Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3951

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-06-2016
Datum publicatie
18-10-2016
Zaaknummer
20-003624-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte schiet op twee politieagenten. Anders dan de rechtbank acht het hof voorbedachte raad bewezen. Veroordeling voor poging tot moord tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden en TBS met voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003624-15

Uitspraak : 20 juni 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 13 november 2015 in de strafzaak met parketnummer

01-845066-15 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in Vught PPC, te Vught.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is – kort gezegd – :

  • -

    de verdachte vrijgesproken ter zake van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord;

  • -

    en is hij veroordeeld ter zake van de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, met oplegging daarnaast van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Voorts heeft de rechtbank beslissingen genomen omtrent in beslag genomen voorwerpen en vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [verbalisant 2] en [verbalisant 1].

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    poging tot moord bewezen zal verklaren en aan verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest, en terbeschikkingstelling met voorwaarden;

  • -

    de vordering van de benadeelde partijen geheel zal toewijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    zal beslissen ten aanzien van het beslag zoals de rechtbank heeft gedaan.

De verdediging heeft, kort gezegd, bepleit dat het vonnis van de rechtbank wordt bevestigd. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 januari 2015 te Eindhoven, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2], politieambtenaren te regio Oost-Brabant, opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade van het leven te beroven, meermalen, dan wel eenmaal, met een (vuur)wapen – door (een raam in) de deur van zijn, verdachtes kamer – op, dan wel in de richting van, die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] (die zich achter die deur bevonden) geschoten heeft, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 januari 2015 te Eindhoven, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [verbalisant 1] of [verbalisant 2], politieambtenaren te regio Oost-Brabant, opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven te beroven, met een vuurwapen – door een raam in de deur van zijn, verdachtes kamer – in de richting van die [verbalisant 1] en [verbalisant 2], die zich achter die deur bevonden, geschoten heeft, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Voorbedachte raad

Door verdachte wordt erkend dat hij op 29 januari 2015 te Eindhoven in de richting heeft geschoten van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. In hoger beroep is nog slechts de vraag aan de orde of verdachte daarbij met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om een of meer anderen te doden en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de feitenrechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het

besluit ontstaat.

Verdachte heeft op 12 februari 2015 bij de politie een verklaring afgelegd die op het volgende neerkomt (p. 56-93 van het politiedossier).

Verdachte heeft op 23 juni 2014 een brief ontvangen waarin stond dat een eerder aan hem opgelegde taakstraf zou worden omgezet in een gevangenisstraf (p. 56-57). Verdachte ging ervan uit dat de politie hem zou komen ophalen vanwege de omzetting van de taakstraf in een gevangenisstraf (p. 59). Verdachte vond dit onterecht en meende dat hem groot onrecht werd aangedaan; hij wist, toen hij die brief kreeg, dat als de politie zou komen, het een schietpartij worden (p. 60-63; p. 73) Hij heeft na de ontvangst van deze brief een vuurwapen, dat hij eerder in zijn bezit had en op enig moment had uitgeleend, opgehaald. Hij wilde zich met een vuurwapen verdedigen omdat dit een effectiever wapen is dan bijvoorbeeld een mes. In dat verband heeft verdachte verklaard: “Dus wil je iets bereiken, dan moet je wel iemand meenemen. (…) dan moet je iemand neerschieten” (p. 71-77).

Hij heeft verder verklaard dat hij op het moment dat hij de brief binnen kreeg voor zichzelf al had besloten dat hij de politie zou neerschieten (p. 77). Toen hij de brief kreeg, was het zijn plan om gericht te schieten en niet in de lucht te schieten. Het was het idee om gebruik te maken van de verrassing dat hij een vuurwapen had (p. 93).

