Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4076

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-09-2016
Datum publicatie
30-12-2016
Zaaknummer
14/00599
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:5018, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, die in Nederland woont, is op 5 juli 2011 wegens te snel rijden met een Mercedes E 350 CDI door de politie aangehouden. De auto was voorzien van een Duits kenteken en had een Duitse houder, zijnde een lease/huurmaatschappij. Voor de auto is geen aangifte BPM gedaan, is geen BPM voldaan en is geen vrijstelling aangevraagd. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht een vragenformulier in te vullen. Uiteindelijk geeft belanghebbende de inspecteur aan dat hij vooruitloopt op toekomstige wetgeving en verzoekt hem een naheffingsaanslag op te leggen. Omdat niet is voldaan aan de informatieplicht van de artikelen 47 en 49 AWR, geeft de inspecteur belanghebbende een informatiebeschikking. Nu desgevraagd geen motivering wordt gegeven, verklaart de inspecteur het bezwaar tegen de beschikking niet-ontvankelijk. De inspecteur legt vervolgens een naheffingsaanslag BPM van € 11.018 op. Hij gaat daarbij uit van een huurperiode in Nederland van 36 maanden. In geschil zijn de naheffingsaanslag en het nagegeven bedrag.

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft gegeven over de klachten inzake de informatiebeschikking. Nu belanghebbende tegen de uitspraak van de inspecteur geen rechtsmiddel heeft aangewend, staat die uitspraak onherroepelijk vast en kan deze in hoger beroep niet meer aan de orde komen.

Het Hof gaat in op de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake de belasting op motorrijtuigen en besluit in dat verband met de overweging dat in dit geval alleen bij duurzaam gebruik zonder restricties aan volledige heffing van BPM kan worden toegekomen. Vervolgens gaat het Hof nader in op de verplichting om in het kader van de heffing van BPM gegevens en inlichtingen te verstrekken. Het Hof besluit met het oordeel dat een uitsluiting van de zogenoemde omkering van de bewijslast, zijnde het sluitstuk van het mogen vragen van inlichtingen en het daadwerkelijk kunnen verkrijgen van die inlichtingen, niet aan de orde kan zijn.

Het Hof oordeelt vervolgens dat het aan belanghebbende is om overtuigend aan te tonen dat en in hoeverre de naheffingsaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is opgelegd. Met de overgelegde stukken is belanghebbende niet geslaagd in het van hem te verlangen bewijs. De inspecteur heeft op voldoende wijze rekening gehouden met de feiten en omstandigheden en heeft de naheffingsaanslag naar redelijkheid opgelegd. Er is hier ook ruimte voor het vragen van inlichtingen en informatie.

Het Hof ziet, hoewel de behandeltermijn van 2 jaar bij het Hof zelve is overschreden, geen aanleiding voor vergoeding van immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2
V-N 2017/6.3 met annotatie van Redactie
FutD 2017-0028
NTFR 2017/451
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/00599

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 24 april 2014, nummer AWB 13/3966, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 11.018.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 160.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 320.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 25 juni 2015 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, de heer [A] . De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 8 juni 2015 het Hof bericht dat belanghebbende en hij niet aanwezig zullen zijn op de zitting.

1.5.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten en medegedeeld dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan op 13 augustus 2015.

1.6.

De griffier heeft partijen bij brief van 4 augustus 2015 meegedeeld dat het Hof aanleiding heeft gezien het onderzoek te heropenen. Het Hof heeft de Inspecteur verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en heeft de wederpartij daarvan in kennis gesteld. De Inspecteur heeft aan dat verzoek om inlichtingen voldaan. Deze inlichtingen zijn vervolgens in afschrift aan (gemachtigde van) belanghebbende verstrekt, die daarop heeft gereageerd. De reactie van belanghebbende is in afschrift aan de Inspecteur verstrekt.

Beide partijen hebben aangegeven toestemming te verlenen om zonder een nadere zitting uitspraak te doen.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende, een in Nederland wonende persoon, is op 5 juli 2011 door de politie aangehouden wegens te snel rijden. Belanghebbende bestuurde toen een [automerk] [type] (hierna: de auto). De auto was voorzien van Duitse kentekenplaten ( [kenteken] ).

2.2.

De auto is op 28 april 2011 voor het eerst toegelaten op de weg. De houder van de auto is sinds 2 mei 2011 [B] te [C] , Duitsland. Voor de auto heeft belanghebbende geen aangifte BPM gedaan, noch heeft hij BPM voldaan. Verder was en is er geen vergunning voor een vrijstelling aangevraagd.

