het Hof begrijpt, is de boete op het juiste bedrag vastgesteld?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Belanghebbende verzoekt door de verwijzing naar zijn beroepschrift bij de Rechtbank de Inspecteur te veroordelen in de kosten van de procedure.

Uit het gestelde onder de feiten leidt het Hof af dat bij de aanduiding van de auto, zijnde de [automerk] met het chassisnummer [chassisnummer] en met het kenteken [kenteken] , enkele malen, kennelijk abusievelijk, de aanduiding [kenteken] is gebezigd. Over de identiteit van de in het buitenland gekentekende auto, zie de vermelding van het chassisnummer van de Zulassungsbescheinigung Teil II van de [automerk] in de diverse stukken en de vermelding van “naheffingsaanslag BPM en vergrijpboete inzake [kenteken] ” in de brief van 14 januari 2013 van de gemachtigde van belanghebbende, bestaat naar het oordeel van het Hof geen onduidelijkheid. Overigens is gezien het gestelde in de door partijen ingebrachte informatie en stukken de identiteit en de positie van de auto en het gebruik dat belanghebbende met de auto van de openbare weg in Nederland maakt op zich niet in geschil.

Niet in geschil is verder dat zo in Nederland BPM ter zake van het gebruik van de auto is verschuldigd, belanghebbende als belastingplichtige moet worden aangemerkt.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag alsmede de boetebeschikking. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Belanghebbende verwijst in zijn aanvulling van gronden van zijn hoger beroep als eerste naar de gronden als vermeld in zijn beroepschrift bij de Rechtbank. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende daarmee aangeeft, mede gelet op hetgeen overigens is gesteld in zijn aanvulling, dat het geschil in hoger beroep allereerst de gronden betreft die de Rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft opgenomen. Belanghebbende is in aanvulling op het vorenstaande nader ingegaan op aard en positie van het gebruik van de auto, het ter beschikking hebben van de auto in Nederland en de vrijheid van dienstverlening. Ook meer of minder eenvoudige formaliteiten beperken, aldus belanghebbende, de vrijheid van dienstverlening.

Het moeten voldoen aan formaliteiten, de vordering om te bepalen of, op welke wijze en gedurende welke duur, belanghebbende de beschikking heeft over een buitenlands gekentekende auto is, zo wordt gesteld, een niet toegestane belemmering. Aan heffing van BPM kan alsdan niet worden toegekomen.

4.2.

In zijn aanvulling in hoger beroep geeft belanghebbende aan dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het primaire verweer van belanghebbende in casu geen hout snijdt, nu niet of onvoldoende zou zijn aangetoond dat belanghebbende inderdaad een auto van een niet-Nederlander (rechtspersoon of natuurlijk persoon) heeft gehuurd. Hij concludeert in dit kader vervolgens dat hij een buitenlands gekentekende auto ter beschikking heeft gekregen van een derde en daarmee in Nederland op de openbare weg heeft gereden. Het Hof is van oordeel dat hetgeen belanghebbende aangeeft niet in strijd is met gestelde in de uitspraak van de Rechtbank. De Rechtbank heeft immers in dit verband enkel geoordeeld, zie r.o. 2.20 en 2.21 van de uitspraak van de Rechtbank, dat niet overtuigend is aangetoond dat sprake was van slechts een kortdurende periode van verhuur of een situatie als aan de orde in de onder de feiten genoemde uitspraken van Hof
’s-Hertogenbosch. Op het door belanghebbende daaraan gekoppelde vrije verkeer van diensten wordt door het Hof hierna verder ingegaan.

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar inzake informatiebeschikking

4.3.

Voor wat betreft het standpunt van belanghebbende in hoger beroep inzake de onvoldoende motivering van de uitspraak van de Inspecteur en het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen de informatiebeschikking is het Hof van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen.

Het Hof voegt daar aan toe dat de Inspecteur de informatiebeschikking heeft gegeven op verzoek van belanghebbende. De Inspecteur heeft de gevraagde informatiebeschikking, gedateerd 5 juni 2012, gegeven. Omdat, ook na herhaald verzoek, motivering van het ingediende bezwaar is uitgebleven, heeft de Inspecteur bij uitspraak van 25 september 2012 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Niet gesteld of gebleken is dat ter zake sprake zou zijn van overmacht of andere oorzaak buiten de macht van belanghebbende die motivering verhinderde. Nu belanghebbende, vertegenwoordigd door een professioneel gemachtigde, tegen die uitspraak geen rechtsmiddel heeft aangewend, staat voornoemde uitspraak onherroepelijk vast. Die uitspraak als zodanig kan dan ook in het hoger beroep niet meer aan de orde komen.