Uiteindelijk stonden de agenten van politie [verbalisant 2] en [verbalisant 1] ruim zeven maanden nadat verdachte de brief had ontvangen voor de deur van de woning waar verdachte een kamer had. Verdachte heeft verklaard dat hij op 29 januari 2015 niet in de stemming was die eigenlijk nodig was om het plan uit te voeren, omdat hij zich veel beter voelde dan toen hij de brief ontving. Het hof interpreteert die verklaring van verdachte zo dat verdachte twijfelde of hij het voorgenomen plan wel of niet moest uitvoeren. Verdachte zegt namelijk direct na zijn opmerking zich die bewuste dag beter te voelen: “Maar ja ik, ik moest me eigen wel verdedigen. Of wel, ja ik kan me niet zomaar laten meeslepen, dat slaat nergens op.” (p. 90). Uit de uitlatingen van verdachte volgt naar het oordeel van het hof in ieder geval niet dat hij het voorgenomen plan op dat moment geheel had laten varen. Er zijn ook onvoldoende aanwijzingen dat hij in de tijd tussen de ontvangst van de brief en de komst van de politie reeds had besloten af te zien van het plan, bijvoorbeeld door zich te ontdoen van het vuurwapen. Het lag nog steeds gereed.

Verdachte heeft verklaard dat er politie bij de woning stond nadat [verbalisant 2] en [verbalisant 1] hadden aangebeld. Vervolgens heeft verdachte zich teruggetrokken op zijn kamer op zolder, de deur van die kamer afgesloten en zijn wapen tevoorschijn gehaald (p. 85-87).

Uit de aangifte van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] blijkt het volgende. Een medebewoner van verdachte heeft de deur van de woning geopend waarop [verbalisant 2] en [verbalisant 1] de woning zijn binnengegaan. Nadat die medebewoner tegen verdachte had gezegd dat er politie voor hem was, hebben de verbalisanten zich naar de zolderverdieping begeven. Vanaf de overloop van de zolder hebben [verbalisant 2] en [verbalisant 1] kenbaar gemaakt dat ze van de politie waren, dat ze [verdachte] zochten en dat hij, verdachte, de deur moest openen en met hen mee moest komen en dat als hij dat niet zou doen, de verbalisanten geweld zouden moeten gebruiken. Hierop heeft verdachte in de richting van de verbalisanten geroepen dat ze moesten oprotten omdat ze er anders spijt van zouden krijgen. Kort daarna hoorden verbalisanten een klikgeluid alsof er iets gespannen of ontspannen werd.

Hierop hebben de verbalisanten zich van de deur verwijderd en heeft [verbalisant 1] contact opgenomen met eerst de dienstdoende officier van justitie en daarna de hulpofficier van justitie ter verkrijging van een machtiging tot binnentreden. Vervolgens heeft [verbalisant 2] de meldkamer van de politie ingelicht over de situatie en gevraagd om versterking. (aangifte [verbalisant 2], p. 131-132; aangifte [verbalisant 1], p. 136-137).

Verdachte heeft verklaard vanuit zijn kamer te hebben gehoord dat de verbalisanten hadden gevraagd om versterking (p. 90).

Na het aanvragen van versterking hebben [verbalisant 2] en [verbalisant 1] wederom achter de deur post gevat en hebben zij verdachte nogmaals gesommeerd de deur te openen omdat die anders met geweld zou worden opengemaakt. Daarop werd vanuit de kamer door het raam van de deur geschoten (aangifte [verbalisant 2], p. 132-133; aangifte [verbalisant 1] p. 137).

Verdachte heeft verklaard dat een van de agenten iets zei dat hem triggerde, namelijk “Dit is de laatste kans om normaal te doen, als je nou niet … dan gaat de deur eruit.”, dat hij toen naar een bepaald punt in zijn kamer liep en “toen blies ik met dat wapen door die raam heen” (p. 91-92).

Het hof overweegt als volgt.

