Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3909

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-09-2016
Datum publicatie
08-12-2016
Zaaknummer
15/00702
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art.228 Gemeentewet: Precariobelasting 2013. De Heffingsambtenaar heeft het vertrouwen opgewekt dat geen precariobelasting is verschuldigd.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 228
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2768
V-N 2-10/4.25.23
Belastingblad 2017/71 met annotatie van M.P. van der Burg
FutD 2016-3057
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00702

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] BV,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg (hierna: de Rechtbank) van 2 april 2015, nummer AWB 14/2071 in het geding tussen

belanghebbende,

en

BsGW Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen te Roermond,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende na te noemen aanslag precariobelasting.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 5 oktober 2013, onder aanslagnummer [aanslagnummer] , over het jaar 2013 een aanslag precariobelasting opgelegd naar een bedrag van € 8.524,80. Na tegen de aanslag gemaakt bezwaar heeft de Heffingsambtenaar bij uitspraak van 26 mei 2014 het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 328. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 497. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 7 juli 2016 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens belanghebbende, de heer [A] , vergezeld van de gemachtigde de heer [B] , advocaat te [vestigingsplaats] , alsmede, namens de Heffingsambtenaar, mevrouw [C] en mevrouw [D] .

1.5.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

De gemeente Roermond is op 4 juli 1995 met belanghebbende (destijds nog: [belanghebbende] B.V. in oprichting) overeengekomen dat eerstgenoemde de schouwburg en het zalencentrum aan het [a-straat] te [vestigingsplaats] voor een bedrag van ƒ 1,= aan laatstgenoemde verkoopt. Blijkens deze overeenkomst is belanghebbende op straffe van een boete gedurende vijfentwintig jaar verplicht het theater als schouwburg in stand te houden en te (doen) exploiteren. De gemeente heeft zich jegens belanghebbende verplicht tot een eenmalige bijdrage van ƒ 15.000.000,= in het te verwachten negatieve exploitatieresultaat van het theater.

2.2.

Op 20 oktober 1997 heeft het bureau Economische Zaken van de gemeente Roermond aan het college van burgemeester en wethouders van deze gemeente (het college) geadviseerd om (onder meer) belanghebbende op grond van de toenmalige precarioverordening vrij te stellen van de heffing van precariobelasting voor de plaatsing van driehoeksborden ten behoeve van theatervoorstellingen omdat in zijn optiek sprake is van voorwerpen die uitsluitend worden gebezigd voor niet-commerciële doeleinden van culturele, maatschappelijke of daarmede gelijk te stellen instellingen met ideële motieven. Het college heeft hierop op 28 oktober 1997 besloten om nader advies in te winnen bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).

2.3.

De afdeling Financiën van de gemeente Roermond heeft, na overleg met de VNG, op 11 november 1997 eveneens aan het college geadviseerd om aan belanghebbende vrijstelling te verlenen van de heffing van precariobelasting, zij het niet op grond van het ontbreken van commerciële doeleinden. Zij adviseert vrijstelling te verlenen op grond van een in de toenmalige precarioverordening opgenomen vrijstelling voor het hebben van voorwerpen waarvoor op andere wijze een vergoeding wordt bedongen (artikel 7 onder a), nadat met belanghebbende een overeenkomst hierover is gesloten. Voorts wordt geadviseerd een beleidslijn te formuleren om met belanghebbende (en andere rechtspersonen, die alle proberen om het cultureel niveau in de gemeente Roermond staande te houden) een overeenkomst af te sluiten aangaande het doen van publicaties om het cultureel product te verkopen. Op het moment dat met dit doel een overeenkomst wordt afgesloten, geldt de vrijstelling zoals opgenomen in de precarioverordening onder onderdeel a. Het college heeft zich in haar vergadering van 18 november 1997 akkoord verklaard met het voorstel van de afdeling Financiën onder de voorwaarde dat in de overeenkomst wordt vastgelegd dat de vrijstelling uitsluitend geldt voor voorstellingen van culturele aard, zowel professioneel als door amateurs.

2.4.