Uitgangspositie heffing BPM

4.4.

Met betrekking tot de (eventueel) verschuldigde BPM geldt het volgende. In artikel 1, lid 6, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) is, voor zover hier van belang, bepaald dat ingeval een niet (in Nederland) geregistreerde personenauto feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon de belasting verschuldigd is ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 5, lid 2, bepaalt vervolgens dat met betrekking tot een niet geregistreerde personenauto de belasting wordt geheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft. Dat laatste punt is overigens niet in geding.

4.5.

Op grond van artikel 14 van de Wet BPM, jo. artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen kan, bij een beroep daarop voor aanvang van weggebruik, vrijstelling worden verleend voor kortdurend gebruik.

Op grond van het bepaalde in artikel 14a van de Wet BPM wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag teruggaaf van belasting verleend voor personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s indien de tenaamstelling van het kenteken in het in artikel 1, lid 2, van de Wet BPM bedoelde register wordt beëindigd omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht, en het motorrijtuig wordt geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het kenteken was gesteld direct voorafgaand aan de beëindiging van de tenaamstelling in het register.

4.6.

Gezien het bepaalde in artikel 14b van de Wet BPM (tekst 2012) wordt onder meer voor een motorrijtuig dat is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie en dat voor een periode van ten hoogste vier jaren wordt verhuurd aan een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam door een in die andere staat wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op verzoek de ingevolge artikel 1, lid 6, van de Wet BPM te betalen belasting op voorhand verrekend met de teruggaaf die op de voet van artikel 14a van voornoemde wet kan worden verleend als het motorrijtuig na afloop van de overeengekomen periode van terbeschikkingstelling weer buiten Nederland wordt gebracht. Het artikel is op basis van rechtspraak van het Hof van Justitie inzake de BPM per 1 januari 2012 ingevoegd bij artikel IX, onderdeel F, van de Wet overige fiscale maatregelen 2012, Stb. 2011, 640.

4.7.

Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de belasting op motorijtuigen op het niveau van de Europese Unie niet is geharmoniseerd en dat het lidstaten derhalve vrijstaat hun fiscale bevoegdheden uit te oefenen, mits zij daarbij het Unierecht eerbiedigen. Verder oordeelde het Hof van Justitie dat het een lidstaat is toegestaan om een in een andere lidstaat geregistreerde personenauto aan registratiebelasting te onderwerpen bij feitelijk duurzaam gebruik in een lidstaat. Het Hof van Justitie heeft het vorenstaande van toepassing geacht op de in Nederland van toepassing zijnde Wet BPM. Verder heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat betaling van BPM bij aanvang van het gebruik met de personenauto van het Nederlandse wegennet gerechtvaardigd is, voor zover bij deze belasting rekening wordt gehouden met de waardevermindering van het voertuig op het tijdstip van aanvang van het gebruik en de duur van de overeenkomst of het gebruik. Zie de beschikking 29 september 2010, C-91/10, V-N 2010/59.27, het arrest van 26 april 2012, C-578/19-C-580/10, BNB 2012/291*, en V-N 2012/23.22, en de beschikking van 27 april 2012, C-114/11, BNB 2013/62*, V-N 2013/6.22.

Het Hof is van oordeel dat het buiten redelijke twijfel is dat bij het door het Hof van Justitie gebezigde criterium van (duurzaam) gebruik, in casu in Nederland, uitgangspunt is het gebruik dat normaliter van een auto wordt gemaakt. De aard en eigenschappen van de personenauto brengen naar het oordeel van het Hof met zich dat bij de vaststelling van duurzaam gebruik alleen rekening wordt gehouden met het daadwerkelijk gebruik van de auto als vervoermiddel en dat ook het gebruik van de personenauto als vervoermiddel in het buitenland daarbij meetelt.

4.8.

Het Hof is van oordeel dat de wetgever met voormelde artikel 1, lid 6, gekoppeld met de vrijstellingen en het bepaalde in de artikelen 14a en 14b van de Wet BPM op zich recht heeft gedaan aan de door het Hof van Justitie gegeven kaders voor de heffing van BPM. Immers er wordt bij belastingheffing direct rekening gehouden met de waardevermindering en de gebruiksduur van de auto. Door belanghebbende is ingebracht dat met betrekking tot de auto sprake zou zijn van verhuur van korte duur. Het Hof is in dit verband overigens van oordeel dat, gelet op voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie, de regeling ook toepassing kan en moet vinden in vergelijkbare situaties. De invoering van voornoemd artikel 14b van de Wet BPM per 1 januari 2012 brengt verder met zich dat de uitspraken van dit Hof met de nummers 10/00580 en 10/00581 in een ander licht moeten worden gezien.

