Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:4027

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-09-2016
Datum publicatie
08-09-2016
Zaaknummer
200.174.667_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:3715
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

arbeidsongeval; 7:658 BW; val uit vrachtwagen; laadklep; c.s.q.n.- verband ongeval en schade; zorgplicht houdt instructie in dat niet alleen in dat waarschuwing wordt gegeven dat laadklep naar beneden gaat maar ook controle dat werknemer die waarschuwing heeft gehoord / begrepen

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2607
AR-Updates.nl 2016-0995
PS-Updates.nl 2016-0322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.174.667/01

arrest van 6 september 2016

in de zaak van

Stichting Phoenix,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als Phoenix,

advocaat: mr. H.M. Kruitwagen te Arnhem,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. R.J. Ruiter te Gulpen,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 juli 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 29 april 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen Phoenix als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3668274 CV EXPL 14-12860)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het exploot van anticipatie van 31 juli 2015;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

De kantonrechter heeft in r.o. 2 van het bestreden vonnis feiten vastgesteld. Daartegen zijn geen grieven gericht zodat ook in hoger beroep daarvan zal worden uitgegaan. Die feitenvaststelling luidt als volgt.

3.1.1.

Phoenix detacheert mensen met een uitkering met als doel hun positie op de reguliere arbeidsmarkt te versterken.

3.1.2.

[geïntimeerde] , geboren op [geboortedatum] 1976, is krachtens een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 8 september 2009 tot 8 maart 2010 bij Phoenix in dienst geweest, tegen een loon van € 1.010,10 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag op grond van een zogenaamde ‘Voorbereidingsovereenkomst TWB (Transferium Werk en Bijstand) Stichting Phoenix Groeibanen [vestigingsplaats] en Mergelland’.

3.1.3.

[geïntimeerde] werd gedetacheerd door Phoenix en diende werkzaamheden te verrichten bij Kringloop Zuid en als bijrijder samen met twee collega’s bij het milieupark afgedankte elektronische apparaten op te halen en naar het kringloopcentrum te brengen.

3.1.4.

[geïntimeerde] is op 24 november 2009 een ongeval overkomen.

3.1.5.

[geïntimeerde] heeft Phoenix op 9 april 2010 aansprakelijk gesteld voor door hem, als gevolg van het ongeval, geleden schade. De verzekeraar van Phoenix, Amlin Corporate Insurance N.V., heeft de aansprakelijkheid afgewezen.

3.2.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Phoenix jegens hem aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het bedrijfsongeval van 24 november 2009 heeft geleden en zal lijden met veroordeling van Phoenix in de proceskosten. [geïntimeerde] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat Phoenix wegens schending van haar zorgplicht aansprakelijk is voor de door hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade op de voet van artikel 7:658 lid 2 BW.

3.3.

De kantonrechter heeft op 30 november 2011, 7 november 2012 en 27 maart 2013 vonnissen gewezen. Bij laatstgenoemd vonnis heeft de kantonrechter [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. [geïntimeerde] is van dat vonnis in hoger beroep gekomen bij dit hof. Bij arrest van 11 november 2014 heeft dit hof dat vonnis vernietigd. Daartoe heeft het hof kort gezegd overwogen dat [geïntimeerde] een belang heeft in de zin van artikel 3:303 BW en dat [geïntimeerde] mag volstaan met de gevorderde verklaring voor recht. Het hof heeft de zaak vervolgens naar de kantonrechter verwezen voor verdere afdoening. Bij (het thans bestreden) vonnis van 29 april 2015 heeft de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] toegewezen.

3.4.

Kern van het geschil is de vraag of Phoenix aansprakelijk is voor schade die [geïntimeerde] stelt te hebben geleden en te lijden als gevolg van een hem op 24 november 2009 tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden overkomen ongeval.

3.5.

