Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:392

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
11-02-2016
Zaaknummer
200.151.001_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:4938, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Mensenrechten
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onrechtmatige publicaties op website Binnenlands Bestuur? Belangenafweging; artikelen 8 en 10 EVRM; beschuldigingen van strafbare feiten vinden onvoldoende steun in de feiten.

Wetsverwijzingen
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 8
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.151.001/01

arrest van 9 februari 2016

in de zaak van

1 [appellant 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,

2. [appellant 2],
wonende te [woonplaats 1] ,

3. [appellant 3],
wonende te [woonplaats 1] ,

appellanten,

hierna aan te duiden als groep [appellant 2] ,

advocaat: mr. C.J.M. Weebers-Vrenken te Eindhoven,

tegen

1 Bureau Integriteit B.V., h.o.d.n. Bing,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats 2] ,

3. [geïntimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats 3] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als Bing c.s.,

advocaat: mr. C.W.J. Okkerse te Almere,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 november 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 21 augustus 2013, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats
's-Hertogenbosch, gewezen tussen groep [appellant 2] , hierna ook afzonderlijk aan te duiden als [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] , als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en Bing c.s., hierna ook afzonderlijk aan te duiden als Bing, [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] , als eisers in conventie, verweerders in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/24175/HA ZA 12-92)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van groep [appellant 2] van 24 maart 2015 met de producties 53 tot en met 69 welke buiten bezwaar van de wederpartij bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep is genomen;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. a) [appellant 1] is eigenaar van een adviesbureau. [appellant 2] is eigenaar van de eenmanszaak [Restaurant en Pannenkoekenhuis] Restaurant en Pannenkoekenhuis. [appellant 3] doet in de privésfeer werk voor de jeugd in [woonplaats 1] . Gezamenlijk vormen [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] het samenwerkingsverband groep [appellant 2] .

b) Bing biedt Nederlandse gemeenten advies en onderzoek expertise en heeft een vraagbaak functie op het gebied van integriteit. De Vereniging Nederlandse Gemeenten was mede-initiatiefnemer voor de oprichting van Bing. Sinds 2008 is Bing verzelfstandigd.
[geïntimeerde 2] was tot zijn pensionering eind 2013 directeur van Bing.
[geïntimeerde 3] was tot 1 januari 2015 eveneens als directeur aan Bing verbonden. Hij was tevens hoogleraar aan de Open Universiteit en verbonden aan de Vrije Universiteit. Per voormelde datum is [geïntimeerde 3] fulltime hoogleraar geworden.

c) De gemeente [woonplaats 1] (hierna: de gemeente) heeft in 2003 een wedstrijd uitgeschreven waarvan de winnaar in aanmerking zou komen om een toeristisch-recreatief bouwproject te ontwikkelen (“de [bouwproject] ”), als herontwikkeling van de locatie [adres] te [woonplaats 1] . [appellant 2] en [appellant 3] hebben eerst apart en vervolgens samen aan die wedstrijd deelgenomen. [appellant 1] was als hun adviseur betrokken bij de ontwikkeling en presentatie van hun inzendingen. Na de wedstrijd zijn [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] betiteld als “protestgroep [appellant 2] ” en later als groep [appellant 2] .

d) Er waren twaalf deelnemers aan (inschrijvers op) de wedstrijd. Het college van B & W van de gemeente heeft op 19 december 2003 besloten de plannen van alle inschrijvers aan de gemeenteraad voor te leggen. Daarbij heeft het college zijn voorkeur uitgesproken om de plannen van [inschrijver 1] , [appellant 2] , [inschrijver 2] en De Schakel verder uit te werken. De gemeenteraad heeft de voorkeur van het college niet gevolgd en op 29 januari 2004 besloten de selectie voort te zetten met Bosgroep Zuid Nederland (alleen in combinatie met een horeca-exploitant), [inschrijver 3] , De Schakel, [appellant 2] - [appellant 3] en [inschrijver 1] . Op 25 maart 2004 heeft de gemeenteraad besloten de voorkeur te geven aan de combinatie van [inschrijver 3] & [inschrijver 4] en de Bosgroep Zuid Nederland. [appellant 2] - [appellant 3] behaalde de tweede plaats.

e) De Bosgroep Zuid Nederland (hierna: de Bosgroep) is een coöperatie van bos- en grondeigenaren als leden, waaronder vele gemeentes. Ook de gemeente [woonplaats 1] is lid van de Bosgroep. Op 4 december 2003 is mevrouw [wethouder] , wethouder Openbare Werken en Bos- en Natuurbeheer van de gemeente, door de ledenvergadering van de Bosgroep benoemd tot bestuurslid. Mevrouw [wethouder] heeft het college van B & W van de gemeente hierover informeel geïnformeerd. Op 19 februari 2004 is deze functie vermeld in het overzicht van nevenfuncties van wethouders van de gemeente.