Gegevens verstrekken

4.9.

Belanghebbende, een in Nederland wonende natuurlijk persoon, die een niet (in Nederland) geregistreerde personenauto ter beschikking staat en deze in Nederland gebruikt is in beginsel belasting, BPM, verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg in Nederland met die auto. Gezien het bepaalde in artikel 6, lid 1, van de Wet BPM moet de verschuldigde BPM op aangifte worden voldaan. Onder bepaalde voorwaarden kan belanghebbende, een in Nederland wonende natuurlijk persoon, gezien de ter zake geldende wettelijke bepalingen, een beroep doen op een vrijstelling. In beginsel was alleen heffing van BPM toegestaan als er sprake was van duurzaam gebruik in Nederland. Nader heeft het Hof van Justitie echter geoordeeld dat betaling van de BPM bij aanvang van het gebruik met de buitenlands gekentekende personenauto van het Nederlandse wegennet gerechtvaardigd is, voor zover bij deze belasting rekening wordt gehouden met de waardevermindering van het voertuig op het tijdstip van aanvang van het gebruik en de duur van de overeenkomst of het gebruik. Die situatie is thans aan de orde.

Niet in geschil is dat belanghebbende ter zake van het gebruik van de auto in Nederland geen aangifte BPM heeft gedaan en dat hij bij de bevoegde inspecteur geen aanspraak heeft gemaakt op een vrijstelling dan wel niet-heffing BPM. Overmacht of andere omstandigheden zijn ter zake niet gesteld of gebleken. Het is aan de Inspecteur, op wie de bewijslast voor zijn op te leggen of opgelegde naheffingsaanslag rust, om, naast het (op zich vaststaande) gebruik van de auto van de weg in Nederland door belanghebbende, aannemelijk te maken dat de auto door belanghebbende ook anders wordt gebruikt in Nederland.

4.10.

Als feitelijk gebruik van de Nederlandse weg wordt geconstateerd met een niet in Nederland geregistreerde personenauto die ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijk persoon kan de Inspecteur een onderzoek (doen) instellen. Hij zal moeten nagaan of er aangifte BPM is gedaan dan wel moet worden gedaan, belasting is of moet worden voldaan of een vrijstelling BPM toepassing kan vinden dan wel of heffing van BPM achterwege kan en moet blijven op basis van Europese regels en rechtspraak. Voor de uitvoering van zijn wettelijke taak inzake de belastingheffing zal de Inspecteur over bepaalde gegevens van belanghebbende, de personenauto en het gebruik ervan moeten beschikken. Belanghebbende zijn in dat verband door de Inspecteur vragenformulieren toegezonden. Een exemplaar van zo’n vragenformulier behoort tot de stukken van het geding.

4.11.

Op grond van artikel 47 van de AWR is ieder gehouden desgevraagd de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Gezien het vorenstaande is het Hof van oordeel dat van (mogelijke) belastingheffing en zo’n belang sprake is, zie ook HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003/268, ECLI:NL:HR:2003:AF7498, en 1 november 2013, nr. 12/02792, BNB 2013/255, ECLI:NL:HR:2013:1017. Belanghebbende is bij toezending van het vragenformulier door de Inspecteur ook gewezen op die verplichting van artikel 47 van de AWR.

In het vragenformulier, waarvan een exemplaar tot de stukken van het geding behoort, zijn vragen opgenomen met betrekking tot de personenauto en de gebruiker van de personenauto. Verder wordt gevraagd naar de positie van de personenauto.

Met het op basis van voormeld artikel 47 van de AWR vragen van deze, naar het oordeel van het Hof op zich voor belanghebbende eenvoudig beschikbare gegevens - voor wat betreft basis en duur van zijn gebruik van de personenauto is hij overigens de enige kenbron - is de Inspecteur naar het oordeel van het Hof gebleven binnen wat de nationale regels en het Europees recht toestaan bij de (mogelijke) heffing van BPM ter zake van het weggebruik in Nederland van in een andere lidstaat geregistreerde personenauto’s. Van misbruik en een niet toegestaan gebruik door de Inspecteur van zijn wettelijke bevoegdheden en het gebruik daarbij van het vragenformulier is niet gebleken.