Uit het voorgaande blijkt dat verdachte na ontvangst van genoemde brief goed heeft nagedacht over de (mogelijke) gevolgen van de inhoud van die brief en zijn eigen handelwijze in reactie daarop. Zelfs de effectiviteit van het door hem te hanteren wapen heeft verdachte bij zijn afwegingen betrokken. Verdachtes denkproces heeft geleid tot een besluit gericht op de politie te schieten wanneer die bij hem zou komen vanwege de omgezette taakstraf. Verdachte heeft dat besluit ook handen en voeten gegeven door een uitgeleend wapen terug te halen en dit in geladen toestand in zijn woning te leggen. Het voorgenomen plan van verdachte komt erop neer dat hij zich koste wat kost tegen de politie zou verzetten – door met een vuurwapen te schieten – wanneer men hem zou willen meenemen.

Bij uitblijven van een alternatieve verklaring van verdachte en gelet op de loop van de gebeurtenissen, kan het hof het klikgeluid niet anders interpreteren dan dat verdachte het afvuurmechanisme van het wapen heeft gespannen. Uit dit ter hand nemen en schietklaar maken van het wapen, leidt het hof af dat verdachte op dat moment had besloten alsnog uitvoering te geven aan zijn oorspronkelijke plan te schieten als de politie, in dit geval [verbalisant 2] en [verbalisant 1], werkelijk aanstalten zouden maken hem mee te nemen.

Zoals volgt uit het hiervoor overwogene, heeft verdachte in de periode na 23 juni 2014 tot aan de dag van het delict uitgebreid nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad om op de politie te schieten als ze hem kwamen ophalen en zich daarvan rekenschap gegeven. De komst van de politie op 29 januari 2015 was de aanleiding om dit plan uit te voeren. Ook na het schietklaar maken en aanspannen van het wapen is er voor verdachte nog gelegenheid geweest zich te beraden over het voorgenomen besluit, namelijk gedurende de beraadslagingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] met de (hulp)officier van justitie respectievelijk de meldkamer. Aangenomen moet worden dat dit overleg, met verschillende personen op verschillende locaties, enkele minuten in beslag heeft genomen. Bij gebreke van een verklaring van verdachte over zijn gedachtegang tijdens deze beraadslagingen (verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op zijn zwijgrecht beroepen), gaat het hof er vanuit dat verdachte in de tijd die de beraadslagingen hebben geduurd ook van die gelegenheid zich te beraden gebruik heeft gemaakt. Nadat de verbalisanten waren teruggekeerd bij de deur en zij verdachte – in de woorden van verdachte – te verstaan hadden gegeven dat het zijn laatste kans was omdat de deur er anders uit zou gaan, oftewel toen het meenemen van verdachte door de politie realiteit leek te woorden terwijl verdachte had besloten dit onder geen beding te laten gebeuren, heeft verdachte ook daadwerkelijk uitvoering gegeven aan dit besluit.

De omstandigheid dat de verdachte zelf spreekt van een “trigger”, waarna hij het wapen afvuurde, maakt dit niet anders. Uit het aanspannen van het wapen en het met dat wapen wachten op de terugkeer van de politie blijkt dat ten laatste op dat moment het besluit (weer) is genomen om te schieten op de politie. Als dan de politie vervolgens na enkele minuten voor de tweede keer de verdachte waarschuwt dat de deur opengebroken zal gaan worden, schiet de verdachte. Dat schieten is dan geen impulsieve handeling, maar de uitvoering van een eerder genomen besluit.

Het hof komt tot de slotsom dat verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad in de richting van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] heeft geschoten, zodat poging tot moord bewezen zal worden verklaard.