f) Groep [appellant 2] heeft een klacht ingediend tegen de (rechtmatigheid van de) besluitvorming door de gemeente rond de wedstrijd. De klacht is op 16 november 2007 door de burgemeester ongegrond verklaard. Op 23 januari 2008 heeft groep [appellant 2] een verzoek tot onderzoek ingediend bij de Ombudscommissie Zuidoost-Brabant (hierna: de OZOB), die de klacht op 1 december 2008 grotendeels gegrond heeft verklaard. Onder meer was de OZOB van oordeel dat wethouder [wethouder] had gehandeld in strijd met de Gemeentewet door haar benoeming tot bestuurslid van de Bosgroep niet tevoren aan de gemeenteraad te melden, dat de schijn van partijdigheid is gewekt doordat de wethouder tijdens de wedstrijd tot een deelnemende partij is toegetreden; dat de wethouder zich had moeten onthouden van deelneming aan de beraadslaging over de wedstrijd; dat de burgemeester de wethouder hierop had moeten aanspreken en dat de gemeenteraad geïnformeerd had moeten worden. Naar aanleiding van dit oordeel van de OZOB heeft groep [appellant 2] de gemeente verzocht het winnende plan van de Bosgroep te diskwalificeren. Op 21 januari 2009 heeft de gemeenteraad besloten het verzoek af te wijzen en haar besluit van 25 maart 2004 niet te heroverwegen.

g) Groep [appellant 2] heeft vervolgens wederom een klacht ingediend bij de gemeente en, na afwijzing daarvan, opnieuw een verzoek neergelegd bij de OZOB. Bij de behandeling van dat verzoek heeft de OZOB in november 2009 Bing ingeschakeld. De opdrachtbevestiging van Bing aan de OZOB d.d. 6 november 2009 houdt onder meer in:
“U heeft ons het verzoekschrift van de heer [appellant 1] en het bijbehorende dossier ter hand gesteld en BING gevraagd een uitspraak te doen over het al dan niet integer handelen van de gemeente [woonplaats 1] in deze zaak en u ter zake te adviseren.”

h) Bing heeft op 17 juni 2010 haar rapport van (inclusief bijlagen) 31 bladzijden uitgebracht. Bing adviseert daarin de OZOB de klachten van groep [appellant 2] over de integriteit van de bestuurders van de gemeente en over de bejegening van groep [appellant 2] door de gemeente ongegrond te verklaren. Voorts geeft Bing groep [appellant 2] in overweging “een verontschuldigend en verzoenend gesprek met betrokkenen [aan te gaan]”. Het rapport van Bing is opgesteld en ondertekend door [geïntimeerde 2] en is op 18 juni 2010 per e-mail aan groep [appellant 2] gezonden. Op 3 juli 2010 heeft groep [appellant 2] aan de OZOB gemeld op welke punten het rapport van Bing volgens groep [appellant 2] tekortschiet. De OZOB heeft de reactie van groep [appellant 2] voorgelegd aan Bing. Bing zag hierin geen aanleiding het rapport aan te passen. Op 30 augustus 2010 bracht de OZOB haar rapport naar aanleiding van de klacht van groep [appellant 2] uit. De OZOB nam daarin het advies van Bing over, maar bleef bij haar eerder gegeven oordeel over het handelen en nalaten van wethouder [wethouder] .

i. i) Groep [appellant 2] heeft professor dr. [professor] (hierna: [professor] ) opdracht gegeven de handelwijze van de gemeente rond de wedstrijd te onderzoeken. [professor] heeft zijn rapport op 3 september 2010 uitgebracht en op 29 december 2010 aangevuld. [professor] concludeert dat de gemeente, onder meer door functionele belangenverstrengeling, verschillende criteria van “good governance” heeft geschonden. Op 6 januari 2011 heeft groep [appellant 2] een verzoek ingediend bij de OZOB het rapport van 30 augustus 2010 te herzien. De OZOB heeft dit geweigerd.

j) Op 27 september 2011 heeft groep [appellant 2] aangifte gedaan van strafbare feiten gepleegd door [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] . Op 18 november 2011 heeft het Openbaar Ministerie besloten niet tot vervolging over te gaan. Een verzoek op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering is door dit hof afgewezen.

k) De Bosgroep heeft de ontwikkeling van de [bouwproject] niet ter hand genomen.

l) Op 28 augustus 2014 heeft de gemeenteraad besloten om groep [appellant 2] alsnog de gelegenheid te geven haar plan te realiseren binnen de eerder vastgestelde kaders.