4.12.

Belanghebbende geeft nog aan dat het vragen van inlichtingen door de Inspecteur en de verlegging van de bewijslast bij niet voldoen niet in overeenstemming zijn met het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 19 december 2012, nr. C-577/10, ECLI:XX:2012:BY7796. Deze uitspraak is nu te vinden onder ECLI:EU:C:2012:814 op EUR-Lex. Anders dan in dat arrest zijn de vragen van de Inspecteur gericht op de in Nederland wonende gebruiker van de auto en niet op een dienstverlener in een andere lidstaat. Verder heeft het Hof van Justitie in dat arrest geoordeeld dat bij een nationale regelgeving die op het niveau van de Unie niet is geharmoniseerd, waarvan bij de BPM sprake is, een zekere beperking gerechtvaardigd is. In casu beantwoordt het vragen van inlichtingen over de auto en het gebruik van de auto in Nederland aan het wezenlijke doel van de BPM, zijnde een in de wet voorziene heffing van BPM bij duurzaam gebruik van de auto in Nederland. Het vragen van inlichtingen over de auto en het gebruik ervan aan de feitelijke gebruiker, die daar over beschikt of zonder bijzondere inspanning kan beschikken, gaat ook niet verder dan noodzakelijk is. De gevraagde inlichtingen zijn nodig om de door het Hof van Justitie op zich toegestane heffing van BPM in Nederland te verzekeren. Van het moeten verstrekken van zeer gedetailleerde informatie, zoals aan de orde in voornoemd arrest, is gezien de zich voordoende feiten en omstandigheden naar het oordeel van het Hof geen sprake.

Het Hof is van oordeel dat nakoming van de inlichtingenplicht van artikel 47 van de AWR ook niet leidt tot een door artikel 6 van het EVRM verboden plicht tot zelfincriminatie. Het voldoen aan de informatieverplichting van artikel 47 van de AWR betreft een verplichting in het kader van het vaststellen van de belastingschuld. Daaraan staat artikel 6 van het EVRM niet in de weg (zie HR 29 mei 2015, nr. 14/00584, BNB 2016/23, V-N 2015/28.7, ECLI:NL:HR:2015:1359, en HR 8 augustus 2014, nr. 13/00933, BNB 2014/206, V-N 2014/41.5, ECLI:NL:HR:20142144).

Gelet op het vorenstaande is een uitsluiting van de zogenoemde omkering van de bewijslast, zijnde het sluitstuk van het mogen vragen van inlichtingen en het daadwerkelijk kunnen verkrijgen van die inlichtingen, naar het oordeel van het Hof niet aan de orde.

Heffing BPM

4.13.

Voor de met dagtekening 12 november 2012 opgelegde naheffingsaanslag BPM, na vermindering te betalen € 4.682, heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief van 4 juni 2012 in kennis gesteld dat hij niet heeft voldaan aan de informatieplicht van de artikelen 47 en 49 van de AWR en heeft hij belanghebbende, deze heeft daar overigens ook om verzocht, een informatiebeschikking gegeven. Daarbij is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om de informatie, waarom de Inspecteur al eerder had verzocht, te verstrekken. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 september 2012 het bezwaar van belanghebbende tegen de informatiebeschikking niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft hiertegen geen beroep ingesteld. Op grond van het bepaalde in artikel 27e en 27j van de AWR verklaart het Hof als niet is voldaan aan de informatieplicht van artikel 52a van voornoemde wet het hoger beroep ongegrond tenzij gebleken is dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Het is in dat verband aan belanghebbende om overtuigend aan te tonen dat en in hoeverre de naheffingsaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is opgelegd. In beroep en hoger beroep heeft belanghebbende ter zake van zijn gebruik van de auto geen nadere gegevens verstrekt.

Met de overgelegde afdruk van een factuur en hetgeen overigens is aangevoerd is belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet geslaagd in het van hem te verlangen bewijs. Zonder nadere toelichting, die in de rede ligt, maar niet is gegeven, wordt zo geen dan wel volstrekt onvoldoende inzicht gegeven in de positie van belanghebbende en in het door deze gestelde beperkte gebruik van de auto in Nederland. Dit wordt ondersteund door het feit dat belanghebbende, zonder nadere informatie te verstrekken, bij de controle heeft aangegeven tussen 1 november 2011 en 18 januari 2012 ook in Nederland met de auto te hebben gereden. Verder heeft de Inspecteur onweersproken gesteld dat belanghebbende meerdere malen in de auto op de weg in Nederland is gesignaleerd eind maart en begin april 2012.