De kantonrechter heeft in 4.3 van het bestreden vonnis het volgende overwogen:

“Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] op 24 november 2009 op het milieupark te Randwyck werkzaam was en aldaar uit de vrachtwagen / bus op de laadklep is gevallen. Daarmee staat vast dat [geïntimeerde] een ongeval is overkomen op de werkplek in de uitoefening van zijn werkzaamheden. De omstandigheid dat partijen twisten over de oorzaak van die val, doet daaraan niet af, omdat volgens vaste rechtspraak van [geïntimeerde] niet kan worden verlangd dat hij stelt en bewijst wat de precieze toedracht is geweest van het ongeval (vgl. o.m. HR 10 december 1999, LJN AA 3837 [X.] / Pasteurziekenhuis).”.

Het hof constateert dat Phoenix geen grieven heeft gericht tegen dit onderdeel van het vonnis. Ook voor het hof is dus uitgangspunt dat [geïntimeerde] een ongeval is overkomen in de uitoefening van de werkzaamheden.

3.6.

De kantonrechter heeft voorts geoordeeld dat [geïntimeerde] door het ongeval schade heeft geleden (r.o. 4.4). Grief I is gericht tegen dat oordeel. Volgens Phoenix betekent het enkele feit dat [geïntimeerde] een ongeval is overkomen in de uitoefening van de werkzaamheden, nog niet dat hij ook schade heeft geleden in de uitoefening van de werkzaamheden. Phoenix heeft aangevoerd dat het volgens vaste rechtspraak aan de werknemer is om te stellen en te bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van de werkzaamheden en dat uit niets blijkt dat de medische klachten van [geïntimeerde] het gevolg zijn van het ongeval. Phoenix heeft gewezen op pre-existente klachten, op de omstandigheid dat [geïntimeerde] (volgens haar) heeft doorgewerkt na het ongeval en dat hij het niet nodig vond om naar het ziekenhuis te gaan, dat hij na het ongeval meermaals is gevallen waarbij hij letsel heeft opgelopen en dat hij door het UWV 0% arbeidsongeschikt is geacht. Volgens Phoenix is onvoldoende dat [geïntimeerde] mogelijk schade heeft geleden.

3.7.

Het hof stelt voorop dat het aan de werknemer is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij schade heeft geleden en dat deze schade is geleden in de uitoefening van de werkzaamheden voor de werkgever, waarbij geldt dat het vereiste dat de schade de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is overkomen, ruim moet worden uitgelegd.

3.8.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] aan zijn stelplicht heeft voldaan en dat hetgeen Phoenix daartegen heeft aangevoerd een onvoldoende gemotiveerde betwisting oplevert van die stellingen. Om die reden komt het hof aan bewijslevering niet toe. Daartoe acht het hof het volgende redengevend.

3.9.

Partijen geven een verschillende lezing van de toedracht van het ongeval. Wanneer het hof uitgaat van hetgeen Phoenix over die toedracht heeft aangevoerd en de stukken die Phoenix ter onderbouwing daarvan in het geding heeft gebracht, dan volgt (ook) daaruit dat [geïntimeerde] schade heeft geleden in de uitoefening van de werkzaamheden voor Phoenix.

Dat blijkt uit het volgende.

3.9.1.

Uit de navolgende citaten van verklaringen van de collega’s van [geïntimeerde] , die Phoenix bij conclusie van antwoord in het geding heeft gebracht (productie 6), blijkt dat die collega’s het ongeval zodanig ernstig vonden dat zij meenden dat [geïntimeerde] een arts moest raadplegen. Eén van de collega’s heeft verklaard dat hij zag dat [geïntimeerde] pijn had.

Verklaring [bijrijder] (bijrijder) van 7 september 2011 (productie 6 conclusie van antwoord):

“(…) Doordat [geïntimeerde] zo hard aan de palletwagen trok, deed hij automatisch een paar stappen naar achteren en viel hij uit de bus en kwam hij zijdelings op de laadklep terecht met zijn knie in de ruimte tussen de bus en de laadklep in.

Hij viel zijdelings en zijn knie zat niet bekneld. Ik zag dat [geïntimeerde] pijn had en dat zijn broek bij de knie was gescheurd. De chauffeur [chauffeur] heeft aangeboden om [geïntimeerde] naar de eerste hulp te brengen, we waren toch vlakbij het ziekenhuis, maar [geïntimeerde] vond dat niet nodig.