m) Op de website van het tijdschrift Binnenlands Bestuur heeft [appellant 1] namens groep [appellant 2] zich meermalen uitgelaten over Bing, in reactie op aldaar verschenen artikelen over een door de burgemeester van Schiedam opgesteld tegenrapport tegen een door Bing over het functioneren van de burgemeester uitgebracht rapport en over de oratie van [geïntimeerde 3] . Het betreft de navolgende citaten c.q. uitlatingen van groep [appellant 2] op de daarbij vermelde data:
- (2 november 2011) “(…) [te kunnen] stellen en ook [te] kunnen bewijzen dat moedwillige opzet vanuit cliëntelisme de oorzaak is geweest voor manipulatieve analyse en rapportage door de heer [geïntimeerde 2] c.s., omdat u daarbij de juridische en feitelijke waarheidsvinding en – rapportage geweld hebt aangedaan. Het feit dat ons dit ‘integriteitskunstje’ mede werd geflikt door een (internationaal) gerespecteerd docent/lector/hoogleraar op het vakgebied, waar de gemiddelde burger en leerling veelal zowat blind vertrouwen in moet kunnen stellen, is o.i. een verzwarende omstandigheid voor straf- of tuchtmaatregelen, en tenminste voor een verplichting tot rectificatie/intrekken van een rehabilitatie.”
- (8 november 2011) “(…) Daarbij mag het verleden het BING best wat blijven achtervolgen van ons, gezien de kwaadaardige manipulatie van de waarheid en de schending van vertrouwen en respect. Hopelijk schamen de heren van BING zich flink over wat er nu allemaal op straat ligt en waar ze zich ondanks dreigementen toch niet inhoudelijk tegen verzetten (…) wij weten dat ons integriteitsrapport over BING vrij aardig klopt maar dat van BING over ons verre van dat. Zeker van dat rapport [woonplaats 1] hebben we nu al wettig en overtuigend bewezen dat dit een gemeen neprapport is van een stel bestuurslakeien.”
- (oktober/november 2011) Verder zijn [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] door groep [appellant 2] op die website verantwoordelijk gehouden voor het verschijnen van “een gemanipuleerd rapport, waarin de waarheidsvinding en een eerlijke procesgang geweld zijn aangedaan” en spreekt groep [appellant 2] van “adviesfraude”, “obstructie van recht” en “valse bekentenissen die buiten ede zonder wederhoor voor waarheid [zijn] aangenomen”. Groep [appellant 2] stelt in die publicatie dat de aangifte bij de politie onder meer als juridische basis heeft “valsheid in geschrifte bij het BING met smaad-/lasterschrift (…)” en dat Bing “belangrijke bewijsdocumenten in het onderzoek bewust heeft genegeerd over de belangenverstrengeling respectievelijk het bedrog en de leugens van de betrokkenen bij Bosgroep en gemeente over het precieze verloop van wedstrijd en lobby om de Bosgroep te laten winnen.” Voorts is vermeld “nu kunnen we tegenover het OM bewijzen dat BING verantwoordelijk is voor een valselijk opgesteld mislukt adviesproduct.”
- (12 november 2011) ”BING B.V. heeft daaraan [belangenverstrengeling, bedrog en ontkenning van zaken] meegewerkt en is er niet voor teruggedeinsd om de waarheidsvinding geweld aan te doen in de rapportage, (…)”
- (7 december 2011) ”Als je vervolgens als burger aangifte doet tegen zo’n bureau, wat wij hebben gedaan, vindt er binnen een paar weken al sepot plaats door een OvJ, zo leert de praktijk. Gelukkig bestaat dan nog de mogelijkheid van een beklag bij het Gerechtshof. Die weg zijn we dan ook ingeslagen tegen het recente sepot van een formele aangifte wegens vermeend strafbaar handelen in de vorm van corruptie van betrokken bestuurders en onrechtmatige advisering daarover door het BING. Dat beklag [ex] art.12 Sv loopt momenteel nog.”
- (8 december 2011) in reactie op een publicatie in Binnenlands Bestuur over de aanstaande oratie van [geïntimeerde 3] dat “hij [ [geïntimeerde 3] ] en zijn team zich welbewust geleend hebben voor lakeienadvisering die niks te maken heeft met waarlijke onderzoeksintegriteit. Gewone burgers noemen dat óók een vorm van corruptie, witteboordencriminaliteit. Daar kun je tegenwoordig als integriteitsondernemer toch gewoon professor mee worden schijnt.”

3.2.

Bing c.s. hebben groep [appellant 2] voor de rechtbank doen dagvaarden en in conventie, samengevat, gevorderd (deels hoofdelijke, namelijk wat betreft de vorderingen sub 1, 2, 4 en 5) veroordeling van groep [appellant 2] of (wat betreft vordering 3) van [appellant 1] tot:

1) betaling van schadevergoeding ad € 15.000,-- aan Bing en € 10.000,-- aan [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] ;
2) plaatsing van een rectificatie op de website van Binnenlands Bestuur, op straffe van een dwangsom;
3) verzending van een brief naar Binnenlands Bestuur met het verzoek alle publicaties van groep [appellant 2] op de website van Binnenlands Bestuur waarin Bing, [geïntimeerde 2] of [geïntimeerde 3] worden genoemd te verwijderen, althans bij elke publicatie te verwijzen naar de rectificatie genoemd sub 2, een en ander op straffe van een dwangsom;
4) een verbod op nieuwe publicaties die de eer en goede naam van Bing c.s. aantasten, eveneens op straffe van een dwangsom;
5) betaling van de proceskosten.
Aan de vorderingen leggen Bing c.s. ten grondslag dat zij door de publicaties van groep [appellant 2] in hun eer en goede naam worden aangetast, waardoor zij schade lijden.