Overig

4.14.

Evenals de Rechtbank zal het Hof beoordelen of de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag redelijk is geweest. Uitgangspunt daarbij is, zie hiervoor, dat het Europees recht en het nationaal recht de heffing van BPM op zich toelaat. Tussen partijen zijn elementen voor de heffing van BPM en het brutobedrag van de BPM niet in geschil. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag het bruto-BPM-bedrag verminderd met een afschrijving van 22,75% in verband met de omstandigheid dat de auto op het moment van aanvang van gebruik van de weg 7 maanden oud was. Verder heeft hij op de te betalen belasting het bij de latere invoer geheven bedrag van € 2.991 in mindering gebracht. De feiten van het geding bieden geen ruimte voor een vermindering van de belasting op basis van artikel 14b van de Wet BPM.

Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de Inspecteur, lettende op alle feiten en omstandigheden, de naheffingsaanslag in redelijkheid heeft vastgesteld en opgelegd. Het Hof overweegt daarbij dat het op de weg van belanghebbende had gelegen, die eenvoudig toegang heeft en had tot alle benodigde informatie, om zo nodig nadere gegevens over het gebruik van de auto te verstrekken. Ook de lopende procedure had zich daar overigens voor geleend.

4.15.

Aan de Inspecteur is voor de uitoefening van zijn taak, de heffing en controle van BPM, bij wet de bevoegdheid verleend om informatie en zo nodig nadere informatie te vragen. Bij de heffing van BPM spelen, gelet op de wettelijke bepalingen en de rechtspraak, gegevens en eigenschappen van de auto, de rechten op de auto, het gebruik dat van de auto wordt gemaakt en de positie van de gebruiker van de auto een belangrijke rol. Dat de Inspecteur zelf op basis van merk en type van de auto op basis van externe bronnen zou kunnen beschikken over (bepaalde) nadere gegevens van de auto kan, gezien de inhoud van zijn wettelijke bevoegdheden, niet tot gevolg hebben dat belanghebbende niet meer om informatie kan en mag worden gevraagd. Het is de taak van de Inspecteur, dit overigens mede gelet op het belang van de belastingplichtige, om zich voorafgaand aan een mogelijk op te leggen naheffingsaanslag BPM zorgvuldig te vergewissen van alle feiten en omstandigheden die bij de heffing van BPM een rol kunnen en moeten spelen. Zo kunnen er bijvoorbeeld feitelijk afwijkingen zijn van algemeen bekende gegevens van een bepaald merk en type auto. Verder spelen ook de rechten op de auto en bijvoorbeeld het gebruik van de auto een belangrijke rol. Gesteld noch gebleken is overigens dat het verstrekken van de informatie bijzondere problemen met zich bracht dan wel anderszins bezwaarlijk was. Gezien het vorenstaande en gelet op de zich voordoende feiten is het Hof van oordeel dat de Inspecteur bij zijn vragen en vragenformulier inzake de auto en betrokkenen geen misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid.

4.16.

Voor wat betreft de stelling van belanghebbende in hoger beroep dat hij als woonwagenbewoner wordt gediscrimineerd vanwege het instellen van controles verenigt het Hof zich met het oordeel van de Rechtbank. Het Hof voegt daaraan toe dat in feitelijke situaties als aan de orde niet anders dan aan de hand van controle en/of het verzamelen van inlichtingen kan worden bezien of en zo ja in hoeverre heffing van BPM aan de orde komt. Toepassing van de wettelijke bepalingen, de door het Hof van Justitie gegeven uitgangspunten voor de heffing van BPM en de per 1 januari 2012 aangepaste wetgeving, vragen immers in gevallen als de onderhavige om het (ruimer) verzamelen en het beoordelen van de zich voordoende feiten en omstandigheden. Feiten en omstandigheden die moeten worden vastgesteld bij daadwerkelijk in te stellen controles en feiten en omstandigheden ter zake waarover belanghebbende om inlichtingen kan en moet worden gevraagd. De AWR biedt de Inspecteur daarvoor, zie hiervoor, ook de nodige ruimte. Het Hof ontleent daarbij ook steun aan de in het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 19 december 2012, nr. C-577/10, genoemde arresten waarin het Hof van Justitie lidstaten en hun uitvoerende instanties een ruimte geeft voor het vragen van inlichtingen en informatie.

Vergoeding van immateriële schade

4.17.

Het is een algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden berecht.