2.3.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 7 november 2011 verzocht het ‘Vragenformulier BPM/MRB’ in te vullen. In het vragenformulier, waarvan een exemplaar met de naam van belanghebbende tot de stukken van het geding behoort, wordt gevraagd naar gegevens en de aard en de vorm van het gebruik van het motorrijtuig met kenteken [kenteken] . Bij de vraag inzake verhuur of lease wordt gevraagd een kopie van de lease- of huurovereenkomst mee te zenden.

Belanghebbende heeft in zijn reactie op de voormelde brief bij brief van 10 november 2011 verzocht hem mede te delen of bij een naheffingsaanslag een boete zal worden opgelegd.

2.4.

De Inspecteur heeft belanghebbende in zijn brief van 9 december 2011 aangegeven dat hij op 7 november 2011 had verzocht het ‘Vragenformulier BPM/MRB’ in te vullen en dit formulier met kopieën van bewijsstukken aan hem te sturen. Verder geeft de Inspecteur in die brief aan dat belanghebbende hem het vragenformulier heeft toegezonden en dat belanghebbende in het vragenformulier heeft aangegeven aangifte te doen en dat tot op heden geen aangifte is gedaan. Ten slotte heeft de Inspecteur in die brief belanghebbende nog éénmaal in de gelegenheid gesteld alsnog aangifte BPM te doen vóór 30 december 2011. Hij kondigt in die brief aan dat bij uitblijven daarvan een naheffingsaanslag met eventueel een boete zal volgen.

2.5.

Belanghebbende heeft op voormeld schrijven van 9 december 2011 bij brief van 16 januari 2012 gereageerd en verwezen naar twee uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogen-bosch van 28 oktober 2011, waarin, zo geeft hij aan, zich een identieke casus voordoet. Genoemd worden de uitspraaknummers 10/00580 en 10/00581. Kennelijk wordt er daarbij gedoeld op de uitspraken van het Hof met de nummers 10/00579 en 10/00580. In die zaken is de betreffende belanghebbende in het gelijk gesteld en is de naheffingsaanslag BPM door het Hof vernietigd. Het ging daarbij om het gebruik van de Nederlandse weg in 2007 met een personenauto met een Duits kenteken, waarbij sprake was van een huursituatie. In de brief van 16 januari 2012 is tevens melding gemaakt van het meezenden van een kopie ‘Zulassung, Teil 2’.

2.6.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 1 maart 2012 gemeld dat hij uit de brief van 16 januari 2012 opmaakt dat belanghebbende in Nederland rijdt in een auto die in het bezit is van een buitenlandse lease/huurmaatschappij en meldt daarbij dat hij de kopie van de Zulassung deel 2 niet heeft aangetroffen. De Inspecteur geeft tevens aan dat hij gelet op de beschikking van het Hof van Justitie nr. C-91/10 onder voorwaarden goedkeurt dat er voor de aanvang van het weggebruik in Nederland met een gehuurd of geleased motorrijtuig dat in een ander land is geregistreerd bij de aangifte BPM direct een verzoek om teruggaaf bij export wordt ingediend. Alsdan kan het saldo daadwerkelijk worden betaald. De Inspecteur geeft in de brief belanghebbende de gelegenheid om vóór 1 april 2012 aangifte BPM te doen voor het tijdsevenredig gebruik in Nederland.

Belanghebbende heeft in reactie op voormelde brief de Inspecteur bij brief van 24 maart 2012 aangegeven dat deze vooruitloopt op toekomstige wetgeving en heeft hem verzocht om een naheffingsaanslag op te leggen. Tevens is alsnog een kopie ‘Zulassung, Teil 2’ meegezonden.

2.7.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 11 april 2012 onder meer aangegeven dat belanghebbende zijn normale verblijfplaats in Nederland heeft en dat niet is gebleken dat deze in aanmerking komt voor een vrijstelling BPM. De Inspecteur stelt belanghebbende tevens in kennis van een op te leggen naheffingsaanslag en de berekening van de verschuldigde BPM en maakt daarbij melding van een vermindering vanwege de gebruikelijke huur- of leaseperiode van drie jaar. De Inspecteur maakt ook zijn voornemen tot het opleggen van een boete bekend en geeft belanghebbende de gelegenheid tot een reactie daarop.

Belanghebbende geeft de Inspecteur bij brief van 2 mei 2012 onder meer een reactie op de BPM-berekening, de gebruiksduur van de Nederlandse weg, duurzaam gebruik, controle en de boete. Verder verzoekt belanghebbende, vertegenwoordigd door een professionele gemachtigde, om het geven van een voor bezwaar en beroep vatbare informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

2.8.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij informatiebeschikking van 5 juni 2012 ervan in kennis gesteld dat hij niet heeft voldaan aan de informatieplicht van de artikelen 47 en 49 van de AWR en hem in de gelegenheid gesteld om vóór 19 juni 2012 de reeds eerder verzochte informatie te verstrekken.