3.2.1.

Groep [appellant 2] heeft verweer gevoerd en een vordering in reconventie ingesteld. Groep [appellant 2] vordert:

A) te verklaren voor recht dat Bing c.s. onrechtmatig hebben gehandeld door oplevering van het rapport van 17 juni 2010 aan OZOB;
B) Bing c.s., althans Bing, te veroordelen tot intrekking van voormeld rapport op straffe van een dwangsom, en tot het publiceren van een rectificatie op de website van Binnenlands Bestuur en in verschillende (dag)bladen;
C) veroordeling van Bing c.s. tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, met hoofdelijke veroordeling van Bing c.s. in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.2.

Bij het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank in conventie vordering 1 toegewezen in die zin dat groep [appellant 2] aan Bing, [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] ieder dient te betalen € 500,--. De vorderingen 2 tot en met 5 wees de rechtbank toe, met dien verstande dat de rechtbank heeft bepaald dat geen dwangsommen worden verbeurd voor zover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding. In reconventie wees de rechtbank de vorderingen van groep [appellant 2] af.

3.2.3.

De rechtbank was in conventie van oordeel dat a) ook als een groot deel van de bezwaren van groep [appellant 2] tegen het rapport van Bing terecht zijn, dit nog niet leidt tot de conclusie dat Bing c.s. zich hebben schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling, valsheid in geschrifte, cliëntelisme en manipulatie van de waarheid, b) het verweer van groep [appellant 2] , dat haar uitlatingen gerechtvaardigd zijn vanwege de ernst van de door haar gemelde misstand en de mate waarin de verdenkingen steun vinden in het bewijsmateriaal, niet opgaat, c) dat Bing c.s. door de onterechte beschuldigingen in hun eer en goede naam worden aangetast, d) er aanleiding is tot toekenning van immateriële schadevergoeding aan Bing c.s. omdat groep [appellant 2] zich met haar publicaties onder meer op de website van Binnenlands Bestuur heeft willen richten op de kring waaruit Bing haar klanten moet halen, zodat groep [appellant 2] daadwerkelijk het oogmerk had Bing c.s. nadeel toe te brengen. In reconventie oordeelde de rechtbank dat I) ook als de kritiek van groep [appellant 2] op het rapport van Bing terecht is dit nog niet met zich brengt dat dat rapport onrechtmatig jegens groep [appellant 2] is, II) het enkele feit dat Bing buiten de grenzen van de opdracht van OZOB is getreden door het optreden van groep [appellant 2] in de beoordeling te betrekken, niet zonder meer als onrechtmatig is te kwalificeren en dat III) groep [appellant 2] niet heeft onderbouwd dat de door Bing c.s. gebruikte kwalificaties in de publiciteit zijn gekomen.

3.4.

Groep [appellant 2] heeft acht grieven aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. De eerste zes grieven richten zich tegen de beslissing van de rechtbank in conventie. Grieven 7 en 8 zijn gericht tegen de afwijzing van de reconventionele vordering.

3.5.

Met grief 6 bestrijdt groep [appellant 2] dat uit het feit dat zij publiceerde op de website van Binnenlands Bestuur en gericht gemeentes aanschreef, valt af te leiden dat zij met haar publicaties het oogmerk heeft gehad om Bing c.s. nadeel toe te brengen.

3.5.1.

De grief slaagt. Voor het toekennen van schadevergoeding wegens nadeel dat niet in vermogensschade bestaat is op grond van artikel 6:106 lid 1 sub a BW nodig dat groep [appellant 2] het oogmerk had zodanig nadeel aan Bing c.s. toe te brengen. Het enkele feit dat groep [appellant 2] haar publicaties deed verschijnen op de website van Binnenlands Bestuur en gericht gemeenten, de potentiële klanten van Bing, aanschreef is onvoldoende om tot de aanwezigheid van dat oogmerk te concluderen. Onweersproken door Bing c.s. heeft groep [appellant 2] immers gesteld dat haar uitlatingen zijn gedaan in het kader van het publieke debat over integriteit in het algemeen en de handelwijze van Bing in diverse (gemeentelijke) integriteitskwesties in het bijzonder. Als voorbeelden noemt groep [appellant 2] een sexrel in de gemeente Wassenaar, een burgemeestersaffaire in de gemeente Schiedam en een wethouderskwestie in de gemeente Bergen op Zoom. Groep [appellant 2] heeft, eveneens onweersproken door Bing c.s., gesteld dat de discussie over integriteit en in het bijzonder de integriteit en handelwijze van Bing wordt gevoerd op dat platform. De vordering van groep [appellant 2] in hoger beroep tot terugbetaling van de (onweersproken reeds door groep [appellant 2] ) betaalde bedragen ter zake van schadevergoeding is toewijsbaar.