Doordat [geïntimeerde] met kracht aan de palletwagen heeft getrokken is deze ook gedeeltelijk uit de bus, op de laadklep gevallen, maar is dat gedeelte van de palletwagen naast [geïntimeerde] en niet bovenop hem gevallen.

Toen de bus helemaal was geladen, zijn we terug naar Kringloop Zuid gereden om de bus te lossen. Weer hebben we hem aangeboden om hem naar een dokter of naar huis te brengen, maar [geïntimeerde] wilde per se door blijven werken.

Dat is een beslissing die hij zelf heeft genomen en we hebben hem er nadrukkelijk op gewezen dat hij het wel voorzichtig en rustig aan moest doen.

[geïntimeerde] heeft de hele ochtend doorgewerkt en om half een heeft hij zich afgemeld en is hij weggegaan.

(…)”.

Verklaring [chauffeur] (chauffeur) van 9 september 2011 (productie 6 conclusie van antwoord):

“(…) Hij deed een paar passen naar achteren en viel uit de bus op de klep die toen nog niet helemaal omlaag was. Met zijn knie kwam hij tussen de klep en de bus. Ik heb [geïntimeerde] direkt aangeboden om met hem naar het ziekenhuis te rijden, we waren vlakbij en dat zijn ook de werkinstructies die ik in geval van letsel van mijn werkgever heb gekregen.

[geïntimeerde] wilde niet naar een dokter en stond erop om door te blijven werken. Hij heeft gewerkt tot de middagpauze die om 12.30 begint. Tussendoor hebben [bijrijder] en ik regelmatig gevraagd of we hem ergens naar toe moesten brengen en we hebben [geïntimeerde] ontzien in de werkzaamheden.”

3.9.2.

[geïntimeerde] heeft zich een dag later ziek gemeld.

3.9.3.

Op 25 november 2009 is [geïntimeerde] bezocht door een verzuimcontroleur. In de verzuimrapportage (productie 7 conclusie van antwoord) is vermeld:

“Reden verzuim

Betrokkene heeft gisteren, dinsdag 24-11-2009 een ongeval gehad op de werkplek. Betrokkene is van een laadklep van de vrachtauto afgevallen. Betrokkene heeft zijn rechterknie dik en het meeste aan de buitenkant. Hij zegt dat hij niet naar de huisarts gaat omdat er toch weinig aan te doen is.”

Volgens de verzuimrapportage moest [geïntimeerde] hervatten op maandag 30 november 2009.

Relevant is de vermelding dat de rechterknie dik was en dat [geïntimeerde] niet eerder dan 30 november 2009 hoefde te hervatten.

3.9.4.

[geïntimeerde] heeft op 8 december 2009 de huisarts bezocht. Deze heeft een zwelling aan de rechterknie gezien, zo blijkt uit de verklaring van de huisarts (productie 4 inleidende dagvaarding). De huisarts heeft bij onderzoek geconstateerd: “zwelling mediaal, flexie licht beperkt, min hydrops”. De huisarts heeft [geïntimeerde] naar het ziekenhuis verwezen voor het maken van een röntgenfoto. [geïntimeerde] heeft op 15 december 2009 de bedrijfsarts bezocht. Uit het werkhervattingsadvies blijkt [geïntimeerde] op dat moment volledig arbeidsongeschikt werd beschouwd om de volgende redenen:

“23 Overige beperkingen van het dynamische handelen in arbeid

1 specifieke overige beperkingen, namelijk…

lopen, knielen, traplopen etc: kan de rechter knie vrijwel niet belasten

(…)

10 overige beperkingen van statische houdingen

1 specifieke overige beperkingen, namelijk….

staan is een probleem”.

De bedrijfsarts heeft [geïntimeerde] in dat advies per 25 december 2009 weer arbeidsgeschikt geacht. Dat laatste betekent dat [geïntimeerde] in ieder geval van 25 november 2009 tot 25 december 2009 arbeidsongeschikt werd geacht.