Belanghebbende heeft bij brief van 25 juni 2012 (door de Inspecteur ontvangen op 27 juni 2012) bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking. De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 10 juli 2012 in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaar te motiveren. De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 21 augustus 2012 nogmaals in de gelegenheid gesteld het bezwaar te motiveren en hem gewezen op een mogelijke niet-ontvankelijkheid van het bezwaar als een motivering uit zou blijven.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 september 2012 het bezwaar van belanghebbende tegen de informatiebeschikking niet-ontvankelijk verklaard. In de uitspraak is het volgende opgenomen: “Op 10 juli 2012 heb ik u verzocht om een nadere motivering van uw bezwaar. Hierop heb ik geen reactie van u mogen ontvangen. Op 21 augustus 2012 heb ik u een rappel doen toekomen, waarin ik u opnieuw heb verzocht om een nadere motivering van uw bezwaar. Ook hierna bleef uw reactie uit.”.

In de uitspraak heeft de Inspecteur belanghebbende gewezen op de mogelijkheid om in beroep te gaan bij de Rechtbank. Belanghebbende, vertegenwoordigd door een professioneel gemachtigde, heeft tegen de uitspraak met de niet-ontvankelijkverklaring geen rechtsmiddel aangewend.

2.9.

De Inspecteur heeft belanghebbende met dagtekening 9 oktober 2012 een naheffingsaanslag opgelegd van € 11.018. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een netto catalogusprijs van € 43.954, een CO2-uitstoot van 189g/km en een huurperiode in Nederland van 36 maanden. Er is daarbij geen boete opgelegd. Belanghebbende heeft tijdig bezwaar tegen de naheffingsaanslag ingediend. Hij voert onder meer aan strijd met het motiveringsbeginsel en gaat in op afschrijving en controlefrequentie. Belanghebbende heeft het bezwaar, naar aanleiding van een gesprek met de Inspecteur, nog aangevuld bij brief van 12 december 2012. Bij die laatste brief is onder meer een afschrift overgelegd van het kentekenbewijs van de auto.

Bij brief van 20 december 2012 aan de gemachtigde van belanghebbende gaat de Inspecteur nader in op het gesprek van 6 december 2012 en op voormelde brief van 12 december 2012. Hij geeft daarbij onder meer aan niet bekend te zijn met een vragenformulier dat ingevuld is teruggezonden en dat in zijn dossier geen vragenformulier aanwezig is. Ten slotte meldt de Inspecteur dat hij ook uit de reactie op de vragenbrief van 7 november 2011 niet kan afleiden dat een ingevuld vragenformulier zou zijn ingezonden.

2.10.

Bij brief van 8 mei 2013 heeft belanghebbende de Inspecteur een viertal, zoals wordt gemeld “door de “Steuerberater” gewaarmerkte” afdrukken van facturen voorzien van een (copie) stempel met NAW-gegevens en de stempelafdruk “Gebucht” toegezonden. De afdrukken van de facturen dragen de naam [B] te [C] , Duitsland. Op de bescheiden is een Zeitraum aangegeven, de facturen vermelden 19% MwSt en de bedragen zijn zwart gemaakt. Een bescheid, met Zeitraum 28 juni – 12 juli 2012, betreft belanghebbende en de auto met het Ambtliches Kennzeichen [kenteken] . Voor de auto is een afdruk van een verklaring inzake de verzekering overgelegd.

2.11.

In de uitspraak op het bezwaar van belanghebbende inzake de naheffingsaanslag van 24 juni 2013 overweegt de Inspecteur dat uit het bezwaar niet blijkt of en in hoeverre de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld en wijst hij het bezwaar af.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

is de naheffingsaanslag ter zake van het ter beschikking hebben door belanghebbende van de in het buitenland gekentekende auto met het kenteken [kenteken] terecht opgelegd en, zo ja, is de naheffingsaanslag naar het juiste bedrag opgelegd?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Belanghebbende verzoekt door de verwijzing naar zijn beroepschrift bij de Rechtbank de Inspecteur te veroordelen in de kosten van de procedure.