3.6.

Het hof zal thans de grieven 7 en 8, gericht tegen de afwijzing van de reconventionele vorderingen, bespreken.

3.6.1.

Bing c.s. betogen in dit verband in hoger beroep allereerst dat [appellant 1] niet-ontvankelijk is in de reconventionele vorderingen omdat [appellant 1] slechts adviseur is van [appellant 2] en [appellant 3] en niet zelf heeft deelgenomen aan de door de gemeente uitgeschreven wedstrijd. [appellant 1] heeft daarom volgens Bing c.s. geen eigen belang bij de vorderingen.

3.6.2.

Het verweer van Bing c.s. faalt. Het enkele feit dat [appellant 1] slechts de adviseur van [appellant 2] en [appellant 3] is neemt niet weg dat [appellant 1] naar zijn stellingen door het onrechtmatige rapport van Bing c.s. (reputatie-)schade lijdt, rehabilitatie wenst en aldus een voldoende eigen belang bij de vorderingen heeft gesteld.

3.6.3.

Vervolgens stellen Bing c.s. dat groep [appellant 2] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen voor zover ingesteld tegen [geïntimeerde 3] , omdat [geïntimeerde 3] niet de auteur van het gewraakte rapport van Bing is.

3.6.3.1. Wat betreft de vorderingen A (verklaring voor recht dat oplevering van het rapport onrechtmatig is) en C (schadevergoeding) slaagt het verweer. Het feit dat [geïntimeerde 3] directeur van (de rechtspersoon) Bing was ten tijde van het uitbrengen van het gewraakte rapport rechtvaardigt niet de conclusie dat [geïntimeerde 3] , die niet de auteur van het rapport is, door dat rapport persoonlijk onrechtmatig handelde en persoonlijk tot betaling van schadevergoeding gehouden is. De vorderingen A en C tegen [geïntimeerde 3] zijn terecht afgewezen.

3.6.3.2. Vordering B (strekkende tot intrekking van het rapport door Bing c.s. en het publiceren van een rectificatie) is door de rechtbank terecht afgewezen voor zover deze vordering is ingesteld tegen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] . Vast staat immers dat deze natuurlijke personen niet langer aan Bing verbonden zijn. Groep [appellant 2] heeft niet onderbouwd dat en waarom [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] het desondanks “in hun macht zouden hebben het rapport van Bing in te trekken”, zoals groep [appellant 2] bij het pleidooi in hoger beroep heeft opgemerkt.

3.6.4.

Van de vorderingen in reconventie van groep [appellant 2] resteren gelet op het voorgaande ter beoordeling in het kader van de grieven 7 en 8 vorderingen A en C voor zover ingesteld tegen Bing en [geïntimeerde 2] en vordering B voor zover ingesteld tegen Bing.
Groep [appellant 2] betoogt in dit kader dat het rapport van Bing onrechtmatig is omdat daarin criteria, toetsingskader en een (deugdelijke) onderzoeksmethode ontbreken. Hierdoor is aan groep [appellant 2] reputatieschade toegebracht, mede omdat het rapport, anders dan de rechtbank overwoog, in de publiciteit is gekomen. Groep [appellant 2] stelt verder dat Bing en [geïntimeerde 2] de grenzen van de opdracht van OZOB hebben overschreden door het handelen van groep [appellant 2] in de beoordeling te betrekken, hetgeen zonder meer onrechtmatig is jegens groep [appellant 2] .

3.6.4.1. Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof voorop dat Bing in opdracht van een derde, te weten OZOB, het door groep [appellant 2] gewraakte rapport van 17 juni 2010 heeft opgesteld. Dit neemt niet weg dat (het uitbrengen van) het rapport jegens groep [appellant 2] onder omstandigheden onrechtmatig kan zijn.