Ook het hof heeft oog voor de contra-indicaties volgend uit de verklaring van verdachte die de rechtbank ertoe hebben geleid verdachte vrij te spreken van poging tot moord. Uit de in het vonnis van de rechtbank opgesomde passages uit de verhoren van verdachte komt duidelijk naar voren dat de confrontatie met de politie op 29 januari 2015 bij verdachte de nodige emotionele beroering teweeg heeft gebracht. Het hof wil aannemen dat verdachte niet emotieloos op de verbalisanten heeft geschoten, sterker nog dat hij op momenten tijdens die confrontatie paniek en/of angst heeft gevoeld. Deze gemoedstoestand sluit echter voorbedachte raad nog niet uit en maakt nog niet dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling of een plotseling hevige drift, waarbij verdachte niet de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Die contra-indicaties brengen het hof derhalve niet tot een ander oordeel.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd als:

poging tot moord.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

Algemeen

Bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord door met een vuurwapen op hoofdhoogte door (het raam van) een deur te schieten, terwijl hij wist dat zich achter die deur verbalisanten bevonden. Met zijn handelen heeft verdachte uitvoering gegeven aan een weldoordacht plan. Door zijn gedragingen heeft verdachte welbewust een groot, zelfs levensbedreigend gevaar voor die verbalisanten in het leven geroepen.

Een delict als dit veroorzaakt veel onrust en leidt tot een toename van gevoelens van angst en onveiligheid in het algemeen en bij politiemensen in het bijzonder. Politieagenten verdienen bijzondere bescherming wanneer zij bij het uitoefenen van hun functie slachtoffer worden van strafbaar handelen. Slachtoffers van dit soort ernstige geweldsfeiten kunnen daar nog jarenlang last van ondervinden en de herinnering eraan kan hen hinderen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vorderingen van de benadeelde partijen blijkt dat het gedrag van verdachte een grote impact heeft gehad op de slachtoffers.

Uit het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 april 2016 blijkt dat hij in 2006 onherroepelijk is veroordeeld ter zake van poging tot doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de psychiater P.K.J. Ronhaar in samenwerking met B. Hitzert, psychiater in opleiding, op 24 april 2015 en de psycholoog S.J.J. Steketee op 28 april 2015 in hun rapportages hebben geadviseerd verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Het hof neemt deze conclusies over en maakt ze tot de hare.

De op te leggen straf

Naar het oordeel van het hof kan in verband met een juiste normhandhaving niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Ondanks het feit dat het hof komt tot bewezenverklaring van poging tot moord, waarop een hogere maximumstraf staat dan de door de rechtbank bewezen verklaarde poging tot doodslag, zal het hof dezelfde straf opleggen als de rechtbank heeft gedaan: een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. Het hof acht het van groot belang, dat verdachte zo snel mogelijk kan beginnen met een klinische behandeling (in het kader van een tbs met voorwaarden).

De op te leggen maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden

Het hof neemt hierna de overwegingen van de rechtbank over:

“Op 24 april 2015 heeft P.K.J. Ronhaar, psychiater, in samenwerking met B. Hitzert, psychiater in opleiding een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De in dit rapport vermelde conclusie luidt onder meer:

‘Op basis van het eigen onderzoek concluderen ondergetekenden dat er bij betrokkene sprake is van een autisme-spectrum stoornis (ASS). Dat blijkt onder andere uit de problemen in de sociale interactie, een beperkt voorstellingsvermogen, beperkte copingstrategieën en een verhoogde prikkelgevoeligheid.(…)

De presentatie van de autisme-spectrum stoornis van betrokkene doet denken aan de stoornis van Asperger, een bijzondere vorm van ASS. Uit eerder onderzoek is gebleken dat hij in zijn denken een lage informatieverwerkingssnelheid heeft. In samenhang met zijn levensgeschiedenis vallen ook paranoïde trekken in zijn persoonlijkheid op.

Ten tijde van het ten laste gelegde was deze pathologie ook aanwezig.

Betrokkenes pathologie is nog onverminderd aanwezig, hetgeen hem belet direct voldoende lering te trekken uit de gang van zaken. (…) Het risico dat hij geneigd is tot het gebruik van geweld bestaat als hij in een voor hem stressvolle situatie komt. (…)

De herhalingskans op feiten als het thans ten laste gelegde in een gespannen of stressvolle situatie wordt hoog geschat.