In een door belanghebbende in hoger beroep ingebrachte brief van de gemeente Roermond aan belanghebbende, met dagtekening 10 januari 2001, verzonden op 17 januari 2001, is het volgende opgenomen:

‘3. Precario

In het algemeen geldt dat voor het plaatsen van driehoeksreclameborden op openbare gemeentegrond precario verschuldigd is. Echter, het [belanghebbende] is op grond van artikel 7 g van de precarioverordening hiervan vrijgesteld, tenminste voor zover deze reclame betrekking heeft op de theatervoorstellingen die in het jaarprogramma zijn opgenomen. In alle andere gevallen, bijvoorbeeld reclame voor het eigen restaurant of voor beurzen, wordt wel precario berekend. Met verwijzing naar het eerder gestelde in de vergunningaanvraag is met mevrouw [E] een afspraak gemaakt dat voortaan een jaarprogrammering vooraf wordt verstrekt zodat reeds vroegtijdig vergunning kan worden verleend waarover wel leges, echter geen precario verrekend zal worden. De (precario-)problemen die zich onlangs toch hebben voorgedaan, zijn ontstaan doordat andere organisaties (..) opdracht gaven tot plaatsing van driehoeksborden voor activiteiten in het Theaterhotel waarbij onvoldoende gecommuniceerd werd over de aard van de voorstellingen.’.

2.5.

De Heffingsambtenaar heeft belanghebbende gedurende zeventien jaren (1996 tot en met 2012) niet betrokken in de precariobelasting. In de besluiten die zien op de vergunningverlening aan belanghebbende voor het plaatsen van de driehoeksborden over de theaterseizoenen beginnend op 27 september 2006 en eindigend op 1 juni 2011 is opgenomen dat belanghebbende op grond van de precarioverordening geen precariobelasting is verschuldigd. In de besluiten over de seizoenen van 1 juli 2011 tot en met 31 mei 2013 is hierover weliswaar niets opgenomen, maar aan belanghebbende zijn toen geen aanslagen opgelegd. Over het belastingjaar 2007 heeft de Heffingsambtenaar in eerste instantie wel aan belanghebbende een aanslag precariobelasting opgelegd voor het plaatsen van de driehoeksborden. Deze aanslag heeft de Heffingsambtenaar niet gehandhaafd, doch teruggebracht tot nihil.

2.6.

Op datum in geding luidde de tekst van de Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2013 (precarioverordening), voor zover hier van belang, als volgt:

‘Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

(…)

Artikel 4 Vrijstellingen

De belasting wordt niet geheven ter zake van:

a. Het hebben van voorwerpen waarvoor op andere wijze een vergoeding wordt bedongen;

(…)

f. voorwerpen, welke uitsluitend worden gebezigd voor niet-commerciële doeleinden van culturele, maatschappelijk of daarmee gelijk te stellen instellingen met ideële motieven. (…).’.

2.7.

Bij besluit van 15 juli 2013, verzonden op 17 juli 2013, heeft de Heffingsambtenaar aan belanghebbende voor de periode 1 september 2013 tot en met 1 juni 2014 een vergunning verleend voor het plaatsen van 640 driehoeksborden (1.920 affiches) rond lichtmasten die staan langs wegen die bij de gemeente Roermond in beheer zijn. In deze vergunning is voor zover thans relevant het volgende opgenomen:

‘IV. Precario

Krachtens het bepaalde in de precarioverordening bent u voor het hebben van voorwerpen op gemeentegrond een precariorecht van € 8.524,80 verschuldigd. In de aan u toe te zenden nota staan naast de legeskosten eveneens de precariobelasting vermeld. Een bezwaarschrift tegen de legeskosten alsmede de precariobelasting kunt u indienen na ontvangst van de nota. Bij de nota treft u dan een bijlage aan met de omschrijving van de wijze waarop u gebruik kunt maken van de bezwaarmogelijkheid.’.

2.8.

De aanslag precariobelasting is berekend als volgt: 32 voorstellingen x 20 borden x 3 zijden x 2 weken x € 2,22 = € 8.524,80. De aankondiging op driehoeksborden heeft alleen betrekking op de theatervoorstellingen van belanghebbende. Deze zijn omschreven in de aanvraag vergunning van 8 juli 2013 inzake de voorgenomen jaarprogrammering 2013-2014. Op de driehoeksborden wordt geen reclame gemaakt voor het hotel en/of restaurant van belanghebbende. Belanghebbende stelt in maart van een kalenderjaar de prijzen van de theatervoorstellingen van het daarop volgende theaterseizoen vast.

2.9.

Vanaf 2015 is in de Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting (verordening precariobelasting 2015) in artikel 4, aanhef, onderdeel l een vrijstelling van precariobelasting opgenomen voor:

‘reclame driehoeksborden voor culturele en maatschappelijke activiteiten.’.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft in hoger beroep het antwoord op de volgende vragen:

I. Is sprake van een (bij overeenkomst) bedongen vergoeding, als bedoeld in artikel 4, aanhef, onderdeel a, van de precarioverordening, zodat belanghebbende is vrijgesteld van precariobelasting?