3.6.4.2. Het enkele feit dat Bing en [geïntimeerde 2] buiten de grenzen van de opdracht van OZOB zouden zijn getreden door ook het handelen van groep [appellant 2] in de beoordeling te betrekken, leidt echter, anders dan groep [appellant 2] met grief 8 lijkt te betogen, niet tot die conclusie. Vast staat dat de opdracht van OZOB op verzoek van groep [appellant 2] is uitgebreid met een verzoek tot beoordeling van de bejegening van groep [appellant 2] door de gemeente. Naar het oordeel van het hof kon groep [appellant 2] onder die omstandigheden verwachten dat Bing tevens de bejegening van de gemeente door groep [appellant 2] in ogenschouw zou nemen, nu bejegening van iemand door een ander nauw samenhangt met bejegening van de ander door eerstgenoemde. Onrechtmatig is dit naar het oordeel van het hof, behoudens nadere feiten en omstandigheden die niet zijn gesteld of gebleken, niet.
Daar komt bij dat groep [appellant 2] ook in hoger beroep de feitelijke juistheid van haar aandeel in die bejegening, te weten de door Bing in het rapport in paragraaf 10.3 opgenomen gedragingen en uitlatingen, niet voldoende heeft weersproken. Groep [appellant 2] volstaat (mvg 79) met een verwijzing naar haar in eerste aanleg overgelegde productie 18 waarin zij, naar zij stelt, “een uitvoerige reactie [geeft op paragraaf 10.3] waarin de uitlatingen van groep [appellant 2] in de juiste context zijn geplaatst en waarvan de conclusie is dat de door BING gegeven kwalificatie van het optreden van Groep [appellant 2] niet wordt gedragen door hetgeen in paragraaf 10.3 wordt beschreven omdat dit een te eenzijdige weergave van de situatie is.” Een voldoende duidelijke ontkenning van de feitelijke juistheid van haar gedragingen en uitlatingen genoemd in paragraaf 10.3 van het rapport kan het hof hierin niet lezen. Met de rechtbank (ro. 4.16 van het beroepen vonnis) oordeelt het hof dat die gedragingen en uitlatingen namens groep [appellant 2] als onfatsoenlijk en disproportioneel gekwalificeerd kunnen worden, zoals Bing in het omstreden rapport heeft gedaan. Onrechtmatig jegens groep [appellant 2] is dit niet. Grief 8 faalt.

3.6.4.3. Grief 7 slaagt in zoverre dat groep [appellant 2] terecht betoogt dat voor het aannemen van een onrechtmatige daad van Bing door het uitbrengen van het rapport niet vereist is dat Bing bewust heeft aangestuurd op een voor de gemeente welgevallige uitkomst van haar onderzoek. Tot een ander oordeel leidt dit evenwel niet. Groep [appellant 2] heeft niet duidelijk en concreet aangegeven waarom het ontbreken in het rapport van criteria, toetsingskader en een (deugdelijke) onderzoeksmethode jegens haar, als derde in de contractuele verhouding tussen OZOB en Bing, onrechtmatig zou zijn. Dat de door groep [appellant 2] ingeschakelde professor [professor] tot een ander oordeel over het optreden van de gemeente komt dan Bing is met name onvoldoende. Groep [appellant 2] heeft niet weersproken dat [professor] (ook naar diens eigen mening) een geheel ander onderzoek volgens een geheel andere methode heeft gedaan dan Bing. Het bewijsaanbod van groep [appellant 2] wordt om die reden gepasseerd.
Bovendien heeft groep [appellant 2] niet onderbouwd dat zij (anders dan door de onder 3.6.4.2. door het hof niet onrechtmatig bevonden kwalificatie in paragraaf 10.3 van het rapport) reputatieschade heeft geleden, terwijl thans vast staat dat groep [appellant 2] op 28 augustus 2014 alsnog van de gemeente de gelegenheid heeft gekregen haar plan met betrekking tot “de [bouwproject] ” te realiseren binnen de vastgestelde kaders. Groep [appellant 2] heeft naar het oordeel van het hof aldus niet aannemelijk gemaakt dat zij door eventueel onrechtmatig handelen van Bing/ [geïntimeerde 2] schade heeft geleden.

3.6.5.

Het hof zal thans de grieven 1 tot en met 5 beoordelen, die zich richten tegen de toewijzende beslissing van de rechtbank op de vorderingen in conventie.

3.6.5.1. De vraag die in dit kader beantwoord moet worden is of de uitlatingen van groep [appellant 2] , die weergegeven zijn onder 3.1.m. hiervoor, een onrechtmatige daad jegens Bing c.s. opleveren. De rechtbank heeft in ro. 4.4 van het vonnis waarvan beroep terecht vooropgesteld de uitspraak van de Hoge Raad van 24 juni 1983, NJ 1984,801. Daaruit blijkt dat bij de beantwoording van die vraag de belangen van partijen afgewogen moeten worden. Het gaat enerzijds om het door artikel 8 EVRM beschermde recht van Bing c.s. op eerbiediging van hun (privéleven en) goede naam. Anderzijds heeft groep [appellant 2] krachtens artikel 10 EVRM het recht om gedachten en gevoelens te uiten, van welke inhoud ook. In de rechtspraak is een aantal, niet limitatieve, omstandigheden genoemd, die bij deze afweging een rol (kunnen) spelen.