3.10.

Phoenix heeft hierover zelf in eerste aanleg gesteld: “Phoenix heeft dan ook geen enkele aanleiding gehad om ander letsel aan te nemen dan een lichte kneuzing van de knie” (pagina 8 conclusie van antwoord). Het hof begrijpt dat Phoenix heeft bedoeld dat zij in hoger beroep hierop terug wil komen. Zij heeft in haar toelichting op de grief aangevoerd dat slechts blijkt dat [geïntimeerde] op enig tijdstip een zwelling aan zijn rechterknie, een lichte beperking had met bewegen/buigen en gewrichtsvocht/vochtophoping had, maar dat niet blijkt dat dit het gevolg was van het hem op 24 november 2009 overkomen ongeval. Het hof verwerpt dit verweer en is van oordeel dat dit verweer onvoldoende is tegenover hetgeen hiervoor in 3.9.1 tot en met 3.9.4 is vermeld. Daaruit blijkt van (enige) schade als direct gevolg van het ongeval door de achtereenvolgende omstandigheden, in onderling verband beschouwd:

- direct pijn;

- het voorstel van de collega’s om naar het ziekenhuis te gaan;

- een dag later ziek met een dikke knie;

- gezien door de verzuimcontroleur;

- de huisarts constateert op 8 december 2009 een zwelling;

- vanaf de dag na het ongeval tot 25 december 2009 arbeidsongeschikt geacht door de bedrijfsarts.

[geïntimeerde] heeft terecht aangevoerd dat ook licht lichamelijk letsel recht geeft op een schadevergoeding (vgl. HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519).

3.11.

Voor de duidelijkheid overweegt het hof nog dat uit het voorgaande slechts volgt dat sprake is van het vereiste condicio sine qua non-verband tussen het ongeval op 24 november 2009 en (in elk geval enige) schade. Daarmee is nog niet gezegd dat alle door [geïntimeerde] gestelde schade op de voet van artikel 6:98 BW kan worden toegerekend aan dat ongeval. Dat zal nader onderzocht kunnen/moeten worden in een schadestaatprocedure.

3.12.

Het hof gaat dus evenals de kantonrechter ervan uit dat [geïntimeerde] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Grief I faalt.

3.13.

Grief II is gericht tegen gedeelten van r.o. 4.10 en 4.11 van het bestreden vonnis. Met die overwegingen is de kantonrechter tot het oordeel gekomen dat Phoenix niet aan haar zorgplicht heeft voldaan.

3.14.

Phoenix heeft in haar toelichting op de grief aangevoerd dat partijen het niet eens zijn over de toedracht van het ongeval, maar zij blijft erbij dat haar lezing van die toedracht de juiste is. Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat de toedracht niet geheel duidelijk is, meebrengt dat Phoenix meer zal moeten stellen over haar zorgplicht dan bij een duidelijke toedracht. Zij dient immers voor de verschillende scenario’s te stellen op welke wijze zij haar zorgplicht is nagekomen (vgl. HR 10 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3837, NJ 2000/211).

3.15.