Bij het gebruik van de HCR-20 als risicotaxatie-instrument wordt gekomen tot een zelfde hoge inschatting van het gevaar op gewelddadig gedrag. (…)

Betrokkenes ASS zal niet verdwijnen, het is een blijvende stoornis. Betrokkene kan wel leren beter om te gaan met de hiermee samenhangende beperkingen, en met zijn gevoelens van angst en onmacht in stressvolle situaties. (…)

Om het recidivegevaar afdoende terug te dringen, behoeft betrokkene een langdurige behandeling met een hoog zorgniveau en een matig beveiligingsniveau. (…)

Gelet op de ernst van de stoornis, de ernst van het ten laste gelegde, het beschreven recidivegevaar en het feit dat in het verleden is gebleken dat betrokkene weinig gemotiveerd is tot behandeling of begeleiding in een meer vrijwillig kader, wordt geadviseerd betrokkene een, in aanvang klinische, behandeling op te leggen in het kader van een tbs met voorwaarden. Een lichter kader (…) wordt niet toereikend geacht.’

Op 28 april 2015 heeft S.J.J. Steketee, klinisch psycholoog/psychotherapeut, een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De in dit rapport vermelde conclusie luidt onder meer:

‘Er is sprake van een stoornis binnen het autistische spectrum en paranoïde trekken vanuit de persoonlijkheid. Dit was het geval ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde.

Het gebrek aan inlevingsvermogen en afstemming op de ander/maatschappij, paranoïde overtuigingen, starheid in denken en handelen, factoren voortkomend uit de stoornis van betrokkene, kunnen van belang zijn voor de kans op recidive.

Hoe sterker betrokken zich totaal focust op zijn overtuigingen en ideeën hoe meer hij daardoor in beslag genomen wordt en zich zal gaan verzetten en/of wapenen, wat de kans op een recidive vergroot. De afwezigheid van structuur, dagvulling en contact versterkt dit proces. (…)

Omdat er sprake is van een hoog recidive risico is het belangrijk dat er specialistische behandeling plaats vindt gericht op stress-management, omgaan met teleurstellingen, coping en hoe om te gaan met de specifieke overtuigingen van betrokkene. Wanneer betrokkene ‘in de hoek wordt gedreven’ versterken de paranoïde overtuigingen en gaat hij zich bewapenen. Zoals betrokkene zelf ook aangeeft is de kans op herhaling zeer sterk. (…)

Het advies is een klinische opname binnen een forensische setting in het kader van een TBS met voorwaarden. (…) Gezien de ernst van het ten laste gelegde, de herhaling, de ernst van de problematiek en de reële kans op stagnatie door afhaken heeft het kader van een tbs met voorwaarden de voorkeur.’

Op 15 juni 2015 heeft de Reclassering Nederland, Novadic-Kentron, [reclasseringsmedewerker 1] en [reclasseringsmedewerker 2] een maatregelrapport opgemaakt, waarin voorwaarden in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden zijn geformuleerd. De reclassering geeft voorts in voornoemd rapport aan dat zij de kans op recidive hoog acht.

Ter aanvulling op dit rapport is op 9 juli 2015 door de reclassering Novadic-Kentron gerapporteerd dat IFZ verdachte heeft aangemeld binnen de FPK van GGZe De Woenselse Poort te Eindhoven.

Verdachte heeft zich ter terechtzitting van 30 oktober 2015 bereid verklaard tot naleving van de voorwaarden vermeld in het rapport van de reclassering van 15 juni 2015 en 9 juli 2015 in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden.

De rechtbank neemt de adviezen van de gedragsdeskundigen en de reclassering en de gronden waarop deze adviezen berusten over. De rechtbank constateert dat bij verdachte tijdens het begaan van het feit sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De rechtbank overweegt verder dat het bewezen verklaarde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld terwijl de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist en het misdrijven betreft die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Uit de rapporten volgt eensluidend dat een terbeschikkingstelling met voorwaarden het juiste begeleidingskader voor verdachte biedt.