3.6.5.2. Het hof constateert dat groep [appellant 2] met een deel van de onder 3.1.l. weergegeven uitlatingen op de website van het tijdschrift Binnenlands Bestuur Bing c.s. beschuldigt van strafbare feiten. Het gaat dan om de uitlatingen valsheid in geschrifte (artikel 225 Wetboek van Strafrecht, hierna: WvSr), smaad(schrift) (artikel 261 WvSr) en laster (artikel 262 WvSr). Voorts beschuldigt groep [appellant 2] Bing c.s. van niet-integer gedrag. Daarbij gaat het om de beschuldigingen van belangenverstrengeling, adviesfraude, moedwillige opzet vanuit cliëntelisme, kwaadaardige manipulatie van de waarheid, lakeienadvisering, corruptie en witteboordencriminaliteit.
De hiervoor genoemde beschuldigingen tasten naar het oordeel van het hof de eer en goede naam van Bing c.s. aan en wegen zwaar voor een rechtspersoon die werkzaam is op het gebied van advisering over integriteit van overheidsorganen. Daarmee komt aan het antwoord op de vraag of die beschuldigingen steun in de feiten vinden groot gewicht toe.

3.6.5.3. Groep [appellant 2] betoogt dat haar uitlatingen “wel degelijk grondslag vonden in de feiten” (mvg sub 31). Zij stelt in dit verband dat Bing c.s. beschikten over stukken die in het gewraakte rapport niet zijn terug te vinden.
Wat hiervan ook zij, het hof vermag niet in te zien dat dit standpunt kan leiden tot de conclusie dat Bing c.s. strafbare feiten hebben gepleegd of, kort gezegd, niet integer hebben gehandeld.

3.6.5.4. Dat groep [appellant 2] de door haar gebruikte kwalificaties niet als feitelijk/juridisch oordeel, maar als waardeoordeel heeft bedoeld (mvg 37 en 40) doet aan het voorgaande niet af. Aan bezoekers van de website van Binnenlands Bestuur zal deze bedoeling van groep [appellant 2] , wat daar overigens van zij, redelijkerwijs niet direct duidelijk zijn.

3.6.5.5. Dat de kritiek die groep [appellant 2] heeft op het rapport van Bing c.s. (zie mvg 35; het ontbreken van een toetsingskader, het feit dat het oordeel van Bing c.s. over het handelen van de gemeente uitsluitend steunt op verklaringen van bestuurders, het feit dat [professor] tot een ander oordeel komt, het feit dat Bing c.s. buiten de opdracht van OZOB is getreden en handelde in strijd met haar eigen doelomschrijving en richtlijnen) deels gegrond is en dat Bing c.s. niet tot rectificatie van het rapport bereid waren, noopt evenmin tot de conclusie dat Bing c.s. strafbare feiten pleegde c.q. niet-integer handelde.

3.6.5.6. De conclusie van het voorgaande is dat groep [appellant 2] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat haar door Bing c.s. als onrechtmatig beschouwde uitlatingen steun vonden in de feiten. Het hof merkt ten overvloede nog op dat andere door groep [appellant 2] genoemde kwesties (zie mvg 33) die volgens groep [appellant 2] hebben geleid tot een tuchtrechtelijke berisping van Bing maar die liggen buiten de relatie tussen Bing c.s. en groep [appellant 2] , naar zijn oordeel niet relevant zijn en dus niet tot een ander oordeel op dit punt leiden.

3.6.5.7. Voor zover groep [appellant 2] in de toelichting op grief 4 betoogt dat haar uitlatingen gerechtvaardigd zijn in verband met de ernst van de door haar, in die uitlatingen, gemelde misstand is het hof van oordeel dat die ernst onvoldoende wordt onderbouwd. Uit de stellingen van groep [appellant 2] lijkt te volgen dat de misstand hierin bestaat dat Bing c.s. het gewraakte rapport niet wensen in te trekken c.q. te wijzigen ondanks de kritiek van groep [appellant 2] . Dat op Bing c.s., die in opdracht van OZOB handelden, een verplichting daartoe zou rusten vermag het hof niet in te zien.

3.6.5.8. Aan groep [appellant 2] kan worden toegegeven dat de discussie over een onderwerp als integriteit van het openbaar bestuur op felle toon gevoerd mag worden. Tevens hebben de uitlatingen van groep [appellant 2] plaats gevonden op een voor die discussie geschikt forum, te weten de website van Binnenlands Bestuur. Groep [appellant 2] heeft, anderzijds, Bing c.s. beschuldigd van strafbare feiten en niet-integer gedrag, terwijl die beschuldigingen geen, althans onvoldoende, steun in de feiten vinden. Dit alles leidt het hof tot de conclusie dat de belangenafweging (zie ro. 3.6.5.1.) in het nadeel van groep [appellant 2] uitvalt en dat de hiervoor genoemde uitlatingen van groep [appellant 2] onrechtmatig jegens Bing c.s. zijn.

3.6.5.9. De grieven 1 tot en met 5 falen en de vorderingen in conventie sub 2 en 3 zijn, met inachtneming van het navolgende, terecht toegewezen.

3.6.5.10. Gelet op de beslissing van het hof over grief 6 zal de beslissing over de rectificatie (vordering 2) worden aangepast.