II. Is de vrijstelling ex artikel 4, aanhef, onderdeel f van de precarioverordening van toepassing?

III. Komt aan belanghebbende op basis van het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel een vrijstelling van precariobelasting toe?

IV. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van werkelijke kosten van bezwaar en werkelijke proceskosten in plaats van de forfaitaire vergoeding?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt en op hetgeen ter zitting is opgemerkt.

3.3.

De Heffingsambtenaar heeft – zakelijk weergegeven - ter zitting gesteld dat hij van mening is dat de theatervoorstellingen ten behoeve waarvan door belanghebbende driehoeksborden werden geplaatst weliswaar alle als voorstellingen van culturele aard kunnen worden aangemerkt, maar dat sommige voorstellingen in zijn visie een commercieel karakter hebben. Hij is van mening dat ook op grond daarvan artikel 4(f) van de precarioverordening toepassing mist.

3.4.

Belanghebbende heeft daartegen – zakelijk weergegeven - aangevoerd dat voor de theatervoorstellingen een aparte administratie wordt bijgehouden, en dat op basis daarvan kan worden geconstateerd dat met alle theatervoorstellingen tezamen structureel verlies wordt geleden, hetgeen naar haar mening het - per saldo - niet-commerciële karakter van haar theatervoorstellingen onderstreept. Zij is van mening dat zij de vrijstelling van artikel 4(f) van de precarioverordening op dit deel van haar bedrijf kan toepassen. Belanghebbende heeft desgevraagd laten weten dat de reclame op de driehoeksborden alleen melding maken van de theatervoorstellingen uit de jaarprogrammering, en derhalve geen reclame maken voor eventuele arrangementen waarin de theatervoorstelling wordt gecombineerd met een verblijf en/of maaltijd in het theaterhotel. Voorts heeft belanghebbende ter zitting aangevoerd dat de prijsstelling van haar theatervoorstellingen in de maand maart voorafgaand aan het nieuwe theaterseizoen wordt bepaald. Zij heeft ten tijde van de aankondiging en aanslag precariobelasting 2013 derhalve geen rekening meer kunnen houden met een doorberekening van die precariobelasting in de toegangsprijzen van theaterseizoen 2013/2014.

3.5.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en van de aanslag. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vooraf

4.1.

Belanghebbende heeft als grief aangevoerd, dat zij hangende de bezwaar- en beroepsprocedure telkenmale heeft verzocht om overlegging van alle relevante stukken door de Heffingsambtenaar. Belanghebbende verwijt de Heffingsambtenaar de onder 2.4 vermelde brief van 10 januari 2001 niet aan de Rechtbank te hebben overgelegd. In de pleitnota schrijft belanghebbende het volgende:

‘Op de Gemeente rust de rechtsplicht de Rechtbank, uw college, maar ook cliënt in deze, volledig te informeren. Het is daarbij aan de Gemeente als bestuursorgaan om ALLE relevante stukken in het geding te brengen. En niet alleen de stukken die in haar straatje passen. De Rechtbank, de belanghebbende maar ook uw Gerechtshof dienen over de kwestie een oordeel te geven waarbij ALLE relevante factoren worden meegewogen. Door het achterhouden van juist DAT stuk waaruit de overeenkomst met de Gemeente blijkt gaat de Gemeente alle gangbare en zorgvuldigheidsnormen te buiten.’.

Voorts verwijt belanghebbende in de pleitnota de Heffingsambtenaar, dat bij de procedure in eerste aanleg de Heffingsambtenaar van belanghebbende bewijs heeft verlangd van de stelling van belanghebbende dat wel een overeenkomst is gesloten, terwijl het, naar het oordeel van belanghebbende belangrijke, bewijs in de vorm van de onder 2.4 vermelde brief van 10 januari 2001, door de Heffingsambtenaar is doodgezwegen.

4.2.

In het verweerschrift heeft de Heffingsambtenaar daar als volgt op gereageerd:

‘Het was de gemeente niet bekend dat eiseres niet meer over de brief van 10 januari 2001 (verzonden op 17 januari 2001, geregistreerd onder nummer 2001/0519) beschikte. Deze brief werd verondersteld bekend te zijn bij eiseres, aangezien deze aan haar was gericht.’.

4.3.