Niet in geschil is dat zo in Nederland BPM ter zake van het gebruik van de auto is verschuldigd belanghebbende als belastingplichtige moet worden aangemerkt.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Belanghebbende verwijst in zijn aanvulling van de gronden van zijn hoger beroep als eerste naar de gronden als vermeld in zijn bezwaarschrift en in zijn (aanvullend) beroepschrift bij de Rechtbank. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende daarmee, mede gelet op hetgeen overigens is gesteld in zijn aanvulling, aangeeft dat het geschil in hoger beroep allereerst de overwegingen betreft die de Rechtbank in dat verband in de aangevallen uitspraak heeft opgenomen. Belanghebbende is in aanvulling op het vorenstaande nader ingegaan op aard en positie van het gebruik van de auto, het ter beschikking hebben van de auto in Nederland en de vrijheid van dienstverlening. Ook meer of minder eenvoudige formaliteiten beperken, aldus belanghebbende, de vrijheid van dienstverlening. Het moeten voldoen aan formaliteiten, de vordering om te bepalen of, en op welke wijze en gedurende welke duur, belanghebbende de beschikking heeft over een in het buitenland gekentekende auto is, zo wordt gesteld, een niet toegestane belemmering. Aan heffing van BPM kan alsdan niet worden toegekomen.

4.2.

In zijn aanvulling in hoger beroep geeft belanghebbende aan dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het primaire verweer van belanghebbende in casu geen hout snijdt, nu niet of onvoldoende zou zijn aangetoond dat belanghebbende inderdaad een auto van een niet-Nederlander (rechtspersoon of natuurlijk persoon) heeft gehuurd. Hij concludeert in dit kader vervolgens dat hij een buitenlands gekentekende auto ter beschikking heeft gekregen van een derde en daarmee in Nederland op de openbare weg heeft gereden. Het Hof is van oordeel dat hetgeen belanghebbende aangeeft op zich niet in strijd is met het gestelde in de uitspraak van de Rechtbank. De Rechtbank oordeelt in diens r.o. 2.22 immers enkel dat niet overtuigend is aangetoond dat slechts sprake was van een kortdurende huurperiode of een situatie als aan de orde in de onder de feiten genoemde uitspraken van Hof ’s-Hertogenbosch. Op het door belanghebbende aan de dienstverlening gekoppelde vrije verkeer van diensten wordt door het Hof hierna verder ingegaan.

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar inzake informatiebeschikking

4.3.

Voor wat betreft het standpunt van belanghebbende in hoger beroep inzake de onvoldoende motivering van de uitspraak van de Inspecteur en het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen de informatiebeschikking is het Hof van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft gegeven.

Het Hof voegt daar aan toe dat de Inspecteur de informatiebeschikking, gedateerd 5 juni 2012, heeft gegeven op verzoek van belanghebbende. Omdat ook na herhaald verzoek motivering van het tegen die beschikking ingediende bezwaar is uitgebleven, heeft de Inspecteur bij uitspraak van 25 september 2012 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Niet gesteld of gebleken is dat ter zake sprake zou zijn van overmacht of andere oorzaak buiten de macht van belanghebbende die motivering verhinderde. Nu belanghebbende tegen die uitspraak geen rechtsmiddel heeft aangewend, staat voornoemde uitspraak onherroepelijk vast. Die uitspraak als zodanig kan dan ook in het hoger beroep niet meer aan de orde komen.

Uitgangspositie heffing BPM

4.4.

In artikel 1, lid 6, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) is bepaald dat ingeval een niet (in Nederland) geregistreerde personenauto feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon de belasting verschuldigd is ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 5, lid 2, Wet BPM bepaalt vervolgens dat met betrekking tot een niet geregistreerde personenauto de belasting wordt geheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft. Dat laatste punt is overigens, zo BPM verschuldigd zou zijn, niet in geding.

4.5.

Op grond van artikel 14 van de Wet BPM, jo. artikel 3a, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna Uitvoeringsbesluit BPM), kan voor een auto geregistreerd in het buitenland, bij een beroep daarop voor aanvang van weggebruik, vrijstelling worden verleend voor gebruik in Nederland van ten hoogste twee weken.

Op grond van het bepaalde in artikel 14a van de Wet BPM wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag teruggaaf van belasting verleend voor personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s indien de tenaamstelling van het kenteken in het in artikel 1, lid 2, van de Wet BPM bedoelde register wordt beëindigd omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht, en het motorrijtuig wordt geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het kenteken was gesteld direct voorafgaand aan de beëindiging van de tenaamstelling in het register.

4.6.

Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de belasting op motorijtuigen op het niveau van de Europese Unie niet is geharmoniseerd en het lidstaten derhalve vrijstaat hun fiscale bevoegdheden uit te oefenen, mits zij daarbij het Unierecht eerbiedigen. Verder oordeelde dat Hof dat het een lidstaat is toegestaan om een in een andere lidstaat geregistreerde personenauto aan registratiebelasting te onderwerpen bij bestemming voor en/of feitelijk duurzaam gebruik in een lidstaat, dit ongeacht tijdsduur of intensiteit van het gebruik van de auto. Zie in dit verband HvJ 21 november 2013, C-302/12, V-N 2013/59.22, en HR 14 februari 2014, nr. 12/05759, V-N 2014/10.18, ECLI:NL:HR:2014:281. Het Hof van Justitie heeft het vorenstaande van toepassing geacht op de in Nederland van toepassing zijnde Wet BPM.

Verder heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat betaling van BPM bij aanvang van het gebruik met de personenauto van het Nederlandse wegennet op zich gerechtvaardigd is, zie de beschikking van 29 september 2010, C-91/10, V-N 2010/59.27, het arrest van 26 april 2012, C-578/19-C-580/10, BNB 2012/291*, en de beschikking van 27 april 2012, C-114/11, BNB 2013/62*, V-N 2013/6.22. Bij die heffing van belasting moet dan wel rekening worden gehouden met de waardevermindering van het voertuig op het tijdstip van aanvang van het gebruik en de duur van de overeenkomst of het gebruik.

Het Hof is van oordeel dat het buiten redelijke twijfel is dat bij het door het Hof van Justitie gebezigde criterium van duur van het gebruik, in casu in Nederland, uitgangspunt is het gebruik dat normaliter van een auto wordt gemaakt. De aard en eigenschappen van de personenauto brengen naar het oordeel van het Hof met zich dat bij de vaststelling van duurzaam gebruik alleen rekening wordt gehouden met het daadwerkelijk gebruik van de auto als vervoermiddel en dat ook het gebruik van de personenauto als vervoermiddel in het buitenland daarbij meetelt.

4.7.

In de voormelde beschikking van 29 september 2010, C-91/10, V-N 2010/59.27, oordeelde het Hof van Justitie dat de artikelen 49 EG tot en met 55 EG zich verzetten tegen de nationale regeling, krachtens welke een in een lidstaat woonachtige of gevestigde persoon, zoals belanghebbende, die in deze lidstaat een in een andere lidstaat geregistreerd en gehuurd voertuig gebruikt, verplicht is om ter zake van de aanvang van het gebruik met dit voertuig van de weg van eerstbedoelde lidstaat de volledige belasting te betalen waarvan het restbedrag, dat wordt berekend aan de hand van de gebruiksduur van dit voertuig op dit wegennet, na einde van het gebruik zonder rente wordt terugbetaald. Het vorenstaande betekent dat gelet op de geldende wettelijke bepalingen inzake de BPM in het onderhavige geval alleen bij duurzaam gebruik zonder restricties aan volledige heffing van BPM kan worden toegekomen. Dat bij wijze van goedkeuring voor het daadwerkelijk te betalen bedrag aan BPM alsnog rekening kan worden gehouden met een beperkte tijdsduur van gebruik doet aan het vorenstaande niet af.

Gegevens verstrekken

4.8.

Belanghebbende, een in Nederland wonende natuurlijk persoon, aan wie een niet (in Nederland) geregistreerde personenauto ter beschikking staat en die deze in Nederland gebruikt is in beginsel belasting, BPM, verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg in Nederland met die auto. Gezien het bepaalde in artikel 6, lid 1, van de Wet BPM moet de verschuldigde BPM op aangifte worden voldaan. Onder bepaalde voorwaarden kan belanghebbende, een in Nederland wonende natuurlijk persoon, gezien het vorenstaande een beroep doen op een vrijstelling. Verder kan gezien het vorenstaande alleen als sprake is van duurzaam gebruik in Nederland aan heffing van BPM worden toegekomen. Het Hof van Justitie heeft immers nader geoordeeld dat betaling van de BPM bij aanvang van het gebruik met de personenauto van het Nederlandse wegennet alleen gerechtvaardigd is, voor zover bij deze belasting rekening wordt gehouden met de waardevermindering van het voertuig op het tijdstip van aanvang van het gebruik en de duur van de overeenkomst of het gebruik.

Niet in geschil is overigens dat belanghebbende ter zake van het gebruik van de auto in Nederland geen aangifte BPM heeft gedaan en dat hij bij de bevoegde inspecteur geen aanspraak heeft gemaakt op een vrijstelling dan wel niet-heffing BPM. Overmacht of andere omstandigheden ter zake zijn niet gesteld of gebleken. Het is dan aan de Inspecteur, op wie de bewijslast rust voor de op te leggen of opgelegde naheffingsaanslag, om naast het (op zich vaststaande) gebruik van de auto van de weg in Nederland door belanghebbende aannemelijk te maken dat de auto door belanghebbende ook anders wordt gebruikt in Nederland.