In het onderhavige geval moet in dat verband worden uitgegaan van de volgende gegevens: bezwaar ingekomen op 13 november 2012, uitspraak op bezwaar gedaan op 24 juni 2013, beroep ingesteld op 26 juli 2013, uitspraak Rechtbank op 24 april 2014 en hoger beroep ingesteld op 13 juni 2014.

In onder meer het arrest van 19 februari 2016, nr. 14/03907, BNB 2016/140, V-N 2016/13.4, ECLI:NL:HR:2016:oordeelt de Hoge Raad dat hier niet alleen moet worden gelet op de verschillende doorlopen fasen van de procesgang afzonderlijk, maar ook op de duur van de totale procedure en geeft de uitgangspunten voor de vaststelling van die redelijke termijn. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg geldt als uitgangspunt dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat het gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld. Van bijzondere omstandigheden die een afwijken van het vorenstaande met zich brengen, is naar het oordeel van het Hof geen sprake.

4.18.

Gelet op het vorengaande en gezien de datum van de uitspraak van dit Hof moet worden vastgesteld dat in hoger beroep de voornoemde tweejaarstermijn is overschreden, maar dat de totale duur van de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep de vierjaarstermijn niet heeft overschreden. In r.o. 3.8.2. van voornoemd arrest van 19 februari 2016 is in dit verband overwogen dat het mogelijk is dat een voortvarende behandeling van de zaak in een eerdere fase dan de aanleg waarin de overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden die termijnoverschrijding compenseert. Gezien het hiervoor gestelde is daarvan hier sprake. Dat betekent dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en er geen recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Dat bezwaar, beroep en hoger beroep tezamen moeten worden bezien wordt ondersteund door de verwijzing in beroep en hoger beroep naar respectievelijk de gronden van het bezwaarschrift en de gronden van het beroepschrift.

Het Hof weegt bij ervaren spanning en frustratie mee dat belanghebbende bekend is met het gebruik in Nederland van in het buitenland gekentekende personenauto’s, belanghebbende in alle fasen van het geding is vertegenwoordigd door een professionele gemachtigde, het bezwaar op de door hem gevraagde informatiebeschikking na verzoek daartoe niet is gemotiveerd, gevraagde gegevens niet heeft verstrekt en hij noch zijn gemachtigde ter zitting van Rechtbank en Hof zijn verschenen.

Boete

4.19.

Bij de opgelegde boete is de vraag aan de orde of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in onder meer artikel 6, lid 1, van het EVRM. Of op het recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk wordt gemaakt, hangt mede af van het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. In het onderhavige geval is dat vanaf 26 september 2012, zijnde de dag na toezending van de kennisgeving naheffingsaanslag en vergrijpboete. Verder moet voor de opgelegde boete worden uitgegaan van de volgende gegevens: bezwaar ingekomen op 13 november 2012, uitspraak op bezwaar gedaan op 24 juni 2013, beroep ingesteld op 26 juli 2013, uitspraak Rechtbank op 24 april 2014 en hoger beroep ingesteld op 13 juni 2014.

In het arrest van 22 april 2005, nr. 37 984, BNB 2005/37c*, oordeelt de Hoge Raad dat bij de redelijke termijn inzake de beboeting niet alleen moet worden gelet op de verschillende doorlopen fasen van de procesgang afzonderlijk, maar ook op de duur van de totale procedure en geeft de Hoge Raad de uitgangspunten voor de vaststelling van die redelijke termijn. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg geldt als uitgangspunt dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de Rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat het gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld. Van bijzondere omstandigheden die een afwijken van het vorenstaande met zich brengen, is naar het oordeel van het Hof geen sprake.

4.20.

Gelet op het vorengaande en gezien de datum van de uitspraak van dit Hof moet worden vastgesteld dat in hoger beroep de voornoemde tweejaarstermijn is overschreden, maar dat de totale duur van de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep de vierjaarstermijn niet heeft overschreden.

In r.o. 4.4. van voornoemd arrest van 22 april 2005 is in dit verband overwogen dat het mogelijk is dat de zaak in een eerdere fase met bijzondere voortvarendheid is behandeld, zodanig dat de overschrijding van de redelijke termijn in een latere fase wordt gecompenseerd. Gezien het hiervoor gestelde is daarvan hier sprake. Dat betekent dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en er geen recht bestaat op een vermindering van de bij beschikking opgelegde boete.

Slotsom

4.21.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.22.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.23.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 8 september 2016 door G.D. van Norden, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en W.P.J. Schramade, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.