Met de onder 4.2 gegeven reactie miskent de Heffingsambtenaar, dat ingevolge artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht op hem de plicht rust de (belasting)rechter volledig en juist te informeren door het overleggen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. In dit licht bezien, is de reactie van de Heffingsambtenaar dat hij niet wist dat belanghebbende niet meer over de brief beschikte irrelevant, omdat in eerste aanleg in ieder geval duidelijk was dat de onder 2.4 vermelde brief van 10 januari 2001 niet behoorde tot het procesdossier en dus de Rechtbank er (ook) niet over beschikte. Aldus heeft de Heffingsambtenaar de Rechtbank informatie onthouden en daarmede zich niet gedragen zoals een bestuursorgaan behoort te doen.

Vraag I

4.4.

Uit de onder 2.3 vastgestelde feiten volgt, dat in 1997 is besloten af te zien van de heffing van precariobelasting nadat bij overeenkomst van belanghebbende een vergoeding zou zijn bedongen, zodat de in toenmalige verordening onder artikel 7, sub a opgenomen vrijstelling van precariobelasting zou gelden.

4.5.

Belanghebbende stelt dat de onder 4.4 bedoelde overeenkomst tot stand is gekomen en dat op grond van die overeenkomst zij voor het onderhavige jaar is vrijgesteld van precariobelasting op grond van artikel 4, aanhef, onderdeel a van de precarioverordening.

4.6.

Het Hof is van oordeel, dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat (bij overeenkomst) een vergoeding van belanghebbende is bedongen. Ook met de onder 2.4 vermelde brief van 10 januari 2001 heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat een overeenkomst, waarbij van belanghebbende een vergoeding is bedongen, tot stand is gekomen. In die brief wordt slechts vermeld, dat geen precario ‘verrekend’ zal worden, maar de reden waarom dit niet gebeurt blijkt er niet uit. Ook het feit, dat belanghebbende sinds 1997 geen vergoeding aan de gemeente Roermond heeft betaald, wijst erop dat nimmer zo’n overeenkomst tot stand is gekomen.

4.7.

Vraag I moet ontkennend worden beantwoord.

Vraag II

4.8.

Uit overwegingen van proces-economie zal het Hof eerst vraag III beantwoorden.

Vraag III

4.9.

Het Hof stelt voorop dat van een in rechte te beschermen vertrouwen niet alleen sprake is als de Heffingsambtenaar bewust en weloverwogen zijn standpunt heeft bepaald (toezegging), maar ook als de belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat de Heffingsambtenaar bewust en weloverwogen zijn standpunt heeft bepaald. (Vergelijk de arresten van de Hoge Raad van 13 december 1989, nr. 25077, onder meer gepubliceerd in BNB 1990/119; van 1 juli 1998, nr. 33458, ECLI:NL:HR:1998:AA2334; van 2 december 1998, nr. 33798, ECLI:NL:HR:1998:AA2607; van 13 oktober 1999, nr. 33311, ECLI:NL:HR:1999:AA2924; van 17 januari 2003, nr. 37463, ECLI:NL:HR:2003:AF2996 en van 9 januari 2004, nr. 38537, ECLI:NL:HR:2004:AO1501 en vergelijk uitspraak Hof ’s-Hertogenbosch van 1 juni 2012, 11/00441, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW7908, r.o. 4.12 en van 5 december 2013, 12/00814, ECLI:NL:GHSHE:2013:5933, r.o. 4.1.)

4.10.

Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, is het Hof van oordeel dat belanghebbende uit de onder 2.2 tot en met 2.5 vermelde feiten en omstandigheden redelijkerwijs de indruk kon opdoen dat de Heffingsambtenaar bewust en weloverwogen het standpunt had ingenomen dat belanghebbende een vrijstelling van precariobelasting toekwam voor wat betreft de inzet van driehoeksborden ten behoeve van haar theatervoorstellingen. In het bijzonder gelet op de onder 2.4 vermelde brief van 10 januari 2001, waarin melding wordt gemaakt van de toepasbaarheid van een vrijstelling van precariobelasting op het plaatsen van driehoeksreclameborden door belanghebbende voor de theatervoorstellingen die in het jaarprogramma van belanghebbende zijn opgenomen. Ook de over het jaar 2007 opgelegde aanslag precariobelasting welke aanslag is teruggebracht tot nihil draagt bij aan deze indruk. Belanghebbende mocht redelijkerwijs begrijpen dat de Heffingsambtenaar voor de jaren 1996 tot en met 2012 bewust en weloverwogen tot het oordeel was gekomen dat belanghebbende geen precariobelasting verschuldigd was voor wat betreft de plaatsing van driehoeksborden ten behoeve van haar theatervoorstellingen, die in het jaarprogramma van belanghebbende zijn opgenomen, zowel professioneel als door amateurs. Vast staat dat de onderhavige aanslag uitsluitend betrekking heeft op de inzet van driehoeksborden voor promotie en reclame van theatervoorstellingen die in het jaarprogramma zijn opgenomen. Uit het vorenstaande volgt, dat bij belanghebbende het in rechte te honoreren vertrouwen is opgewekt dat de heffing van precariobelasting hierover achterwege zou blijven.