4.9.

Als feitelijk gebruik van de Nederlandse weg wordt geconstateerd met een niet in Nederland geregistreerde personenauto die ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijk persoon kan de Inspecteur een onderzoek (doen) instellen. Hij zal moeten nagaan of er aangifte BPM is gedaan dan wel moet worden gedaan, of een vrijstelling BPM toepassing kan vinden dan wel of heffing van BPM achterwege kan en moet blijven op basis van Europese regels en rechtspraak. Voor de uitvoering van zijn wettelijke taak inzake de belastingheffing zal de Inspecteur over bepaalde gegevens van belanghebbende, de personenauto en het gebruik ervan moeten beschikken. Belanghebbende zijn in dat verband door de Inspecteur vragenformulieren toegezonden. Een exemplaar van zo’n formulier behoort tot de stukken van het geding.

4.10.

Op grond van artikel 47 van de AWR is ieder gehouden desgevraagd de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Gezien het vorenstaande is het Hof van oordeel dat van (mogelijke) belastingheffing en zo’n belang sprake is, zie ook HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003/268, ECLI:NL:HR:2003:AF7498, en 1 november 2013, nr. 12/02792, BNB 2013/255, ECLI:NL:HR:2013:1017. Belanghebbende is bij toezending van het vragenformulier door de Inspecteur ook gewezen op die verplichting van artikel 47 van de AWR.

In het vragenformulier zijn vragen opgenomen met betrekking tot de personenauto en de gebruiker van de personenauto. Verder wordt gevraagd naar de positie van de personenauto.

Met het op basis van voormeld artikel 47 van de AWR vragen van deze, naar het oordeel van het Hof op zich voor belanghebbende eenvoudig beschikbare gegevens - voor wat betreft basis en duur van zijn gebruik van de personenauto is hij overigens de enige kenbron - is de Inspecteur naar het oordeel van het Hof gebleven binnen wat de nationale regels en het Europees recht toestaan bij de (mogelijke) heffing van BPM ter zake van het weggebruik in Nederland van in een andere lidstaat geregistreerde personenauto’s. Van misbruik en een niet toegestaan gebruik door de Inspecteur van zijn wettelijke bevoegdheden en het gebruik daarbij van het vragenformulier is geen sprake.

4.11.

Belanghebbende geeft aan dat het vragen van inlichtingen door de Inspecteur en de verlegging van de bewijslast bij niet voldoen niet in overeenstemming zijn met het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 19 december 2012, nr. C-577/10, ECLI:XX:2012:BY7796. Deze uitspraak is nu te vinden onder ECLI:EU:C:2012:814 op EUR-Lex. Anders dan in dat arrest zijn de vragen van de Inspecteur gericht op de in Nederland wonende gebruiker van de auto en niet op een dienstverlener in een andere lidstaat. Verder heeft het Hof van Justitie in dat arrest geoordeeld dat bij een nationale regelgeving die op het niveau van de Unie niet is geharmoniseerd, waarvan bij de BPM sprake is, een zekere beperking gerechtvaardigd is. In casu beantwoordt het vragen van inlichtingen over de auto en het gebruik in Nederland aan het wezenlijke doel van de BPM, zijnde een heffing van BPM bij duurzaam gebruik van de auto in Nederland. Het vragen van inlichtingen over de auto en het gebruik daarvan aan de feitelijke gebruiker, die daar over beschikt of zonder bijzondere inspanning kan beschikken, gaat ook niet verder dan noodzakelijk is. De gevraagde inlichtingen zijn noodzakelijk om de door het Hof van Justitie op zich toegestane heffing van BPM in Nederland te kunnen verzekeren. Van het moeten verstrekken van zeer gedetailleerde informatie, zoals aan de orde in voornoemd arrest, is gezien de zich voordoende feiten en omstandigheden naar het oordeel van het Hof geen sprake.

Het Hof is ten slotte van oordeel dat nakoming van de inlichtingenplicht van artikel 47 van de AWR niet leidt tot een door artikel 6 van het EVRM verboden plicht tot zelfincriminatie. Het voldoen aan de informatieverplichting van artikel 47 van de AWR betreft een verplichting in het kader van het vaststellen van de belastingschuld. Daaraan staat artikel 6 van het EVRM niet in de weg (zie HR 29 mei 2015, nr. 14/00584, BNB 2016/23, V-N 2015/28.7, ECLI:NL:HR:2015:1359, en HR 8 augustus 2014, nr. 13/00933, BNB 2014/206, V-N 2014/41.5, ECLI:NL:HR:2014:2144).