3.6.5.11. De beslissing in het dictum (onder 5.1. sub 3) van het beroepen vonnis op vordering 3 zal het hof als hierna weergegeven preciseren. Het enkele “noemen” van Bing c.s. in publicaties van groep [appellant 2] op de website van Binnenlands Bestuur is naar het oordeel van het hof niet onrechtmatig jegens Bing c.s. en zou een te grote inperking van de vrijheid van meningsuiting van groep [appellant 2] betekenen.

3.6.5.12. Vordering 4 in conventie is naar het oordeel van het hof (ook in de gewijzigde formulering in de memorie van antwoord op bladzijde 34 onder IV) te vaag en zal, mede gezien de door groep [appellant 2] opgeworpen grieven tegen toewijzing van de vorderingen, alsnog worden afgewezen. De vraag welke uitlatingen Bing c.s. op onrechtmatige wijze in eer en goede naam aantasten kan immers (zoals uit het onderhavige geding is gebleken) onderwerp van discussie zijn en leidt om die reden mogelijk tot executieproblemen.

3.6.6.

Nu de grieven zich richten tegen de toewijzing van vorderingen versterkt door een dwangsom, begrijpt het hof dat deze mede zien op de beslissing in het dictum onder 5.2. Naar het oordeel van het hof dient het daar bepaalde geen redelijk doel en leidt deze bepaling slechts tot executieproblemen. Ook op dit punt zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen.

3.7.

De slotsom luidt dat het vonnis waarvan beroep in conventie op een aantal onderdelen zal worden vernietigd en voor het overige zal worden bekrachtigd. Duidelijkheidshalve zal het hof het dictum in conventie opnieuw formuleren. Het vonnis voor zover gewezen in reconventie zal worden bekrachtigd.

3.8.

Voor een andere beslissing over de proceskosten in eerste aanleg ziet het hof geen aanleiding. In hoger beroep is groep [appellant 2] de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, die daarom in de proceskosten van het hoger beroep zal worden veroordeeld.

4. De uitspraak

Het hof:

4.1.

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover in reconventie gewezen;

4.2.

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover in conventie gewezen en, in zoverre opnieuw recht doende:

veroordeelt [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] hoofdelijk om:

1. binnen veertien dagen na betekening van het vonnis waarvan beroep een rectificatie te (doen) plaatsen op de website van Binnenlands Bestuur, met een afmeting van 10 cm breed en 5 cm hoog, met de tekst:
“Overeenkomstig een veroordeling daartoe door de rechter van de Rechtbank Oost-Brabant verklaart de heer [appellant 1] namens de Groep [appellant 2] [woonplaats 1] over het in 2009/2010 door BING uitgevoerd extern onderzoek over de gang van zaken bij een ontwerpwedstrijd in de Gemeente [woonplaats 1] , dat de beschuldigingen ter zake belangenverstrengeling, valsheid in geschrifte, cliëntelisme, manipulatie van de waarheid en beschuldigingen van gelijke strekking ongefundeerd zijn. De rechter heeft tevens bepaald dat door het gebruik van deze kwalificaties ten onrechte ook de namen van de onderzoekers de heren [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] van BING zijn bezoedeld. De heren [appellant 1] [appellant 2] en [appellant 3] zijn hoofdelijk veroordeeld tot het plaatsen van deze rectificatie.”,
een en ander op straffe van verbeurte van een (éénmalige) dwangsom van € 10.000,-- bij niet-naleving van deze veroordeling;

2. binnen veertien dagen na betekening van het vonnis waarvan beroep naar Binnenlands Bestuur een brief te verzenden met het dringende verzoek bij elke publicatie op naam van [appellant 1] al dan niet namens groep [appellant 2] te verwijzen naar de onder 1. genoemde rectificatie, met afschrift aan BING op dezelfde dag als de verzending naar Binnenlands Bestuur, een en ander op straffe van verbeurte van een (éénmalige) dwangsom van € 10.000,-- bij niet-naleving van deze veroordeling;

3. veroordeelt [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van BING tot op de dag van uitspraak van het beroepen vonnis begroot op € 2.778,02 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art.6:119 BW over dit bedrag met ingang van acht dagen na dagtekening van dat vonnis tot de dag van volledige betaling;

4.3.

veroordeelt Bing c.s. hoofdelijk tot terugbetaling aan groep [appellant 2] van de reeds op grond van het vonnis waarvan beroep betaalde schadevergoeding ad (3 maal € 500,-- =)
€ 1.500,--;

4.4.

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5

veroordeelt groep [appellant 2] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Bing c.s. op € 1.862,-- aan verschotten en op € 2.682,--aan salaris advocaat ;

4.6.

wijst af het (in hoger beroep) meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. S. Riemens, C.W.T. Vriezen en T.H.M. van Wechem en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 februari 2016.

griffier rolraadsheer