4.11.

Op zich is juist de overweging van de Rechtbank onder 6.3.2 dat ingevolge vaste jurisprudentie op de verweerder geen rechtsplicht rust om bij constatering van in het verleden gemaakte fouten deze te laten voortduren. Bij het niet laten voortduren van gemaakte fouten dient het bestuursorgaan evenwel het bij een belanghebbende opgewekte vertrouwen te respecteren totdat belanghebbende duidelijk is gemaakt dat dit vertrouwen wordt beëindigd. Hierbij dient het bestuursorgaan onder omstandigheden een belanghebbende een overgangstermijn te gunnen. Het Hof overweegt dat bij een eventuele beëindiging van het bij belanghebbende opgewekte vertrouwen door de Heffingsambtenaar rekening dient te worden gehouden met de mate waarin belanghebbende de mogelijkheid heeft de precariobelasting alsnog in de toegangsprijzen voor de theatervoorstellingen door te berekenen (arrest van de Hoge Raad van 2 september 1992, nr. 27855, onder meer gepubliceerd in BNB 1993/2). Het standpunt van belanghebbende dat zij niet in de gelegenheid is gesteld de precariobelasting over het theaterseizoen 2013/2014, maar ook niet die over het theaterseizoen 2014/2015, in haar prijzen voor de theatervoorstellingen te verwerken, acht het Hof aannemelijk. Nu het geschil in hoger beroep is beperkt tot de aanslag precariobelasting over het jaar 2013 ligt het niet op de weg van het Hof hier voor wat betreft het jaar 2014 rechtsgevolgen aan te verbinden.

4.12.

Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel behoeft geen beantwoording meer.

4.13.

Uit het vorenoverwogene volgt, dat vraag III bevestigend moet worden beantwoord. Hieruit volgt dat vraag II geen beantwoording meer behoeft .

Vraag IV

4.14.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht die tot vergoeding van haar werkelijke kosten van bezwaar en haar werkelijke proceskosten moeten leiden. Het Hof acht dergelijke omstandigheden echter niet aanwezig. Dit behoeft gelet op de arresten van de Hoge Raad van 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2995, en van 30 augustus 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA2060, geen nadere motivering.

Slotsom

4.15.

De slotsom is dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de Heffingsambtenaar vernietigen en de aanslag precariobelasting 2013 vernietigen.

4.16.

Gelet op de omstandigheid, dat de aanslag wordt vernietigd, gaat het Hof voorbij aan hetgeen de Rechtbank onder 5 tot en met 5.9, waarover partijen in hoger beroep niets hebben aangevoerd, heeft overwogen. Terzijde merkt het Hof op, dat de onder 5.1 van de uitspraak van de Rechtbank bedoelde brieven van 21 januari 2015 en 11 februari 2015 (met bijlagen) niet door de Rechtbank aan het procesdossier zijn toegevoegd en het Hof daarover dus niet beschikt, zodat ook om die reden voorbij wordt gegaan aan hetgeen de Rechtbank onder 5 tot en met 5.9 heeft overwogen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.17.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 328 respectievelijk € 497 te vergoeden.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar en de proceskosten

4.18.

Nu de uitspraak van de Rechtbank en die van de Heffingsambtenaar worden vernietigd, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met het bezwaar bij de Heffingsambtenaar, de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.19.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht,

  • -

    voor de kosten van het bezwaar op 1 (punt) x € 246 x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 246;

  • -

    voor de behandeling bij de Rechtbank op 2 (punten) x € 496 x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 992;

  • -

    voor de behandeling bij het Hof op 2 (punten) x € 496 x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 992.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

  • -

    verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Heffingsambtenaar;

  • -

    vernietigt de aanslag;

  • -

    gelast dat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 825 wordt vergoedt; en

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het bezwaar alsmede in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 2.230.

Aldus gedaan op: 2 september 2016 door M. Harthoorn, voorzitter, J.W.J. Huige en P. Fortuin, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.