De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat terbeschikkingstelling met voorwaarden voldoende waarborgen biedt ter beveiliging van de maatschappij. De rechtbank zal dan ook, met inachtneming van de inhoud van het maatregelrapport van 15 juni 2015 en de aanvulling daarop d.d. 9 juli 2015, aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden opleggen.”

Evenals de advocaat-generaal en de verdediging, acht het hof het dan ook raadzaam de terbeschikkingstelling met voorwaarden zoals door rechtbank opgelegd, te gelasten.

Vordering van de benadeelde partijen

[verbalisant 1]

De benadeelde partij [verbalisant 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.000,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Het hof acht deze vordering in haar geheel billijk (waarbij niet van belang is dat de kwalificatie van het bewezen verklaarde feit poging moord in plaats van poging doodslag is).

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

[verbalisant 2]

De benadeelde partij [verbalisant 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.000,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Het hof acht deze vordering in haar geheel billijk (waarbij niet van belang is dat de kwalificatie van het bewezen verklaarde feit poging moord in plaats van poging doodslag is).

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Beslag

Ten aanzien van de in beslag genomen goederen zal het hof beslissen als hierna te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36f, 37a, 38, 38a, 45, 60a en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, onder de volgende voorwaarden:

 veroordeelde pleegt geen strafbare feiten;

 veroordeelde verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of biedt een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan;

 veroordeelde moet zich na onherroepelijk worden van het vonnis bij de reclassering melden op telefoonnummer 073-6409696. Hierna moet veroordeelde zich (na detentie) blijven melden zo frequent en zolang de Reclassering Nederland dit noodzakelijk acht;

 veroordeelde wordt verplicht om zich klinisch te laten opnemen in de Forensisch Psychiatrische Kliniek van GGZe De Woenselse Poort te Eindhoven, dan wel een soortgelijke intramurale instelling, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer)-directeur van die instelling zullen worden gegeven.

 veroordeelde houdt zich aan de richtlijnen van de behandelend geneesheer, ook indien dit inhoudt zich houden aan medicatievoorschriften, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

 veroordeelde wordt verplicht om in aansluiting op de klinische fase binnen een woonvoorziening, indien en door de reclassering geïndiceerd, waarschijnlijk een RIBW of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, te verblijven en zich te houden aan het (dag)-programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

 veroordeelde werkt mee aan de totstandkoming van de drie-partijen overeenkomst tussen veroordeelde, reclassering en de zorg/behandelinstanties;

 veroordeelde gaat akkoord met inzage in zijn financiën;

 veroordeelde laat zich, indien geïndiceerd door de reclassering onder bewind stellen;

 veroordeelde heeft, in aansluiting op het klinische gedeelte, contact met een SPV-er of psycholoog en gaat akkoord met een ambulant behandeltraject, indien de reclassering dit noodzakelijk acht en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

 veroordeelde verleent zijn medewerking aan het raadplegen van referenten;

 veroordeelde werkt mee aan urinecontroles indien de reclassering dit noodzakelijk acht.

De Reclassering Nederland, Regio ’s-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te

’s-Hertogenbosch, wordt opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan hulp en steun te verlenen. Bij het verlenen van hulp en steun bij de naleving van de voorwaarden wordt de identiteit van betrokkene vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid van het Wetboek van Strafvordering.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten 1 kogelpunt, 1 patroon, 1 huls, 1 huls, 1 revolver, 1 projectiel.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten 1 vest, 1 shirt, 1 jas, 1 computer, 1 notebook, 1 harddisk, 1 telefoon,

1. usb-stick en 2 bivakmutsen.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verbalisant 1], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verbalisant 2], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Nieuwendijk, griffier,

en op 20 juni 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. O.A.J.M. Lavrijssen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.