Volgens Phoenix blijkt uit de verklaringen van de collega’s [chauffeur] en [bijrijder] (productie 6 conclusie van antwoord) dat [geïntimeerde] in de vrachtwagen stond te bellen, terwijl er duidelijke instructies waren dat dit niet mocht. Volgens Phoenix heeft zij op meerdere manieren aan [geïntimeerde] duidelijk gemaakt dat dit niet was toegestaan. Het hof acht dit echter van onvoldoende belang. Waar het om gaat is dat de zorgplicht van Phoenix als werkgever meebracht dat zij haar werknemers zodanig instrueerde dat de collega’s [geïntimeerde] niet alleen moesten waarschuwen dat zij de laadklep naar beneden gingen brengen, maar ook dat geverifieerd moest worden of [geïntimeerde] die waarschuwing daadwerkelijk had gehoord. Of [geïntimeerde] nu stond te bellen of dat hij aan het werk was in de vrachtwagen doet er niet, althans onvoldoende toe. Wanneer het hof uitgaat van de lezing die Phoenix geeft van de toedracht, dan is heel goed mogelijk dat [geïntimeerde] de waarschuwing van zijn collega’s niet heeft gehoord. Wanneer [geïntimeerde] niet aan het bellen was, dan is evengoed mogelijk dat hij de waarschuwing van zijn collega’s niet heeft gehoord. Immers, de werkzaamheden werden verricht op het milieupark. Phoenix heeft niet gesteld dat het werk daar zodanig geluidsarm is (hetgeen niet voor de hand ligt) dat het niet anders kan dan dat [geïntimeerde] die waarschuwing gehoord moet hebben, ook als hij niet aan het bellen was. Dat [geïntimeerde] niet mocht bellen, is dus niet doorslaggevend. Phoenix heeft in haar toelichting op de grief gesteld dat [geïntimeerde] door zijn collega’s meermalen de instructie is gegeven dat hij in de vrachtwagen moest blijven staan en dat hij meerdere keren is gewaarschuwd voor het bewegen van de laadklep. Wanneer [geïntimeerde] die waarschuwing echter niet heeft gehoord, dan kan die vele malen zijn gegeven, maar dan had dat het ongeval niet voorkomen. Het gaat erom dat Phoenix haar werknemers zodanig had geïnstrueerd dat zij ook moesten controleren of een collega, in dit geval [geïntimeerde] , deze waarschuwingen had gehoord en begrepen. Phoenix heeft niet gesteld dat die controle heeft plaatsgevonden. Phoenix heeft aangevoerd dat dit niet het ongeval had voorkomen. Voor zover Phoenix hiermee heeft bedoeld dat die waarschuwing niet had voorkomen dat [geïntimeerde] (volgens haar) onverwacht een ruk heeft gegeven aan de palletwagen terwijl hij die wagen op dat moment niet hoefde te gebruiken, faalt die stelling. Ervan uitgaande dat de waarschuwing wel was gegeven, had het immers voor de hand gelegen dat [geïntimeerde] voorzichtiger was geweest omdat hij dan had geweten dat hij minder ruimte achter zich had gehad om achteruit te stappen.

3.16.

Volgens Phoenix gaat de hiervoor beschreven (instructie tot een) verificatieverplichting te ver en kon een dergelijke verificatie redelijkerwijs niet meer van haar verwacht worden. Het hof verwerpt ook deze stelling. Zoals de kantonrechter al heeft overwogen gaat het om werken op een zekere hoogte op een beweegbaar en in hoogte verstelbaar platform, hetgeen risico geeft op een val. Dat de laadklep continue in hoogte verandert, zoals Phoenix stelt, is een extra reden om een verificatieverplichting als de onderhavige aan te nemen, vanwege de ervaringsregel dat het dagelijks verkeren in een bepaalde situatie leidt tot een vermindering van de benodigde oplettendheid. Voorts acht het hof in dit verband van belang dat geen sprake was van reguliere arbeid. Phoenix heeft zelf aangevoerd dat [geïntimeerde] behoorde tot de groep van langdurig werklozen en (arbeids)gehandicapten die moeite heeft om te re-integreren in de arbeidsmarkt. Het betreft dus kennelijk een groep werknemers die niet zonder meer gewend is om te gaan met werksituaties en instructies, zodat des te belangrijker is om erop toe te zien dat instructies worden begrepen en worden nageleefd.

3.17.

Het hof is op grond van al het bovenstaande van oordeel dat ook grief II faalt.

3.18.

Grief III is niet meer van belang gelet op de verwerping van de grieven I en II en kan onbesproken blijven.

3.19.

Uit het voorgaande volgt dat het hof aan bewijslevering niet toekomt.

3.20.

Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en Phoenix veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt Phoenix in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 311,- aan griffierecht en op € 894,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en M. van Ham en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 september 2016.

griffier rolraadsheer