Gelet op het vorenstaande kan een uitsluiting van de zogenoemde omkering van de bewijslast, zijnde het sluitstuk van het mogen vragen van inlichtingen en het daadwerkelijk kunnen verkrijgen van die inlichtingen, naar het oordeel van het Hof niet aan de orde zijn.

Heffing BPM

4.12.

Voor de met dagtekening 9 oktober 2012 opgelegde naheffingsaanslag BPM ten bedrage van € 11.018 heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief 5 juni 2012 in kennis gesteld dat hij niet heeft voldaan aan de informatieplicht van de artikelen 47 en 49 van de AWR en heeft hij belanghebbende, deze heeft daar overigens ook om verzocht, een informatiebeschikking gegeven. Daarbij is deze in de gelegenheid gesteld om de informatie, waarom de Inspecteur al eerder had verzocht, te verstrekken. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 september 2012 het bezwaar van belanghebbende tegen de informatiebeschikking niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft hiertegen geen beroep ingesteld. Op grond van het bepaalde in artikel 27e en 27j van de AWR verklaart het Hof, als niet is voldaan aan de informatieplicht van artikel 52a van voornoemde wet, het hoger beroep ongegrond tenzij gebleken is dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Het is in dat verband aan belanghebbende om overtuigend aan te tonen dat en in hoeverre de naheffingsaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is opgelegd. In beroep en hoger beroep heeft belanghebbende ter zake van zijn gebruik van de auto geen nadere gegevens verstrekt.

Met de overgelegde afdrukken van facturen, waarvan er slechts één de in geding zijnde auto betreft, de afdruk van het Duitse kentekenbewijs van de auto en de afdruk van de verklaring inzake verzekering van de auto, is belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet geslaagd in het van hem te verlangen bewijs. Zonder nadere toelichting, die in de rede ligt, maar niet is gegeven, wordt met die bescheiden geen dan wel volstrekt onvoldoende inzicht gegeven in de positie van belanghebbende en in het door deze gestelde beperkte gebruik van de auto in Nederland. Het Duitse kentekenbewijs en de verzekering van de auto staan overigens op zich niet aan duurzaam gebruik in Nederland in de weg. Het Hof weegt daarbij mee dat vaststaat, dan wel door de Inspecteur gesteld en bij zowel Rechtbank als Hof niet dan wel onvoldoende weersproken, dat belanghebbende buiten de periode vermeld op de afdruk van de factuur van de auto met de auto in Nederland heeft gereden.

Overig

4.13.

Evenals de Rechtbank zal het Hof beoordelen of de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag redelijk is geweest. Uitgangspunt daarbij is, zie hiervoor, dat het Europees recht en het nationaal recht de heffing van BPM op zich toelaat. Tussen partijen zijn elementen voor de heffing van BPM en het brutobedrag van de BPM niet in geschil. De Inspecteur is bij het vaststellen van de naheffingsaanslag, in afwijking van de wettelijke bepalingen, uitgegaan van een gebruik van de auto in Nederland van drie jaar en daarbij behorende vermindering van belasting bij ‘uitvoer van de auto’ van 54%. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur daarbij op voldoende wijze rekening heeft gehouden met de zich voordoende feiten en omstandigheden en de naheffingsaanslag naar redelijkheid heeft opgelegd.

Het Hof overweegt daarbij dat het op de weg van belanghebbende had gelegen, die eenvoudig toegang heeft en had tot alle benodigde informatie, om zo nodig nadere gegevens over het gebruik van de auto te verstrekken. Ook de lopende procedure had zich daarvoor geleend.

4.14.

Aan de Inspecteur is voor de uitoefening van zijn taak, de heffing en controle van BPM, bij wet de bevoegdheid verleend om informatie en zo nodig nadere informatie te vragen. Bij de heffing van BPM spelen, gelet op de wettelijke bepalingen en de rechtspraak, gegevens en eigenschappen van de auto, de rechten op de auto, het gebruik dat van de auto wordt gemaakt en de positie van de gebruiker van de auto een belangrijke rol. Dat de inspecteur zelf op basis van merk en type van de auto op basis van externe bronnen zou kunnen beschikken over (bepaalde) nadere gegevens van de auto kan, gezien de inhoud van zijn wettelijke bevoegdheden, niet tot gevolg hebben dat belanghebbende niet meer om informatie kan en mag worden gevraagd. Het is de taak van de Inspecteur, dit overigens mede gelet op het belang van de belastingplichtige, om zich voorafgaand aan een mogelijk op te leggen naheffingsaanslag BPM zorgvuldig te vergewissen van alle feiten en omstandigheden die bij de heffing van BPM een rol kunnen en moeten spelen. Zo kunnen er bijvoorbeeld feitelijk afwijkingen zijn van algemeen bekende gegevens van een bepaald merk en type auto. Verder spelen ook de rechten op de auto en bijvoorbeeld het gebruik van de auto een belangrijke rol. Gesteld noch gebleken is overigens dat het verstrekken van de informatie bijzondere problemen met zich bracht dan wel anderszins bezwaarlijk was. Gezien het vorenstaande en gelet op de zich voordoende feiten is het Hof van oordeel dat de Inspecteur bij zijn vragen en vragenformulier inzake de auto en betrokkenen geen misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid.

4.15.

Voor wat betreft de stelling van belanghebbende in hoger beroep dat hij als woonwagenbewoner wordt gediscrimineerd vanwege het instellen van controles verenigt het Hof zich met het oordeel van de Rechtbank. Het Hof voegt daaraan toe dat in feitelijke situaties als aan de orde niet anders dan aan de hand van controle en/of het verzamelen van inlichtingen kan worden bezien of en zo ja in hoeverre heffing van BPM aan de orde komt. Toepassing van de wettelijke bepalingen en de beoordeling van het door het Hof van Justitie gegeven criterium voor de heffing van BPM, de auto is hoofdzakelijk bestemd voor duurzaam gebruik of wordt feitelijk duurzaam gebruikt, vragen immers in gevallen als de onderhavige om het (ruimer) verzamelen en het beoordelen van de zich voordoende feiten en omstandigheden. Feiten en omstandigheden die moeten worden vastgesteld bij daadwerkelijk in te stellen controles en feiten en omstandigheden ter zake waarover van belanghebbende om inlichtingen kan en moet worden gevraagd. De AWR biedt de Inspecteur daarvoor, zie hiervoor, ook de nodige ruimte. Het Hof ontleent daarbij ook steun aan de in het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 19 december 2012, nr. C-577/10, genoemde arresten waarin het Hof van Justitie lidstaten en hun uitvoerende instanties een ruimte geeft voor het vragen van inlichtingen en informatie.

Vergoeding van immateriële schade

4.16.

Het is een algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden berecht.

In het onderhavige geval moet in dat verband worden uitgegaan van de volgende gegevens: bezwaar ingekomen op 13 november 2012, uitspraak op bezwaar gedaan op 24 juni 2013, beroep ingesteld op 26 juli 2013, uitspraak Rechtbank op 24 april 2014 en hoger beroep ingesteld op 13 juni 2014.

In onder meer het arrest van 19 februari 2016, nr. 14/03907, BNB 2016/140, V-N 2016/13.4, ECLI:NL:HR:2016:252, oordeelt de Hoge Raad dat hier niet alleen moet worden gelet op de verschillende doorlopen fasen van de procesgang afzonderlijk, maar ook op de duur van de totale procedure en geeft hij de uitgangspunten voor de vaststelling van die redelijke termijn. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg geldt als uitgangspunt dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat het gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld. Van bijzondere omstandigheden die een afwijken van het vorenstaande met zich brengen, is naar het oordeel van het Hof geen sprake.

4.17.

Gelet op het vorengaande en gezien de datum van de uitspraak van dit Hof moet worden vastgesteld dat in hoger beroep de voornoemde tweejaarstermijn is overschreden, maar dat de totale duur van de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep de vierjaarstermijn niet heeft overschreden.

In r.o. 3.8.2. van voornoemd arrest van 19 februari 2016 is in dit verband overwogen dat het mogelijk is dat een voortvarende behandeling van de zaak in een eerdere fase dan de aanleg waarin de overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden die termijnoverschrijding compenseert. Gezien het hiervoor gestelde is daarvan hier sprake. dat betekent dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en er geen recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Dat bezwaar, beroep en hogere beroep tezamen moeten worden bezien wordt ondersteund door de verwijzing in beroep en hoger beroep naar respectievelijk de gronden bij het bezwaarschrift en de gronden bij het bezwaarschrift en de gronden van het beroepschrift.

Het Hof weegt overigens bij ervaren spanning en frustratie mee dat belanghebbende bekend is met het gebruik in Nederland van in het buitenland gekentekende personenauto’s, belanghebbende in alle fasen van het geding is vertegenwoordigd door een professionele gemachtigde, het bezwaar op de door hem gevraagde informatiebeschikking na verzoek daartoe niet heeft gemotiveerd, gevraagde gegevens niet heeft verstrekt en hij noch zijn gemachtigde ter zitting van Rechtbank en Hof zijn verschenen.

Slotsom

4.18.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.19.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.20.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond,

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 8 september 2016 door G.D. van Norden, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en W.P.J. Schramade, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.